Jack Rustig

Chapter 7

Chapter 74,063 wordsPublic domain

"Dat schijnt wel," antwoordde meneer Sawbridge, terwijl Biggs, wiens hemdslippen nog maar steeds in den zeewind fladderden in deemoedige houding voor hem stond. Maar nu kon meneer Sawbridge zich niet langer goedhouden; schuddend van het lachen stormde hij de scheepstrap af naar het halfdek. Meneer Biggs kon eerst na meneer Sawbridge naar beneden gaan en het gesprek had aller aandacht getrokken, zoodat iedereen het oog op hem richtte.

"Wat beteekent dat?" zei kapitein Wilson naar het gangboord komend.

"Plicht gaat boven fatsoen," antwoordde Jack, die veel pret had in de grap.

Meneer Biggs herinnerde zich den dag van gisteren. Terwijl hij voor den kapitein aansloeg, wierp hij een nijdigen blik op Jack, en pakte zich weg naar het benedendek.

Wat de verontwaardiging van den bootsman nog verhoogde, was de ontdekking dat zijn broek eerder aan boord gekomen was dan hijzelf. Daaruit begreep hij, dat men hem een poets gespeeld had en hij twijfelde geen oogenblik er aan, of onze held had 't hem gebakken. Bewijzen kon hij dat echter niet, want hij wist niet eens wie met hem de kamer gedeeld had. Toen Jack naar bed ging, lag hij al in diepen slaap en bij diens vertrek was hij nog niet wakker.

Het fijne van het geval raakte op het schip spoedig algemeen bekend en "plicht gaat boven fatsoen" werd een spreekwoord. De bootsman stelde alles in het werk om zich op den armen jongen te wreken, zoodat Gascoigne en Jack nooit meer een vischsnoer van hem kregen. Het scheepsvolk had evenveel hekel aan den bootsman als aan Vigors, terwijl Jack, zoowel om zijn stellingen over de rechten van den mensch als om zijn ringelooren van hun twee grootste vijanden, de gunsteling werd van de zeelui, en daar zulke gunstelingen steeds met een bijnaam vereerd worden, noemden ze onzen held Jack Gelijkheid.

Negende hoofdstuk.

Onze held wil liever naar beneden dan naar boven gaan; een keus, waarvan hij, naar we hopen in meer gewichtige omstandigheden zal terugkomen.

Den volgenden dag was het Zondag en, daar het weer ongunstig was, kwam er niets van het dienst doen, maar werden de krijgsartikelen met den daaraan verschuldigden eerbied voorgelezen, terwijl kapitein, officieren en manschappen met hun hoeden af in een motregen stonden te luisteren. Jack, die van den kapitein gehoord had, dat die krijgsartikelen de wetten en voorschriften van den dienst waren, waaraan kapitein, officieren en scheepsvolk allen gelijkelijk onderworpen waren, volgde met gespannen aandacht de voorlezing van den schrijver. Weinig vermoedde hij, dat er hun door de admiraliteit ongeveer vijfhonderd verordeningen op den hals waren geschoven, die bijna alles omvatten en in zeker opzicht den persoonlijken wil alle beteekenis ontnamen.

Jack luisterde nauwlettend. Van de meeste artikelen begreep hij, dat hij er nooit mee in botsing zou komen, en wat hem vooral verwonderde, was het stellige verbod tegen het vloeken, dat toch aan boord als een doode letter werd beschouwd. Over het geheel genomen meende hij nu vrij wel te weten, waar hij zich aan te houden had, maar voor alle zekerheid verzocht hij, zoodra de manschappen door een stoot op de fluit naar beneden gekommandeerd waren, den schrijver om een afschrift van de artikelen.

Nu had de schrijver er wel drie, maar maakte toch bezwaar er een af te staan. Ten laatste beloofde hij, dat Jack een der copieën zou krijgen, als hij hem daarvoor een tandenborstel wilde geven, want de zijne was door den een of anderen gauwdief gekaapt. Jack antwoordde, dat de door hem gebruikte al tamelijk versleten was en hij maar één nieuwen had, dien hij onmogelijk missen kon. Daarop zei de schrijver, die heel netjes was, en een afschuw had van vuile tanden, dat als Jack van den nieuwen borstel geen afstand wilde doen, hij zich tevreden zou stellen met den gebruikten. De ruil geschiedde en Jack las nu de krijgsartikelen zoo dikwijls over, tot hij ze nagenoeg van buiten kende.

"Zie zoo", zei Jack, "nu weet ik wat me te doen staat en waar ik me voor te wachten heb. Zoolang ik in dienst blijf, zal ik die artikelen steeds in mijn zak dragen, als ze het ten minste zoolang uithouden; en al doen ze dat niet--allicht heb ik dan weer een ouden tandenborstel om er tegen in te ruilen, want dat schijnt nu eenmaal de prijs er van te zijn."

De Harpij bleef veertien dagen in de baai van Gibraltar liggen. Jack had nog al eens gelegenheid om aan wal te gaan en daarbij vergezelde meneer Asper hem geregeld.

Op een morgen kwam Jack beneden in de kajuit en vond er den jongen Gossett huilende.

Wat scheelt er aan, mijn beste Gossett? vroeg Jack.

"Vigors heeft me met een eind touw afgerost," antwoordde Gossett, terwijl hij zijn arm en zijn schouders wreef.

"Waarom?" vroeg Jack.

"Wel, hij beweert, dat de dienst heel in de war loopt--waaraan ik toch geen schuld heb--en dat het gedaan is met alle gezag, nu er nieuwelingen aan boord komen, die, omdat ze een paar tientjes op zak hebben, maar alles mogen doen wat ze willen. Maar hij zou er eens de hand aan houden, en bij die verklaring heeft hij me tegen den grond gesmeten--en toen ik weer op de been was, moest ik blijven staan--en toen haalde hij zijn eind touw voor den dag en zei, dat bij van plan was zich eens duchtig te laten gelden en dat het maar uit moest wezen met dien Jack zijn Gelijkheid.

"Zoo!" antwoordde Jack.

"En toen heeft hij me een half uur geranseld."

"Zoo waar als ik leef, Massa Rustig, 't is precies zoo gebeurd. Stellig moet hij erg zwak van geheugen zijn," vervolgde Mesty, "en weer een lesje noodig hebben van Jack Gelijkheid."

"En daar zal hij niet van vrijloopen ook," antwoordde onze held, "hoewel het strijdt tegen het artikel dat luidt: 'alle twist en vechterij enz.' Gossett, heb je een beetje meer begrip dan een garnaal?"

"Jawel," antwoordde Gossett.

"Nu, wil je dan een volgenden keer doen wat ik je zeg, en op mijn bescherming rekenen?"

"'t Kan me niet schelen wat ik doe," hernam de jongen, als gij me maar helpt tegen dien laffen dwingeland."

"Bedoel je daar mij soms mee?" beet Vigors hem toe, die juist in de deur van de kajuit verscheen.

"Zeg ja," fluisterde Jack.

"Ja, jou!" riep Gossett uit.

"Ei zoo, mannetje, dan zal ik je nog een beetje er van langs moeten geven," zei Vigors en haalde zijn eind touw voor den dag.

"Je deed beter met dat te laten, meneer Vigors," merkte Jack op.

"Bemoei je alsjeblieft met je eigen zaken," antwoordde Vigors, die volstrekt niet op zoo'n tusschenkomst gesteld was. "Ik heb 't niet tegen jou, en het zal me pleizier doen als je je niet met mij inlaat. Ik heb, dunkt me, alle recht om zelf mijn kennissen te kiezen, en den omgang van een gelijkheidskramer zoek ik niet, reken daar gerust op."

"Zooals je verkiest, meneer Vigors," antwoordde Jack, "'t staat u vrij uw eigen kennissen te kiezen, maar ik heb evengoed dat recht en zal mijn vrienden bijstaan ook. Deze jongen is mijn vriend, meneer Vigors."

Zelfs op gevaar af van een tweede gevecht met Jack, kon Vigors toch zijn grootspreken niet laten en hernam: "Dan zal ik zoo vrij zijn uw vriend een pak slaag te geven," terwijl hij onmiddellijk de daad bij het woord voegde.

"Dan zal ik zoo vrij zijn mijn vriend te verdedigen," antwoordde Jack; "en daar gij mij een gelijkheidskramer hebt genoemd, zal ik trachten dien naam niet te verliezen,"--en bij die woorden gaf Jack hem zulk een peuter onder zijn oor, dat hij over het dek rolde en niet in staat was zich weer op te richten. Jack wrong hem nu het eind touw uit de hand en zei toen tot Gossett: "Nu geef jij hem hiermee maar eens een duchtig pak, of anders krijg je zelf van mij er langs."

Gossett liet zich dat geen tweemaal zeggen; het genot zijn vijand te kunnen afranselen, al was het ook maar voor eens, was al te verleidelijk--en hij spaarde zijn krachten niet. Met gebalde vuisten stond Jack klaar om bij het minste verzet zijn vriend te verdedigen; maar Vigors was half versuft van den ontvangen opstopper en verroerde geen vin, hij liet zich gedwee afrossen.

"Zoo is 't genoeg," zei Jack eindelijk; "en wees nu maar niet bang, Gossett; den eersten den besten keer dat hij je aanraakt als ik er niet bij mocht zijn, zal ik 't hem betaald zetten, zoodra jij 't me verteld hebt. Ik wil niet voor niets Jack Gelijkheid genoemd worden."

Toen Jolliffe, die van het geval hoorde, onzen held weer eens alleen aantrof, zei hij tot hem: "Neem een goede raad van mij aan, vriend, en steek je knuisten niet telkens uit ter wille van anderen, je zult spoedig ondervinden, dat er voor jezelven al genoeg te vechten valt."

Jack sloeg daarop een halfuur lang aan 't redeneeren, waarna ze afscheid van elkaar namen. Maar Jolliffe had gelijk. Jack had elk oogenblik stribbelingen, en ofschoon de kapitein en de eerste luitenant hem hun bescherming niet onthielden, begonnen zij 't toch hoog tijd te vinden, dat Jack tot inzicht kwam, hoe aan boord van een oorlogsschip iedereen en alles zich aan de voorschriften te houden had.

Aan boord van Zijner Majesteit fregat Harpij was ook iemand die Easthupp heette en den post van onderbetaalmeester bekleedde. Hoe hij eigenlijk aan dat baantje gekomen was viel moeilijk te verklaren, want hij had vroeger wegens dieverij op minder aangename manier met den strafrechter kennis gemaakt. Lezen en schrijven had hij in het werkhuis geleerd en nadat hij daaruit ontsnapt was, sloot hij zich in Londen bij een bende jeugdige dieven aan om ten slotte zakkeroller te worden. Zijn uiterlijk was vrij gunstig en met zijn onbeschaamde grootspraak wist hij velen zand in de oogen te strooien; ook stak hij altijd netjes in de kleeren en op zijn manieren viel niet veel aan te merken. Ofschoon hij de taal deerlijk havende, was hij toch rad van tong, en daar hij herhaalde malen met het gerecht in aanraking was geweest, viel het niet te verwonderen, dat hij zich door en door radikaal noemde.

Toen nu Easthupp van Jack's denkbeelden hoorde, wilde hij dadelijk kennis met hem aanknoopen en nog eer ze Gibraltar bereikten, kwam hij zichzelf met veel strijkages voorstellen. Onze held kon den kerel echter al dadelijk niet uitstaan om zijn overmatige en onbeschaamde gemeenzaamheid.

Als Jack iemand ontmoette, merkte hij aanstonds of hij met een beschaafd man te doen had, en hij verkoos zich niet in te laten met personen, die hij te ver beneden zich achtte. Zóó ver ging Jack's gelijkheid niet; in theorie was alles goed en wel, maar in de practijk lette hij er wel degelijk op, of iets in zijn kraam te pas kwam.

Maar de onderbetaalmeester was niet zoo gemakkelijk af te schepen; en al liet Jack hem duidelijk merken, dat zijn gezelschap hem volstrekt niet aanstond, toch klampte Easthupp hem telkens op gemeenzame wijze aan. Ten slotte zei Jack hem ronduit, dat hij niets met hem te maken wou hebben, waaruit een woordentwist onstond, die zóó hoog liep, dat Jack den ander een schop gaf, die hem door het luik van het achterdek naar beneden deed tuimelen. Dit was al een heel bedenkelijk bewijs van Jack's gelijkheid--en Easthupp, zich in zijn eer gekrenkt achtende, diende zijn beklag in bij den kapitein, die nu onzen Rustig bij zich liet komen.

Niet zoodra was Jack verschenen of kapitein Wilson riep ook Easthupp.

"Wel, onderbetaalmeester, wat heb je nu eigenlijk in te brengen?"

"Met uw verlof, kapitein Wilson, het is me hoogst onaangenaam, dat ik verplicht ben mij over iemand te beklagen, maar hier meneer Rustig heeft goed gevonden uitdrukkingen tegen mij te bezigen, die voor een fatsoenlijk mensch in 't geheel niet passen en bovendien heeft hij me een schop gegeven, zoodat ik door het luik ben getuimeld."

"Is dat waar, meneer Rustig?"

"Ja, meneer," antwoordde Jack. "Herhaalde malen heb ik den kerel gezegd, dat hij zich niet met mij bemoeien moest, en toch laat hij 't niet. Ik heb hem een radikalen ellendeling genoemd en hem een schop gegeven."

"Heb je hem een radikalen ellendeling genoemd, meneer Rustig?"

"Ja, meneer, want hij relt me altijd aan de ooren over zijn republiek, en beweert dat we geen koning en geen aristocratie noodig hebben."

Kapitein Wilson wisselde een veelbeteekenden blik met meneer Sawbridge.

"Ik heb inderdaad mijn politieke gevoelens kenbaar gemaakt, kapitein Wilson, maar u gelieve niet te vergeten, dat wij allen een gelijk aandeel in het land hebben--dat is het geboorterecht van een Engelschman.

"Welk aandeel gij in het land hebt, begrijp ik niet goed, meneer Easthupp," merkte kapitein Wilson op, "maar, me dunkt, als gij dergelijke uitdrukkingen gebruiktet, had meneer Rustig ook alle recht u zijne meening te kennen te geven."

"Ik ben volkomen bereid, kapitein Wilson, dit toe te geven voor zoo ver het staatkundige gesprekken geldt--en dat is 't ook volstrekt niet, waarover ik mij beklaag. Maar meneer Rustig heeft zich vermeten mij een bedrieger en een leugenaar te noemen."

"Hebt gij die uitdrukkingen gebruikt, meneer Rustig?"

"Ja, meneer, dat heeft hij," hernam de onderbetaalmeester; "en hij heeft er nog bijgevoegd, dat ik de manschappen en mijn patroon, den betaalmeester, niet moest bedriegen. Wordt mij op die manier niet een leelijke klad aangewreven, kapitein? Maar ik durf me vleien dat ik een goede opvoeding heb genoten en vroeger verkeerde ik in deftige kringen. Iedereen kan echter in het ongeluk geraken, en ik voel me diep gekrenkt door die schandelijke aantijgingen." Hierop haalde meneer Easthupp zijn zakdoek voor den dag en snoot met veel drukte zijn neus. "Ik heb meneer Rustig gezegd, dat ik me even fatsoenlijk achtte als hij, en in elk geval niet omging met zwarte kerels, waarop hij goed vond me een schop te geven, zoodat ik door het luik naar beneden tuimelde."

"Al genoeg, betaalmeester, ik heb uw klacht gehoord en gij kunt nu gaan."

Meneer Easthupp nam met veel zwier zijn hoed af, maakte een buiging en begaf zich langs de groote trap naar beneden.

"Meneer Rustig," zei kapitein Wilson, "gij moet weten, dat de voorschriften van den dienst, waaraan wij allen gelijkelijk gebonden zijn, niet veroorloven dat een officier zich op eigen hand recht verschaft. Ofschoon ik er nu geen aanmerkingen op wil maken, dat gij den man een radikalen ellendeling hebt genoemd, want hij verdiende dat door het onbeschaamd opdringen van zijn meeningen, toch hebt gij geen recht zonder reden iemands karakter aan te vallen--en daar de man een post van vertrouwen bekleedt, stond het u volstrekt niet vrij hem voor een bedrieger uit te maken. Wilt u me eens verklaren, waarom ge die uitdrukking hebt gebruikt?"

Nu had onze held geen eigenlijke bewijzen tegen den man en wist tot zijn verontschuldiging niets deugdelijks in te brengen; doch opeens schoot hem de reden te binnen, die de kapitein zelf indertijd tot vergoelijking der onbehoorlijke taal van meneer Sawbridge had aangevoerd. Jack was slim genoeg om te begrijpen, dat hij doel zou treffen, en antwoordde dus doodbedaard en eerbiedig:

"Met uw verlof, kapitein Wilson, 't was enkel dienstijver."

"Dienstijver, meneer Rustig? Dat lijkt me maar een zwakke verontschuldiging. Maar waarom toch hebt ge den man geschopt? Dat zoo iets in strijd was met de verordeningen, moest ge immers weten."

"Jawel, meneer," antwoordde Jack weifelend, "maar ik heb 't toch enkel uit dienstijver gedaan."

"Vergun me dan op te merken," hernam kapitein Wilson, terwijl hij zich op de lippen beet, "dat uw ijver in dit geval erg misplaatst was, en zich naar ik hoop, niet weer, op die wijze zal uiten."

"En toch, meneer," zoo begon Jack weer, die begreep dat hij den kapitein een steek onder water gaf en daarom een vrij bedeesd gezicht zette, "toch zouden we 't in den dienst zonder ijver niet ver brengen--en ik hoop nog eens, volgens uw eigen zeggen een zeer ijverig officier te worden."

"Dat hoop ik ook, meneer Rustig," antwoordde de kapitein. "Doch ga nu maar heen, en laat me niet weer hooren van schoppen, Zoo'n ijver is totaal misplaatst."

"Waarschijnlijk meer dan mijn voet," mompelde Jack onder het heengaan.

Zoodra onze held zich verwijderd had begon kapitein Wilson hartelijk te lachen en vertelde aan meneer Sawbridge, hoe hij indertijd diens taal tegenover onze held voor een uitvloeisel van louter dienstijver had verklaard, maar nu zijn troeven dubbel en dwars weer thuis gekregen had. "Inderdaad, meneer Sawbridge, nu blijkt eerst, hoe zwak mijn verdediging van u was, doe dus uw voordeel met het lesje."

Sawbridge vond dat ook--maar toch waren beiden 't er over eens, dat Jack's rechten van den mensch groot gevaar begonnen te loopen.

Den dag voordat het schip weer uitzeilde, dineerde de kapitein en meneer Asper bij den gouverneur; en daar er weinig meer te doen viel, droeg meneer Sawbridge, die sedert het binnenloopen van de haven nog niet van boord geweest was, voor den namiddag het bevel aan meneer Smallsole, den stuurman, over en begaf zich aan wal om eenige inkoopen te doen. Nu hebben we reeds opgemerkt, dat die stuurman Jack's gezworen vijand was.--Jack lag er al met drie overhoop: met Smallsole, met Biggs, den bootsman, en Easthupp, den onderbetaalmeester. Meneer Smallsole was wat blij, dat hij eens het commando had en hoopte nu gelegenheid te vinden tot het straffen van onzen held, die zich al licht bloot zou geven.

Evenals de meeste menschen, die zelden wat te bevelen hebben, was de stuurman overdreven lastig en bazig. Hij vloekte tegen de matrozen, liet ze hun werk twee, driemaal overdoen, onder voorwendsel, dat het niet vlug genoeg ging, en had op iedereen, die aan boord gebleven was, wat aan te merken.

"'t Schijnt wel, meneer Biggs, of jullie daar vooruit allen in den dut zijt geraakt. Denk je soms dat er niets uitgevoerd behoeft te worden, nu de eerste luitenant niet aan boord is? Hoe lang moet 't nog duren eer dat hijschen gedaan is?"

De nijdigheid van meneer Smallsole sloeg op meneer Biggs over, en van den weeromstuit raakten ook de bootmansmaat en de bakmeester van het hondje gebeten, en als meneer Smallsole begon te vloeken, liet ook de bootsman zich niet onbetuigd. Zelfs bij den bootsmansmaat, de baksmeester en al de matrozen vond dat voorbeeld navolging.

Meneer Smallsole kwam vooruit.

"Verduiveld, meneer Biggs, wat scheelt er toch aan? Kunnen jullie niet wat beter aanpakken?"

"We doen ons best al, meneer," antwoordde de bootsman, "maar die nietsdoeners op den bak staan ons in den weg." Bij die woorden wierp meneer Biggs een blik op onzen held en Mesty, die tegen de verschansing geleund stonden.

"Wat voer je hier uit, meneer?" riep Smallsole onzen held toe.

"Niets meneer," antwoordde Jack.

"Dan zal ik je wat te doen geven. Den mast in, en blijf daar tot ik je weer beneden roep. Kom mee, meneer, ik zal je den weg wijzen, vervolgde de stuurman en begaf zich achteruit. Jack volgde hem tot op het halfdek:

"En nu naar boven, meneer."

"Waarom moet ik naar boven, meneer?" vroeg Jack.

"Voor straf, meneer," luidde het antwoord.

"Wat heb ik dan gedaan?"

"Geen praatjes meer--vooruit, naar boven!"

"Met uw verlof, meneer," hernam Jack, "ik zou de zaak eerst nog wel willen beredeneeren."

"Wat redeneeren!" bulderde meneer Smallsole. "Naar boven voor den donder!"

"Met uw verlof, meneer," vervolgde Jack, "de kapitein heeft me meegedeeld, dat de krijgsartikelen de voorschriften waren, waaraan iedereen in dienst gebonden was. Nu heb ik ze zoo dikwijls overgelezen, dat ik ze haast van buiten ken, en er staat geen woord in over dat den mast inzenden." Jack haalde meteen de krijgsartikelen uit zijn zak en sloeg ze op.

"Wil je den mast in gaan, meneer, of niet?" zei Smallsole.

"Wilt u me eens wijzen, wat daarvan in de krijgsartikelen staat? Hier zijn ze, meneer."

"Ik zeg je nog eens, meneer, den mast in, of anders zal ik je in een broodzak laten ophijschen."

"Van broodzakken komt niets in de krijgsartikelen voor, meneer, maar ik zal u zeggen wat er wél in staat." En nu begon Jack te lezen:

"Alle vlagofficieren, en alle personen behoorende tot de bemanning van Zijner Majesteits oorlogschepen, zullen, indien zij zich schuldig maken aan vloeken, dronkenschap, of andere schandelijke handelingen, gestraft worden als volgt:--"

"Wel vervloekt!" riep de stuurman dol van woede uit, nu hij de geheele equipage hoorde grinniken. "Wil je nu naar boven gaan, of niet?"

"Met uw verlof, liever niet."

"Dan hebt ge u als in arrest te beschouwen--ik zal je, zoo waar ik leef, voor den krijgsraad brengen. Naar beneden, meneer."

"Met alle genoegen, meneer," hernam Jack, "dat komt volkomen overeen met de krijgsartikelen, waaraan we ons te houden hebben." Jack stak nu zijn afschrift weer in den zak en begaf zich naar beneden naar de voorlongroom.

Spoedig daarop volgde hem Jolliffe, die het heele standje had aangehoord. "Beste jongen," zei hij, "dat is een leelijk geval; je had den mast in moeten gaan."

"Ik had er eerst eens nader over willen praten," antwoordde Jack.

"Ja, dat zou iedereen wel willen; maar als dat mocht, zou de dienst telkens belemmerd worden--en dat gaat niet. Je hebt te beginnen met aan het bevel te gehoorzamen; is het bevel onrechtvaardig, dan kun je later je beklag indienen."

"Zoo staat 't niet in de krijgsartikelen."

"Maar in den dienst is het toch zoo."

"De kapitein heeft me gezegd, dat de krijgsartikelen het richtsnoer waren voor den dienst, en dat we er allen gelijkelijk aan te gehoorzamen hadden."

"Alles goed en wel, maar toch geloof ik niet, dat de krijgsartikelen je veel baten zullen. Er wordt in gezegd, ieder officier, matroos, enz. die zich schuldig maakt aan ongehoorzaamheid ten opzichte van een wettig bevel, enz.--Welnu, valt gij niet onder de termen van dat artikel?"

"Dat staat nog te bewijzen," antwoordde Jack. "Met een wettig bevel wordt bedoeld een bevel, dat steunt op een wet; en waar is nu die wet?--Bovendien heeft de kapitein me, toen ik dien lammeling een schop had gegeven, gezegd, dat alleen de kapitein tot straffen bevoegd was, en dat officieren niet op hun eigen handje gerechtigheid mochten uitoefenen; hoe kan de stuurman het dan?"

"Al zou hij als bevelhebber verkeerd gehandeld hebben, dan is dat voor u, als mindere in rang, nog geen reden om hem niet te gehoorzamen. Als dat geoorloofd was, als elk bevel moest gewikt en gewogen worden of het al of niet rechtvaardig was, dan zou 't met alle tucht gedaan zijn. Vergeet ook niet, dat in den dienst het gebruik nagenoeg met de wet gelijk staat."

"Daar valt nog al een en ander tegen in te brengen."

"In den dienst niet, beste jongen. Bedenk maar eens, dat er ook aan den vasten wal twee wetten bestaan; de geschrevene en de ongeschrevene, dat is: het gebruik. Natuurlijk is dat in den zeedienst ook zoo, want men kan niet alles onder artikelen brengen."

"Maar een krijgsraad kan toch in alles voorzien," hernam Jack.

"Den dood of ontslag uit den dienst hebt gij er van te wachten--en geen van beide is bijzonder aangenaam. Gij hebt uzelven leelijk in de klem gebracht, en al is de kapitein u blijkbaar genegen, hij mag het nu gebeurde niet onopgemerkt laten. Gelukkig is 't maar met den stuurman en niet met een van de andere officieren, maar toch zult ge moeten toestemmen, dat de kapitein het niet door de vingers kan zien."

"Ik zal u eens wat zeggen, Jolliffe," begon Jack weer, "mijn oogen beginnen voor vele dingen open te gaan. Toen ik vreemd opkeek van een lompe bejegening, zei de kapitein me, dat ze enkel aan dienstijver toe te schrijven was; en nu bemerk ik, dat wat van een meerdere tegenover een mindere dienstijver is, in het omgekeerde geval onbeschaamdheid wordt. De krijgsartikelen heeten een richtsnoer voor allen zonder onderscheid--maar de stuurman vergrijpt zich bij herhaling aan artikel twee en loopt vrij, terwijl ik gestraft moet worden, omdat ik iets weiger te doen wat niet in de artikelen wordt vermeld. Hoe kon ik weten, dat ik voor straf den mast in moest! te meer daar de kapitein beweerd heeft, dat hij alleen tot straffen gerechtigd is. Als ik gehoorzaam aan een bevel, dat lijnrecht in strijd is met dat van den kapitein, is zoo iets dan niet even erg alsof ik hem ongehoorzaam was? Ik geloof niet dat mijn zaak zoo slecht staat, en mijn bewijsgronden zijn niet te weerleggen."