Jack Rustig

Chapter 2

Chapter 24,178 wordsPublic domain

"Beste vriend, ik verkeerde werkelijk in de meening, dat ge uitermate zachtzinnig waart," antwoordde Middleton lachend, "maar het doet me pleizier, dat ik me vergist heb."

"Zie me daar nu zoo'n figuur eens zitten dokter, 't heeft meer van een stom dier dan van een redelijk wezen; zoudt ge soms denken, dat het ooit gelukken kon daar zonder krasse maatregelen eenig fatsoen in te brengen? Laat ik u tevens zeggen, dat ik mijn stelregel als verreweg de beste beschouw. Op sommige scholen zijn de straffen zoo licht, dat de jongens er eenvoudig niets om geven; bij mij echter mag elke bestraffing waarlijk dien naam dragen en het gevolg is, dat het toepassen er van maar hoogst zelden noodig is."

"Gij brengt er dus den schrik in, Bonnycastle."

"De twee machtigste drijfveeren in ons zijn vrees en liefde. In theorie is het veel mooier op de laatste te werken; maar in de praktijk heb ik er nooit de gewenschte uitkomsten van gezien,--en dat ligt eenvoudig hieraan, dat onze eigenliefde sterker is dan onze liefde tot anderen. In de uitwerking van de vrees daarentegen heb ik me nog nooit bedrogen, en alweer om dezelfde reden; immers door vrees werken we op de eigenliefde en anders niet."

"Toch zijn er velen, die beweren dat lichaamsstraffen verlagend werken en ze daarom van de scholen willen weren."

"Och dokter, er zijn zoo'n boel gekken in de wereld."

"Dat doet me denken aan den vader van dien jongen daar," hernam dokter Middleton. En nu begon hij den opvoeder de dwaze denkbeelden van meneer Rustig te ontwikkelen en de omstandigheden mee te deelen, die tot het naar school zenden van Jack hadden geleid.

"Dan mag er geen oogenblik verzuimd worden, dokter. Ik moet dat jongemensch geheel onder den duim hebben, eer zijn ouders hem komen bezoeken. Reken er op, binnen een week zal hij zoo volgzaam zijn als een lammetje."

Dokter Middleton nam nu afscheid van Jack en zei hem, dat hij maar goed moest oppassen. Jack verroerde geen vin en gaf geen antwoord.

"Stoor u daar maar niet aan, dokter, als ge weer eens komt zal hij wel beleefder wezen, reken daar gerust op." En de dokter vertrok.

Ofschoon meneer Bonnycastle streng was, ging hij toch steeds met oordeel te werk. Op het bedrijven van een of ander kattekwaad volgde slechts geringe straf, zooals in school blijven tijdens de speeluren en dergelijke; ook kwam hij zelden tusschenbeiden als de jongens met elkaar vochten, ofschoon hij er een stokje voor stak als er een den baas wilde spelen. Waar het bij hem vooral op aankwam was attentie bij het werk. Spoedig was hij er achter, waartoe zijn leerlingen in staat waren; en naar die mate werden hun ook eischen gesteld; voor een luiaard, die wel kon maar niet woû, kende hij geen genade. Het gevolg er van was, dat hij de knapste jongens afleverde. Ook bleef hij in de behandeling zijner leerlingen zoo gelijkmatig en onveranderlijk, dat, al vreesden zij hem zoolang ze onder zijn toezicht stonden, toch allen, die zijn onderricht genoten hadden, veel van hem hielden en in hun later leven zijn vrienden bleven.

Meneer Bonnycastle zag terstond in, dat er met overreding bij onzen held niets te beginnen zou zijn, en dat vrees het eenige middel was om hem tot rede te brengen. Zoodra dus dokter Middleton de kamer verlaten had, sprak hij hem op gebiedenden toon toe: "Wel, jongen, hoe is je naam?"

Jack schrikte op; hij gluurde naar zijn meester, zag hoe diens oogen strak op hem gericht waren, en begreep uit de geheele houding van den man, dat er niet met hem te spotten viel. Jack was lang niet gek en ook de kastijding, die zijn vader hem had toegediend, deed hem wel een beetje huiveren voor hetgeen er komen zou. Dus vond hij 't geraden zich tot een antwoord te verwaardigen en zei met zijn wijsvinger in den mond:

"Jaapie."

"En hoe heet je verder?"

Jack, die al berouw scheen te hebben over zijn inschikkelijkheid, gaf eerst geen antwoord, maar keek meneer Bonnycastle weer even in het gezicht en vervolgens de kamer rond: er was niemand die hem helpen kon, en zelf wist hij ook geen raad, daarom antwoordde hij maar: "Rustig."

"Weet je, waarom je naar school bent gezonden?"

"Omdat ik vader gebrand heb."

"Neen, je bent hierheen gezonden om te leeren lezen en schrijven."

"Ik wil niet leeren lezen en schrijven," antwoordde Jack druilig.

"Dat zul je toch; en je begint nu maar eens dadelijk de letters op te noemen."

Jack zei niets. Meneer Bonnycastle opende een soort van boekenkast en gunde ons verbaasde Jaapje een kijkje op een reeks van stokken, die evenals biljart-queues netjes op een rij stonden.

"Weet je waar die voor dienen?"

Met een benauwd gezicht tuurde Jack er naar; hij had een flauw besef, dat hij er stellig nader kennis mee zou maken, maar antwoorden deed hij niet.

"Ze dienen om kleine jongens te leeren lezen en schrijven, en nu zal ik eens met dat onderricht beginnen. Je zult wel spoedig leeren. Kijk eens hier," vervolgde meneer Bonnycastle terwijl hij een boek met groote letters opensloeg en aan het begin van een hoofdstuk op een letter wees van wel een halven duim groot.

"Zie je die letter?"

"Ja," antwoordde Jaapje, wendde zijn oogen af en wriemelde met zijn vingers.

"Nu, dat is de letter B. Zie je 't? Kijk er nu goed naar, opdat je 't straks ook weet. Dat is de letter B. Zeg me nu eens, welke letter is 't?"

Jack besloot nu koppig te wezen, en gaf geen antwoord.

"Je weet 't dus niet? Welnu, dan zullen we eens zien, wat een van deze kleine vrienden er van weet te maken," zei meneer Bonnycastle en kreeg een stok. "Let wel, Jaapje, dat is de letter B. Nu, hoe heet die letter? Antwoord me onmiddellijk."

"Ik wil niet leeren lezen en schrijven."

Flap! kwam de stok neer op de schouders van Jaapje, die een luiden schreeuw liet en ineenkromp van de pijn.

Meneer Bonnycastle wachtte een paar seconden. "Dat is de letter B. Zeg me nu eens onmiddellijk, ventje, hoe heet die letter?"

"Ik zal 't aan ma zeggen!"--Flap!--"O jé! o jé!"

"Hoe heet die letter?"

Met open mond, hijgend en terwijl de tranen hem langs de wangen biggelden, riep Jaapje nijdig uit. "Houd op! Ik zal 't aan Saar zeggen!"

Flap! ging 't opnieuw en Jaapje gilde 't weer uit.

"Hoe heet die letter?"

"Ik zeg 't niet," griende Jaapje; "ik zeg 't niet--ik doe 't niet."

Flap--flap--flap! en daarop volgde een poos stilte. "Ik heb je zooeven gezegd, dat 't de letter B is. Hoe heet nu die letter? Zeg 't zonder dralen."

Bij wijze van antwoord deed Jaapje een greep naar den stok. Au! daar had hij 'm, welzeker, maar niet precies zooals hij 't gewild had. Jaapje greep nu het boek en smeet het in een hoek van de kamer. Flap, flap! Jaapje trachtte meneer Bonnycastle te bijten. Flap, flap, flap, flap! en Jaapje viel op het vloerkleed en brulde van de pijn. Meneer Bonnycastle liet hem toen een poos ongemoeid om hem gelegenheid te geven weer op zijn verhaal te komen.

Toen eindelijk het gegil van Jaapje in een zacht snikken overgegaan was, zei meneer Bonnycastle tot hem: "Je zult nu wel begrepen hebben, Jaapje, dat het geraden is te doen wat ik je vraag, want dat er anders klappen vallen. Kom, sta eens gauw op. Versta je me niet?"

Eer Jaapje het zelf wist, stond hij weer op zijn beenen.

"Zoo, dat is eerst een brave jongen; je ziet nu wel, dat je geen slaag krijgt, als je maar doet wat ik je vraag. Komaan, Jaapje, je moest het boek eens gaan oprapen, dat je daar ginds neergesmeten hebt. Gauw hoor, breng 't onmiddellijk hier!"

Jaapje wierp een steelschen blik naar meneer Bonnycastle en naar den stok. Al had hij ook nog zooveel lust om te weigeren, hij raapte het boek op en lei het op tafel.

"Goed zoo, mijn jongen; nu zullen we de letter B eens opzoeken. Hier is ze: wel, Jaapje, hoe heet die letter nu?"

Geen antwoord.

"Zeg 't me terstond," zei meneer Bonnycastle en hief den stok hoog op. Die aanmaning was Jaapje te machtig. Hij gluurde angstig naar den stok; ze kwam in beweging en daalde al. Buiten adem schreeuwde hij haastig: "B!"

"Juist zoo, Jaapje, heel goed. De eerste les is nu afgeloopen, en je gaat thans naar bed. Je hebt meer geleerd dan je zelf vermoedt. Morgen beginnen we opnieuw. We zullen den stok nu maar wegzetten."

Meneer Bonnycastle schelde en gaf last, dat men den jongenheer Jack naar bed zou brengen, en wel in een afzonderlijk kamertje. Avondeten mocht hij niet hebben, want een beetje honger zou morgen het leeren des te gemakkelijker maken. Alleen met pijn en honger kan men wilde dieren temmen, en dezelfde middelen moeten toegepast worden tot het onderdrukken van die hartstochten in den mensch, waardoor hij aan een redeloos dier gelijk wordt. Jaapje werd naar bed gebracht, ofschoon het pas zes uur was. Hij leed niet enkel pijn, maar ook zijn hoofd was geheel in de war; en geen wonder, al zijn leven had men hem zijn eigen zin laten volgen en tot op gisteren had hij nooit eenige kastijding ondergaan. Na al de liefkoozingen van zijn moeder en van Saar, die hij nooit naar waarde had weten te schatten--na het dagelijksch zich volstoppen en maar dooreten tot hij er van begon te walgen, zag hij zich nu ineens zonder moeder, zonder Saar, zonder avondmaaltijd, overdekt met builen, en, wat nog het ergst van alles was, zonder dat hij zijn eigen zin kon volgen.

Geen wonder dus dat Jaapje niet goed wist hoe hij 't had; ineens was hij gedwee geworden en meneer Bonnycastle had volkomen gelijk, toen hij tot hem zei, dat hij al meer geleerd had, dan hij zelf vermoedde. Wat zou mevrouw Rustig wel gezegd hebben als ze alles geweten had--en Saar? En meneer Rustig, met zijn rechten van den mensch? Terzelfder tijd dat bij Jaapje het duiveltje der koppigheid uitgedreven werd, zaten zij zich te troosten met het denkbeeld, dat er in elk geval op de school van meneer Bonnycastle niet van de gard gebruik werd gemaakt, en zij verloren geheel uit het oog, dat evengoed als men een hond nog wel op een andere wijze van kant kan maken dan door hem te verdrinken, er ook verschillende manieren bestaan om jongens te kastijden. Gelukkig in hun onwetendheid, sliepen allen rustig in zonder er in 't minst van te droomen, dat Jaapje al genoeg kennis had opgedaan om een vrij voldoend begrip te hebben omtrent het geheim van den stok. Wat Jaapje zelf betrof, hij schreide zich in slaap, minstens zes uren vroeger dan zij.

Derde hoofdstuk.

Jack neemt de proef van zijns vaders grondbeginselen en komt ten slotte dicht bij de waarheid.

Den volgenden morgen was Jack niet alleen erg pijnlijk, maar ook vrij hongerig, en toen meneer Bonnycastle hem mededeelde, dat hem in plaats van een ontbijt een vernieuwde kennismaking met den stok te wachten stond, toonde Jaapje zich verstandig genoeg om het heele alphabet op te zeggen. Hiervoor werd hij zeer geprezen, en al maakten de loftuitingen weinig indruk op hem, in elk geval was hij er toch oneindig veel liever van gediend dan van een dracht slagen. Meneer Bonnycastle zag in, dat hij met één uur van gestrengheid op zijn pas den jongen volkomen onder den duim had gekregen. Hij liet hem nu over aan de hulponderwijzers zijner school en daar ook deze gerechtigd waren tot het toedienen van een gevoelige aansporing, werd Jaapje al spoedig een handelbaar ventje.

Misschien denkt men dat zijn gemis thuis bijzonder sterk werd gevoeld, maar dat was niet het geval. Vooreerst had dokter Middleton er mevrouw Rustig nadrukkelijk op gewezen, dat op school de gard niet werd gebruikt, terwijl er alle kans bestond dat de bestraffing, die de jongen van zijn vader had ondergaan, nog wel eens zou herhaald worden--en in de tweede plaats, al meende mevrouw eerst, dat zij de scheiding van haar lieveling nooit zou kunnen overleven, spoedig begreep ze toch, dat zij zonder hem vrij wat gelukkiger was. Een bedorven kind is altijd een bron van kommer en verdriet, en na Jaapje's vertrek genoot mama eerst de rust en de kalmte, waarop zij zoo bijzonder gesteld was. Langzamerhand ontwende zij van hem, en tevreden met nu en dan een bezoek aan de kostschool en met de rapporten van dokter Middleton, was zij er ten slotte geheel mee verzoend, dat de jongen school lag en enkel in de vacantie thuis kwam. Jack maakte groote vorderingen; hij had heel veel aanleg en als zijn vader den dokter ontmoette, wreef hij in de handen en zei: "Ja, laat ze hem nog maar een jaartje of twee houden, dan zal ik er zelf wel de laatste hand aan leggen." Elke vacantie had hij gepoogd Jaapje de gelijke rechten van den mensch in te prenten. De jongen scheen erg weinig te letten op vaders betoogen, maar gaf toch duidelijk blijk, dat al die wijsheid niet geheel aan hem verspild was, want zonder vragen eigende hij zich alles toe waar hij lust in had. Onder deze manier van opvoeden bereikte onze held zijn veertiende jaar en was toen een flinke, ferme jongen en lang niet op zijn mondje gevallen--ja als 't er op aan kwam, kon hij zelfs zijn vader van z'n stoel praten.

In niets had meneer Rustig zooveel plezier als in Jack's welbespraaktheid. "Goed zoo, mijn jongen, altijd maar redeneeren en de zaken duidelijk uiteenzetten," zei hij gewoonlijk, als Jack met zijn moeder aan het redetwisten was. En in zijn handen wrijvend keerde hij zich dan tot den dokter met de opmerking: "Let eens op, Jack zal nog een groot man worden, een zeer groot man." Meestal riep hij dan Jack bij zich en gaf hem een goudstuk voor zijn knapheid, zoodat zoonlief weldra zelden een gelegenheid liet ontglippen om aan 't redeneeren te slaan. Tegenover meneer Bonnycastle hield hij zijn praatjes stilletjes voor zich, want hij wist maar al te goed, dat diens bewijsgronden hem te sterk waren. Wel echter redetwistte hij met al de jongens, wat gewoonlijk op een kloppartij uitdraaide; soms zelfs nam hij het op tegen de hulponderwijzers.

Toen nu de groote zomervacantie aanbrak, had Jack zijn hoofd vol van allerlei betoogen en liet er zich niet weinig op voorstaan. Hij wist alles zoo haarfijn te beredeneeren en spon alles zoo breed uit, dat men ten slotte geheel van de wijs raakte en er eigenlijk niets meer van begreep.

Eens was Jack in de rivier gaan visschen, maar een heele morgen was voorbijgegaan en nog had hij niets gevangen. Daar viel zijn oog op den grooten vijver, die hem voorkwam nog al goed voorzien te zijn. Hij klom zonder complimenten over de heining van het buiten en lag zijn hengel in den vijver. Toen hij al verscheiden mooie visschen opgehaald had, werd hij aangeklampt door den eigenaar, die een paar parkopzichters bij zich had.

"Mag ik uw naam ook weten, jongeheer?" vroeg de eigenaar aan Jack.

Nu moet gezegd worden, dat Jack altijd even hoffelijk en beleefd was. Hij antwoordde dan ook:

"Met genoegen, meneer; ik heet Rustig, om u te dienen."

"Gij schijnt 't nog al luchtigjes op te nemen," hernam het heerschap; "maar gij zult toch zeker wel begrijpen, dat ge u aan een overtreding schuldig maakt?"

"Over dat woord overtreding", antwoordde Jack, "valt heel wat te redeneeren, meneer. Vooreerst wordt 't gewoonlijk als een overtreding beschouwd, als iemand zonder verlof op een anders land of erf komt. Maar nu vraag ik u toch, meneer, is niet de aarde voor allen geschapen? Heeft een enkel bewoner er van, desnoods in vereeniging met anderen, wel het recht een gedeelte als zijn uitsluitend eigendom aan te merken? Me dunkt, ik stel de vraag nog al duidelijk. Laten we er nu eens over gaan redeneeren."

De heer, door wien Jack aangesproken was, had wel eens over meneer Rustig en diens liefhebberij in het betoogen hooren praten; hij was een luimig man, die veel meer hield van lachen dan van zich boos te maken, en bovendien vond hij het noodig Jack te doen inzien, dat zijn begrippen onder de gegeven omstandigheden niet houdbaar waren.

"Maar, meneer Rustig, aangenomen al dat het betreden van mijn grond verschoonbaar is, dan zult ge toch niet willen beweren, dat gij recht hebt mijn visschen te vangen; ik heb ze gekocht, ze in den vijver gepoot en vervolgens steeds voedsel gegeven. Gij kunt toch niet ontkennen, dat die beesten mijn bijzonder eigendom zijn en dat het wegnemen er van diefstal is?"

"Daar valt nog heel wat op aan te merken, mijn waarde heer," hernam Jack; "maar--met uw verlof, ik heb juist beet." Jack sloeg "en fermen karper op, tot groote ergernis van de opzichters en tot vermaak van hun meester. Hij deed den visch van den angel, wierp hem in zijn mandje, vernieuwde doodbedaard het aas, en hervatte, terwijl hij weer inlei, het gesprek.

"Zooals ik u deed opmerken, mijn waarde heer, is dat voor heel wat weerlegging vatbaar. Alle schepselen der aarde werden den mensch gegeven tot zijn gebruik--met mensch wordt bedoeld de menschheid.--Ook het water is een gave des hemels en tot aller gebruik bestemd. Nu komen we tot de vraag, in hoe ver de visschen uw eigendom zijn. Als de visschen alleen voortteelden om u plezier te doen en u hun kroost ten geschenke te geven, dan zou 't een heel ander geval zijn; maar nu dat zoo niet is, betwijfel ik zeer of gij kunt bewijzen, dat die visschen u meer toebehooren dan mij. Bovendien--maar daar heb ik weer beet--met uw verlof, meneer--ai, hij gaat er van door.--

"Dus zijt gij van meening, dat de wereld en al wat zij bevat voor allen geschapen is?"

"Juist, meneer; zoo denkt mijn vader er over, en die is een groot wijsgeer."

"Maar waaruit verklaart uw vader dan, dat sommigen eigendommen bezitten en anderen weer niet?"

"Daaruit, dat de sterkeren de zwakkeren hebben beroofd."

"Maar zou dat riet altijd het geval zijn, ook al konden we allen gelijke aanspraken doen gelden, zooals gij vooronderstelt? Laten we bijvoorbeeld eens aannemen dat twee menschen jacht maken op hetzelfde dier en het beiden te gelijker tijd machtig worden, zal dan niet de sterkste er mee naar huis gaan?"

"Dat stem ik toe, meneer?"

"Nu, waar blijft ge dan met uw gelijkheid?"

"Daaruit volgt nog niet, dat het de bedoeling niet is geweest de menschen gelijk te doen wezen; het bewijst enkel dat ze het niet zijn. Ook vervalt daarmede niet de bewering dat alles tot aller nut is geschapen, maar het toont alleen dat de sterke tegenover den zwakke zijn meerdere kracht doet gelden, wat zeer natuurlijk is."

"Ei zoo, gij vindt dat dus zeer natuurlijk. Nu, meneer Rustig, ik bemerk tot mijn genoegen dat we het volkomen eens zijn, en we zullen dat wel blijven, vertrouw ik. Vergeet niet op te merken, dat ik en mijn twee opzichters er drie zijn, wij vormen dus de sterke partij in dit geval, en al nemen we nu uw stelling aan, dat de visschen evengoed u als mij toebehooren, toch maak ik nu gebruik van mijn meerdere kracht om opnieuw in het bezit er van te komen, wat, zooals gijzelf zegt, zeer natuurlijk is.--Jakob, pak die visschen op."

"Met uw verlof." viel Jack hem in de rede, "laten we dat eerst eens beredeneeren."--

"Volstrekt niet; ik zal handelen volgens uw eigen stelregels--de visschen heb ik, maar ik verlang nog meer--die hengelroe is evengoed van mij als van u, en daar ik de sterkste ben eigen ik ze mij toe. Jakob, Willem, neem die hengelroe,--ze behoort ons."

"U zult me toch eerst wel de opmerking veroorloven," hernam Jack, "dat, al heb ik mijn meening te kennen gegeven, dat de aarde en de daarop levende dieren voor ons allen geschapen zijn, ik toch volstrekt niet beweerd heb, dat niet wat iemand zelf vervaardigt, zijn deugdelijk eigendom is."

"Met uw verlof; de boom, waarvan gij die hengelroe gesneden hebt, was voor ons allen bestemd, en als gij goed gevonden hebt er een hengelroe van te maken, kan ik dat evenmin helpen als dat ik de visschen gevoed heb in de ondersteling dat ze mij toebehoorden. Daar alles gemeengoed is en het niet meer dan natuurlijk is dat de sterke van zijn kracht gebruik maakt tegenover den zwakke, moet ik me die hengelroe toeëigenen, tot ze me weer door een sterkere afhandig wordt gemaakt. Bovendien zal ik als de sterkere partij en als bezitter van dit land, dat volgens u niet meer aan mij dan aan u behoort, mijn opzichters last geven u van mijn grondgebied te verwijderen. Jakob, neem die hengelroe en zet meneer Rustig eventjes over de heining. Dag, meneer Rustig, goedenmorgen?"

"Meneer, ik vraag u wel verschooning, maar gij hebt al mijn bewijsgronden nog niet aangehoord," begon Jack weer, die het volstrekt niet eens was met de gemaakte gevolgtrekkingen.

"Ik heb geen tijd om nog langer naar u te luisteren, meneer Rustig; goedenmorgen." En de eigenaar vertrok en liet Jack in gezelschap van de twee opzichters achter.

"Ik zal je moeten lastig vallen om die hengelroe, heerschap, zei Willem. Jakob was intusschen druk bezig met de visschen een eind bies onder de kiewen door te halen.

"In elk geval zult gij toch naar rede hooren," zei Jack. "Ik kan u bewijzen...."

"Nog nooit heb ik een goed bewijs gehoord, dat het stroopen geoorloofd is," viel de opzichter hem in de rede.

"Je bent een onbeschaamde vlerk," antwoordde Jack. "Door zulk slag van volk als jullie te betalen, zijn sommige menschen in staat allerlei ongerechtigheid te bedrijven."

"Door ons te betalen weert men de stroopers--en al is er verschooning te vinden voor een armen drommel zonder werk, voor jou, die nog wel een heer wilt wezen, stellig niet."

"Als we op zijn eigen praatjes afgaan, is hij geen steek meer dan wij."

"Zwijg, kerel, ik zal me niet vernederen tegen jou te redeneeren; als ik dat wou, kon ik je gemakkelijk bewijzen, dat jullie een paar laaghartige slaven bent, die evenveel recht hebt op dit landgoed als je meester of ik."

"Als jij, dat wil ik waarachtig wel gelooven."

"Ja, als ik, vlegel; deze vijver en de visschen er in behooren evengoed aan mij als aan je meester, die ze zich wederrechtelijk beeft toegeëigend."

"Wel, Jacob, wat zou je er van denken, als we dien jongenheer eens in het bezit stelden van zijn eigendom?" zei Willem met een knipoogje tot zijn kameraad.

Willem begreep den wenk en eensklaps werd Jack bij armen en beenen opgegrepen en in den vijver gesmeten. Na een flinke onderdompeling kwam hij weer boven en wist al snuivend en proestend weer naar den kant te scharrelen.

Intusschen verwijderden zich de opzichters onder luid gelach over de poets, die zij onzen held gespeeld hadden. Hengelroe, visch en blikken pierenbak namen ze mee.

"Er moet toch zeker," dacht Jack, "aan die wijsbegeerte van vader iets niet in den haak zijn, of anders is de wereld al erg verdorven. Ik zal er eens met hem over spreken."

Het antwoord, dat Jack op zijn vraag kreeg, luidde aldus:

"Ik heb je vroeger al eens gezegd, dat de groote waarheden nog niet genoeg ingang hebben gevonden; maar daaruit volgt volstrekt niet dat ze minder deugdelijk zijn. We leven in de ijzeren eeuw, waarin macht voor recht wordt gehouden, maar er zal een tijd komen dat mijne stellingen worden erkend, en dan zal je vaders naam beroemder worden dan die van eenig wijsgeer der oudheid. Denk er om, Jack, al heb je bij de bestrijding van het verkeerde en het verdedigen der rechten van den mensch nog zooveel te lijden, toch moet je volharden in je plicht, en nooit het pleit gewonnen geven."

"Dat nooit," antwoordde Jack; "maar als ik weer eens aan 't betoogen ga, zal ik zien de macht op mijn zijde te krijgen en liefst een plek uitzoeken, wat minder dicht bij een vijver."

"Mij dunkt toch," zei mevrouw Rustig, die stil toegeluisterd had, "dat Jack maar liever in de rivier moest gaan visschen; al vangt hij er weinig, in elk geval zal hij dan niet in het water geworpen worden en op die manier zijn kleeren bederven."

Maar mevrouw Rustig was geen wijsgeer.

Eenige dagen later kreeg Jack op een mooien morgen aan den anderen kant van een heining, een appelboom met verlokkende vruchten in het oog. Onmiddelijk kroop hij door de heining, klom in den boom, zocht de lekkerste appels uit en ging zitten eten.

"Heila mannetje, wat doe je daar?" riep een barsche stem.

Jack keek naar omlaag en zag beneden een stevigen boer staan.

"Wat ik hier doe, kunt ge, dunkt me, wel zien," antwoordde Jack; "ik ben aan 't appels eten--zal ik er u ook een paar toegooien?"

"Dank je vriendelijk, hoe minder er afgeplukt worden hoe beter, maar denk je soms, dat ze jou toebehooren, dat je er zoo vrijgevig mee bent?"