Chapter 8
"Toch vrees ik, dat er weinig acht op zal geslagen worden en dat de stuurman het pleit winnen zal."
"Dat zou immers tegen alle recht en billijkheid strijden!"
"Maar volkomen overeenstemmen met de gebruiken in den dienst."
"Ik geloof, dat ik een groote dwaas ben," merkte Jack na een poos op. "Raad eens, Jolliffe, waarom ik op zee gegaan ben."
"Omdat je niet besefte hoe goed je 't thuis had."
"Daar is veel van aan; maar toch mijn eigenlijke reden was, dat ik hier de gelijkheid hoopte vinden, die ik aan wal tevergeefs had gezocht."
Jolliffe keek gek op.
"Beste jongen, heb ik je niet hooren zeggen, dat je die denkbeelden van uw vader hebt overgenomen? Zonder oneerbiedig tegenover hem te willen wezen, mag ik toch niet verzwijgen, dat hij òf een gek òf een zonderling moet zijn, als hij op zijne jaren nog niet heeft ingezien, dat zoo iets als gelijkheid onbestaanbaar is."
"Dat begin ik ook te denken," antwoordde Jack; "maar het is nog geen bewijs dat 't niet zoo diende te wezen."
"Neem me niet kwalijk, maar het niet-bestaan er van bewijst op zichzelf al genoeg. Je zoudt evengoed volmaakt geluk kunnen verwachten. Uw vader schept zich hersenschimmen."
"'t Zal maar het beste wezen, dat ik weer naar huis ga."
"Neen, mijn waarde Rustig, het best wat je doen kunt is in dienst blijven, want dat zal een eind maken aan al dergelijke onzinnige denkbeelden, en je zult er een ferme, flinke kerel door worden. De dienst is een harde, maar een goede leerschool; alles is er wel niet onberispelijk, maar wat is er in de wereld zonder gebreken? Maar om nog eens op het geval met Smallsole terug te komen ik geloof stellig, dat je morgen den mast in zult moeten."
"We zullen zien," antwoordde Jack. "Ik ga nu voorloopig maar naar kooi."
Tiende hoofdstuk.
Onze held begint zelfstandig te handelen en te oordeelen.
Wat ook Jacks gedachten mogen geweest zijn, in elk geval werd zijn rust er niet door gestoord. Jolliffe's beweringen, hoe gegrond ook, hadden weinig vat op hem. "Nu," dacht Jack, "al moet ik ook den mast in, dan bewijst dat nog niet, dat mijne bewijsgronden niet deugen, maar enkel dat er geen gehoor aan gegeven wordt." En bij die gedachte sloot hij de oogen en was weldra in diepe rust.
De stuurman rapporteerde het gebeurde aan den eersten luitenant en deze aan den kapitein, zoodra die den volgenden morgen aan boord kwam. Rustig werd nu in de kajuit ontboden om te hooren of hij ook iets te zijner verontschuldiging had in te brengen. Jack bleef wel een half uur lang aan het redeneeren en zette al de bewijsgronden, die hij reeds tegen Jolliffe had ontvouwd, in het breede uiteen. Daarop werd meneer Jolliffe gehoord en eindelijk ook meneer Smallsole ondervraagd, waarna de kapitein en de eerste luitenant alleen gelaten werden.
"'t Is toch maar waar, Sawbridge," zei kapitein Wilson, "dat elke afwijking van den rechten weg ons onherroepelijk in de klem brengt. Ik heb verkeerd gehandeld. Uit zucht om den jongen aan zijn vaders leiding te onttrekken en uit vrees dat ik hem anders niet aan boord zou krijgen, heb ik hem den dienst veel mooier voorgespiegeld dan ik had moeten doen. Al wat hij zegt, heb ik hem zelf voorgepraat en zoodoende ben ik eigenlijk dengene, die hem op een dwaalspoor heeft gebracht. Meneer Smallsole heeft zich eigenmachtig en onrechtvaardig gedragen; hij strafte den jongen zonder dat deze iets misdreven had, en met dat al kom ik nu maar in een leelijk parket. Straf ik den knaap, dan doe ik dat meer om mijn eigen fout en die van anderen, dan om de zijne. Straf ik hem niet, dan laat ik toe, dat een ernstige, openlijke schending der krijgstucht ongewroken blijft, wat hoogst nadeelig zou zijn voor den dienst."
"Hij moet noodzakelijk gestraft worden, meneer," antwoordde Sawbridge.
"Laat hem eens hier komen," zei kapitein Wilson.
Jack verscheen en maakte een zeer beleefde buiging.
Meneer Rustig, daar gij in de meening verkeert dat de krijgsartikelen al de wetten en voorschriften van den dienst behelzen, wil ik aannemen dat gij uit onwetendheid gedwaald hebt. Maar al is dit zoo, toch zult ge wel inzien, dat zulk een schending van de tucht niet onopgemerkt voorbij kan gaan zonder een hoogst schadelijken invloed uit te oefenen op de manschappen, wier gehoorzaamheid gesterkt wordt door het voorbeeld der officieren. Ik ben stellig overtuigd van uw dienstijver, dien gij nog gisteren heb getoond in het geval met Easthupp, en ik twijfel geen oogenblik of gij zult inzien hoe noodzakelijk het voor mij is, door u te straffen aan de bemanning blijk te geven, dat de tucht gehandhaafd moet worden. Daarom zal ik u op het halfdek ontbieden en last geven in den mast te klimmen en wel in tegenwoordigheid van de gansche equipage, want uw weigering is ook in aller tegenwoordigheid geschied."
"Met het grootste genoegen, kapitein Wilson," antwoordde Jack.
"En in het vervolg verzoek ik u er aan te denken, meneer Rustig, dat als een meerdere u straft, en gij u verbeeldt onrechtmatig behandeld te worden, gij u eerst aan de straf hebt te onderwerpen, en u daarna tot mij kunt wenden om herstel van geleden onrecht."
"Zeer zeker zal ik dat, meneer," antwoordde Jack, "nu ik maar eenmaal weet wat uw verlangen is."
"Gij zult me verplichten met naar het halfdek te gaan en daar te blijven tot ik kom, meneer Rustig."
Jack boog zoo diep mogelijk en verwijderde zich.
"Die goede Jolliffe heeft me wel gezegd, dat ik er aan zou moeten gelooven," zei Jack bij zichzelf, "en hij heeft 't geraden; maar ik laat me hangen als ik niet volkomen gelijk had, en verder kan 't me niet schelen."
Kapitein Wilson liet den stuurman roepen en gaf hem een uitbrander over zijn baasspelen, daar er blijkbaar geen enkele reden voor straf was geweest. Nooit mocht hij weer een adelborst den mast inzenden, maar hij moest van wat hij een vergrijp achtte rapport doen aan den eersten luitenant of aan hemzelf. Vervolgens begaf hij zich naar het halfdek, liet Rustig bij zich komen en deelde hem naar het scheen een duchtige berisping toe, waarbij Jack echter een vrij kalm gezicht zette, omdat hij wel wist dat de kapitein alleen uit dienstijver hem een standje maakte. Daarna kreeg onze held bevel den mast in te gaan.
Jack nam zijn hoed af en deed drie of vier stappen om aan het bevel gevolg te geven, maar keerde toen eensklaps terug en vroeg met een allerbeleefdste buiging of het kapitein Wilsons bedoeling was dat hij in den fokkemast, of wel dat hij in den grooten mast zou klimmen.
"In den grooten, meneer Rustig," antwoordde de kapitein en beet zich op de lippen. Jack klauterde een sport of drie den Jacobsladder op, maar hield toen opnieuw stil en nam zijn hoed af.
"Verschoon me, kapitein Wilson--gij hebt me niet gezegd of het uw wensch was dat ik tot de steng of tot de bramdwarszalings....
"Tot de bramdwarszalings, meneer Rustig," viel de kapitein haastig in.
Jack klom nu op zijn gemak naar boven, hield bij de groote mars even stil om adem te scheppen, wat verderop om eens rond te kijken en kwam ten slotte op de bedoelde plek, waar hij zitten ging en zijn krijgsartikelen voor den dag haalde om ze nogmaals te doorlezen, ten einde te zien of bij aan zijn betoog soms nog meer kracht had kunnen bijzetten. Nog nauwelijks had hij 't tot het zevende artikel gebracht of er werd geroepen: "Anker op!" en meneer Sawbridge kommandeerde: "Alle hens beneden!"
Jack vouwde nu zijn afschrift op en kwam even langzaam naar omlaag als hij naar boven geklauterd was. Hij was een veel beter wijsgeer dan zijn vader.
Weldra was de Harpij onder zeil en richtte den steven naar Kaap de Gata, waar kapitein Wilson een paar Spaansche schepen hoopte in te rekenen, om daarna koers te zetten naar Toulon, waar hij bevelen van den admiraal zou ontvangen.
Zwakke briesjes en windstilten wisselden elkaar af, zoodat de vaart erg vervelend was; maar de booten werden telkens uitgezet om langs de kust jacht te maken op schepen. Meestal verzocht Jack om daarbij dienst te mogen doen, en ofschoon hij nog maar kort op zee was, kon hij toch om zijn leeftijd en kracht tot de meest bruikbare adelborsten gerekend worden, zoolang hem niet een of andere gril in het hoofd kwam. Jack had dan ook tot nog toe al die tochten meegemaakt en zich daarbij steeds voorbeeldig gedragen.
Toen de Harpij op de hoogte van Tarragona was, deden er zich aan boord verscheidene gevallen van buikloop voor; ook Asper en Jolliffe waren onder de lijders. Hierdoor werd het aantal der officieren beperkt en juist in die dagen had de bemanning van een visschersboot, in de hoop van daardoor zelf vrij te komen, medegedeeld dat er, zoodra de wind gunstig zou zijn, van den kant van Rosas een klein konvooi koopvaardijschepen zou opkomen onder bedekking van twee kanonneerbooten.
Kapitein Wilson hield behoorlijk uit den wal, totdat de wind veranderde en, nadat hij aan de schepen den tijd had gegund om den afstand tusschen Tarragona en Rosas af te leggen, legde hij 't er in den avond op aan om ze weer in te halen. Maar de wind ging opnieuw liggen en nu werden de sloepen uitgezet met het doel om langs de kust te varen, want men veronderstelde dat de vaartuigen niet veraf konden zijn. Meneer Sawbridge voerde in de pinas de expeditie aan; de eerste kotter stond onder bevel van den konstabel Minus; en, daar de andere officieren ziek waren, gaf Sawbridge aan Jack, met wien hij dagelijks meer ophad, op zijn verzoek het kommando over den tweeden kotter. Zoodra Mesty dat hoorde, gaf hij aan onzen held te kennen, dat hij mee wenschte te gaan. Jack wist nu te bewerken, dat Mesty mee mocht als plaatsvervanger van een der mariniers, die onder de lijders aan buikloop behoorde, en de eerste luitenant vond daar geen bezwaar in, vooral daar Mesty als een handige kerel bekend stond.
Om tien uur in den avond verlieten de booten het schip; en daar zij misschien eerst laat op den volgenden dag zouden terugkeeren, werd er voor één dag beschuit en rum mee aan boord genomen, opdat er geen gebrek zou geleden worden. De booten hielden op den wal aan en voeren drie uren langs de kust zonder iets te zien; 't was een heldere avond, maar zonder maanlicht. De windstilte duurde voort en reeds begonnen de roeiers vermoeid te worden, toen zij opeens bij een landtong het konvooi onder een lichten bries met gebraste zeilen zagen naderen.
Onmiddellijk beval meneer Sawbridge het roeien te staken en zich onder afwachting voor den aanval gereed te maken.
De witte zeilen van de kanonneerboot vooraan waren nu duidelijk te onderscheiden van de andere vaartuigen, die alle zonder eenige orde in haar zog voeren. Als een fiere zwaan gleed zij over het water, de zeilen stonden gespannen en ze had een vaart van drie knoopen in het uur.
Sawbridge liet de booten met de koppen recht op haar aanhouden en, eer ze er op verdacht was, bevond ze zich tusschen de barkas aan den eenen en de twee kotters aan den anderen kant; de tegenstand was gering, maar toch werden er eenige geweer- en pistoolschoten gelost, waardoor alarm werd gemaakt. Meneer Sawbridge vermeesterde ze met de bemanning van de barkas, terwijl hij de kotters op de grootste schepen, van het konvooi afzond. Maar nu kwam de tweede kanonneerboot, die tot nog toe niet gezien was, plotseling opdagen om haar kameraad te hulp te schieten.
Sawbridge kommandeerde de helft van zijn manschappen in de barkas, die van een stuk zwaar geschut voorzien was en zond haar aan de kotters te hulp, die recht op de kanonneerboot aanstevenden. Er werd tegen de naderende booten een hevig vuur geopend, maar daar de bevelvoerende officier van de kanonneerboot geen hulp kreeg van de andere, begon hij te meenen dat ze al prijs gemaakt was, loefde bij den wind op en koos de volle zee. Onze held zette haar na, ofschoon hij de andere booten uit het gezicht had verloren; maar de wind werd aangewakkerd en alle vervolging werd vruchteloos. Daarom richtte hij zijn koers naar het konvooi en na ingespannen roeien klampte hij een eenmaster van ongeveer vijftig ton aan boord. Metsy, wiens oogen zoo scherp waren als die van een valk, had opgemerkt dat, toen er alarm werd gemaakt, verscheidene van het konvooi nog niet den hoek om waren en daarom stelde hij voor met dit vaartuig, dat zeer licht was, korte gangen te maken, de landtong om te zeilen, alsof ze op de vlucht waren, en op die wijze gelegenheid te vinden nog eenige andere buit te maken. Het konvooi, dat de hoek reeds om was, had met de kanonneerboot onder een stevige bries het ruime sop gekozen. Het achterna te zetten was dus nutteloos; en enkel het voorstel van Mesty bood eenige kans aan.
Zoo was hij met een gang of drie, vier ongeveer zes of zeven mijlen verder gekomen, toen hij aan lij seinen tot terugroeping bespeurde, waaraan het geschut kracht bijzette.
"Meneer Sawbridge verlangt, dat we terug zullen komen, Mesty."
"Laat meneer Sawbridge zich met zijn eigen zaken bemoeien." antwoordde Mesty, wij hebben toch al die moeite van het laveeren niet voor niet gedaan."
"Maar Mesty, we moeten de bevelen gehoorzamen."
"Jawel, zoolang ze ons onder den duim hebben; maar nu moeten we doen wat we zelf willen. Als hij me terug wil zien, moet hij me maar vangen."
"Maar wij zullen van het schip afdwalen."
"Dat vinden we wel terug, Massa Rustig."
"Maar ze zullen denken, dat we verongelukt zijn."
"Des te beter, we moeten niet achter ons zien, Massa Rustig; we kunnen nu eens een prachtigen tocht hebben. Morgen nemen we een groot schip, gaan onder zeil, nemen er nog meer, en gaan dan naar Toulon."
"Maar ik weet den weg niet naar Toulon; ik weet alleen dat het dien kant uit ligt, en meer niet."
"Dat is genoeg, wat behoeven we meer te weten? Vooronderstel eens, Massa Rustig, dat wij de vloot niet vinden, dan zal de vloot ons spoedig vinden. Er is hier nog nooit iemand verloren geraakt. Laat in 't vervolg een ander beschuit roosteren en den ketel te vuur zetten voor de heeren. Zoo'n moorddadige Ier! als ik er nog aan denk, Massa Rustig--ik pot koken, ik, die in mijn eigen land een vorst was!"
Rustig was het vrij wel met Mesty eens; "want," zoo redeneerde hij, "als ik nu terugkeer breng ik enkel een klein vaartuig half vol boonen mee en ik zou me schamen me te vertoonen. Nu zullen ze wel vermoeden, dat de kanonneerboot ons in den grond heeft geboord, maar ze kunnen dan ook wijzen op een gevecht met een kanonneerboot. Het zal den schijn hebben, alsof er veel feller gestreden is dan werkelijk het geval was, en dat kan meneer Sawbridge tot voordeel strekken. En wat een blijdschap, als ze later ontdekken dat we niet om zeep zijn geraakt, te meer als we bovendien buit mee brengen--wat stellig gebeuren moet, of anders ga ik niet terug. 't Komt niet dikwijls voor, dat iemand een kommando krijgt als hij pas twee maanden op zee is en nu ik er eenmaal een heb, wil ik 't niet weer afstaan. Meneer Smallsole moet maar een ander zien te vinden om den mast in te zenden. Het spijt me alleen voor dien armen Gossett; houdt Vigors mij voor dood, wat zal hij 't dien armen stakker dan benauwd maken--maar als ik terugkom zal hij er van lusten. In elk geval wil ik van mijn kruistocht niet afzien."
"Ik heb er de manschappen over gesproken, Massa, en ze zeggen allen, dat ze als een klis zullen aanhangen. Nu dat in orde is, moesten we maar niet langer talmen."
Korten tijd na deze beslissing van den kant van onzen held, brak de dag aan. Jack keek eerst aan lij en bespeurde dat de kanonneerboot en het konvooi ongeveer tien mijlen verder met volle zeilen op de kust aanhielden, achtervolgd door de Harpij. Hij kon ook waarnemen, dat de veroverde kanonneerboot hun 't ontsnappen poogde te beletten.
"De Harpij zal ze gauw ingerekend hebben!" riep Mesty uit.
Zij hadden 't zoo druk met naar de Harpij en het konvooi te kijken, dat ze een tijd lang geheel en al vergaten op de loefzijde te letten. Eindelijk wendde Mesty de oogen dien kant uit.
"Te deksel! ik heb toch wel goed gezien gisterennacht; kijk maar, Massa Rustig--een brik en twee schoeners--die zijn ons. We zullen vannacht goeden buit maken."
De door Mesty ontdekte schepen waren niet meer dan drie mijlen te loevert op verwijderd en hadden alle zeilen bijgezet om spoedig onder bescherming van een nabijgelegen batterij te komen.
"Nu moeten we vooral zorgen, Massa, dat ze onze boot niet in de gaten krijgen; laten we liever wat meer afhouden, totdat zij voor den nacht het anker laten vallen; als het dan donker is geworden, pakken wij ze in."
Mesty's raad was goed, behalve dat hij onzen held niet tot ongehoorzaamheid aan de bevelen had moeten aanzetten. Zij deden al hun best om te zorgen, dat het schip niet te dicht bij de anderen kwam, en sloegen de bewegingen van de Harpij nauwkeurig gade.
De afstand was te groot om duidelijk te kunnen onderscheiden, maar Mesty klom in den mast van het schip en hield Jack geregeld op de hoogte.
"Daar valt een schot--al weer een. Dat is onze kanonneerboot--neen toch niet. Wacht, daar heb je ze. Jongens, wat geven ze vuur! Bom, bom, bom! De Spanjaard krijgt 't leelijk te kwaad, hij houdt op met vuren en strijkt de vlag al. De Harpij rekent ze allen in. Laten we ons nu maar niet te veel vertoonen; enkel twee man aan dek en de jekkers uit, dat ze ons niet herkennen."
Mesty had goed gezien; de Harpij had de andere kanonneerboot en het heele convooi vermeesterd. Het eenige, waarover ze zich bij dat buitenkansje te beklagen hadden, was de verdwijning van meneer Rustig en den kotter; zeker was hij door een schot van de kanonneerboot in den grond geboord en de gansche bemanning verdronken. Kapitein Wilson en meneer Sawbridge betreurden het verlies van onzen held innig, omdat ze, als eenmaal de wilde haren er uit zouden zijn, veel van hem verwacht hadden, Ook meneer Asper speet het zeer, vooral omdat met Jack ook zijn beurs verdwenen was, en de kleine Gossett beklaagde zich het meest, omdat hij nu van Vigors geen genade meer te wachten had. Enkele echter waren blij, dat hij weg was. Vier en twintig uren werden de verloren gewaanden betreurd, wat voor een oorlogsschip al heel lang is, en daarna dacht niemand meer aan hen. We laten nu de Harpij haar weg naar Toulon voortzetten en zullen zelf onzen held volgen.
De bemanning van den kotter begreep zeer goed, dat Jack tegen de bevelen handelde, maar iedere afwisseling van het eentonige leven op een oorlogsschip was hun welkom.
Er moest echter spoedig wat gedaan worden, want ze hadden maar voor één dag proviand bij zich en ook op het Spaansche schip vonden ze haast niets dan boonen. Een deel er van werd in een ketel gedaan om er soep van te koken en nu was het dien eersten dag boonensoep voor ontbijt, boonensoep voor het middagmaal en altijd maar weer boonensoep, wat Jack lang niet beviel.
Door een der matrozen, die wat Spaansch verstond, werden nu de drie gevangenen, die op het schip waren, ondervraagd naar de vaartuigen te loevert, maar zij wisten niet meer te vertellen, dan dat ze waarde inhadden en dat het eene van geschut voorzien was. Zoodra de zon onderging, lieten de schepen op de hoogte van de batterij de ankers vallen. Er bleef een flauw briesje waaien en het schip, waarop Jack zich bevond, was omstreeks vier mijlen aan lij. De Harpij was geheel uit het gezicht geraakt, en 't werd nu tijd te beslissen wat men doen zou. Zoodra het donker geworden was, liet Jack al de manschappen bijeenkomen en hield een vrij lange toespraak. Hij wees er op, hoe zijn ijver er hem toe gebracht had niet naar de Harpij terug te keeren, voordat hij iets mee kon brengen wat de moeite waard was; het eten van altijd maar boonen en nog eens boonen was verre van pleizierig en hun toestand eischte noodzakelijk verbetering; op nog geen vier mijlen afstand lag een groot schip, dat hij van plan was te vermeesteren; hadden ze dat eenmaal dan zouden ze er nog meer nemen; hij rekende op hun dapperheid en stelde zich van den kruistocht heel wat voor. Zij moesten zich beschouwen als aan boord van een oorlogsschip, zoodat ze gebonden waren door de krijgsartikelen, die voor allen evenzeer golden, en in geval zij ze vergeten mochten zijn, had hij een afschrift in zijn zak, dat hij morgenochtend zou voorlezen, zoodra zij aan boord van het schip goed op orde waren. Daarna benoemde hij Mesty tot eersten luitenant, den marinier tot sergeant, den kwartiermeester tot bootsman; twee matrozen tot adelborsten om wacht te houden; twee anderen tot bootsmansmaats en de twee, die nog overbleven, werden aangewezen tot stuurboord- en bakboord-wacht. De bemanning van den kotter was zeer tevreden met Jacks toespraak en met hun bevordering en nu volgde er een gewichtige beraadslaging hoe men het moest aanleggen om het vreemde schip te veroveren. Naar Mesty's raad besloot men niet ver voor het schip te ankeren, tot twee uur in den morgenstond te wachten, en het dan met den kotter zoo stil mogelijk te naderen en te vermeesteren.
Tegen negen uur ankerden zij en Jack bemerkte tot zijn verwondering, dat het schip vrij wat grooter was dan hij vermoed had. De Spaansche gevangenen werden aan handen en voeten gebonden en men zorgde er voor dat ze geen geluid konden geven; de zeilen werden geborgen en alles was doodstil.
Aan boord van het Spaansche schip daarentegen heerschte veel drukte en leven, en omstreeks half elf zagen ze een boot afzetten en naar de wal roeien; daarna hield het rumoer langzamerhand op. de lichten gingen een voor een uit en toen was alles stil.
"Wat dunkt je, Mesty?" zei Jack; "zouden we het nemen?"
"Of we het nemen zullen? Zeker zullen we dat, wacht maar even, laat ze eerst maar in vasten slaap zijn."
Tegen twaalven begon het te motregenen, wat de plannen van onzen held zeer te stade kwam. Daar het echter te voorzien was dat de lucht spoedig weer zou ophelderen, raadde Mesty aan nu niet langer te dralen. Zij kropen zoo stil mogelijk in de boot, roeiden slechts met twee riemen, lagen weldra onder den boeg van het schip en klommen langs de ankerkettingen op het dek, waar ze niemand vonden. "Pas op, niet schieten!" zei Mesty tegen de manschappen die boven kwamen en lei hun daarbij den vinger op de lippen, om tot stilte aan te manen. Toen allen op het dek waren en de boot vastgelegd was, gingen ze onder geleide van Jack en Mesty behoedzaam rond, zonder een levende ziel te ontdekken. De luiken waren allen zorgvuldig gesloten, maar in het kompashuisje brandde een licht. Twee man werden naar voren gezonden om daar de wacht te houden en nu werd er bij het stuurrad overlegd wat er gedaan moest worden.
"Het schip is ons!" zei Mesty, "maar we moeten heel voorzichtig te werk gaan. Daar ligt er geloof ik eentje tusschen de kanonnen te slapen. Als de regen even vermindert, kunnen we beter zien. Stil allemaal."
"Er moeten heel wat manschappen op dit schip zijn," merkte onze held op; "het is vrij groot en voert twaalf of veertien stukken geschut--hoe zullen we er ons meester van maken?
"Dat komt in orde, zoodra 't maar wat lichter wordt," antwoordde Mesty.
"De regen heeft al opgehouden," zei Rustig. "Als we die lantaren eens uit het kompashuisje namen en rondlichten?"
Dit geschiedde en weldra vonden ze tusschen twee van de kanonnen een hoop onder eenige dekens liggen. "Daar heb je de wacht," fluisterde Mesty; "geduld even--we zijn noch niet klaar."
Mesty blies het licht uit en allen keerden terug naar het kompashuisje. Dicht bij den bezaansmast vond onze neger een kabel, waarvan hij eenige stukken afsneed en die hij aan de anderen te splitsen gaf. In een oogenblik waren er nu een menigte einden touw om de manschappen mee te binden.
"Nu de lantaren weer opgestoken, dan zullen we die luie honden eens inrekenen. Stop hun vooral den mond, dat ze geen kik kunnen geven."
"Maar als ze nu eens den mond vrij krijgen en een schreeuw laten?" vroeg Jack.
"Dan geen pardon meer?" antwoordde Mesty met een bijna duivelsche uitdrukking op zijn gelaat en liet het mes zien, dat hij in de rechterhand hield.
"O neen, geen moord!"
"Als het anders kan, dan zeker niet, Massa. Maar wat zal er van ons worden als zij de overhand krijgen? De Spanjaarden hebben ook messen en maken er duchtig gebruik van."