Jack Rustig

Chapter 3

Chapter 34,247 wordsPublic domain

"Ze behooren mij evengoed als u, waarde vriend."

"Dat zul je toch wel mis hebben, ventje; die appels zijn van mij, en ik raad je om maar drommels gauw uit den boom te komen. Als je beneden, bent kunnen we er verder over praten, en je zult dan ruimschoots je deel hebben, voegde hij er bij met een veelbelovende beweging van zijn dikken stok."

Dit deed Jack niet veel goeds verwachten.

"Mijn beste man," zei hij, "'t is bepaald een vooroordeel van u, te meenen dat appels niet, evengoed als ander fruit, ten nutte van ons allen gegeven zijn--ze zijn algemeen eigendom, geloof me toch."

Dat mag jij misschien meenen, kereltje, maar ik denk er heel anders over. Ik heb er al lang op geloerd, wie toch mijn appels stal, en nu ik een van de dieven gesnapt heb, zal hij er niet zonder een behoorlijke kastijding afkomen. Er uit dus, jou kleine rakker, en gauw wat ook, of anders zal 't slecht met je afloopen."

"Dank u wel," zei Jack, "ik zit hier heel best. Maar, als u 't goed vindt, wil ik gaarne het geval met u nader beredeneeren."

"Daar heb ik geen tijd voor; ik heb nog heel wat te doen, maar je hoeft niet te denken, dat ik je zal laten ontsnappen. Heb je geen lust om naar beneden te komen, welnu, dan blijf je maar stilletjes boven, maar ik verzeker je, dat ik je na afloop van mijn werk hier nog goed en wel vinden zal."

"Wat aan te vangen met iemand die naar geen redeneering wil luisteren?" dacht Jack. "Wat een verdorven wereld toch! Maar dat weet ik wel, als hij terugkomt, zal hij me hier niet vinden."

Daarin vergiste Jack zich echter. De boer deed een paar stappen naar de heining, riep een jongen wat toe en deze ijlde naar de hofstede. Eenige oogenblikken later zag men een groote bulhond door den boomgaard heen op zijn meester losstuiven. "Pas op, Caesar," zei de boer tot de hond, "pas op!" De hond vleide zich neer op het gras, gluurde met opgeheven kop onafgewend naar Jack en liet daarbij een paar rijen tanden zien, die onzen held voor het oogenblik al zijn wijsgeerige denkbeelden deden vergeten.

"Al kan ik niet wachten, Caesar wel, en ik verzeker je in gemoede dat er geen stuk van je heel blijft, als hij je bij de kladden krijgt. Als ik met mijn werk klaar ben, kom ik terug." Dit zeggende verwijderde zich den boer en liet het aan Jack en aan den hond over om de kwestie uit te maken, als ze er lust in hadden.

Na een poos liet de hond zijn kop zakken en sloot de oogen, alsof hij sliep, maar niet zoodra bewoog Jack zich even, of een er van werd een weinig geopend. Jack vond het dus maar geraden om te blijven waar hij was. Hij plukte nog een paar appels, want 't was tijd voor het middagmaal, en begon al etende te overpeinzen.

Nog niet lang was hij daarmee bezig, toen hij gestoord werd door een stier, die al brullende den boomgaard doorrende en op het gezicht van Caesar den kop naar omlaag boog. Caesar vloog overeind en vatte den stier in het oog, die met zijn staart in de lucht op hem losstoof. Vlakbij gekomen deed de stier een aanval op den hond; maar deze ontweek den stoot en vloog op zijn beurt op zijn tegenstander aan. Deze schermutseling duurde voort, tot de vechtende partijen een heel eind van den appelboom verwijderd waren geraakt. Jack dacht nu zijn kans waar te nemen om te ontsnappen, maar ongelukkig werd het gevecht juist gevoerd aan dien kant van den boomgaard waar de heining was, die Jack weer over moest. Dat hindert niet, dacht onze held, dan neem ik den anderen kant maar, al moet ik dicht langs den boerenwoning, er valt nu eenmaal niet te kiezen. Terwijl Jack zich uit den boom liet zakken, hoorde hij opeens een vervaarlijk gebrul; de hond was door den stier op de horens genomen en in de lucht geslingerd, en Jack zag hem aan den overkant der heining neersmakken; het gebrul was de zegekreet van den overwinnaar. Toen Jack nu bemerkte dat hij van zijn bewaker verlost was liet hij zich in een wip verder naar omlaag glijden en zette het op een loopen. Ongelukkig kreeg de stier hem in het oog en stoof in den zwijmel der overwinning met een vernieuwd gebrul onzen vriend achterna. Jack bespeurde het gevaar dat hem dreigde, en de angst gaf hem vleugelen; hij vloog niet alleen door den boomgaard, maar ook over de heining, die bijna vijf voet hoog was en wel juist toen de stier er met zijn kop tegenaan rende. Kijk waar je loopt, leert een oud spreekwoord. Als Jack daarna gehandeld had, zou hij 't er beter afgebracht hebben; maar nu er in dit geval nog al eenige verschooning voor hem kan ingebracht worden, zullen we enkel maar zeggen, dat hij zich aan den anderen kant van de heining in een kleinen bijenstal beland zag. Twee korven had hij in zijn vaart omgeworpen en eer hij goed en wel weer op de been was, waren de verontwaardigde bijen al druk bezig hem van alle kanten te steken. Het eenige wat Jack doen kon was weer aan den haal gaan, maar de bijen vlogen sneller dan hij loopen kon en de arme jongen was dol van de pijn, toen hij half verblind struikelde over het steenen ringmuurtje van een put. Zijn val in den put kon Jack niet stuiten, maar hij greep de ijzeren ketting, die hem in het gezicht sloeg. Het windas liep af--en daar ging 't met de grootste snelheid naar beneden. Na een daling van een voet of veertig zat hij geheel onder water en had nu geen last meer van de bijen. Jack werkte zich aan den ketting, die geheel afgeloopen was weer wat omhoog en voelde nu iets tegen zijn beenen slingeren. Het was de emmer, die ongeveer twee voet onder water zat; Jack zette er zijn beenen in en voelde zich nu vrij behaaglijk; want na de steken der bijen en de verhitting van zijn wedloop met den stier, bracht het water hem een heerlijke verfrissching aan.

"In elk geval," dacht Jack, "als de stier er niet geweest was, zou de hond op me zijn blijven passen en had ik later een pak ransel gekregen van den boer; maar aan den anderen kant zou ik, als de stier er niet geweest was, niet onder de bijen terecht zijn gekomen, en als de bijen er niet geweest waren, zou ik niet in den put getuimeld zijn; en als die ketting er niet geweest was, zou ik verdronken zijn. Wat een reeks van gebeurtenissen, enkel omdat ik lust had een appeltje te eten!"

"Hoe het zij, van den boer, den hond, den stier en de bijen ben ik af; maar hoe kom ik nu hier uit dezen put? Het schijnt wel, of de geheele schepping tegen de rechten van de mensch heeft samengespannen. Zooals mijn vader zegt, leven we in een ijzeren eeuw en hier hang ik nu te bengelen aan een ijzeren ketting."

Vierde hoofdstuk.

Jack begint vrij verstandig te overleggen, maar komt toch tot een erg onverstandig besluit.

Nadat Jack ongeveer een kwartier in zijn zonderlinge positie had doorgebracht, begonnen zijn tanden te klapperen en zijn lippen te trillen; hij voelde een dofheid in al zijn ledematen en achtte het hoog tijd om hulp te roepen. In het eerst durfde bij wel niet goed, uit vrees dat hij dan weer zou blootgesteld raken aan de verontwaardiging van den boer en diens gezin, maar hij kon hier toch niet blijven. Juist sperde Jack zijn mond open om een schreeuw te geven, toen er beweging in den ketting kwam en hij langzaam omhoog ging. Eerst hoorde hij klachten over de zwaarte van den emmer, wat hem volstrekt niet verwonderde; daarna hoorde hij gegrinnik en gelach van twee personen en weldra ging het vrij vlug naar boven. Ten slotte kwam zijn hoofd boven het lage muurtje uit en juist wilde hij zijn eene arm uitsteken om zich vast te grijpen, toen de twee aan het windas hem in de gaten kregen. Het waren een stevige boerenknecht en een meid.

"Dank u," zei Jack.

Maar men moet nooit te vlug zijn met bedanken. De meid gaf een gil en liet den draaier los, de knecht schrikte en kon het windas ook niet meer houden; de draaier ontglipte aan zijn handen, sloeg hem tegen de kin, zoodat hij languit op den grond rolde en eer het "dank u" goed en wel over Jack's lippen was gekomen, ging hij weer als een pijl uit den boog naar omlaag. Gelukkig had hij den ketting nog niet losgelaten, anders zou hij tegen den kant geslagen zijn en er stellig het hachje bij ingeschoten hebben; hij kwam er nu af met een tweede onderdompeling en bevond zich weldra weer in zijn vorigen toestand.

"Dat is me ook wat moois," dacht Jack, terwijl hij zijn pet wat vaster op het hoofd drukte, "maar ze kunnen zich nu ten minste niet meer houden, alsof ze niet wisten dat ik hier was."

Intusschen stoof de meid de keuken binnen, liet zich op een stoel vallen, maar gleed er onmiddellijk weer af en kwam terecht op eenige opgemaakte brooden, die nog gebakken moesten worden en op den grond bij het vuur gezet waren om wat te rijzen.

"Hemeltje lief! wat is er met Suze aan de hand?" riep de pachtersvrouw uit. "Heidaar,--Marie--Jan--waar zit je? Och, och, al mijn brooden zoo plat als een koek!"

Jan kwam spoedig daarop, met zijn hand aan zijn onderkaak. Hij zag er ontdaan en verschrikt uit, wat geen wonder was; want vooreerst dacht hij dat zijn onderkaak gebroken was en bovendien geloofde hij stellig en vast, dat hij den duivel gezien had.

"Goeie genadigheid! wat is er toch gaande!" riep de pachtersvrouw alweer. "Marie, Marie?" schreeuwde ze en begon nu zelf ook angstig te worden, want hoe ze ook alle krachten inspande, ze kon maar geen beweging krijgen in Suze, die als een klomp lood op haar bed van deeg lag. Marie gaf gehoor aan het luid geroep harer meesteres en met haar hulp gelukte het Suze van den grond te tillen; maar de brooden weer in hun fatsoen te brengen, daar was geen denken aan.

"Waarom help jij dan ook eens niet een handje, Jan? snauwde Marie hem toe.

"Au-au-au!" was al wat ze ten antwoord kreeg van Jan, die van dat helpen van Suze al plezier genoeg had gehad, en maar steeds zijn hand aan de wang hield.

"Wat is er toch te doen, vrouw?" riep de pachter onder het binnentreden. "Wel verdraaid, wat scheelt Suze toch? En wat scheelt jou?" vervolgde hij, zich nu tot Jan wendend. "Duivels, het schijnt wel dat de heele boel in de war loopt vandaag. Om te beginnen worden mijn appels gestolen--dan vind ik in den tuin al mijn bijenkorven omvergesmeten--de stier heeft Caesar leelijk toegetakeld, is vervolgens door de heining gebroken en daarna in den zaagkuil gevallen--en nu ik hier hulp kom halen om er hem weer uit te krijgen, vind ik de meid meer dood dan levend en Jan met een gezicht alsof de booze hem verschenen was."

"Au-au-au!" antwoordde Jan met een veelbeteekend hoofdknikken.

"Je zoudt waarachtig gaan denken, dat de duivel vandaag losgebroken was. Wat is er toch, Jan? Heb jij hem soms gezien, of Suze?"

"Au-au!"

"Loop heen met je au! Met jou valt niets te beginnen. Is dat schepsel weer bij haar positieven gekomen!"

"Ja, ja, ze is weer beter.--Suze, wat is er gebeurd?"

"O, o, juffrouw! de put, de put."--

"De put! Daar is 't zeker niet in den haak; ik zal eens gauw gaan kijken."

De boer haastte zich naar den put. Hij zag dat de emmer naar omlaag en de ketting geheel afgeloopen was; hij boog zich wat over den rand en keek in den put. Jack, die vrij ongeduldig geworden was en al telkens opgekeken had of er nog geen hulp kwam opdagen, zag nauwelijks het vollemaansgezicht van den boer of hij riep:

"Hier ben ik, haal me spoedig op, of ik zal 't besterven." Die bewering was niet zoo ver buiten de waarheid, want de jongen was doodaf, ofschoon hij nog altijd moed had gehouden.

"Verduiveld, daar is er eentje in den put gevallen!" riep de boer uit; "er komt vandaag geen eind aan de ongelukken. Ja, een christenmensch gaat toch altijd boven een stier; dus eerst hem uit den put gehaald en dan mijn beest uit den kuil geholpen."

Fluks riep hij eenige arbeiders en nu zou het reddingswerk beginnen.

"Opgepast daar beneden, hou je stevig vast."

"Ga je gang maar!" riep Jack.

Het windas werd in beweging gebracht en weldra kwam Jack opnieuw over den rand kijken. Een paar handen werden hem toegestoken en spoedig was hij uit zijn benarden toestand gered. Ze moesten hem echter languit op den grond leggen, want zijn krachten hadden hem begeven.

"Wel verdraaid! 't is dezelfde jongen, die bezig was mijn appels te stelen," riep de boer uit--"maar toch, het kapen van een paar appels mag hem den dood niet kosten; alloo, jongens, opgepakt en hem naar binnen gedragen--hij is heel verkleumd van de kou--en geen wonder."

De pachter liep vooruit en zijn arbeiders droegen Jack in huis, waar hij een glas brandewijn te drinken kreeg. Dit wekte de levensgeesten weer op en spoedig was de jongen weer aardig opgeknapt.

Nadat Jack verteld had hoe alles zich had toegedragen, vroeg de boer hem, hoe hij heette.

"Mijn naam is Rustig," antwoordde Jack.

"Hoe! ben je de zoon van meneer Rustig van Boschlust?"

"Ja."

"Alle drommels! dat is mijn pachtheer, en wat een goede, hoor!--Waarom heb je dat niet gezegd, toen je in den appelboom zat? Voor mijn part hadt je dan den heelen boomgaard kunnen plunderen."

"Beste vriend," hernam Jack, die na een tweede glas brandewijn weer erg spraakzaam was geworden, "laat het u een les zijn, om voortaan altijd te luisteren, als iemand u iets uiteen wil zetten. Als gij maar geduld hadt gehad, zou ik u onweerlegbaar bewezen hebben, dat gij niet meer recht op die appels hebt dan ik; maar gij verkoost niet te luisteren naar mijn betoog, en zonder redeneering kunnen we nooit achter de waarheid komen. Gij hebt er uw hond bijgehaald en nu ligt hij met een opengescheurd lijf--uw stier heeft zijn poot gebroken in den zaagkuil--uw bijenkorven liggen overhoop, zoodat al de honig verloren is--uw knecht heeft zijn onderkaak gebroken--uw meid heeft al uw brood bedorven--en waarom? Enkel en alleen omdat gij mijn redeneering niet hebt willen aanhooren."

"Ja, zie je, jongenheer, 't mag waar zijn, dat al die ongelukken gebeurd zijn omdat ik u niet hebt laten uitpraten, maar als ik nu toch den boomgaard van uw vader gepacht heb, dan begrijp ik me niet, hoe gij me zoudt kunnen bewijzen dat de appels mij niet toebehooren. Maar al bekijken we het geval op uw manier, dan zie ik nog niet in, dat gij er zooveel beter af zijt gekomen: gij klimt in een boom om een paar appels, terwijl gij meer dan genoeg geld in uw zak heb om ze te koopen als ge er lust in hebt--een hond belet u weer naar beneden te komen--een stier gaat u bijna met zijn horens te lijf--de bijen steken u erbarmelijk en gij tuimelt in een put; ja, 't is een duizend lukje, dat gij er het hachje niet bij ingeschoten hebt--en dat enkel om een paar appels, die nog geen dubbeltje waard zijn."

"Dat is alles zeer waar, mijn goede man," hervatte Jack, "maar gij vergeet, dat ik, als wijsgeer, bezig was met de rechten van den mensch te verdedigen."

"Zoo? Ik heb nog nooit geweten, dat een jongen, die appels stal, een wijsgeer genoemd werd; wij noemen zoo eentje een kleine gauwdief. En wat die rechten van den mensch betreft, ik zie niet in hoe men die kan verdedigen door verkeerde dingen te doen."

"Gij begrijpt niet hoe de zaak in elkaar zit, pachter."

"Neen, dat doe ik ook niet--en ik ben te oud geworden om het nog te leeren, jongeheer. Al wat ik er van zeggen kan is dit, dat gij altijd welkom zijt in den boomgaard als ge lust hebt in een paar appels, en als gij, in de vooronderstelling dat gestolen vruchten het lekkerst smaken, ze liever wilt stelen, welnu, dan zal ik last geven, dat men u stil uw gang moet laten gaan. Maar, jongenheer, mijn sjees staat voor de deur en mijn knecht zal u naar huis rijden. Doe alsjeblieft mijn groeten aan uw vader en zeg hem, dat 't me erg spijt, dat gij in onzen put zijt gevallen."

Daar Jack op het oogenblik veel meer lust had om in zijn bed te kruipen dan om aan 't betoogen te gaan, wenschte hij den pachter goedenavond, en liet zich naar huis rijden.

De pijn, die de steken der bijen hem veroorzaakten, was intusschen zoo hevig geworden, dat hij heel blij was dokter Middleton bij zijn vader en moeder aan de theetafel te vinden. Jack vertelde enkel, dat hij het ongeluk had gehad onder een zwerm bijen verzeild te raken en hevig gestoken was. Hij gaf aan het heele geval een anderen draai. Toen de dokter hem de pols voelde, bemerkte hij, dat de jongen een hevige koorts had, wat na al hetgeen er dien dag met hem gebeurd was, niet te verwonderen viel. Een week lang moest hij het bed houden, gedurende welken tijd hij allerlei dingen door zijn hoofd haalde en een plan maakte.

Maar we moeten een omstandigheid vermelden, die misschien wel de oorzaak was van Jack's besluit. Toen hij op dien bewusten avond thuis kwam, trof hij er behalve dokter Middleton ook een zekeren kapitein Wilson aan, een verren neef die slechts zelden Boschlust bezocht, omdat hij nog al veraf woonde. Bovendien had de man vrij wat moeite om in het onderhoud van zijn groot gezin te voorzien, zoodat er van snoepreisjes niet veel sprake kon zijn. Het bezoek van kapitein Wilson gold thans een poging om van meneer Rustig geldelijken bijstand te krijgen. Hij was pas aangesteld als gezagvoerder over een oorlogschip, en daar zijn uitrusting nog al veel kostte, kon hij zijn vrouw geen voldoende som tot onderhoud van het gezin achterlaten. Daarom verzocht hij nu meneer Rustig hem eenige honderden guldens te leenen, die hij zoodra mogelijk zou terugbetalen. Meneer Rustig was er de man niet naar om zoo iets te weigeren en daar hij altijd een aanzienlijk bedrag bij zijn kassier had uitstaan, trok hij op dezen een wissel van duizend gulden en gaf dien aan kapitein Wilson, met de bijvoeging dat hij het bedrag maar terugbetalen moest, als het hem gelegen kwam. Juist was deze zaak bedisseld en kapitein Wilson weer met meneer Rustig in de huiskamer gekomen, toen Jack van zijn uitstapje terugkeerde.

Jack groette kapitein Wilson, dien hij sinds lang kende; maar, zooals wij reeds opmerkten, leed hij zooveel pijn, dat hij al spoedig zich met dokter Middleton verwijderde en naar bed ging.

Een week geeft heel wat gelegenheid tot overdenken, zelfs aan een jongen van veertien, al is die leeftijd niet bijzonder geneigd tot overpeinzingen. Maar Jack lag te bed; van de steken der bijen waren zijn oogleden zoo gezwollen, dat hij volstrekt niet lezen kon of zich op eenige wijze bezig houden waarbij zijn gezicht te pas kwam. Te luisteren naar het gebabbel van Saar, die hem oppaste, beviel hem ook niet erg; zoodat hij zich maar met zijn eigen gedachten den tijd zocht te verdrijven.

Nadat hij acht dagen te bed had gelegen, verscheen hij eindelijk weer in de huiskamer, en deed nu aan zijn vader een uitvoerig verhaal van de omstandigheden, die hem genoodzaakt hadden het bed te houden.

"Zie je wel, Jack", antwoordde zijn vader, "'t is precies zooals ik je gezegd heb: de wereld is in merg en been verdorven door wat ze maatschappelijke instellingen gelieven te noemen, en ieder die zich tegen die ordeningen verzet, bemerkt telkens dat hij aan het kortste eindje trekt. Maar geen moed verloren, de waarheid moeten we blijven voorstaan, als zou 't onze ondergang zijn."

Alles goed en wel, papa, maar bij het betrachten van die wijsbegeerte ben ik nu, in den korten tijd van twee dagen, beroofd van de visschen, die ik gevangen had, en van hengelroe en tuig bovendien--ze hebben me in een vischvijver gegooid--een bulhond heeft me een doodsangst op het lijf gejaagd--'t scheelde niet veel of een stier had me gedood--bijen hebben me allerjammerlijkst toegetakeld, en tweemaal ben ik in een put gevallen. Als dat nu in twee dagen gebeurt, wat staat me dan niet in een heel jaar te wachten? Het lijkt me onverstandig hier nog verdere pogingen te doen, want het schijnt dat de menschen te land voor geen rede vatbaar zijn. Maar al is de grond ook zoo schandelijk onder weinigen verdeeld, het water is ten minste algemeen eigendom. Niemand maakt aanspraak op een deel er van, ieder kan het naar hartelust doorkruisen, zonder dat een ander dit als overtreding beschouwt. Alleen op zee denk ik de gelijkheid en de rechten van den mensch erkend te zien, en daarom ben ik besloten niet naar school terug te keeren, waar ik erg een hekel aan heb, maar op zee te gaan en daar zooveel mogelijk onze denkbeelden te verbreiden."

"Daar heb ik geen ooren naar, Jack. In de eerste plaats moet je weer naar school, en in de tweede plaats mag je niet naar zee."

"En toch verklaar ik bij de rechten van den mensch, dat ik niet weer naar school wil, maar naar zee. Wie en wat zou me verhinderen? Heb ik niet evenveel recht op mijn deel van de zee als ieder ander sterveling? Ik dring aan op de volkomen gelijkheid," voegde hij er bij en stampte op den grond.

Wat kon meneer Rustig hierop antwoorden? Hij moest òf als wijsgeer zijn stellingen opgeven, òf als vader zijn zoon laten varen. Als alle wijsgeeren, koos hij wat hem het minst gewichtig toescheen, hij bracht zijn zoon ten offer; maar, we moeten tot zijn eer zeggen, hij deed 't met een zucht.

"Nu, Jack, als je er op staat, zul je naar zee."

"Natuurlijk," antwoordde Jack met den glans der overwinning op het gelaat: de vraag is maar, met wien? Ik meen gehoord te hebben, dat kapitein Wilson spoedig zee zal kiezen en met hem zou ik graag onder zeil gaan."

"Ik zal hem schrijven," zei meneer Rustig op droeven toon; en hiermee was de zaak beklonken.

Kapitein Wilson's antwoord luidde natuurlijk toestemmend, en hij beloofde, dat hij Jack als zijn eigen zoon zou behandelen.

Onze held reed dienzelfden middag op zijn vaders paard naar meneer Bonnycastle.

"Ik ga naar zee, meneer."

"Dat is heel goed voor je," antwoordde deze.

Onze held begaf zich naar dokter Middleton.

"Ik ga naar zee, dokter."

"Je kunt niet beter doen," luidde het antwoord.

"Ik ga naar zee, moeder," zei Jack.

"Naar zee. Jaapje, naar zee, zeg je? o neen, neen, Jaapjelief, niet naar zee!" riep mevrouw Rustig met afgrijzen uit.

"Jawel, moe, pa heeft 't goed gevonden en me gezegd, dat hij ook uwe toestemming zal weten te krijgen."

"Mijne toestemming! Och, mijn lieve, lieve jongen!"--en mevrouw Rustig weende bitter.

Vijfde hoofdstuk.

De jongenheer rustig krijgt zijn eerste les over dienstijver.

Er viel niet veel tijd te verliezen, onze held moest de ouderlijke woning spoedig vaarwel zeggen, en zat al gauw te Portsmouth. Daar Jack volop geld had en het heel prettig vond zijn eigen meester te wezen, maakte hij volstrekt geen haast om zich op het schip aan te melden, en vijf of zes jongelui van niet al te best allooi, met wie hij onderweg in kennis was gekomen en die op zijn zak teerden, raadden hem ten sterkste het aan boord gaan zoo lang mogelijk uit te stellen. Toevallig stemde die raad volkomen overeen met Jack's eigen meening, zoodat onze held bijna drie weken in Portsmouth was, eer iemand iets van zijn komst had vernomen. Maar ten slotte ontving kapitein Wilson een brief van meneer Rustig, waarin onder anderen gemeld werd, wanneer Jack van huis was vertrokken. De kapitein verzocht nu den eersten luitenant eens onderzoek te doen, daar hij vreesde dat den jongen eenig ongeluk overkomen mocht zijn. Daar meneer Sawbridge, de eerste luitenant, dienzelfden avond toch naar den wal moest, misschien wel de laatste maal vóór het uitzeilen van het schip, liep hij bij verschillende logementen aan, om te hooren of er ook een zekere meneer Rustig zijn intrek genomen had.

"O ja," antwoordde de bediende uit de Fontein, "meneer Rustig is hier al drie weken gelogeerd."

"Wel verduiveld," bromde Sawbridge met al de verontwaardiging van een eersten luitenant, die bemerkt dat hij gedurende drie weken door een adelborst is misleid.

"Waar is hij; in de gelagkamer?"

"O neen, meneer," antwoordde de bediende, "meneer Rustig heeft de voorkamers der eerste verdieping betrokken."

"Nu, wijs me die dan maar."

"Mag ik ook zoo vrij wezen uw naam te vragen, meneer?" zei de bediende.

"Eerste luitenants laten zich niet vooraf aandienen bij adelborsten," antwoordde Sawbridge; "hij zal spoedig genoeg te weten komen wie ik ben."

Op dit bescheid, liep de bediende, gevolgd door Sawbridge, de trap op en deed de deur open.

"Daar is een heer om u te spreken, meneer," zei de bediende.