Chapter 21
Jack ging naar beneden en vond het ontbijt al gereed, maar zijn vader was niet in de kamer, hij begaf zich nu naar diens studeervertrek en trof hem bezig met den timmerman, die aan het maken was van een soort van podium of verhooging, waarop de wonderdadige uitvinding geplaatst zou worden. Meneer Rustig had 't zoo druk, dat hij niet aan het ontbijt kon komen, en dus begon Jack er alleen maar aan. Een uur later hield dokter Middleton's rijtuig aan de voordeur stil. De dokter begroette onzen held hartelijk.
"Mijn waarde heer,--want ik dien u nu wel meneer te noemen--ik ben hoogst verblijd, dat gij terug zijt gekomen. Ik kan u verzekeren, dat het geen oogenblik te vroeg is."
"Dat heb ik ook begrepen," antwoordde Jack. "Neem plaats, alsjeblieft, dokter; heeft u al ontbeten?"
"Neen, eigenlijk niet; want ik was zóó verlangend om hier te komen, dat ik onmiddellijk heb laten inspannen."
"Zit dan mee aan, dokter, we kunnen dan meteen op ons gemak het noodige bespreken."
"Natuurlijk heb gij al opgemerkt hoe 't met uw vader gesteld is. Hij is volkomen buiten staat om langer zijn eigen zaken te beheeren."
"Dat vrees ik ook."
"Hoe denkt gij te handelen,--ze misschien in handen van gevolmachtigden te stellen?"
"Ik zal mijn eigen gevolmachtigde zijn, dokter Middleton. Geef ik de zaken aan anderen in handen, dan moet ik noodzakelijk den toestand van mijn vader bloot leggen en dat stuit me te veel tegen de borst."
"Ik kan dat heel goed begrijpen; 't is ook voldoende, als hij er maar toe te brengen is, het beheer geheel en al aan u over te laten."
"We zullen er ook wat politie bij moeten halen," hernam Jack, "want dat spitsboevenrommeltje hier in huis, verkeert in een toestand van openbare muiterij."
"Gij zult er nog heel wat last mee hebben," zei de dokter. "Weet ge al wat die bottelier voor slag van een kerel is?"
"Ja, dat weet ik uit vaders eigen mond. Ik zou 't waarlijk als een groote gunst beschouwen, dokter, als u een paar dagen hier zoudt willen blijven, nu gij naar ik hoor de praktijk hebt neergelegd."
"Ik had al plan u dat voor te stellen, mijn jonge vriend. Ik zal met twee van mijn bedienden hier komen; want die nu in huis zijn moet ge ontslaan."
"Zelf heb ik er een, die zijn gewicht in goud waard is, dus dat zal wel voldoende wezen. Ik zal iedereen wegzenden, van wien gij dat noodig oordeelt, het vrouwelijk personeel kunnen we voorloopig waarschuwen en langzamerhand door anderen vervangen."
"Zoo zou ik ook voorgesteld hebben," antwoordde de dokter. "Als gij 't goedvindt, zal ik nu de hulp van een paar politieagenten gaan inroepen en mij ook bij uw vaders vroegeren rechtsgeleerden raadsman vervoegen."
"Zeer goed," zei Jack, "en dan moeten we ook uit visschen wie van de pachters, op grond der beginselen van gelijkheid, de pacht weigeren te betalen, en hen duchtig achter de vodden zitten."
"Tot mijn groote blijdschap bespeur ik, mijn jonge vriend, dat uw vaders onzinnige denkbeelden geen wortel bij u geschoten hebben."
"Toch merk ik er soms nog een staartje van, dokter," antwoordde Jack glimlachend.
"Komaan, nu moet ik u voor een paar uren verlaten, en daarna zal ik, als gij 't goedvindt, hier mijn kwartier opslaan zoo lang als gij het wenschelijk acht."
Nog vóór den middag was dokter Middleton al weer terug, vergezeld van meneer Hanson, den zaakwaarnemer; ook bracht hij zijn valies en twee knechts mee. Meneer Rustig was in de huiskamer gekomen en zat aan zijn ontbijt, toen zij binnentraden. Hij ontving hen vrij stroef; maar toen zij zich een paar woorden van lof over zijn verrassende uitvinding lieten ontvallen, veranderde zijn houding geheel. Nadat Jack hem herinnerd had aan zijn belofte, dat hij in 't vervolg het beheer over de zaken zou hebben, werd de oude heer gemakkelijk overgehaald om de daartoe vereischte verklaring te onderteekenen. Meneer Rustig gaf nu aan Jack den sleutel van zijn schrijflessenaar en meneer Hanson begon de boeken en papieren te doorsnuffelen, om zich behoorlijk op de hoogte te stellen van den staat van zaken. Intusschen kwamen ook de politieagenten opdagen. Al de bedienden werden binnengeroepen; meneer Hanson liet hun het stuk zien, waarbij aan Jack volmacht werd verleend om in naam zijns vaders te handelen, en binnen een half uur was het heele mannelijke dienstpersoneel ontslagen, op twee stalknechts na. De aanwezigheid der politie en van Mesty voorkwam elk verzet, maar toch kon de bottelier niet laten eenige verwenschingen uit te stooten. Zoo had dan Jack in vier-en-twintig uren tijds een totale ommekeer in de huishouding teweeggebracht.
Meneer Rustig bemoeide er zich volstrekt niet mee; hij ging weer naar zijn studeerkamer bij zijn wonderbaarlijke uitvinding. Mesty had de sleutels van den kelder onder zijn berusting en kreeg het oppertoezicht over het personeel, dat nog gebleven was. Dokter Middleton, meneer Hanson, meneer Rustig en Jack zetten zich aan het middagmaal, en in alles heerschte de beste orde. Meneer Rustig at met smaak, maar zei niets zoolang het diner duurde. Nauwelijks was dit echter afgeloopen, of hij sloeg als gewoonlijk aan 't redeneeren over de waarheid en deugdelijkheid zijner wijsbegeerte.
"Wat ik zeggen wil, mijn zoon, als ik me wel herinner, heb je me gisteravond verteld, dat je niet langer mijn gevoelen deelde. Laten we dat nu eens grondig bespreken."
"Met alle genoegen, vader," antwoordde Jack. "Wilt u maar beginnen?"
"Eerst de glazen gevuld," riep meneer Rustig uit; de glazen gevuld, en dan zal ik Jack tot mijn denkwijze terugbrengen. Nu dan, mijn zoon, gij zult, hoop ik, niet ontkennen, dat wij door geboorte allen gelijk zijn."
"Dat ontken ik wel degelijk," antwoordde Jack. "Te onderstellen dat alle menschen door geboorte gelijk zijn, is vooronderstellen dat allen begaafd zijn met dezelfde lichaamskracht, en dezelfde vatbaarheid van geest, wat, zooals we weten, niet het geval is."
"Best mogelijk," hernam meneer Rustig; "maar dat bewijst nog niet, dat de aarde er niet op aangelegd is, om onder allen gelijkelijk verdeeld te worden."
"Met uw verlof, dat dit de bedoeling niet geweest is, wordt voldoende bewezen door de omstandigheid, dat zulk een gelijkheid,--aangenomen dat ze in praktijk kon gebracht worden--nooit te handhaven zou zijn."
"Niet te handhaven!--ja, omdat de sterkeren de zwakkeren onderdrukken, omdat sommige menschen zich vereenigen om kwaad te doen."
"Daarom niet vader, maar omdat vooraf al de verschillende personen in karakter en neigingen gelijk gemaakt en er bovendien nog tal van punten geregeld dienden te worden. Laat bijvoorbeeld aan ieder een stuk grond van dezelfde grootte toegewezen worden, dan zal degene, die het sterkst en het bekwaamst is, al spoedig van het zijne meer voordeel trekken dan anderen van het hunne, en de gelijkheid is al dadelijk verbroken. Krijgt verder het eene echtpaar geen kinderen en het andere er tien, dan loopt het weer in de war; het stuk land, dat in het eene geval slechts twee personen behoeft te voeden, moet in het andere twaalf monden te eten geven. U begrijpt dus wel, dat zonder roof of onrecht uw gelijkheid niet zou kunnen duren."
"Maar, Jack, aangenomen dat dergelijke oorzaken eenig verschil konden te weeg brengen, het onderscheid zou toch nooit zoo monsterachtig zijn als in de tegenwoordige maatschappij, waarin de een zich in weelde baadt en de ander in de grootste armoede verkeert."
"Dat er zooveel ellende geleden wordt is stellig zeer te betreuren en men dient op de leniging daarvan bedacht te zijn, maar volkomen gelijkheid blijft een onmogelijkheid, en kan op aarde niet bestaan. Ga maar eens na wat het gevolg er van zou zijn. Was alles even schoon, dan bestond er geen schoonheid meer, want die berust juist op vergelijking--waren allen even sterk, dan kwam er nooit een eind aan oneenigheden,--waren allen gelijk in rang, macht en vermogen, de grootste bekoring van het menschelijk bestaan zou gemist worden--grootmoedigheid, dankbaarheid en meer edele eigenschappen zouden ongekend zijn. Goedhartigheid, uw zoo sterk ontwikkeld orgaan, zou geheel nutteloos zijn, en zelfverloochening een ijdele klank. Waren allen even bekwaam, dan kon er van geleerdheid, talent, genie geen sprake zijn, er zou niets te bewonderen, niets na te volgen of te eerbiedigen vallen--niets zou tot wedijver of tot lofwaardige eerzucht prikkelen. Mijn beste vader, wat zou dat een erbarmelijk vervelende wereld zijn!"
Nog een tijdlang blijven vader en zoon aan het redetwisten, maar de ontdekking, dat Jack het bijna in geen enkel opzicht meer met hem eens was, maakte den ouden heer korzelig, zoodat hij ten slotte het dispuut afbrak met de woorden:
"Nu heb ik geen tijd meer, de heeren zullen me wel willen verontschuldigen, want ik moet gaan zien hoe de timmerman met zijn werk staat en daarna moet ik in de vergadering het woord gaan voeren. Kom je niet eens naar mijn redevoering luisteren, Jack?"
"Dank u wel, vader, ik mag mijn vrienden niet alleen laten."
Meneer Rustig verwijderde zich nu.
"Weet gij wel, waarde heer, dat uw vader op zijn wildbanen de stroopers vrij spel laat?" vroeg meneer Hanson.
"Ja," vulde dokter Middleton aan, "hij heeft aan verscheiden benden landloopers verlof gegeven in zijn bosschen hun tenten op te slaan, tot groot ongerief van de buren, die heel wat te lijden hebben van hun rooverijen."
"Ik vind in de boeken, dat er van de boerderijen nog ongeveer twee jaar pacht te innen valt; sommige pachters hebben geregeld betaald, anderen in geen vier jaar. Naar mijn berekening, bedraagt het achterstallige veertien honderd pond."
"U zult me verplichten, meneer Hanson, met onmiddellijk de noodige stappen te doen, om de verschuldigde bedragen in te vorderen."
"Zeer zeker zal ik dat, meneer."
Toen allen opstonden om naar hun kamers te gaan, vatte dokter Middleton onzen held bij de hand. Gij kunt niet gelooven, mijn waarde vriend, hoeveel genoegen het mij doet, dat ge weer hier teruggekeerd zijt en u zoo verstandig betoont. Uw komst was hoog noodig. Den zeedienst zult ge nu stellig wel opgeven."
"Dat heb ik al gedaan, dokter."
Zes-en-twintigste hoofdstuk.
De oude heer rustig raakt door zijn wonderbaarlijke uitvinding vereeuwigd, maar niet precies zooals hij dat bedoeld had. Jack besluit tot een laatsten tocht.
Den volgenden morgen, bij het ontbijt, kwam meneer Rustig maar niet opdagen en eindelijk vroeg Jack aan Mesty waar zijn vader toch was.
"Beneden zeggen ze, dat de oude heer gisterenavond niet thuis gekomen is."
"Niet thuis gekomen?" riep dokter Middleton uit; "dat moeten we eens onderzoeken."
"Die bottelier is een groote schurk," zei Mesty tot Jack; "de oude heer slaapt niet in zijn bed, dat is zeker."
"Ga eens navragen, wanneer hij uitgegaan is," zei Jack.
"Als hem maar geen ongeluk overkomen is," merkte meneer Hanson op; "het was vreemd gezelschap, waarin hij den laatsten tijd verkeerde."
"Niemand heeft hem gisteravond zien uitgaan, meneer," zoo luidde Mesty's rapport.
"Mogelijk is hij wel op zijn studeerkamer," bracht dokter Middleton in het midden; "'t kan best zijn, dat hij bij zijn wonderbaarlijke uitvinding in slaap geraakt en er den geheelen nacht gebleven is."
"Ik zal eens gaan kijken," antwoordde Jack.
Dokter Middleton vergezelde hem en Mesty volgde. Zij openden de deur, en kregen nu een schouwspel te zien, dat hen met schrik deed terugdeinzen. Meneer Rustig stak met zijn hoofd in de machine, het bankje was hem onder de voeten uit geschoven, zoodat hij hing en maar even met de teenen den grond kon raken. Dokter Middleton schoot ijlings toe en geholpen door Mesty en onzen held, gelukte het hem den ongelukkige los te maken uit den stalen band, die zijn hals omsloten hield; het leven was echter al sinds eenige uren uit het lichaam geweken en bij nader onderzoek bleek, dat de nekwervel gebroken was.
Er werd vermoed, dat het ongeval den vorigen avond moest hebben plaats gehad, en dit liet zich ook heel goed verklaren. Meneer Rustig had de machine vier voet hooger laten stellen, omdat er een verhooging onder aangebracht moest worden. Daartoe had de timmerman bij wijze van model een paar plankjes los in elkaar geslagen en meneer Rustig was onvoorzichtig genoeg geweest om zich daarop te wagen, ten einde zijn hoofd in den toestel te steken. Het zwakke timmerwerk was echter spoedig onder het gewicht van 's mans lichaam bezweken en door den schok van den val moest de nek gebroken zijn.
Meneer Hanson wist onzen held, die hevig ontdaan was over het jammerlijk uiteinde van zijn armen vader, met zich mee te tronen, terwijl dokter Middleton intusschen last gaf het lijk naar de slaapkamer te dragen. Nog geen vollen dag geleden had de arme meneer Rustig aan zijn zoon verklaard, dat zijn bewonderenswaardige uitvinding hem zou vereeuwigen, en nu was 't er al toe gekomen, ofschoon niet precies in den zin dien hij bedoeld had.
We gaan eenige dagen van treurigheid voorbij. De begrafenis had plaats gehad, de luiken werden weer ontsloten en het daglicht opnieuw toegelaten. Jack's gemoed was tot rust en kalmte gekomen; hij zag zich nu in het bezit der uitgebreide goederen zijns vaders en was zijn eigen meester.
Wel moesten er nog eenige maanden verloopen eer hij meerderjarig werd, maar bij de opening van het testament zijns vaders bleek, dat dokter Middleton tot zijn eenigen voogd was aangewezen. Bij het nazien en bijeenbrengen der papieren, die in de grootste wanorde waren, ontdekte meneer Hanson in verschillende hoeken en gaten banknoten, wissels en schuldbekentenissen, tot een gezamenlijk bedrag van wel tweeduizend pond, onder anderen ook een door kapitein Wilson op zijn kassier afgegeven wissel, ter voldoening van de duizend pond, hem voor meer dan tien maanden door meneer Rustig geleend.
Dokter Middleton schreef aan de admiraliteit en verzocht, onder uiteenzetting der aanleidende omstandigheden, om ontslag uit den zeedienst voor meneer Jack Rustig. Het gevraagde ontslag werd verleend en de admiraliteit maakte ook geen bezwaar om Mesty te ontslaan tegen de daarvoor aangeboden schadevergoeding.
De landloopersbenden werden van het landgoed verjaagd, de boschwachters opnieuw aangesteld, de stroopers duchtig achter de vodden gezeten, en allen uit den omtrek waren zoo ingenomen met de manier waarop Jack te werk ging, dat ze in stilte wenschten: had meneer Rustig nog maar wat vroeger zijn nek gebroken.
Intusschen had Jack aan dokter Middleton zijn liefde voor Agnes medegedeeld en zijn bepaald plan te kennen gegeven om haar tot vrouw te nemen. Dokter Middleton vond daar geen bezwaar in, daar hij zag dat het oprecht gemeend was, en Jack vroeg nu al dadelijk, wanneer er een pakketboot naar Malta zou varen.
Mesty, die toevallig achter den stoel van zijn jongen meester stond, merkte op:
"Een ellendig vaartuig, zoo'n pakketboot, Massa Rustig. Waarom neemt u niet liever een oorlogsschip?"
"Dat is waar ook," antwoordde Jack; "maar weet je, Mesty, dat gaat zoo gemakkelijk niet."
"En hoe dan thuis te komen, meneer? Als ze u en Miss Agnes eens gevangen nemen en in het cachot stoppen?"
"Ja maar," hernam Jack, "de grootste moeilijkheid is om als passagier plaats te krijgen op een oorlogsschip."
"Wel, Massa, koop zelf een schip met een goed getal stukken en een flinke bemanning, dan kunt gij kapitein wezen over uw eigen schip en zoo Miss Agnes hierheen halen."
"Dat moet ik nog eens in overweging nemen, Mesty," antwoordde Jack. Hij peinsde er den ganschen nacht over en stond den volgenden morgen op met het besluit om Mesty's raad te volgen. Bij het ontbijt de krant lezend, viel zijn oog juist op een advertentie, waarbij de verkoop van een buitgemaakte Fransche brik van 278 ton werd aangekondigd. De veiling zou aanstaanden Woensdag plaats hebben te Portsmouth, waar het schip in de haven lag.
Jack gaf een ruk aan de schel en bestelde postpaarden.
"Waar ga je heen, mijn beste jongen?" vroeg dokter Middleton.
"Naar Portsmouth, dokter."
"En waarvoor? als 't niet onbescheiden is dat te vragen,"
Jack legde nu zijn plan bloot en verzocht de toestemming van zijn voogd, daar het toch aan gereed geld niet ontbrak.
"Maar 't zal een verbazend groote uitgave zijn."
Dat ze belangrijk zal wezen, stem ik toe; maar ik heb uitgerekend, dat ze bij mijn inkomen wel te dragen zal zijn. Bovendien als ik een kaperbrief kan krijgen, is er nog uitzicht op een buitenkansje."
"Maar je zult toch niet te lang blijven kruisen?"
"Wel neen; binnen zes maanden ben ik stellig weer terug; maar nu moet ik weg om te gaan zien, of dat schip aan het doel zal beantwoorden."
Jack wipte in den wagen en Mesty klom op het achtbankje. Twee uren later waren ze te Portsmouth en gingen het schip bezichtigen, dat een mooi, snelzeilend vaartuig bleek te zijn, met aan weerskanten zes koperen kanonnen.
"Uitstekend," dacht Jack; "nu een man of veertig en een jongen of zes aan boord en de boel is kant en klaar." Hij ging met Mesty weer aan wal en keerde naar Boschlust terug. Aan meneer Hanson werd opgedragen zich met den aankoop te belasten en op den veilingdag werd Jack eigenaar van het schip voor een prijs, die niet veel meer dan de halve waarde vertegenwoordigde.
Dokter Middleton had intusschen Jack's plannen nog eens rijpelijk overwogen. Bezwaar kon hij er niet in vinden, maar hij achtte het toch raadzaam naar een flink zeeofficier om te zien en er op aan dringen, dat het kommando over het vaartuig aan dezen zou opgedragen worden. Jack berustte terstond in die schikking.
"Laat hem vooral ook een goed zeevaartkundige zijn, dokter, want ofschoon ik van het dagelijksch werk tamelijk goed op de hoogte ben, dient er toch in aanmerking genomen, dat ik er in den laatsten tijd niets aan gedaan heb."
Spoedig had dokter Middleton met de hulp van een bevriend oud-zeekapitein in een zekeren meneer Oxbelly een geschikt persoon gevonden om Jack ter zijde te staan.
Ongeveer zes weken gingen er heen met al de toebereidselen en toen verliet de brik, in de Rebiera herdoopt, de haven.
Zeven-en-twintigste hoofdstuk.
Onverhoopte ontmoeting van oude vrienden.
Op den elfden dag stevende de Rebiera de straat van Gibraltar binnen en tegen zonsondergang kregen ze de rotsen voor de stad in het gezicht. De wind werd al flauwer en tegen middernacht was het zoo stil, dat ze maar langzaam voortdreven. Tegen zonsopgang werden ze gewekt door het gebulder van zwaar geschut, en bespeurden omstreeks acht mijlen verderop, wat meer midden in de zeeëngte een Engelsch fregat, dat slaags was geraakt met negen of tien Spaansche kanonneerbooten. Het daveren van de zware schoten over de kalme oppervlakte van het water, de witte rook tegen het licht der prachtig verrijzende zon, de verwijderde echo's door de hooge heuvels teruggekaatst--dit alles maakte een indrukwekkend en schilderachtig effect. Doch Jack vond het raadzaam zich maar liever strijdvaardig te maken in plaats van zijn tijd zoek te brengen met het bewonderen der kleurenpracht, en in korten tijd was ook alles gereed.
"Zoolang ze nog op het fregat los te branden hebben, zullen ze ons wel ongemoeid laten, meneer Rustig," zei kapitein Oxbelly; "maar we dienen toch op alles voorbereid te wezen, want we kunnen er moeilijk voorbijkomen zonder een paar schoten op te loopen."
"Kijk eens, meneer Oxbelly, daar ginds in het westen komt een briesje opzetten," zei Jack.
"Ja waarlijk; nu, des te beter voor het fregat, want het zal met dit gevecht weinig eer inleggen en er vrij gehavend afkomen ook."
"Desnoods kunnen wij 't op sleeptouw nemen," merkte Jack op; "hoever rekent gij, dat de kanonneerbooten uit den wal liggen?"
"Ik zou denken ongeveer vijf mijlen of iets minder."
"Zeilen kant zetten, meneer Oxbelly--misschien kunnen we er dan een paar van den wal afsnijden."
"Juist. Omhoog, jongens, boven bramzeilen bijgezet, lijzeilspieren uit--zelfden koers gehouden, roerganger--we zullen ze van den wal afsnijden en toch buiten schot van de kustbatterijen blijven."
De wind wakkerde aan en deed de Rebiera met volle zeilen voortstuiven. De kanonneerbooten waren nog druk in gevecht met het fregat en schenen volstrekt niet te letten op de nadering der Rebiera. Ten laatste kreeg de wind ook vat op de kanonneerbooten en het fregat, eerst flauwtjes maar gaandeweg meer, terwijl de Rebiera het water al schuimend deed opspatten en de kans schoon zag om eenige der kanonneerbooten af te snijden. Het fregrat braste zijn zeilen naar den wind en stuurde op het smaldeel aan, dat het nu geraden achtte den steven te wenden en recht op de kust aan te houden, gevolgd door het fregat dat uit zijn boegjagers vuur begon te geven. Maar de Rebiera was thans op een half schot afstand van de kust gekomen en trachtte de vluchtende booten te onderscheppen. Daar zij met een snelle vaart naderde wist het smaldeel haast niet wat het beginnen zou; aanvallen zou maar tijdverlies zijn, waarbij het fregat gelegenheid zou krijgen om ze in te halen en zij zelf gevaar liepen genomen te worden; zij vergenoegden zich dus met op de Rebiera te vuren, terwijl deze voortging zich tusschen haar en het land in te dringen. Zoodra zij dichtbij genoeg waren, opende Jack zijn vuur uit de achttienponders. De kanonneerbooten bleven het antwoord niet schuldig en ze waren geen kwart mijl meer van elkaar, toen Jack zeil minderde en een heet gevecht zich ontwikkelde, waarvan het einde was, dat binnen weinige minuten de masten van de kanonneerbooten over boord sloegen. Het fregat naderde schielijk onder volle zeilen en begon er geducht op los te schieten. Het smaldeel staakte het vuren, streek op ongeveer twee kabellengten langs den voorsteven van de Rebiera voorbij en maakte zooveel mogelijk haast om onder den wal te komen. Onder het voorbijzeilen van het smaldeel gaf Jack het van bakboordzijde de volle laag, terwijl hij van stuurboord een levendig vuur onderhield tegen de ongelukkige, ontmaste kanonnerboot, die ook spoedig de vlag streek. Binnen weinige minuten waren de overigen buiten schot gekomen en daar zij niet vuurden, liet Jack ze verder ongemoeid en wijdde nu zijn aandacht aan het in-bezit-nemen van zijn buit, door een sloep met tien man aan boord te zenden, bij te draaien en het veroverde schip op sleeptouw te nemen. Tien minuten daarna was ook het fregat de Rebiera op een kabellengte genaderd en onze held liet een tweede sloep strijken om aan boord te gaan.
"Hebben we gewonden, meneer Oxbelly?" vroeg Jack.
"Maar twee; een is zijn duim kwijt geraakt en een ander heeft een zware wond aan de dij."
"Dan zal ik meteen den dokter verzoeken bij ons aan boord te komen."
Jack stiet af, klom aan boord van het fregat, en werd door een adelborst naar den anderen kant van het schip geleid, waar de kapitein stond.
"Meneer Rustig!" riep deze uit.
"Kapitein Sawbridge!" klonk het verrast uit den mond van onzen held.
"Wel allemachtig! Hoe komt gij hier?" vroeg de kapitein; "en wat is dat voor een schip?"
"De Rebiera, onder kommando van den eigenaar, meneer Rustig," antwoordde Jack lachend.
Kapitein Sawbridge drukte hem de hand. "Kom met me mee naar de kajuit, meneer Rustig; want ik ben blij, dat ik u weerzie. Ik maak u mijn compliment over uw houding en ben dol nieuwsgierig wat u toch bewogen heeft opnieuw zee te kiezen; want ik wist, dat gij uw ontslag uit den dienst genomen hadt."
Jack vertelde met weinige woorden wat het doel van zijn tocht was; "maar," vervolgde hij, "vergun me dat ik u gelukwensch met uw bevordering, waarvan ik nog geen kennis droeg. Mag ik vragen, waar gij de Harpij gelaten hebt en hoe de naam van uw fregat is?"
"De Latona. Eerst een maand geleden ben ik er op overgeplaatst, na een gevecht, waarin de Harpij een groote korvet bemachtigde; ik ben belast met dépéches voor Engeland. Gisteravond zeilden we van Gibraltar uit, moesten uit gebrek aan wind den geheelen nacht stilliggen en werden van morgen door die kanonneerbooten aangevallen."
"Hoe gaat 't kapitein Wilson?"
"Heel goed, geloof ik, maar ik heb hem in langen tijd niet gezien."
"Hoe wist u dan, dat ik den dienst verlaten had, kapitein Sawbridge?"
"Wel, van Gascoigne, die hier aan boord is."