Jack Rustig

Chapter 4

Chapter 44,010 wordsPublic domain

"Verzoek hem binnen te komen," zei Jack; "en hoor eens: zorg dat de punsch wat beter is dan gisteren; ik heb nog twee heeren meer ten eten gevraagd."

Intusschen was meneer Sawbridge, die zijn uniform niet aanhad, binnengetreden, en zag nu Jack alleen zitten bij een keurig aangerichte tafel, waarop voor acht personen gedekt was. Zoowel het diner als het vertrek zelf zou, volgens Sawbridge's meening, veeleer gepast hebben voor een kommandant dan voor een adelborst van een oorlogsschip.

Sawbridge was een flink officier, iemand die zichzelf tot luitenant opgewerkt had, en niets bezat dan zijn tractement. In zijn zeven en twintig jaren dienst had hij iets stroefs over zich gekregen, en vooral jongelui van aanzienlijke familie, wier getal steeds toenam op de schepen, kon hij niet uitstaan. Geheel zonder reden was dit niet, want hij bemerkte dat door dien toevloed zijn eigen kansen op bevordering verminderden. Volgens zijn oordeel werden de adelborsten des te onbruikbaarder naarmate ze meer het heertje uithingen, geen wonder dus dat hem de gal overliep bij het aanschouwen van al de vertooning en drukte gemaakt door een jongmensch, dat weldra op een zuur gezicht van hem zou ineenkrimpen, en zulks al drie weken geleden had moeten doen. Toch was Sawbridge een rechtschapen mensch, al bleek hij soms wat naijverig op degenen, die zich meer weelde konden veroorloven dan hij.

"Mag ik vragen, meneer," zei Jack, die altijd buitengewoon beleefd was, "waarmede ik u van dienst kan zijn?"

"Jawel, meneer,--met onmiddellijk naar uw schip te gaan. En mag ik op mijn beurt eens vragen, wat de reden is, dat gij al drie weken hier aan wal zijt zonder u te komen aanmelden?"

Jack, die volslrekt niet gesticht was over Sawbridge's bevelenden toon en intusschen plaats had genomen, sloeg de beenen over elkaar, speelde achteloos met zijn gouden horlogeketting en antwoordde na een poos vrij koel:

"Maar, meneer, wie zijt gij dan toch?"

"Wie ik ben, meneer?" hernam de bezoeker van zijn stoel opspringende, "mijn naam is Sawbridge, meneer, en ik ben de eerste luitenant van de 'Harpij.' Ziedaar het antwoord op uw vraag."

Sawbridge, die zich verbeeldde, dat het noemen zijner waardigheid van eersten luitenant den adelborst een schrik om het hart zou doen slaan, liet zich weer op zijn stoel vallen en nam een air van groot gewicht aan.

"Inderdaad, meneer," antwoordde Jack, ik moet erkennen, datik uit onbekendheid met den dienst weinig besef heb van uw eigenlijke positie aan boord, maar uit uw gedrag zou ik opmaken, dat u een niet geringen dunk van uzelven heeft."

"Hoor eens, jongmensch, ik wil aannemen, dat ge niet weet wat een eerste luitenant is--uw houding tegenover mij geeft er duidelijk blijk van--maar reken er gerust op, dat ik het u spoedig zal laten merken. Tevens sta ik er op; dat ge onmiddellijk mee naar boord gaat."

"Het spijt me, meneer," antwoordde Jack doodbedaard, "maar ik kan aan uw hoogst bescheiden verlangen niet voldoen. Ik zal aan boord komen, zoodra mij dat goeddunkt, en u zult mij verplichten met u verder niet over mij te bekommeren."

Jack trok aan het schelkoord; de bediende, die aan de deur had staan luisteren, trad onmiddellijk binnen en eer Sawbridge, verbluft door zoo'n verregaande brutaliteit, iets zeggen kon, gaf Jack den bediende last meneer even uit te laten.

"Alle donders!" riep de eerste luitenant uit. "Wacht maar, ventje; heb ik je eenmaal goed en wel aan boord, dan zal ik je het verschil tusschen een adelborst en een eersten luitenant terdege duidelijk maken."

"Ik erken alleen gelijkheid, meneer," antwoordde Jack; "als gelijken zijn wij allen geboren, dat zult gij toch toestemmen, hoop ik."

"Gelijkheid--wel verdraaid! wou je soms ook het bevel over het schip op je nemen? We zullen je spoedig uit den droom helpen. Ik ga nu aan kapitein Wilson rapport uitbrengen over uw gedrag en dit verzeker ik je, als ge niet nog hedenavond aan boord zijt, dan zend ik morgenochtend met het krieken van den dag een sergeant met eenige mariniers om je in te rekenen."

"Wees verzekerd, meneer," antwoordde Jack, "dat ook ik niet in gebreke zal blijven aan kapitein Wilson mede te deelen, dat ik u als een onhebbelijken ruziemaker beschouw en hem raad u niet langer aan boord te dulden. Met zulk een ongelikten beer op een zelfde schip te wezen, is niet om uit te houden."

"Hij moet gek zijn--stapelgek," riep Sawbridge uit, wiens verbazing de overhand kreeg over zijn verontwaardiging.

"Neen, meneer," antwoordde Jack, "een gek ben ik niet, maar een wijsgeer.

"Wat voor een ding?" riep Sawbridge uit, "Wacht maar, grappenmaker, we zullen de wijsbegeerte van je wel op de proef stellen."

"Juist daarom heb ik besloten op zee te gaan, meneer," hernam Jack; "en als gij aan boord blijft, hoop ik met u eens te redeneeren, en u te bekeeren tot erkenning der gelijkheid en der rechten van den mensch."

"Wees er maar zeker van, dat ik je spoedig tot onderwerping aan de krijgsartikelen zal bekeeren, als je tenminste ooit aan boord komt. Voorloopig ga ik nu den kapitein rapport maken over uw gedrag, en laat u bij uw diner als ge nog eetlust overgehouden mocht hebben."

"Ten zeerste verplicht, meneer, maar over mijn eetlust behoeft ge u volstrekt niet bezorgd te maken. Het eenige wat me spijt, is dat ik, met het oog op het nette gezelschap dat ik wacht, u niet durf uitnoodigen onzen dischgenoot te zijn. Ik zou dat anders gaarne gedaan hebben, nu het blijkt dat we tot hetzelfde schip behooren. Ik wensch u goedendag, meneer."

"Twintig jaren ben ik in dienst," bulderde Sawbridge, "en nu zou me daar zoo'n.... maar hij is gek, stapelgek." En de eerste luitenant stormde de kamer uit.

Jack was zelf ook wat verbluft. Had Sawbridge zijn uniform aangehad, dan was 't nog wat anders geweest, maar dat zoo'n alles behalve indrukwekkend persoon met zwarte bakkebaarden, slordig onderhouden haar, een ouden blauwen rok en een geel kaschmiren vest, het durfde wagen hem op zoo'n manier toe te spreken, dat was onbegrijpelijk. Hij noemt me een gek, dacht Jack, maar ik zal kapitein Wilson eens netjes vertellen, hoe ik over zijn luitenant denk. Een oogenblik later verschenen de gasten en spoedig was Jack het geheele geval weer vergeten.

Intusschen begaf Sawbridge zich naar den kapitein en vond hem thuis. Na een omstandig verhaal van wat er had plaats gehad, eindigde hij zijn rapport met in drift te eischen, dat Jack onmiddellijk ontslagen of anders voorbeeldig gestraft zou worden.

"Nu, nu, meneer Sawbridge," antwoordde kapitein Wilson, "komaan, neem plaats, en laten we er eens over redeneeren, zooals meneer Rustig zegt; ik wed, dat ik u tot betere gedachten breng. Wat dat straffen betreft, ja, zie je, dat is een lastig geval, want vooreerst heeft meneer Rustig zich nog niet op zijn schip aangemeld, en ten tweede kon hij immers niet weten dat gij de eerste luitenant waart, want ge hadt uw uniform niet aan."

"Dat is waar meneer," antwoordde Sawbridge, "daar had ik niet aan gedacht."

"En wat dat ontslaan of liever niet toelaten op het schip aangaat, meneer Rustig is aan den wal grootgebracht en heeft mogelijk zijn heele leven geen grootere uitgestrektheid water gezien dan een vischvijver. Van zeedienst of van wat er aan vast is, zal hij wel evenveel begrip hebben als een kind van nog geen jaar. Ik wed dat hij niet eens weet wat een luitenant is, en stellig heeft hij geen flauw idee van de macht van een eersten luitenant, dat blijkt duidelijk uit de manier waarop hij zich tegenover u gedragen heeft."

"Dat moet ik ook gelooven," antwoordde Sawbridge droogjes.

"En daar nu zijn gedrag het uitvloeisel moet zijn van volkomen onwetendheid, mag hij, dunkt me, niet al te streng gestraft worden. Ga 't zelf maar eens na, Sawbridge."

"Misschien hebt gij gelijk, meneer, maar hij noemde zich toch een wijsgeer en sprak over de gelijkheid en de rechten van den mensch. Hij zei, dat hij alleen gelijkheid tusschen ons kon aannemen en wilde dat nader uiteenzetten. Nu vraag ik u toch, meneer, wat moet er van den dienst terechtkomen, als zoo'n adelborst over elk bevel, dat er gegeven wordt aan 't redeneeren slaat?"

"Die opmerking is zeer juist, Sawbridge; daaraan heb ik in 't geheel niet aan gedacht, toen ik beloofde den jongen Rustig aan boord te zullen nemen. Ik herinner me nu dat zijn vader, die een verre neef van me is, eenige vrij dwaze denkbeelden in zijn hoofd had, precies dezelfde die zijn zoon bij zijn ontmoeting met u te berde heeft gebracht. Toen ik eens bij meneer Rustig ten eten was, had hij 't maar steeds over de beginselen der natuurlijke gelijkheid en der rechten van den mensch, tot groot vermaak van zijn gasten en ook van mij, moet ik bekennen. Ik maakte nog de opmerking, dat die denkbeelden onmogelijk toe te passen waren op den dienst, want dat 't dan gedaan zou zijn met alle tucht. Hoe weinig vermoedde ik toen, dat zijn eenige zoon, voor wien niet de minste aanleiding bestond om het zeeleven te kiezen--want zijn vader is een rijk grondbezitter--nog ooit met mij onder zeil zou gaan en die denkbeelden op mijn schip komen brengen. 't Is jammer, erg jammer."

"Maar Meneer," zei Sawbridge, "als 't mij geoorloofd is mijn meening over het geval te zeggen--zou 't niet het best zijn, zoowel voor hemzelf als voor den dienst, dat hij maar weer naar huis werd gezonden? Als officier zal hij enkel zichzelven en anderen last bezorgen."

"Mijn waarde Sawbridge," hernam kapitein Wilson, nadat hij de kamer een paar malen op en neer was gestapt, "we zijn te gelijk in dienst gekomen, hebben verscheidene jaren aan denzelfden disch gegeten en niet enkel langdurige vriendschap, maar ook vertrouwen op uw degelijke kennis hebben er mij toegebracht u voor te stellen mijn eersten luitenant te worden. Nu zal ik u eens een geval ter beslissing voorleggen, en wat meer is, ik zal me aan uw uitspraak onderwerpen.

"Neem eens aan, dat gij evenals ik scheepskommandant waart met een vrouw en zeven kinderen, en dat ge na jarenlang getob om in hun onderhoud te voorzien, in weerwil van de grootste spaarzaamheid in schulden waart geraakt. Nu gelukt het u eindelijk een flinke aanstelling te krijgen, waardoor ge u uit alle ongelegenheden zult kunnen redden. Maar al uw hoop dreigt in rook te vervliegen, omdat ge geen geld hebt voor een uitrusting en voor het afdoen der meest dringende schulden. Als nu in zulk een benarden toestand een verre bloedverwant, dien ge ternauwernood kent, zoo edelmoedig is u duizend gulden te leenen, zonder daarvan rente te vorderen en het geheel aan u overlaat wanneer ge de som wenscht terug te betalen, dan vraag ik u, Sawbridge, wat zoudt gij voor zoo iemand gevoelen?"

"Ik zou mijn leven voor hem wagen," antwoordde Sawbridge getroffen.

"Vooronderstel nu dat, louter bij toeval of door een samenloop van omstandigheden, de zoon van dien man onder uw bescherming werd gesteld; wat dan?"

"Ik zou als een vader voor hem zorgen."

"Maar laten we toch eens verder gaan en vooronderstellen, dat ge niet in alle opzichten met den jongen ingenomen zijt, dat hij dwaalbegrippen heeft ingezogen, die, als ze niet uitgeroeid worden, verderfelijk voor hem kunnen worden. Zoudt ge hem dan om die reden uw bescherming onttrekken en hem aan zijn lot overlaten?"

"Volstrekt niet, meneer," antwoordde Sawbridge; "integendeel, ik zou hem zoo lang bij me houden, tot ik hem, hoe dan ook, van zijn verkeerdheden had genezen, en op die wijze zooveel mogelijk de schuld der dankbaarheid aan den edelmoedigen vader had betaald."

"Na al wat er gebeurd is behoef ik u wel niet te zeggen, Sawbridge, dat het jongmensch, met wien ge in aanraking zijt geweest, de zoon is en meneer Rustig van Boschlust de vader."

"Het eenige wat ik zeggen kan, meneer, is dat ik, niet enkel om u genoegen te doen, maar ook uit eerbied voor iemand, die u zooveel welwillendheid heeft betoond, het jongmensch volgaarne vergeef wat er tusschen hem en mij is voorgevallen en bovendien al wat er waarschijnlijk nog gebeuren zal, eer we hem in het rechten spoor hebben."

"Hartelijk dank, Sawbridge, ik had niet anders van u verwacht, en ik heb me in die verwachting niet bedrogen."

"Maar wat moet er nu gedaan worden, kapitein?"

"We moeten hem aan boord zien te krijgen, maar niet met een escorte mariniers--dat zou meer kwaad dan goed doen. Ik zal hem een uitnoodiging zenden om morgenochtend bij me te komen ontbijten en het een en ander te bepraten. Ik wil hem geen schrik aanjagen; hij moest anders eens hals over kop naar Boschlust terugkeeren."

"Dat mag in geen geval, want zijn vader schijnt zijn grootste vijand te zijn. Hoe jammer dat iemand met zulk een goed hart zoo'n zwakhoofd kan wezen!"

Meneer Sawbridge verwijderde zich en kapitein Wilson zond aan onzen held een schriftelijke uitnoodiging om den volgenden morgen te negen uur bij hem te komen ontbijten. Het antwoord luidde bevestigend, maar werd mondeling overgebracht, want Jack had te veel champagne gedronken dan dat hij een pen op het papier durfde zetten.

Zesde hoofdstuk.

Aan boord en onder zeil.

Den volgenden morgen zou Jack stellig de invitatie van den kapitein glad vergeten geweest zijn, als niet de bediende van het logement begrepen had, dat, na de vreemde manier waarop onze held den eersten luitenant had ontvangen, het niet raadzaam zou wezen ook nog in eerbied voor den kapitein te kort te schieten.

Tot dusver had Jack zijn uniform nog niet aangehad, en hij vond 't nu een geschikte gelegenheid, te meer daar de bediende beweerde dat hij in tenu behoorde te verschijnen. Of het soms een voorgevoel was van wat hem te wachten stond, maar Jack voelde zich niets prettig in zijn nieuwe plunje. Het kwam hem voor, dat hij zijn onafhankelijkheid prijs gaf en hij kreeg grooten lust het pak met de glimmende knoopen weer uit te smijten. Daartoe kwam het echter niet, en na zijn hoed opgezet te hebben, begaf hij zich naar het logement van kapitein Wilson. Deze ontving hem zeer heusch en hield zich alsof hij niets wist van Jack's verzuim om zich tijdig aan boord aan te melden of van diens ontmoeting met den eersten luitenant; maar eer het ontbijt afgeloopen was, had Jack zelf het geval reeds met enkele woorden verteld. Kapitein Wilson begon nu uit te weiden over de plichten en den rang der verschillende personen aan boord van een schip, en betoogde Jack hoe 't met het oog op de tucht onmogelijk was, dat er meer dan één persoon het kommando voerde. Die eene was de kapitein, in wiens persoon koning en vaderland vertegenwoordigd werden. Daar nu de kapitein zijn bevelen gaf aan den luitenant en deze ze overdroeg op de adelborsten, die ze op hunne beurt weer aan de overige bemanning overbrachten, was 't inderdaad alleen de kapitein, die de bevelen uitdeelde en was iedereen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht. Ja, de kapitein zelf volgde weer de orders van zijne superieuren, den admiraal en de admiraliteit; men kon dus met recht zeggen, dat aan boord allen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht waren. Door telkens op het woord _gelijkelijk_ veel nadruk te leggen, diende hij zijn eerste les met de noodige omzichtigheid toe. Zijn geheele betoog geleek veel op een handige pleitrede, want terwijl hij Jack duidelijk zocht te maken dat in dienst gelijkheid volstrekt onbestaanbaar was, trachtte hij tevens aan te toonen dat alle rangen volkomen gelijk stonden, in zoover allen evenzeer hun plicht tegenover het vaderland hadden te vervullen; en of nu een matroos zijne bevelen gehoorzaamde, dan of hijzelf die van een hooger officier opvolgde, alles kwam ten slotte daarop neer, dat ze het vaderland dienden.

Met die manier van beschouwen was Jack het vrij wel eens, en de kapitein zorgde wel, dat hij er niet te lang bij bleef stilstaan, maar ging spoedig tot ten ander onderwerp over, dat hij voor Jack aangenamer achtte. Hij zette uiteen, dat de krijgsartikelen de wetten waren volgens welke de dienst werd geregeld, en dat iedereen, van den kapitein tot den minsten jongen aan boord, er gelijke gehoorzaamheid aan verplicht was; dat ieder een vast rantsoen kreeg, wat voor allen gelijk was, zoowel in hoeveelheid als in hoedanigheid; dat al moesten er noodzakelijk rangen zijn en al moesten de bevelen van den kapitein door allen opgevolgd worden, toch elk officier, van welken rang ook, als een beschaafd man beschouwd werd. Kortom, kapitein Wilson wist het zoo ver te brengen, dat Jack begon te gelooven, dat hij de te land vergeefs gezochte gelijkheid nu eindelijk gevonden had. Maar daar herinnerde hij zich ongelukkig de ruwheid, waarmede meneer Sawbridge hem den vorigen avond bejegend had en hij vroeg den kapitein, hoe die man daartoe had kunnen komen. Nu deed de taal door den luitenant gebruikt al heel weinig aan gelijkheid denken, en kapitein Wilson zat er wel een beetje over in. Hij betoogde echter dat volgens de krijgsartikelen ieder, die zich van het schip verwijderde, een vergrijp beging tegen die artikelen. Werd nu zulk een vergrijp begaan door iemand van de bemanning, dan moest de oudste officier daar rapport van maken, of anders was hij zelf strafbaar. Zijn eigen verantwoordelijkheid noodzaakte hem dus wel zulk een overtreding niet door de vingers te zien, en als hij er den schuldige in wat al te krasse bewoordingen op wees, dan toonde hij daarmede slechts zijn dienstijver.

"Aan zijn dienstijver valt dan stellig niet te twijfelen," antwoordde Jack, want als het gansche vaderland op het spel had gestaan, kon hij niet erger hebben uitgevaren."

"Hij deed dus zijn plicht; maar reken er op, dat hij 't zelf niet aangenaam heeft gevonden. Ik sta er voor in, dat, als gij hem aan boord ontmoet, hij even vriendelijk zal wezen alsof er niets gebeurd was."

"Hij zou me anders eens laten zien wat een eerste luitenant was. Wat kan hij daarmee bedoeld hebben?" vroeg Jack.

"Niets dan dienstijver."

"Ja, maar zoodra ik aan boord kwam, zou hij me het verschil toonen tusschen een eersten luitenant en een adelborst."

"Dienstijver, anders niet."

"Ook zou hij mijn verstand wel een beetje opfrisschen."

"Alles dienstijver."

"En hij zou me door een sergeant en eenige mariniers laten halen."

"Alles dienstijver."

"Ook zou hij mijn wijsbegeerte eens op de proef stellen."

"Alles dienstijver, meneer Rustig. Die ijver kan zich soms wat overdreven uiten, maar we zouden het in den dienst niet zonder kunnen stellen. Ik hoop en vertrouw mettertijd in u een even volijverig officier te hebben."

Hier zette Jack een bedenkelijk gezicht, en gaf geen antwoord.

"Ik ben er zeker van," vervolgde kapitein Wilson, "dat gij in meneer Sawbridge een uwer beste vrienden zult vinden."

"Misschien wel," antwoordde Jack, "maar onze eerste kennismaking, beloofde niet veel."

"Dat is wel jammer. Maar wat ik u zeggen wilde, we zullen morgen uitzeilen. Van avond komt de sloep mijn goed halen, dat is een mooie gelegenheid om ook het uwe mee te geven. Om acht uur ga ik aan boord, we kunnen dan van dezelfde boot gebruik maken."

Jack had daar volstrekt geen bezwaar tegen. Na zijn rekening in de Fontein betaald te hebben, liet hij zijn koffer naar de sloep brengen en wachtte voor zijn eigen vertrek de boodschap van den kapitein af. Tegen negen uur in den avond bevond Jack Rustig zich goed en wel aan boord van Zijner Majesteits fregat de Harpij.

Toen Jack aan boord kwam was het reeds donker en hij wist niet goed wat hij zou aanvangen. De kapitein werd op het dek door de officieren in allen vorm ontvangen, en eerbiedig gegroet. Hij beantwoordde dien groet en Jack volgde dat voorbeeld zoo beleefd mogelijk; daarna knoopte meneer Wilson een onderhoud aan met den eersten luitenant, zoodat Jack voor een oogenblik aan zichzelven overgelaten was. Het was te donker om de gezichten te onderscheiden, en voor iemand die nog nooit aan boord van een schip was geweest, zelfs te donker om een voet te verzetten, zoodat Jack maar stilletjes bleef waar hij was, namelijk niet ver van de betinghouten. Maar dat duurde niet lang; de sloep was aan de groote davits vastgehaakt en de bootsman had geroepen:

"Aanhalen, jongens!"

Op een schel gefluit en het kommando: "Op!" kwamen de matrozen met de takels aangerend en gesprongen. In de duisternis werd Jack omvergeloopen en een half dozijn kerels rolde over hem heen. De matrozen, die niet wisten dat er onder anderen ook een officier van de been was geraakt, hadden schik in de grap en bleven maar voortwippen over degenen die gevallen waren, totdat ze eindelijk zelven neerkwakten. Jack, die er niets van begreep, kwam leelijk te land, en eerst nadat het sein tot vastjorren was gegeven, geraakte hij weer overeind, nadat de halve stuurboordwacht over hem heengegaan was en de adem hem bijna begeven had. Jack strompelde naar een der stukken geschut, toen de officieren, die even goed als de manschappen over de fopperij gelachen had, zijn toestand opmerkten, onder anderen ook Sawbridge, de eerste luitenant.

"Hebt ge u bezeerd, meneer Rustig?" zei hij vriendelijk.

"Een beetje," antwoordde Jack, weer bij adem gekomen.

"Dat was een wel wat ruwe welkomstgroet," hernam de eerste luitenant, "maar op sommige tijden heet 't aan boord: ieder voor zich en God voor ons allen. Harpur," vervolgde hij tot den dokter, "neem meneer Rustig mee naar de konstabelkamer, ik kom zoo spoedig mogelijk zelf ook beneden. Waar is meneer Jolliffe?"

"Hier, meneer," antwoordde Jolliffe, een stuurmansmaat en kwam van achter de leizeilspieren te voorschijn.

"Er is met den kapitein een nieuwe adelborst mee aan boord gekomen. Laat een van de kwartiermeesters zorgen voor een hangmat."

Intusschen ging Jack naar de konstabelkamer, waar een glas wijn hem weer wat opkwikte. Lang bleef hij er niet en tot veel praten bad hij ook geen lust. Zoodra zijn hangmat klaar was, haastte hij zich om te bed te komen en daar hij doodaf was, werd het den volgenden morgen over negenen eer hij ontwaakte. Hij kleedde zich aan, ging op het dek en bespeurde dat het schip al in volle zee was. Spoedig begon hij zich onwel, ja zelfs ziek te gevoelen, zoodat een der matrozen hem naar beneden brengen en in zijn hangmat leggen moest, waar hij onder een hevigen wind drie dagen doorbracht, versuft door het schokken en slingeren, terwijl hij elk oogenblik met het hoofd tegen de scheepsbalken sloeg.

"Noemen ze dat na op zee gaan?" dacht Jack. "Geen wonder dat ze zich hier zoo weinig om elkaar bekommeren; maar dit weet ik wel, als ik ooit weer voet aan wal zet, dan gun ik den drommel mijn portie van de zee, ik heb er al meer dan genoeg van."

Kapitein Wilson en meneer Sawbridge hadden beiden aan Jack gedurende zijn ziekte meer rust gegund dan gewoonlijk aan adelborsten werd toegestaan. Toen de storm tot bedaren was gekomen, had het schip de hoogte van kaap Finisterre bereikt. Den volgenden morgen was de zee volkomen rustig en er lag slechts een flauw briesje op het water.

De betrekkelijke kalmte van den afgeloopen nacht had onzen held weer vrij wel op zijn verhaal doen komen, en toen een stoot op de fluit het sein gaf tot het optrekken der hangmatten, kwam meneer Jolliffe, de stuurmansmaat, hem vragen of hij er niet eens over zou denken op te staan en zich in de kleeren te steken, dan of hij van plan was onder de dekens naar Gibraltar te zeilen.

Jack, die zich een heel ander mensen gevoelde, wipte uit zijn hangmat en kleedde zich aan. Volgens bevel van den kapitein had een matroos Jack tijdens zijn ongesteldheid opgepast en deze man was hem ook nu behulpzaam; hij opende Jacks kist en bracht hem al wat hij verlangde.

Toen hij gereed was vroeg Jack waar hij heen moest gaan, want ofschoon al vijf dagen aan boord, toch had hij nog geen kijkje genomen in de adelborstenkajuit. De matroos duidde hem den weg er heen uit, en Jack, die een geweldigen honger had, klauterde over kisten en koffers tot hij eindelijk terechtkwam in een vertrek, dat er vrij wat slechter uitzag dan de hondenhokken bij zijn vader thuis.