Chapter 9
Zij slopen nu behoedzaam naar de plek waar de Spanjaards lagen. De maatregelen waren goed genomen. Twee man moesten proppen in de monden stoppen en de anderen handen en voeten binden. Mesty en Rustig knielden bij het kaarslicht naast hen neer en hielden de messen opgeheven om hen het zwijgen op te leggen, of toe te stooten, als hun eigen behoud dat vereischte.
De dekens werden van den eersten man afgelicht; hij sloeg de oogen op, maar de bootsman had hem de hand al op den mond--en hij werd zonder gerucht geboeid. De beide anderen werden wakker en wierpen hun bedekking af, maar ook zij werden ingerekend, zonder dat er bloed behoefde gestort te worden.
"Wat nu gedaan, Mesty."
"Nu het achterluik opengezet en opgepast--zoodra er een boven komt wordt hij gekneveld; komen er geen meer boven, dan wachten we tot de dag aanbreekt en zien hoe het er mee staat."
Mesty ging eens op den bak kijken of er wel goed wacht gehouden werd, en na het heele dek rondgeweest te zijn blies hij de kaars uit en vatte met de overigen post bij het achterluik.
Met het aanbreken van den dag ontwaakten de Spanjaarden, die de wacht moesten overnemen, kleedden zich en kwamen aan dek zonder een flauw vermoeden, dat de Engelschen er meester zouden zijn. Mesty en de overigen hielden zich terug en lieten allen boven komen zonder dat zijzelf opgemerkt werden. Er waren er vier, die slaperig rondkeken, waar hun kameraads toch wel wezen mochten.
Het luik werd door Jack weer gesloten, en eer zij goed wisten wat hun overkwam, waren allen vier stevig geboeid, zonder dat er een kik was gelaten.
Intusschen begon het vrij licht te worden en zij bespeurden nu dat ze een flink schip vermeesterd hadden--maar er viel nog meer te doen. Natuurlijk bevonden zich een aantal manschappen op het schip en bovendien waren ze geen mijl verwijderd van de batterij op de kust. Mesty liet nu boven het rooster van het voorluik een flinken kabel opschieten, zoodat de zwaarte daarvan het openen van den binnenkant belette.
"De hoofdzaak is nu, meneer Rustig, dat we den kapitein in onze macht krijgen; we moeten hem op het dek lokken. Zet het kajuitsluik open en houd het achterluik goed gesloten. Laat er twee man bij post vatten en de overigen naar achteren komen."
"Ja," antwoordde Jack, "'t zal heel wat moeite in hebben ons van den kapitein te verzekeren. Hoe krijgen we hem boven?"
"Hem boven krijgen? O, dat zal best gaan."
Mesty begon nu met een opgerolden kabel een vreeselijk misbaar op het dek te maken. Kort daarop hoorde men een driftig schellen van uit de kajuit en een oogenblik later kwam er een man de kajuitstrap ophollen, doch werd onmiddelijk ingerekend.
"Dat is de oppasser maar," zei Mesty, "hij komt vertellen, dat we niet zoo'n verduiveld leven moeten maken. Wacht even--we zullen den kapitein zoo kwaad maken, dat hij zelf voor den dag komt."
Mesty hervatte nu het leven maken met den kabel, en het gevolg was zooals hij voorspeld had. Binnen weinige minuten kwam de kapitein zelf woedend naar boven stuiven. Zoodra zij de kajuitsdeur hoorden opensmijten verscholen zich de matrozen en onze held achter de vrij hooge kap van het luik, ten einde den kapitein gelegenheid te geven om geheel en al op het dek te komen. De manschappen, die reeds gekneveld waren, lagen onder de dekens. De kapitein was een forschgebouwd man en het kostte heel wat moeite hem meester te worden.
"Nu zijn we klaar," zei Mesty, "het schip is ons; maar ik moet hem angst aanjagen."
De kapitein was op het dek tegen een der kanonnen gezeten en Mesty hield met zijn langen, gespierden arm zijn scherp mes dreigend boven hem opgeheven, alsof hij elk oogenblik gereed stond hem in het hart te treffen. De Spaansche kapitein vond zijn toestand verre van aangenaam. Hij werd nu ondervraagd omtrent het getal der manschappen en officieren en beantwoordde alle vragen naar waarheid. Strak hield hij den blik gericht op het onheilspellende gelaat van Mesty, die slechts op een wenk scheen te wachten.
"De zaak is nu bijna gezond," zei Mesty. "We moeten nu naar beneden en de overige manschappen inrekenen."
Dit voorstel werd door onzen held goedgekeurd. Na hunne pistolen van de gangspil genomen te hebben, snelden ze met getrokken messen naar beneden en vonden er allen ontkleed in de hangmatten liggen. Ofschoon hun getal het dubbele bedroeg van dat der Engelschen, had toch de weerstand niet veel te beduiden. In weinige minuten waren de Spanjaarden in het scheepsruim gesmeten en de luiken boven hen gesloten. Alle gedeelten van het schip waren thans in hun macht behalve de kajuit. Zij vonden er de deur gesloten en moesten die met geweld openstooten, waarop ze ontvangen werden met luide angstkreten van den eenen kant der kajuit en van den anderen met een paar pistoolschoten, gelost door een man op jaren en een jongmensch van ongeveer den leeftijd van onzen held. Beiden werden spoedig overweldigd en gekneveld. De kajuit werd nagezocht, en niets er in gevonden dan drie vrouwen; een oude, gerimpelde dame en twee mooie jonge meisjes, wier gelaatstrekken echter op dit oogenblik door angst verwrongen waren. Jack groette met een beleefde buiging en deelde haar mede, dat zij niets te vreezen zouden hebben. Daar zij evenwel geen Engelsch verstonden, kreeg hij geen antwoord.
Mesty maakte een eind aan Jacks complimenten, door hem er op te wijzen, dat ze allen naar dek moesten. Jack nam nu nogmaals zijn hoed af, boog en verliet met zijn manschappen en de beide gevangen heeren de kajuit. Het was nu vijf uur in den morgen en er kwam beweging aan boord van de andere schepen, die niet ver van het veroverde verwijderd lagen.
"Wat nu met de gevangenen gedaan?" zei Jack. "Als we eens ons eigen schip langs zij lieten komen, en ze er allen gekneveld en wel op overbrachten? Dan waren we van hen af."
"Dat is een goed denkbeeld, Massa Rustig. Maar als we onze eigen sloep uitzenden, wat zullen ze dan aan boord van de andere schepen denken? Laten we liever de kleine boot strijken en met vier man ons vaartuig ongemerkt langs zij zien te brengen."
Dit geschiedde; de kotter lag aan de buitenzijde van het schip, dat het meest uit den wal lag, en kon dus voor de overige Spaansche schepen en voor de kustbatterij licht verborgen blijven. Spoedig was het vaartuig langs zij gebracht en waren de zeven gevangenen, die op het dek gekneveld lagen, in het ruim neergelaten, behalve echter de kapitein, de twee gevangenen uit de kajuit en de oppasser van den kapitein. Vervolgens gingen ze naar beneden, zetten het luik half open en bevalen de Spanjaards naar boven te komen; zoodra ze aan dek waren, werden ze op dezelfde wijze behandeld. Mesty en de matrozen gingen beneden onderzoeken of er soms nog verscholen gebleven waren, maar zagen spoedig dat dit niet het geval was en kwamen weer boven. In het geheel waren er nu dertig gevangenen. Zoodra die allen in de schebek waren overgeladen, verwijderde deze zich en ankerde wat verder in zee, en Jack zag zich nu in het bezit van een uitmuntend schip met veertien stukken, terwijl hij bovendien drie mannelijke en drie vrouwelijke gevangenen had gemaakt.
Nadat de matrozen met de boot teruggekomen waren van het vaartuig, waarin de gevangenen in verzekerde bewaring waren gebracht, vermomden allen zich op raad van Mesty als Spaansche zeelieden, waartoe de in overvloed voorhanden kleedingstukken ruimschoots gelegenheid boden.
"Wat nu gedaan, Mesty?" vroeg Jack.
Nu moeten er een paar man omhoog om de zeilen in orde te brengen en intusschen zal ik dezen knaap--hij wees op den bediende van den kapitein--ontboeien en hem een ontbijt klaar laten maken, want hij weet waar de boel te vinden is."
"Opperbest, Mesty, want van die boonensoep heb ik meer dan genoeg. Ik zal intusschen naar beneden gaan om de dames mijn compliment te maken."
Mesty keek over de verschansing.
"Doe dat maar heel gauw, meneer Rustig, want dat verduivelde vrouwvolk is daar waarachtig bezig om met zakdoeken de aandacht van de batterij te trekken. Gauw, meneer Rustig!"
Mesty had gelijk. De Spaansche meisjes wuifden met haar zakdoeken om hulp; en dat was ook al wat de arme schepsels doen konden. Jack haastte zich naar de kajuit, drong de jonge dames zoo beleefd mogelijk van de raampjes terug en verzocht haar zich niet zooveel moeite te geven. De meisjes keken erg onthutst en nu ze niet langer met de zakdoeken wuiven konden, brachten zij die aan de oogen en begonnen te schreien, terwijl de oude dame op de knieën viel en de handen smeekend ophief. Jack richtte haar op en geleidde haar beleefd naar een der banken.
Intusschen had Mesty met het glinsteren van zijn mes en het grijnzen van zijn gezicht wonderen gedaan bij den hofmeester, want dat was de man. Een ontbijt van chocolade, gezouten vleesch, ham en worst, met beschuit en rooden wijn stond op het halfdek gereed. De matrozen waren uit het want gekomen en Jack werd naar het dek geroepen. Hij bood aan ieder der jonge dames een hand en verzocht de oude dame hem te volgen; deze begreep dat weigeren niet raadzaam zou zijn en vergezelde hem dus.
Zoodra de vrouwen aan dek de twee gevangenen uit de kajuit gekneveld zagen, snelden zij op hen toe en omhelsden hen onder tranen. Jacks hart werd week en daar er nu niets meer te vreezen viel, vroeg hij Mesty om zijn mes en sneed de twee Spanjaarden los, waarna hij op het ontbijt wees, ten einde hen daartoe uit te noodigen. De Spanjaards maakten een buiging en de dames bedankten Jack met een lieven glimlach; en de kapitein van het schip, die nog altijd geboeid tegen een kanon lag, keek alsof hij zeggen wou: Wat duivel, waarom vraag je mij ook niet? Maar ze hadden zooveel moeite gehad om hem meester te worden, dat Jack er niet bijzonder op gesteld was hem weer vrij te laten. Onze held en de matrozen begonnen aan het ontbijt en daar de gevangenen geen trek in eten schenen te hebben, werd hun portie ook maar verorberd. De oudachtige heer vroeg intusschen aan Jack of hij Fransch kon spreken.
Met een mond vol worst antwoordde Jack dat hij die taal verstond en nu begon een onderhoud, waaruit hij het volgende te weten kwam:
De oudachtige heer was op reis naar Tarragona. De jonge man was zijn zoon en de dames waren zijn vrouw en zijn beide dochters. Jack beantwoordde die mededeeling met een beleefde buiging, waarop de heer, wiens naam Don Cordova de Rimarosa luidde, verzocht te mogen weten wat Jack met hen voornemens was te doen, terwijl hij van hem hoopte, dat hij hen als niet-strijders met hun have en goed aan wal zou laten zetten. Jack deelde dit alles aan Mesty en de overigen mede en at vervolgens zijn worst verder op. Na eenig over en weer gepraat beweerde Mesty, dat vrouwen op een schip maar last was en ook de bootsman vond dat er altijd ruzie uit voortkwam. Jack haalde nu de "krijgsartikelen" voor den dag en daar er niets over vrouwen in stond, gaf hij te kennen dat ze onmogelijk aan boord konden blijven.
Nu moest er nog uitgemaakt worden of ze hun bagage zouden mogen meenemen; en dit werd ten slotte toegestaan. Jack gelastte den hofmeester zijn kapitein wat eten te geven en deelde aan den Spaanschen Don den uitslag van het beraad mede, er bij voegende, dat hij, zoodra de duisternis gevallen was, allen aan boord van het kleine vaartuig zou overbrengen, waar zij de manschappen loslaten en naar believen handelen konden. De Don en de dames betuigden hun dank, en gingen naar beneden om hun boeltje te pakken; Mesty wees twee man aan om hen te helpen en er op te letten, dat ze zich niet bezwaarden met klinkende munt, zoo die aan boord gevonden mocht worden.
Gedurende den dag maakte de bemanning toebereidselen om onder zeil te gaan. De hofmeester had de bottelarij van het schip onderzocht en bevonden dat er voor minstens drie maanden genoeg was aan water, wijn en mondbehoeften, behalve nog de versnaperingen voor de kajuitstafel. Van het bemachtigen van nog meer schepen werd geheel afgezien, omdat de bemanning al genoeg te doen had met het eene, dat in hun handen was gevallen. Er stak een frissche bries op en ze zetten hun fokkemarszeilen bij, juist toen een boot van wal stak; maar deze keerde terug, zoodra zij zag, dat de fokkemarszeilen bijgezet waren. Dit was een geluk, want anders zou alles ontdekt zijn. De overige schepen gingen nu ook onder zeil en men hoorde overal de ankers lichten.
Maar de Nostra Senora del Carmen, die door Jack was buitgemaakt, verroerde zich niet. Eindelijk ging de zon onder, de bagage werd in den kotter geplaatst, de dames en verdere passagiers stapten in de boot onder dankbetuiging aan Jack, die de hand op zijn borst lei en een buiging maakte; het laatst van allen werd de kapitein ingelaten. Vier wel gewapende matrozen brachten hen met hun goed aan boord van de schebek en keerden vervolgens naar het schip terug. De kotter werd nu opgeheschen; daar het anker te zwaar was om te lichten, kapten ze den kabel en gingen onder zeil. De andere schepen volgden hun voorbeeld. Mesty en de matrozen sloegen er begeerige blikken op, maar dat hielp niet. Zoo zeilden ze omstreeks een uur lang in gezelschap en toen stak Jack bij den wind op om zijn tocht te ondernemen.
Elfde hoofdstuk.
Onze held ondervindt dat zoo'n tocht ook zijn onaangename zijde kan hebben.
Zoodra het schip den wind vlak achter had, schenen Jacks schepelingen te denken, dat er nu niets meer te doen viel dan pret te maken; zij brachten dus eenige kruiken wijn boven, en ledigden die zoo vlug, dat ze weldra allen op het dek lagen te slapen, behalve de man aan het roer, die in plaats van twee en dertig, vier en zestig punten op het kompas kon onderscheiden en nu natuurlijk met te grooter nauwkeurigheid kon sturen. Gelukkig was het mooi weer, want toen de man aan het roer zoo lang gestuurd had tot hij niets meer zien kon en afgelost wilde worden, vond hij al zijn scheepskameraads zoozeer door vermoeienis overmand, dat er geen mogelijkheid bestond om ze wakker te krijgen. Hij stompte ze een voor een ongenadig in de ribben, maar 't gaf niets. Onder die omstandigheden deed hij evenals zij; hij ging bij hen liggen en na tien minuten zou men hem, om hem wakker te krijgen, al even hard hebben moeten stompen als hij zijn maats gedaan had.
Het schip volgde intusschen zijn eigen gang en zonder zich om richting te bekommeren, draaide het gedurende het grootste gedeelte van den nacht door bijna alle windstreken van het kompas. Mesty had de wachten aangewezen, Jack een toespraak gehouden en de matrozen hadden alles beloofd wat verlangd werd, maar de wijn was hun naar het hoofd gestegen en bij die gelegenheid had hun geheugen een slipper gemaakt. Mesty en Jack hadden bij het doorzoeken van de kajuit in de kapiteinshut veertien duizend dollars in zakken gevonden. Zij besloten daarvan niets aan de manschappen te zeggen, maar borgen het geld en wat er verder van waarde was achter slot. Daarna bleven ze in de kajuit zitten overleggen en praten, zoodat het niet te verwonderen viel, dat Jack, die den vorigen nacht geen oog dicht had gedaan, het hoofd op tafel liet zakken en in een vasten slaap raakte. Mesty hield de oogen nog een poos open, maar ten laatste liet ook hij het hoofd op een kist zakken en sluimerde in. Omstreeks één uur in den morgenstond was het dus met de waakzaamheid aan boord van de Nostra Senora del Carmen al zeer slecht gesteld.
Tegen vier uur in den morgen kreeg Mesty een schok, stootte het hoofd tegen de tafel en werd daardoor gewekt.
"Verduiveld, daar was ik waarlijk in slaap gevallen," riep hij uit. Hij trad aan het kajuitsraampje dat open gelaten was en bemerkte dat een stevige bries er vlak in woei. "Te deksel! we hebben den wind vlak achter gekregen," zei Mesty, "waarom hebben ze me niet gewaarschuwd?" Hij haastte zich aan dek en vond het roer verlaten; iedereen was dronken en het schip liep op goed geluk af met gebraste ra's voor den wind op. Mesty gromde van nijdigheid, maar er viel geen tijd te verliezen. Enkel de marszeilen waren bijgezet; hij streek ze, duwde het roer aan lij en sjorde het vast, om onzen held te hulp te gaan roepen. Jack sprong met schrik op en snelde naar boven.
"'t Is wat moois, meneer Rustig, we gaan allen naar den kelder met die vervloekte dronken zwijnen; maar wacht, ik zal ze een beetje opfrisschen." Hij schepte eenige putsen water, die hij over de scheepsbemanning uitsmeet en dat scheen hen weer bij zinnen te brengen.
"Een vergrijp tegen de krijgsartikelen," zei Jack; "ik zal ze die morgenochtend weer eens voorlezen."
"Weet je wat beter is, meneer Rustig? We bergen al den wijn achter slot en deelen telkens niet meer dan mondjesmaat uit. Dat moet maar dadelijk gebeuren, eer zij wakker worden."
Mesty ging naar beneden en liet Jack aan zijn overpeinzingen over.
"Ik weet niet," dacht Jack, "of ik wel een bijzonder slimme streek heb uitgehaald. Hier zit ik me nu met een zootje kerels die geen eerbied hebben voor de krijgsartikelen en allen smoordronken zijn. Ik heb een groot schip, maar weinig manschappen; en als er slecht weer komt, wat dan? want ik weet ternauwernood hoe een zeil geborgen moet worden. Waarheen en hoe ik sturen moet weet ik ook niet en mijn matrozen zijn evenmin op de hoogte. Maar toen we door de zeeëngte de Middellandsche Zee binnenstevenden, vond ik 't er vrij nauw en we kunnen er moeilijk weer doorheenraken zonder het te merken; bovendien zou ik de rotsen van Gibraltar wel herkennen als ik ze opnieuw te zien kreeg. Ik moest er Mesty eens over spreken."
Deze kwam spoedig terug met de sleutels van de bottelarij aan zijn gordel.
"Nu zullen ze niet zoo gemakkelijk weer dronken worden," zei hij.
Nog een paar putsjes water brachten de matrozen verder bij hun verstand; zij stonden weer op hun beenen en kwamen langzamerhand weer op hun verhaal. De dag begon aan te breken en zij bespeurden, dat het schip regelrecht op de Spaansche kust aanliep en er maar een mijl van verwijderd was, en wel vlak tegenover een groote kustbatterij. Gelukkig hadden ze nog tijd om vierkant te brassen, en het schip onder de marszeilen langs den wal op te sturen, eer zij opgemerkt werden. Waren zij bij daglicht in den toestand gezien, waarin ze dien nacht hadden verkeerd, dan zouden de Spanjaarden kwaad vermoeden hebben gekregen en als er een boot was afgezonden, zouden ze, terwijl alle dronken waren, stellig op hun beurt ingerekend zijn.
De matrozen, die beseften in welk een gevaar zij hadden verkeerd, luisterden deemoedig naar de verwijten van Jack en om des te meer op hun gemoed te werken, haalde hij de krijgsartikelen voor den dag en las hun al wat op dronkenschap betrekking had van het begin tot het einde voor; maar zij hadden 't aan gangboord al zoo dikwijls hooren voorlezen, dat het niet den vereischten indruk maakte. Mesty had wel gelijk, toen hij beweerde dat zijn plan beter was; want niet zoodra had Jack gedaan of de matrozen gingen naar beneden om nog een vaatje wijn te halen, maar tot hun teleurstelling vonden ze alles achter slot en grendel.
Intusschen riep Jack Mesty bij zich achteruit en vroeg hem of hij den weg naar Toulon wist, waarop deze verklaarde dat hij er geen flauw idee van had.
"Maar Mesty, dan hebben we misschien meer kans om den weg naar Gibraltar terug te vinden, want, zooals je weet, hebben we bij het binnenzeilen van de Middellandsche Zee het land steeds links gehad; als we het nu rechts nemen, moeten we langs de kust weer terugkomen."
Mesty was 't met Jack eens, dat dit het toppunt van zeevaartkunst was, en dat Smallsole met al zijn wijsheid en zijn kompassen er niets aan zou verbeteren. Zij namen een rit uit de marszeilen, zetten de bramzeilen bij en lieten het vaartuig van punt tot punt lang de kust oploopen, waarbij ze voortdurend een mijl of vijf uit den wal hielden. De matrozen maakten een flink maal gereed; Mesty gaf hun den noodigen wijn en wel tweemaal zooveel als ze aan boord van de Harpij gewoon waren, zoodat ze weldra tevreden schenen. Een hunner echter voerde een hoog woord en beweerde bij kris en kras dat, als de anderen hem maar wilden bijstaan, zij spoedig volop drank zouden hebben. Maar Mesty keek hem eens scherp aan, trok zijn mes en zwoer dat hij hem wel mores zou leeren; en Jack sloeg hem met een handspaak tegen het dek zoodat de kerel tot het besef kwam, dat hij 't met de ontvangen kastijding en met wat hem was toegezegd voorloopig best kon doen. Als de vrees voor Mesty hen niet had teruggehouden zouden hoogst waarschijnlijk al de andere matrozen zich even onbehoorlijk hebben gedragen, maar toch moet erkend worden, dat ze wel wat beteuterd keken, nu ze Jack zoo vaardig met de handspaak zagen manoeuvreeren.
Na dezen nacht hielden Jack en Mesty om beurten wacht en alles ging zeer goed tot zij op de hoogte van Carthagena kwamen, waar zij door een windvlaag uit het noorden uit het gezicht van de kust gedreven werden. Zeil na zeil werd geminderd, wat bij gebrek aan handen heel wat moeite kostte, en drie dagen lang stormde het hevig. De matrozen waren doodop en ontevreden. Het was Jacks ongeluk, dat hij maar één flinken kerel bij zich had: zelfs de onderofficier van de sloep, die op het oog heel wat mans scheen, was niets waard: Mesty was Jacks plechtanker. Den vierden dag bedaarde de storm, maar zij wisten op geen voeten of famen na waar ze waren; dat zij afgedreven waren was duidelijk, maar hoe ver, daar konden ze niets van zeggen en Jack begon te beseffen dat zoo'n zeetochtje zonder de noodige stuurmanskunst een zenuwachtiger iets was dan hij zich had voorgesteld. Maar er viel nu eenmaal niets aan te veranderen. Dien nacht wendden zij den steven en hielden 't over den anderen boeg, en bij het aanbreken van den dag bemerkten zij, dat ze vlak bij eenige eilandjes waren en nog dichter bij eenige groote rotsen, waartegen de zee hoog opspatte, ofschoon de wind was gaan liggen. Opnieuw werd het roer omgesmeten en zij ontsnapten het gevaar nog juist bijtijds. Zoodra de zeilen in orde gebracht waren, kwamen de matrozen achteruit en stelden voor, dat er uitgezien zou worden naar een geschikte ankerplaats waar ze konden binnenloopen, want ze waren doodaf. Dit was zoo, en Jack overlegde met Mesty, die het raadzaam oordeelde het verzoek in te willigen. Dat de eilanden onbewoond waren bleek duidelijk genoeg; het eenige waaromtrent men zich diende te vergewissen, was of er een goede ankerplaats te vinden zou zijn. De onderofficier van de sloep bood aan dit te gaan onderzoeken; hij zette met vier man van boord af en keerde na ongeveer een uur terug met de verzekering dat er genoeg water stond en het er zoo kalm was als op een molenvijver, want de plek werd van alle kant en door land ingesloten. Daar zij het boeganker niet konden lichten, bedienden zij zich van het werpanker en, zonder ongelukken binnenloopende, kwamen zij tusschen de eilanden in een kleine baai met zeven vademen water. De zeilen werden geborgen en alles in orde gebracht door de matrozen, die daarop de boot namen en aan wal roeiden. "Ze hadden eerst wel verlof kunnen vragen," dacht Jack. Een uur later keerden zij terug en na wat gepraat onder elkaar kwamen ze allen gezamenlijk achteruit bij onzen held.