Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 10
--"Maar hoe hebt ge de Welle kunnen spreken, als ge het klooster niet hebt kunnen verlaten?" vroeg Jacob, nog altijd wantrouwend.
--"Hij gaf mij het mes reeds weken geleden. Maar ik durfde u niet vertrouwen. Ge hadt mij kunnen verraden, als het den prior gelukt was u terug te winnen voor de Kerk. O, het heeft weinig gescheeld! Ik heb u gadegeslagen! Maar thans zijt ge gered. Anselmus heeft gespeeld en verloren. Kom mede,--het is haast tijd! Anders ga ik alleen en gij blijft gevangen, misschien voorgoed."
--"Maar hoe weet ge, dat de Welle op ons wacht?"
--"Hij gaf mij een teeken. Aan de overzijde van de Leye woont een vrouw, die tot de Calvinischen behoort, en uit haar zoldervenster waaide heden een witte doek. Dat is het afgesproken sein. Hij zal van middernacht tot één uur op ons wachten. Maar nu genoeg van uw wantrouwen. Ga of blijf."
--"Ik ga met u! Ik wil het wagen!" zei Jacob met gesmoorde stem.
--"Goed! Snel dan; er is geen tijd te verliezen! Hier, neem het kruismes, als wij ons moeten verdedigen. Want wij moeten slagen, voor u en voor mij!"
En zijn lantaarn opnemende, die hij weder onder zijn pij verborg, wenkte Bernardus Jacob hem te volgen.
--"Doe uw schoenen uit!" fluisterde de monnik.
Jacob gehoorzaamde en zonder gedruisch gleden de twee witte gedaanten door de donkere kloostergangen en daalden de steenen trappen af. Jacob zou in het duister nimmer den weg gevonden hebben, maar broeder Bernardus, die vele jaren in het klooster had doorgebracht, aarzelde geen oogenblik.
Thans waren zij beneden, in het achterhuis, waar zich de keuken, de bakkerij en de toegangen tot de ruime kelders bevonden. Plotseling bleef Bernardus staan: hij had een deur hooren kraken. Haastig duwde hij Jacob in den donkeren hoek van een uitbouwsel der verwulfde gang.
Een donkere gedaante schreed langzaam op hen toe. Wie kon het zijn? Waren zij niet de eenige vluchtelingen? Of was het een spion? Had men iets van Bernardus' plannen vermoed? Jacobs hart bonsde.
De gestalte kwam nader en nader. Hij moest hen zien in hunne witte pijen, als hij voorbijsloop.
Broeder Bernardus aarzelde niet. Haastig ontdeed hij zich van het lange kloostergewaad, en toen de gedaante vlak bij hen was, wierp hij haar met een snelle beweging zijner lange armen de pij over het hoofd. Men hoorde een gesmoorden uitroep, het rinkelen van brekend aardewerk, maar voor de man zich te weer kon stellen, had de monnik met een kracht en behendigheid, die men niet bij hem zou hebben vermoed, den nachtelijken zwerver achterover op den grond geworpen. Haastig wond hij den gordel van sterk touw, dien hij had gereed gehouden, om de pij, die hoofd en hals van zijn slachtoffer bedekte, en knoopte het koord stevig vast.
--"Uw gordel los! Bind hem de voeten!" beet hij Jacob toe.
Deze gehoorzaamde werktuiglijk. Hij greep de beenen van den spartelenden man en bond die aan de enkels stevig vast. De gevangene kreunde dof, maar lag nu onbeweeglijk stil.
Bernardus greep zijn lantaarn en lichtte bij. Een gebroken kruik lag op den grond en de sterke reuk van bier drong in hun neus.
--"Een leekebroeder, die uit zijn cel is geslopen, om bier uit den kelder te stelen," mompelde de monnik. "Spoedig vooruit! Als iemand het breken van de kruik heeft gehoord, zijn wij verloren!"
Zij snelden naar de achterpoort. Jacob wierp nog een blik achteruit, naar den betrapten kloosterdief.
--"Zou hij niet stikken, onder die pij?" vroeg hij.
--"Geen nood! Hij heeft zijn handen vrij! Als niemand het breken van die verwenschte kruik heeft gehoord, kan hij zich wel loswringen. Maar voor 't oogenblik is hij onschadelijk. Voort, hij moet ons zien noch hooren!"
Zij waren bij de gesloten tuindeur. De grendels en bouten waren spoedig weggeschoven. Bernardus haalde een zijner haken voor den dag en het bleek, dat hij een handige smid was. Het slot ging zonder moeite open.
--"Ik had het goed gesmeerd--met olie uit de heilige lamp van het altaar," fluisterde hij. "Naar de waterpoort!"
Zij snelden den kloosterhof door. Het weder, dien morgen zoo schoon en stil, was tegen den avond omgeslagen. Er woei een gure wind en zwart-grijze wolkgevaarten dreven in ijlende vaart langs den hemel, waar van tijd tot tijd de maan even doorbrak. Men kon het klotsen van de golven van de Leye duidelijk hooren.
Achter hen bleef alles stil. De gebonden conversbroeder had zich nog niet bevrijd, of wellicht dreef de angst voor eigen veiligheid hem, om zich stil te houden.
Nu waren zij aan de waterpoort. Broeder Bernardus had zijn lantaarn uitgeblazen en weggeworpen, opdat het licht hen niet zou verraden. Hij klappertandde van de koude, want de nacht was guur en hij miste zijn warme pij. Zenuwachtig haalde hij zijn tweeden haak te voorschijn en boog zich over het slot, maar zijn handen beefden en hij kon het sleutelgat niet vinden.
--"Beproef gij het!" fluisterde hij met heesche stem.
Jacob nam den haak. Juist brak de maan voor een oogenblik door de wolken en zonder moeite stak hij het ijzer in de kleine, donkere opening. Hij drukte en wrong, maar het slot week niet.
--"Het gaat niet!" fluisterde hij. Hij was niet minder zenuwachtig dan zijn metgezel. Wat, als zij de poort niet open konden krijgen? Wat, als de monnik zich vergist had? Als de boot met de Welle er niet was, en zij, al was de deur open, radeloos zouden staan voor de donkere golven van de Leye?
Broeder Bernardus veegde zich het angstzweet van het voorhoofd.
--"Het moet gaan!" hijgde hij. "Op zijde! Laat mij bij de deur!"
Hij greep den haak met zijn lenige, gespierde vingers en drukte voorzichtig. De veer van het slot gaf niet mede. Buiten schuurde iets tegen het paalwerk van de breede stoep, die uitgebouwd was in de rivier.
--"De boot!" steunde Bernardus, angstig omziende. "Het moet! Hier, uw scapulier!"
Hij rukte Jacob het korte scapulier van de schouders en wikkelde het om het einde van den haak. Voorzichtig stak hij dien nogmaals in het sleutelgat en drukte met kracht. Het slot gaf mede.
Met een zucht van verlichting opende de monnik de deur en keek naar buiten. Aan de stoep lag een roeiboot. Een man stond er in en hield haar met een bootshaak tegen het paalwerk.
--"Is de jonker bij u?" vraagde een gesmoorde stem. Jacob herademde: het was de stem van Pieter de Welle.
--"Ja!" juichte broeder Bernardus, terwijl hij Jacob meetrok.
--"Schreeuw zoo niet, gek! Goddank, jonker, dat ik je weerzie!" zei de Welle heftig. "Doe die vervloekte witte pij uit! Hier zijn kleeren."
Hij wierp een bundel op de stoep. Jacob ontdeed zich haastig van zijn kloostergewaad en broeder Bernardus, opgewonden van blijdschap over het aanvankelijk slagen van het plan, wierp het kleed met een forschen zwaai over den hoogen kloostermuur, waar het aan een der ijzeren punten bleef hangen.
--"'t Wordt waar, wat de devote Anna Byns, de Antwerpsche bagijn, in haar refereyn heeft gezegd," zei hij uitgelaten:
"De monnicken hangen hun cappen opten tune "En gaen als ruters den cost bejaghen."
--"Vooruit, en dan--vive le Geus!"
--"Houd u stil en kom in de boot!" zei de Welle, "ge zijt de poort nog niet uit."
Jacob had zich intusschen in een grove greinen pij gestoken, zooals de boeren en visschers die des winters droegen. De Welle reikte hem een wollen muts toe. De beide mannen stapten in de boot en de koddebeier begon voorzichtig te roeien, terwijl hij zooveel mogelijk in de schaduw van den walkant bleef. Maar zijn voorzichtigheid was noodeloos: straatverlichting was er in die dagen nog niet en de nachtwachts van den Hoog-baljuw vonden het weder veel te guur, om langs de kade van de Leye te dwalen en zaten zeker warm en wel in het wachthuis.
Zij roeiden een eind voort, tot zij bij een kleine scheepstimmerwerf kwamen. Hier legde de Welle de boot vast. De drie mannen stapten aan wal en klommen zonder moeite het lage houten hek over, dat de werf van den openbaren weg scheidde.
--"Waarheen nu?" vroeg Bernardus.
--"Wij moeten voor poortopenen de stad uit," zei de Welle. "De rakkers van den Baljuw zullen morgen met den vroegste de geheele stad afzoeken naar den jonker. Wij moeten de poort uit!"
--"Kan dat?" vroeg Bernardus.
--"We gaan naar 't Pieterseliepoortje," zei de Welle. "Aegt Jansdochter wacht ons, jonker. Ze zal ons 't poortje uitlaten, en dan over de velden naar Antwerpen."
--"Naar Antwerpen?" vraagde Jacob.
--"Ja! Dat is nu de stad voor die van de ware religie!" zei de Welle. "De Papisten noemen ze 't Vlaamsche Genève. Daar zal de dans beginnen, jonker, en we zullen de papisten met de Inquisitie het land uitdansen. Maar nu vooruit, we hebben geen tijd te verliezen."
--"Laat ons over de Markt gaan," verzocht Jacob.
Pieter de Welle knikte en de mannen liepen vlug door de nauwe, donkere straten, tot zij de Vrijdaegsmarkt bereikten. Daar stonden zij even stil. Jacob Martens staarde naar zijn ouderlijk huis, waarvan hij den gevel flauw kon onderscheiden. Dààr sliepen zijne ouders, zijn lieve Klaartje; daar had hij een blijde jeugd doorgebracht; daar was hij gelukkig geweest in de liefde van Madeleine--en nu, hij ging dat alles achterlaten. Hij nam afscheid--voorgoed. Eén oogenblik kwam de gedachte bij hem op, of hij niet te hoog een prijs betaalde voor zijne overtuiging. Bliksemsnel trok de verzoeking door zijn geest: hij behoefde zijn makkers slechts vaarwel te zeggen en den klopper te laten vallen. De zijnen zouden verwonderd en vertoornd zijn, als zij hem zoo onverwachts terugzagen, maar als hij zich onderwierp aan den wil zijner ouders, ja, al was het maar in schijn, als hij voor het uiterlijk maar een goede Roomsche was, dan zou alles wèl zijn. Zijn vader had invloed genoeg om het verleden te doen vergeten. En hij zou alles terug ontvangen: de liefde der zijnen, zijn eervolle plaats in zijn omgeving, als jonker Martens, den zoon van den president van Vlaanderen, de minne van de fiere Madeleine de Bette...
De strijd was kort en hevig. Toen, na een laatsten blik, wendde Jacob zich af.
--"Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig," klonk het in zijn ziel, "ja, Heere God,--maar o het is zoo hard!"
Zwijgend ging het drietal verder, tot zij het Petercelle-poortje bereikten. Het portiershuis stond daar, met gesloten luiken. Alles scheen in diepe rust, doch toen Pieter de Welle zachtjes driemaal tegen het vensterluik tikte, stond Aegt Jansdochter geheel gekleed voor hen.
--"Is de jonker er bij?" vraagde zij. "Ja? St. Aegte zij geprezen, jonker, dat je uit dat klooster zijt geraakt. Mijn jonker een Witheer? Dat nooit, al breek ik mijn eed als portierster en waag ik er mijn post en mogelijk mijn hals bij!"
--"Maar dat mag ik niet toelaten!" riep Jacob Martens ontsteld. "Pieter, we kunnen misschien elders..."
--"Ze heeft gezworen op Paapsche reliquieën," zei de Welle norsch, "en dien eed kan zij breken. Voort, jonker, onze hals is in gevaar, meer dan die van Aegte. Wie zal haar verraden?"
De portierster trok Jacob naar zich toe en drukte hem een moederlijken kus op het voorhoofd.
--"Dan moeten de president en de Hoog-baljuw maar niet aan mijn voedsterkind raken," zei het kloeke wijf hartelijk. "Wees gerust, jonker, pater Adriaan, mijn biechtvader, is de kwaadste niet. Voor een pond waskaarsen krijg ik absolutie."
Jacob wilde nog iets zeggen, maar Aegte opende snel en voorzichtig de poortdeur en Pieter de Welle vatte hem bij den arm en drong hem naar buiten. Achter hen werd het poortje voorzichtig gesloten.
Toen de grauwe, kille Decembermorgen aanbrak, waren de drie vluchtelingen reeds ver van Gent, op hun weg naar Antwerpen. De grijze toren van St. Bavo scheen hen over de velden na te staren.
VIII.
Antwerpen, "dat broeinest van ketters", zooals de Landvoogdes aan Philips II schreef, "het Noordsche Genève", zooals de Gereformeerden het noemden, verdiende die namen in den winter van 1566-67. Bestuurd door zijn burgemeester Anthonie van Stralen, onder zijn markgraaf, den Prins van Oranje, had het een gewetensvrijheid weten te veroveren, die men elders in den lande vergeefs zou zoeken. Openlijk hadden de Gereformeerden na den beeldenstorm in de ontwijde Roomsche kerken gepredikt, ja doop en avondmaal bediend en zij hadden ze eerst teruggegeven, toen men hun op drie plaatsen in de stad vaste kerken aanwees, waar elken Zondag door Gereformeerde leeraars, zoo Vlamingen als Huguenoten, het Woord Gods werd verkondigd en de doop werd bediend. En de Lutherschen, de "Martinisten", zooals ze werden genoemd, hadden dat voorbeeld gevolgd en ook zij hadden drie bedehuizen weten te veroveren.
Wel had Margaretha van Parma toornig geëischt, dat men die bepalingen zou intrekken, dat de openbare prediking niet langer zou worden geduld, maar het volk van Antwerpen had dien eisch afgewezen: de kerken der Hervorming bleven openstaan en Antwerpens grootsche kathedraal stond daar nog altijd, ledig en ontwijd. De woelige Brederode had er een poos vertoefd en werd door het volk op de handen gedragen, en wel zond de Landvoogdes den Prins van Oranje er heen, om het gezag der regeering te doen eerbiedigen, wel scheen de Zwijger geneigd, haar te gehoorzamen, wel onderhandelde hij met de mannen van den Breeden Raad, met de besturen der gilden en der cameren van Rhetorica--maar de toestand bleef, zooals hij was. En de Landvoogdes, die Doornik weldra voor haar wil zou doen bukken, die het kleine, oproerige Valenciennes deed belegeren door de troepen van Noircarmes, zij durfde de machtige handelsstad niet dwingen tot gehoorzaamheid,--nòg niet althans.
En ondertusschen werden dààr groote plannen gesmeed voor de toekomst. De koning zou komen, ja, maar hij zou komen met een groot leger, en allen, zoo de edelen als het volk, wisten, wat dat beteekende. Zou men buigen? Zou men de pas verworven vrijheid des gewetens weer prijs geven? Zou men toestaan, dat de Inquisitie, dàn gehandhaafd door den sterken arm van het koninklijk gezag, weer de verkondiging van het Woord Gods zou trachten te smoren?
Het was woelig in Antwerpen, in de laatste dagen van 1566. Het consistorie der Gereformeerde Kerk zat niet ledig en onderhandelde steeds met de andere kerken, zoo in de Nederlanden, als in Frankrijk. Taffin, Petrus Dathenus en Herman Modet, meer volksmannen dan Junius, hielden door hun heftige predikatiën een oproerigen geest onder het volk levendig en verkondigden openlijk den aanstaanden val van den Antichrist en de verlossing van het volk des Heeren. Jan van Thoulouse, de broeder van Philips van Marnix en Jan van Treslong wierven er, naar men openlijk vertelde, manschappen aan, om dan te zamen met den graaf van Culemborch zich te verzetten tegen het gezag des Konings en de Inquisitie uit het land te verdrijven. In Duitschland, heette het, werden hulpbenden aangenomen, die, als het tijd was, de beweging zouden steunen. De Prins van Condé zou hulp hebben beloofd; een leger der Huguenoten stond gereed, de grenzen over te trekken, om de broeders in Vlaanderen ter hulp te snellen. Zoo sprak men en men verwachtte groote gebeurtenissen en men sprak het benarde Valenciennes moed in. Het moest volhouden, het moest niet bukken voor de macht der Landvoogdes. Er zou ontzet komen, zeker!
En Oranje? Hij moet geweten hebben wat er broeide; zijn broeder Lodewijk en zijn beste vrienden waren in de beweging betrokken. Voor het oog was hij de regeering getrouw, maar heeft hij niet gedacht, dat de ure der bevrijding toen reeds zou slaan? Heeft hij niet gemeend, dat het gewapend verzet van de mannen van Antwerpen de vonk in het buskruit zou zijn, die den opstand door het geheele land zou doen ontbranden? Wie zal het zeggen? Hij heeft al wat daar geschied is in het voorjaar zien aankomen; hij schijnt de beweging te hebben begunstigd, hij heeft haar althans niet verhinderd. Maar toen deze stoute zet op het politieke schaakbord te vroeg bleek gedaan, heeft hij met gevaar van zijn leven Antwerpen behoed voor de wraak der regeering en niemand kon hem beschuldigen, dat hij deel had aan de onderneming, die zulk een rampzalig einde moest nemen.
De ure der vrijheid had nog niet geslagen!
De grauwe Decembermorgen brak over Jacob Martens en zijn beide metgezellen aan, toen zij door de vlakke velden van het rijke "Land van Waes" heentogen naar de groote Scheldestad. Zij hadden onderweg niet veel gesproken. Pieter de Welle, die het landschap door en door kende, had zorgvuldig de groote wegen vermeden, en hen langs binnenpaden en door weilanden voortgeleid. Soms had hij hen met een kort woord gewaarschuwd, hem op den voet te volgen, omdat de streek moerassig was. Nu hadden zij eindelijk een breede heerbaan bereikt. De Welle wierp een onderzoekenden blik naar alle kanten, maar hij zag niets, wat hen kon verontrusten. Het winterlandschap lag doodsch en eenzaam; slechts de rook, die opsteeg uit de schouwen der boerenwoningen, die hier en daar tusschen hoog geboomte verscholen lagen, toonde aan, dat hier menschen woonden. De koddebeier knikte tevreden. Hij haalde brood en spek uit de linnen tasch, die hij om de schouders droeg, en gaf het zijn beide reisgenooten, die gretig hun eenvoudig ontbijt nuttigden. Opeens begon broeder Bernardus, die met zijn magere gestalte in het huismanspak, dat hem veel te wijd was, een zonderlinge vertooning maakte, luide te lachen. Pieter de Welle fronste het voorhoofd en zag hem uitvorschend aan.
--"Wat lacht ge, Gheleijn de Keijzer?" zei hij stroef. "Wacht liever met uw vroolijkheid, tot wij, door Gods goedheid, veilig binnen Antwerpen zijn."
--"Ik lach om dien dommen convers," zei de beweeglijke man, dien Jacob Martens slechts had gekend onder den naam van broeder Bernardus, maar die nu weder Gheleijn de Keijzer heette, als vroeger. "'t Was de "botte Peer-Tist", zooals wij hem in het klooster noemden. Of hij heeft durven schreeuwen? En hoe hij het bij den sub-prior zal goedmaken, dat hij des nachts met een gevulde bierkruik uit den kelder kwam? Ik wou ondertusschen, dat ik een teuge biers hier had, want mijn keel is zoo droog, als een preek van vader Anselmus in de vasten."
--"Was dan bij de vleeschpotten van Egypte en uwe Paepsche afgoderijen gebleven!" bromde de Welle norsch. "Wat deedt ge het klooster te verlaten, man, wanneer ge nog hunkert naar het patersbier, als God u pas heeft bevrijd."
--"Is dat mijn dank, omdat ik u geholpen heb den jonker uit het klooster te krijgen?" zei de zonderlinge man lachend. "Houd het mij ten beste, jonker Martens," vervolgde hij tegen Jacob, "zoo ik een loshoofd schijn. Ik ben zoo dartel als een jong veulen in de wei, nu ik die verwenschte witte pij heb uitgetrokken."
--"Waart ge het kloosterleven zoo moede, broeder Bernardus?" vraagde Jacob, verwonderd over de verandering van den vroeger zoo schuwen, stillen man.
--"Noem mij niet meer met dien verbruiden kloosternaam! Ik ben weer Gheleijn de Keijzer, meester in de conste van het snijden en drijven van koper, die ik vroeger was, vroeger, eer ik mij, gefoold door booze gedachten, omdat een deerne mij had bedrogen, in de pij liet steken."
--"Of er nog een vroom predikant uit u groeien mocht, als de godzalige Dathenus en Modet, of Octiviaan van Bacourt, die dienaar des Woords is te Laventhie, en die ook een witheer was," meende Pieter de Welle.
--"Een predikant? Zeg liever een goed landsknecht of een ruiter! Ge zegt immers, dat het aan den dans gaat met de knechten der Landvoogdes?" lachte de andere.
--"Maar ge behoort toch tot de onzen? Ge zijt toch mede van de gesuyverde religie?" vraagde Jacob bevreemd.
--"Van de gesuyverde religie? Zeker wel! Leert gijlieden niet, dat men de kloosters moet sluiten, en dat monniken en nonnen moeten hijlikken? En dat vasten en penitentie Paapsche bijgeloovigheden zijn? Ik behoor tot u, met lichaam en ziel! Reken op Gheleijn de Keijzer."
Jacob zweeg. Zijn eenvoudig, vroom gemoed kon de lichtzinnigheid van den ander niet begrijpen. Hij had met hart en ziel de zaak des geloofs en der vrijheid omhelsd, hij had voor zijn overtuiging alles veilgehad: zijn toekomst, zijn liefde, zijn levensgeluk. Hij begreep niet, dat er onder de strijders voor de vrijheid óók konden zijn, wier geestdrift welde uit troebele bron en die de heilige zaak dienden om vaak zeer onedele beweegredenen.
Na een korte rust brak het gezelschap weder op. Het duurde nu niet lang meer, of de statige toren van den Dom van Antwerpen trad uit de morgennevelen te voorschijn. Het werd drukker op den weg, want tal van landlieden gingen stadwaarts, zoo te voet, als met de Vlaamsche huifkarren. Nog altijd keek Pieter de Welle met scherpe blikken rond, maar er was niets verdachts te bespeuren, en zonder bemoeilijkt te worden bereikten de drie mannen de breede Schelde. De winter was tot nog toe zacht geweest en er was geen ijs op de rivier. Zonder moeite vonden zij plaats op een der veerponten, die het verkeer der machtige handelsstad met Vlaanderen onderhielden, en weldra betraden zij de drukke straten van het "Vlaamsche Genève". Zij waren er in veiligheid: het trotsche Antwerpen had het juk der geloofsvervolging afgeworpen en zelfs de invloed van den president van den Raad van Vlaanderen zou niet groot genoeg zijn, om de Magistraat te bewegen, zijn zoon uit te leveren, wanneer die er eenmaal in geslaagd was zich te stellen onder de bescherming van de hoofden der Geuzen, die er een tijd lang feitelijk de macht in handen hadden.
Pieter de Welle, die ook in de stad welbekend was, leidde zijne beide metgezellen langs den kortsten weg naar de "Meere", het groote marktplein der stad, waar zich de taveerne de "Fonteyne" bevond, dezelfde herberg, die Jan van Treslong in het voorjaar aan Jacob Martens genoemd had, als het hoofdkwartier der Geuzen.
Hoewel het nog vroeg in den morgen was, was het reeds druk in de taveerne, en de waard, een stevige kaerel, die brutaalweg op zijn muts van otterbont een Geuzenpenning droeg, had het met zijn knecht druk om de ongeduldige gasten te bedienen en hun de kroezen heet bier te reiken, die zij telkens verlangden. Die gasten vormden een vreemd mengelmoes: men zag er den fluweelen of fijn laken mantel, met bont omzoomd, van den edelman, zoowel als de grofgreinen pij van den huisman en het zwart lakensche wambuis van den deftigen poorter. Er werd heftig en druk gesproken, en de gezichten stonden ernstig en strak.
Het binnenkomen van de Welle en zijne beide metgezellen veroorzaakte eenige opschudding. Sommigen staakten hun gesprek, anderen keken den waard vragend aan, maar deze, die met den koddebeier een vriendschappelijken groet had gewisseld, knikte even geruststellend, en dat scheen voldoende, want de gesprekken werden weder voortgezet.
De Welle eischte een kroes heet bier voor zich en zijne beide makkers. Toen zette hij zich neer op een der lage houten banken en monsterde het gezelschap met een opmerkzamen blik. Op de bank in de breede schouw--de eereplaats--zaten een paar edellieden en voor hen stond een forsch, breed geschouderd man, die sprak met heftige gebaren en een toornigen gloed in de oogen. Hij was gekleed als een Vlaamsche boer en hield de wollen muts in de hand, maar iets in zijn houding en gebaar toonde, dat hij niet de eenvoudige huisman was, die hij schijnen wilde.
Pieter de Welle boog zich voorover naar Jacob.
--"Ziet ge dien grooten kerel daar, jonker, die met die edellui aan het redekavelen is? Dat is Jean Denijs, de vroegere baljuw van Roosbrugge. Hij is door den gouverneur afgezet om zijne geuzerije en nu is hij een van de felste aanhangers van den Heer van Brederode. Zie, hoe driftig hij zich maakt! Zeker willen die twee niet naar hem luisteren."
Jacob keek naar den haard en met blijdschap herkende hij in een der edellieden jonker Jan Blois van Treslong. Ook de Welle herkende den jongen edelman.
--"Daar zit zoo waarlijk de jonker van Treslong!" riep hij luidruchtig. "Die zal ons voorthelpen," en zonder er zich om te bekommeren, dat hij de drie mannen in hun gesprek stoorde, trok hij Jacob mede naar de schouw.
Treslong herkende hen terstond en ontving hen hartelijk.