Chapter 5
"Niet alleen mijn portie van de zee," dacht Jack, "maar ook mijn deel in de Harpij wil ik dolgraag overdoen aan ieder die er maar naar taalt. Gelijkheid is er genoeg hier! want ik verbeeld me dat iedereen er even slecht aan toe is."
Na aldus aan zijn gedachten lucht gegeven te hebben, bespeurde hij dat er nog iemand in de kajuit was, en wel de stuurmansmaat Jolliffe, die Jack eens goed stond op te nemen, wat dezen noopte tegenover hem hetzelfde te doen. Het eerste wat Jack opmerkte was dat Jolliffe erg van de pokken geschonden was en maar één oog had; dat ééne oog glinsterde echter zoo fel, dat het een kooltje vuur geleek en meer licht scheen te geven dan een gewone kaars.
"Die manier van kijken bevalt me niet", dacht Jack--"we zullen nooit vrienden worden."
Maar Jack oordeelde hierin enkel naar den schijn, en--zooals later zal blijken--hij vergiste zich.
"Het doet me plezier dat ik je weer op de been zie, jongmensch," zei Jolliffe; "je hebt langer plat op den rug gelegen dan gewoonlijk met anderen het geval is, maar, zie je, juist de sterksten hebben 't het zwaarst te verantwoorden. Het plan om op zee te gaan is vrij laat bij je opgekomen, doch 'beter laat dan nooit', zooals het spreekwoord zegt."
"Ik voel heel veel lust om over de juistheid van dat gezegde eens nader te praten," antwoordde Jack, "maar 't zou op dit oogenbik toch weinig helpen. Ik heb een verbazenden honger, wanneer gaan we ontbijten?"
"Morgenochtend om half negen;" antwoordde Jolliffe. "Voor vandaag is 't al twee uur over den tijd."
"Moet ik 't dan maar zonder iets stellen?"
"Dat wil ik nu juist niet zeggen, want we dienen rekening te houden met je ziekte; maar toch, een ontbijt zal 't niet wezen."
"Noem 't zooals ge wilt," hernam Jack, "maar doe me het genoegen en laat de bediende me wat eten geven. Geroosterd brood of zoo iets, 't komt er minder op aan wat; maar het liefst zou ik er een kop koffie bij hebben."
"Gij vergeet dat we op de hoogte van Finisterre zijn en nog wel in een adelborstenkajuit. Koffie is er niet, en van geroosterd brood kan geen sprake zijn, om de eenvoudige reden dat we in 't geheel geen brood hebben; maar wel kan ik den hofmeester verzoeken een kop thee met wat scheepsbeschuit en boter voor je klaar te zetten."
"Welnu," hernam Jack, "gij zult me verplichten met me dat te bezorgen."
"Hei daar!" riep Jolliffe een matroos toe, "laat Mesty eens hier komen."
De toegesprokene droeg het bevel aan een volgenden matroos over, deze weer aan een derde en zoo ging 't van mond tot mond, tot het eindelijk vooruit op den bak den bedoelden persoon bereikte.
Deze was een neger, indertijd naar Amerika overgebracht en daar als slaaf verkocht. Ofschoon zeer lang en schraal, teekende het lichaam toch groote spierkracht en het gelaat week geheel en al af van den gewonen vorm bij zijn ras. Het hoofd was lang en smal, met uitstekende jukbeenderen, zoodat het gezicht naar de kin als in een punt uitliep; de neus was zeer klein, maar recht en van Romeinschen vorm; ook de mond was buitengewoon klein en de lippen veel te dun voor een Afrikaan; de tanden waren hagelwit en scherp gepunt. Of zijn bewering, dat hij in zijn eigen land den rang van vorst had bekleed, waarheid bevatte, viel natuurlijk niet uit te maken. Zijn meester was met hem naar New-York getrokken en daar had Mesty Engelsch geleerd, als men ten minste zijn broddeltaal dien naam wilde geven.
Daar men hem had verteld, dat er in Engeland geen slavernij bestond, had Mesty zich aan boord van een Engelsch koopvaardijschip verscholen en was op die manier ontvlucht. Bij zijn aankomst in Engeland nam hij dienst op een oorlogschip. De eerste luitenant, die hem aangemonsterd had, gaf hem om zijn vreemd uiterlijk den naam van Mephistopheles, wat al spoedig verkort werd tot Mesty. In vele opzichten was die Mesty een zonderling persoontje. Kwam hij soms te praten over zijn stamboom, dan was hij het eene oogenblik uitermate trotsch, en dan weer zwaarmoedig, ja gemelijk zelfs, maar in gewone omstandigheden, als niets hem in den weg zat, kon hij vermakelijk en grappig wezen.
Al spoedig kwam de geroepene opdagen, waarbij hij zich nagenoeg dubbel vouwde om onder de dwarsbalken door te komen en vervaarlijke stappen nam met zijn bloote voeten.
"Maar, Massa Jolliffe, hoe kunt u me nu laten roepen, terwijl juist mijn grauwe erwten staan te koken, en er hier en daar al zoo'n verwenschte rakker van een jongen op den loer ligt om er een handje vol uit den pot te pikken."
"Je weet wel, Mesty, dat ik je nooit laat roepen, of 't moet bepaald noodig zijn," antwoordde Jolliffe; "maar deze arme jongen heeft sinds hij aan boord is nog niets te eten gehad en hij is erg hongerig--je moest hem wat thee geven."
"Thee bedoelt u, meneer? Wel om thee te krijgen, dien ik toch in de eerste plaats water te hebben en vervolgens ruimte in de kombuis om een ketel te vuur te zetten. Maar waarachtig, meneer, al zou je maar enkel de top van uw pink willen branden, dan nog zou je er in de heele kombuis geen warm water genoeg voor vinden. Warm water om dezen tijd! Dat is immers totaal onmogelijk!"
"Hij zal toch het een of ander moeten hebben, Mesty."
"'t Behoeft ook juist geen thee te wezen," zei Jack, "melk is ook goed."
"Melk? Spreek je van melk, Massa? Van de groenvrouw soms aan den wal?"
"We hebben geen melk, meneer Rustig; gij vergeet dat we in volle zee zijn," hernam Jolliffe; "ik begin waarlijk te vreezen, dat ge tot het middagmaal zult moeten wachten. Wat Mesty zegt, is de waarheid."
"Ik zal u wat zeggen, Massa Jolliffe, als ik den jongenheer eens in plaats van thee wat uit den ketel gaf, misschien zou hij daar genoegen mee nemen. Thee of nat van grauwe erwten, dat verschil is zoo groot niet. Zoo'n kom vol, met wat beschuit er bij en een scheut peper er in, zal hem goed doen."
"Misschien is dat nog het beste, Mesty; ga 't maar gauw halen."
Na eenige oogenblikken kwam de neger terug met een kom soep, waarin heele erwten rondzwommen; ook zette hij een tinnen bord met kleine beschuiten en een peperbus voor onzen held neer. Op het gezicht van dit gerecht vervlogen Jacks visioenen van thee, koffie, geroosterd brood en melk; maar hij had een verbazenden honger, en toen hij aan 't proeven ging viel 't hem nog bijzonder mee; zoo zelfs, dat hij niets van het maal overliet en zich na het gebruik er van veel prettiger gevoelde. Dra klonken er zeven slagen aan de klok en hij volgde nu meneer Jolliffe naar het dek.
Zevende hoofdstuk.
Hoe Jack in tegenspraak komt met zijn eigen wijsbegeerte.
Op het dek gekomen, zag Jack de zon vroolijk schijnen, een zachte koelte blies van de landzijde en overal in het want wapperden hemden, broeken en buizen van de zeelui, die gedurende den storm gewasschen waren en nu te drogen hingen; ook de zeilen lagen over de spieren uitgespreid of waren in het want opgehangen, en het schip liep met een geringe vaart door de blauwe golven. De kapitein en de eerste luitenant stonden aan gangboord te praten en het meerendeel der officieren was bezig met hun quadranten en sextanten de middagbreedte te bepalen. Het dek zag er helder en netjes uit, want er was juist schoon schip gemaakt, en de matrozen waren druk in de weer met het opschieten der kabels. Het was een tafereel van blijmoedige bedrijvigheid en strikte orde, dat op het gemoed van Jack verlichtend werkte na de vier dagen van ellende, die hij in bedompte lucht en in afzondering had doorstaan.
Zoodra de kapitein hem in het oog kreeg, vroeg hij hem vriendelijk hoe 't met hem ging; ook de eerste luitenant lachtte hem vertrouwelijk toe en verscheidene officieren, zoowel als zijn baksmaats wenschten hem geluk met zijn herstel.
De hofmeester kwam naar hem toe, en sloeg aan en noodigde hem uit tot het middagmaal in de hut. Jack, die uiterst beleefd was, lichtte zijn hoed, en nam de uitnoodiging aan. Hij stond toevallig op een kabel, die juist door een matroos opgeschoten werd; de man sloeg aan en verzocht hem vriendelijk of hij zoo goed zou willen wezen met zijn voet van het touw te gaan. Op zijn beurt aanslaande trok hij onmiddellijk zijn voet terug. De stuurman sloeg aan en rapporteerde twaalf uur aan den eersten luitenant,--de eerste luitenant sloeg aan en bracht dat rapport over aan den kapitein,--de kapitein sloeg aan en zei tot den eersten luitenant dat hij zijn gang maar moest gaan. De officier van de wacht sloeg aan en vroeg den kapitein of hij maar het sein voor het middagmaal zou laten geven,--de kapitein sloeg aan en zei: "Als 't u belieft."
De adelborst kreeg nu de noodige orders en bracht ze, met de hand aan den hoed, aan den opperbootsmansmaat over, die eveneens aansloeg en terstond daarop een paar stooten op de fluit liet hooren.
"Ei," dacht Jack, "beleefdheid schijnt hier aan de orde van den dag en allen hebben evenveel eerbied voor elkaar."
Jack drentelde eens rond over het dek; gluurde door de geschutspoorten die open stonden en keek naar omlaag in de donkerblauwe golven; hij sloeg de oogen op, en lette op het heen en weer zwiepen der lange sprieten, die bij het volgen der beweging van het schip met haar punten als het ware een klein gedeelte van de heldere lucht afteekenden; hij liet den blik gaan langs de rij kanonnen, die aan beide zijden van het dek geschaard stonden en eindigde met op een der stukken geschut te klauteren en over de verschansing leunend naar den verwijderden wal te turen.
"Ga van die verschansing af, jongenheer!" riep de stuurman, die officier van de wacht was, op norschen toon.
Jack keek eens rond.
"Hoor je me niet, meneer? Ik spreek tot u." zei de stuurman opnieuw.
Jack was erg verontwaardigd, en vond toch de beleefdheid niet zoo algemeen als hij vermoed had.
Toevallig was kapitein Wilson op het dek.
"Kom hier, meneer Rustig," zei de kapitein; 't is een vaste bepaling in den dienst, dat niemand op de verschansing mag komen, tenzij in geval van nood. Ik doe 't nooit, de eerste luitenant niet en geen van de officieren of van de manschappen; dus, uit beginsel van gelijkheid, moogt gij 't ook niet doen.
"Stellig niet, meneer," antwoordde Jack, "maar ik zie toch niet in waarom die officier met zijn glimmenden hoed zoo boos behoeft te wezen, en mij toespreekt op een toon alsof ik niet even goed was als hijzelf."
"Dat heb ik u al uitgelegd, meneer Rustig."
"O ja, nu herinner ik 't me, 't is dienstijver; maar ik vind dien overmatigen ijver iets heel onaangenaams in den dienst. Jammer maar dat, zooals gij zegt, de dienst er niet buiten kan."
Kapitein Wilson glimlachte en verwijderde zich. Toen hij een oogenblik later met den stuurman het dek op en neer liep, gaf hij hem een wenk, dat hij niet zulke harde woorden moest gebruiken tegen den knaap, die alleen uit onwetendheid zulk een klein vergrijp had begaan. Nu was meneer Smallsole, de stuurman, een gemelijk persoon, die niet hield van aanmerkingen op zijn gedrag, al stoorde hij zich weinig aan de gevoeligheid van anderen, en daarom besloot hij het Jack bij de eerste de beste gelegenheid betaald te zetten. Jack dineerde in de kajuit en was bijzonder in zijn schik dat iedereen met hem klonk en dat aan de tafel van den kapitein allen op gelijken voet schenen te staan. Eer het dessert vijf minuten op tafel was, raakte Jack op zijn praatstoel over zijn geliefkoosd onderwerp. Het gansche gezelschap keek verbaasd op nu zij zulke ongehoorde stellingen aan boord van een oorlogsschip hoorden verkondigen, maar de kapitein deed al zijn best om Jacks opmerkingen te weerleggen zonder hem te veel te kwetsen, en gedurende het geheele gesprek week de glimlach niet van zijn gelaat.
Deze dag kon eigenlijk aangemerkt worden als de eerste waarop Jack in werkelijkheid zijn verschijning aan boord maakte en aan tafel bij den kapitein kwam hij ook voor het eerst op de proppen met zijn eigenaardige inzichten. Waren de dischgenooten, bestaande uit den tweeden luitenant, den victualiemeester, meneer Jolliffe en een der adelborsten, verwonderd, dat zulke afwijkende meeningen in tegenwoordigheid van den kapitein te berde werden gebracht, nog sterker trof hen de kalmte en luchthartigheid, waarmee kapitein Wilson ze opnam. Jacks gewaagde beweringen deden dien avond, natuurlijk met de noodige toevoegsels, over het geheele schip de ronde. In de konstabelkamer plozen de officieren ze uit, de adelborsten schetterden er over terwijl zij het dek op en neer wandelen; de kapiteinshofmeester hield een soort van bijeenkomst achter de kombuis, en deelde de nieuwe leer mede. De sergeant van de mariniers gaf in zijn kring als zijn meening te kennen, dat het vervloekte onzin was. De bootsman besprak het geval met de overige onderofficieren totdat al de grog op was en stapte er toen van af, omdat hij het onderwerp veel te droog vond. Over het algemeen was de gansche bemanning het er over eens, dat, zoodra ze te Gibraltar binnen liepen, onze held den dienst zou vaarwel zeggen, hetzij dan dat hij door den krijgsraad ter dood veroordeeld werd of ontslagen en aan wal gezet om daar zijn geluk te zoeken. Anderen die meer geslepenheid bezaten en er achter gekomen waren dat onze held een jongen was, die later heel wat te erven zou krijgen, spraken er heel anders over en hielden 't er voor, dat de kapitein wel goede redenen zou hebben om zoo toegeeflijk te zijn--en onder degenen, die zoo oordeelen, behoorde de tweede luitenant. Slechts vier personen waren Jack welgezind, te weten de kapitein, de eerste luitenant, meneer Jolliffe, de éénoogige stuurmansmaat, en Mephistopheles, de neger, die Jack met hart en ziel begon aan te hangen, zoodra hij van diens meeningen had gehoord.
We hebben melding gemaakt van den tweeden luitenant, meneer Asper. Deze jonge man had een diepen eerbied voor geboorte en vooral voor geld, waarmee hijzelf maar zeer karig bedeeld was. Als zoon van een aanzienlijk koopman, had hij tijdens zijn adelborstjaren over vrij wat meer middelen te beschikken gehad dan noodig of wenschelijk was, en zijn welgevulde beurs bezorgden hem tal van vrienden, niet alleen onder zijn eigen bakmaats, maar ook onder de officieren van het schip, waarop hij voer. Iemand die in staat en gezind is een hooge koffiehuisrekening te betalen, vindt altijd volgers--ten minste naar het koffiehuis; en sommige luitenants zagen er geen been in te dineeren, arm in arm te wandelen en frère-compagnon te spelen met een adelborst, op wiens zak zij teerden zoolang ze aan wal waren. Meneer Asper had juist zijn aanstelling als officier gekregen, toen zijn vader bankroet sloeg, waarmede tevens de bron opdroogde, waaruit hij zoo rijkelijk had geput. Sedert dien tijd had meneer Asper gevoeld, dat het uitraakte met zijn invloed; hij kon nu niet langer van den dienst spreken als van een last, of dat hij zijn baantje er aan zou geven; ook was het gedaan met de onderscheiding, die men aan zijn beurs en niet aan hemzelf had bewezen. Het ergste was nog, dat hij allerlei gewoonten had aangenomen, die veel kostten, en waaraan hij nu uit gebrek aan middelen niet langer kon toegeven. Geen wonder dus dat hij met een grooten eerbied voor geld behebt raakte; en daar hij niet langer zelf middelen kon vinden, was hij blij als hij ergers iemand wist op te diepen op wiens kosten hij het lekkere leventje kon lijden, waaraan hij zich zoo langen tijd gewend had en dat hem zoo aantrok. Nu wist meneer Asper, dat onze held ruim in zijn geld zat, want de bediende uit de Fontein had hem het bedrag der betaalde rekening genoemd, en daarom zag hij reikhalzend uit naar de verschijning van Jack, die zijn beste en meest vertrouwde vriend moest worden. Het gesprek in de kajuit had hem de overtuiging geschonken, dat Jack dankbaar zou zijn voor iederen steun, en hij had van de gelegenheid, dat hij even met meneer Sawbridge liep te wandelen, gebruik gemaakt, om aan dezen voor te stellen Jack op zijn wacht te nemen. Of nu meneer Sawbridge de bedoeling van meneer Asper doorzag, dan of hij zich verbeeldde dat onze held meer gediend zou wezen met den tweeden luitenant dan met den stuurman, die zoo ruw uit kon vallen, of met hemzelf, die als eerste luitenant geen enkele plichtverzaking door de vingers mocht zien, het aanbod werd aangenomen en Jack Rustig kreeg last om wacht te houden onder luitenant Asper.
Die eerste dag van Jack's in dienst treden was ook tevens de eerste, waarop hij de adelborstenkajuit betrad en kennis maakte met zijn bakmaats.
We hebben al gesproken van meneer Jolliffe, den stuurmansmaat, maar we moeten hem nog wat nader leeren kennen. De natuur gaat soms al erg willekeurig te werk en zij had 't er nu eenmaal op gezet, dat meneer Jolliffe zulk een isegrimmig gezicht zou hebben als maar ooit gezien was.
Hij had allerhevigst te lijden gehad van de kinderpokken en waarschijnlijk waren daardoor zijn gelaatstrekken zoo verwrongen: de ziekte had hem niet alleen erg pokdalig gemaakt maar ook zijn gezicht met diepe groeven doorploegd. Eén oog was hij kwijt en wenkbrauwen had hij in 't geheel niet meer; het doffe, blinde oog vormde een schrikwekkende tegenstelling met het fel schitterende balletje aan den anderen kant van zijn neus, waarvan ook al niet veel meer overgebleven was dan een spitse onregelmatige punt; en de spieren van zijn kin waren zoo samengetrokken, dat deze niet veel meer dan een aaneenschakeling van naden en rimpels vertoonde. Hij was lang, schaal en mager, lachte zelden en als hij 't deed, werd hij nog leelijker om aan te zien.
Meneer Jolliffe was de zoon van een deurwaarder. De ziekte had hem aangetast in West-indië, waar ze honderden wegrukte. Hij was na al langen tijd in dienst, met weinig of geen vooruitzicht op bevordering, en hij had zwaar te kampen gehad met armoede, toespelingen op zijn geringe afkomst en hatelijkheden op zijn leelijk uiterlijk. Geen smaad was hem bespaard gebleven op de schepen, waarop hij gediend had; onder een groote menigte voelde hij zich in 't geheel niet op zijn gemak en, ofschoon ze hem nu niet meer lomp durfden behandelen, hij werd toch in dienst enkel geeerbiedigd uit erkenning van zijn bruikbaarheid en voorbeeldige plichtsbetrachting--vrienden of kameraads had hij echter niet. Al sinds jaren was hij in zichzelf gekeerd, legde zich met ijver toe op de studie en was jegens iedereen uiterst welwillend. Stil en teruggetrokken van aard, sprak hij zelden in de kajuit, of zijn kwaliteit van proviandmeester moest het vereischen. Iedereen had eerbied voor meneer Jolliffe, maar niemand was gesteld op een kameraad, die er uitzag om de honden aan 't blaffen te maken. Toch erkenden allen zijn onberispelijke houding in ieder opzicht, zijn rechtvaardigheidsgevoel, zijn verdraagzaamheid, zijn voorkomendheid en zijn gezond oordeel. Het leven was voor hem inderdaad een last, dien hij met geduldige onderwerping droeg.
In alle gezelschappen als ze maar minstens een half dozijn personen tellen, kan men een praatsmaker aantreffen, en even algemeen is er ook steeds een van het gezelschap min of meer de zondenbok. Zelfs bij toevallige bijeenkomsten valt dit op te merken, zoo bijvoorbeeld op een diner, waarvan de meesten der genoodigden elkaar te voren nooit ontmoet hebben.
De praatsmaker in de adelborstenkajuit van Harer Majesteits fregat de Harpij was een jongmensch van omstreeks zeventien, met licht krullend haar en een blozend uiterlijk. Hij was de zoon van een schrijver aan de werf te Plymouth en heette Vigors.
De zondebok was een vijftienjarige jongen met een bleek, pafferig gezicht. Al kon hij niet bepaald knap genoemd worden, toch wist hij heel wat; maar ongelukkig had hij alle zelfvertrouwen verloren door de voortdurende schimpscheuten en spotternijen van anderen, die wel meer radheid van tong bezaten, maar in wezenlijke kennis waarschijnlijk niet tegen hem opgewassen waren. Hij leerde niet gemakkelijk, maar wat hij eenmaal wist onthield hij voorgoed. Deze jongen droeg den naam van Gossett. Zijn vader was een rijke grondeigenaar uit Lynn in het graafschap Norfolk. Er waren destijds nog maar drie andere adelborsten aan boord, van wie men alleen kan zeggen dat ze in niets van de gewone afweken, dus in leeren weinig lust toonden, maar bij iederen maaltijd een goeden eetlust meebrachten, een hekel hadden aan al wat op werken geleek, maar steeds klaar waren voor een grap of voor een vechtpartij "op leven of dood" om het volgende oogenblik weer dikke vrienden te worden; vervuld van algemeene begrijpen van eer en billijkheid, zonder er zich echter aan te storen als 't hun minder te pas kwam; bedeeld met zulk een mengelmoes van deugden en gebreken, dat het dikwijls onmogelijk was de ware drijfveer van een of andere daad aan te wijzen en te bepalen in hoever een kwade eigenschap tot een goede verzacht en een goede door louter overdrijving tot een kwade ontaard was. De namen van dit drietal waren O'Connor, Mills en Gascoigne. De overige kameraads van onzen held zullen we te gelegener tijd wel op het tapijt brengen.
Na het middagmaal in de kajuit volgde Jack zijn baksmaaks Jolliffe en Gascoigne naar het verblijf der adelborsten.
"Ik moet zeggen, Rustig," merkte Gascoigne op, dat je een verduiveld vrijpostig heertje bent, om zoo maar tegenover den kapitein te beweren dat ge uzelf als niets minder beschouwdet dan hem."
"Met uw verlof," antwoordde Jack, "ik doelde daarmee niet op den kapitein persoonlijk, maar sprak in 't algemeen over de rechten van den mensch."
"Nu," hernam Gascoigne, "'t is het eerst van mijn leven, dat ik een adelborst zoo kras voor den dag heb hooren komen, pas maar op met je rechten van den mensch, ze zouden je nog wel eens in de doos kunnen helpen--er valt aan boord van een oorlogschip niets te betoogen. De kapitein nam het verbazend luchtig op, maar je moest dat onderwerp in 't vervolg liever niet aanroeren."
"Gascoigne geeft u een goeden raad, meneer Rustig" merkte Jolliffe op. "Aangenomen al dat uw denkbeelden juist zijn--wat ik nog niet kan toegeven, omdat de toepassing er van mij onmogelijk schijnt--dan nog dient de voorzichtigheid niet uit het oog verloren. Laat ze die kwestie op den vasten wal zooveel uitpluizen als ze willen, in landsdienst is het gevaarlijk en zou je in een leelijk parket kunnen brengen."
"Een mensch is vrij in zijn doen en laten," zei Rustig.
"Mijn kop af als dat met een adelborst het geval is," riep Gascoigne lachend uit, "je zult 't spoedig genoeg ondervinden."
"En toch ben ik juist op zee gegaan, in de verwachting dat ik er die gelijkheid zou vinden."
"Stellig op den eersten April!" hernam Gascoigne. "Maar spreek je werkelijk in ernst?"
Hierop ving Jack een lang betoog aan, waarbij Jolliffe en Gascoigne hem ongestoord lieten doorslaan, terwijl Mesty met bewondering toeluisterde. Toen het afgeloopen was, barstte Gascoigne in een hartelijk gelach uit en Jolliffe zuchtte.
"Waar hebt ge toch al die wijsheid vandaan?" vroeg Jolliffe.
"Van mijn vader die een groot denker is, en die stellingen voortdurend verdedigt."
"En was 't uw vaders wensch dat ge op zee zoudt gaan?"
"Neen, hij was er volstrekt niet opgesteld, maar natuurlijk wilde hij zich niet verzetten tegen mijn rechten en mijn vrijen wil."
"Meneer Rustig," hernam Jolliffe, "als vriend raad ik u ten stelligste uw meeningen zooveel mogelijk voor u te houden; ik zal later wel gelegenheid vinden er nader met u over te spreken, en u dan mijn redenen uiteenzetten."
Nauwelijks had meneer Jolliffe uitgesproken, of Vigors en O'Connor, die het nieuwtje van Jack's ketterij gehoord hadden, kwamen beneden.
"Gij kent de heeren Vigors en O'Connor nog niet," zei Jolliffe tot Rustig.
Jack, die een toonbeeld van beleefdheid was, stond op en maakte een buiging, waarop de anderen plaats namen, zonder zijn groet te beantwoorden. Naar hetgeen Vigors van Rustig gehoord en nu gezien had, meende hij in hem een nieuw slachtoffer gevonden te hebben om op den kop te zitten, en hij begon er zonder complimenten maar dadelijk mee.