Chapter 19
"Ik heb, vrees ik, een overijlden stap gedaan, meneer Rustig. Ik had de kerels aan boord moeten nemen en aan de overheid in handen leveren. Had ik daar maar eer aan gedacht! We moeten zoo spoedig mogelijk naar Palermo stevenen en zorgen, dat de schurken met een afdeeling soldaten worden nagezet. Klaar om te wenden, volbrassen de groote ra!"
Reeds de volgenden morgen ankerden wij voor Palermo, gaven van het gebeurde kennis aan de overheid, die kapitein Wilson's misplaatste menschlievendheid naar den duivel wenschte, maar toch onmiddelijk een sterke troepenmacht afzond, om de losgelaten boosdoeners op te sporen. Kapitein Wilson, die Jack's bezorgdheid over zijn vrienden ten volle begreep, riep hem bij zich aan dek, en gaf hem en Gascoigne verlof om aan wal te gaan.
"Zou u me willen toestaan, Mesty mee te nemen, meneer?" vroeg Jack.
"Jawel, meneer Rustig; maar bedenk dat ge, zelfs met Mesty bij u, geen partij zijt voor een honderd en vijftig man; wees dus voorzichtig. Ik laat u gaan om uw bezorgheid wat te doen verminderen, maar niet opdat ge u in gevaar zoudt begeven."
"Natuurlijk, meneer," antwoordde Jack, sloeg aan en verwijderde zich heel bedaard. Zoodra hij echter bij het luik gekomen was, schoot hij ijlings naar beneden en ging onmiddellijk toebereidselen maken voor zijn vertrek.
Een half uur later waren onze beide adelborsten en Mesty reeds aan wal en begaven zich naar het logement, waar zij ook vroeger hun intrek hadden genomen. Hun eerste vraag was naar Don Philip en diens broeder.
"Beiden met verlof," antwoordde de herbergier; "ze logeeren bij Don Rebiera."
"Dat is ten minste één geluk," dacht Jack. "We moeten zoo spoedig mogelijk er heen."
Weldra was er voor paarden en voor een gids gezorgd en om acht uur in den morgen begaven ze zich op weg in de richting van Don Rebiera's landhoeve.
Zij hadden nog geen zes mijlen afgelegd, toen ze een van de detachementen ontmoetten, die ter vervolging van de losgelaten boeven waren afgezonden. Onze held herkende in den bevelvoerenden officier een oude kennis, deelde hem mee, dat ook Don Silvio op vrije voeten was en verzocht hem zijn richting te nemen naar het verblijf van Don Rebiera, wien stellig gevaar dreigde.
"Gij hebt gelijk, Signor," antwoordde de officier; "ik geloof anders, dat Don Philip er is en ook zijn broeder. Maar in elk geval zal ik er morgenochtend tegen tien uur wezen; we zullen den ganschen nacht doormarcheeren."
"Wapens hebben ze niet," merkte Rustig op.
"Neen maar die zullen ze spoedig weten te krijgen; zij zullen de een of andere kleine stad plunderen en dan hun toevlucht zoeken in het gebergte. Uw kapitein heeft ons een mooi koopje bezorgd."
Jack wisselde nog een paar woorden met den officier en gaf vervolgens zijn paard de sporen om zich weer bij zijn gezelschap te voegen.
Tegen vijf uur in de namiddag bereikten zij het verblijf van Don Rebiera. Jack wipte uit den zadel en snelde, gevolgd door Gascoigne, naar binnen. Zij vonden het heele gezin in de ruime huiskamer bijeen, volkomen onbewust van het gevaar dat hen dreigde en tegelijkertijd verbaasd en verheugd over de komst hunner oude vrienden. Jack draalde niet lang met de reden van zijn overhaaste verschijning te melden.
"Don Silvio met honderd vijftig galeiboeven gisternamiddag op de kust losgelaten!" riep Don Rebiera uit; "gij hebt gelijk, 't is wonder dat ze niet reeds den vorigen nacht hier zijn gekomen. Maar ik verwacht elk oogenblik Pedro terug, die met een lading wijn naar de stad is; hij zal ons wel nadere tijding brengen."
"In elk geval moeten we ons op een aanval voorbereiden," zei Don Philip; "zooals gij zegt, zullen de troepen morgenochtend hier zijn."
"Hoeveel man kunnen we bijeenbrengen?" vroeg Gascoigne.
"Wij hebben hier vijf flinke kerels," antwoordde Don Philip, "en dan mijn vader, mijn broeder en ik zelf."
"Wij zijn met ons drieën; of er op den gids te rekenen valt, weet ik niet."
"Dus alles bijeen twaalf man--dat is niet te veel; maar nu we voorbereid zijn, zullen we, dunkt me, den aanval wel kunnen weerstaan tot aan den morgen."
"Zouden we de dames niet liever wegbrengen?" opperde Jack.
"En wie zou ze geleiden?" bracht Don Philip daar tegen in; "we zouden alleen onze krachten versnipperen en bovendien zouden ze in handen der schurken kunnen vallen."
"Als we eens allen gezamenlijk het huis verlieten?" gaf Don Rebiera in bedenking; "ze kunnen niet meer doen dan de woning plunderen."
"Maar we zouden door hen opgevangen kunnen worden, en tegen zulk een overmacht beteekent ons aantal niets," merkte Don Philip op. "Hier hebben we ten minste het voordeel, dat het huis zelf als middel van bescherming dient."
"Dat is waar," antwoordde Don Rebiera, "laten we ons derhalve toerusten, want reken er maar op, dat Don Silvio zulk een mooie gelegenheid om wraak te oefenen niet zal laten voorbijgaan. Hij zal nog hedennacht hier zijn; het verwondert me zelfs, dat hij niet reeds met zijn bende gekomen is."
"Nu dienen we na te gaan wat voor middelen tot verdediging we hebben," zei Philip. "Kom, broeder; gaan de heeren ook mee?"
Jack liet de anderen vast voorgaan en nam de gelegenheid waar, om in der haast eenige woorden met Agnes te wisselen, maar het gevaar, dat allen te duchten stond, gunde hem geen rust en spoedig had hij zich weer bij de overigen gevoegd.
"Wij hebben genoeg wapens," merkte Don Philip op, "om al onze mannen behoorlijk te voorzien."
"En wij zijn ook goed toegerust," verklaarde Jack, die zich weer van Agnes verwijderd had. "Wat zijn nu uw plannen?"
"Dat moeten we nog eens zamen overleggen. Het schijnt ----" doch op dit oogenblik werd het gesprek plotseling gestoord door Pedro, die met zijn roode muts in de hand kwam binnenstuiven.
"Hoe nu, Pedro, al zoo vroeg terug?"
"O signor!" riep de man klagend uit--"ze hebben mijn wagen en wijn afgenomen en zijn er mee de bergen ingetrokken."
"Wie?" vroeg Don Rebiera.
"De losgelaten galeiboeven. De schurken hebben al heel wat kwaad uitgericht--ze hebben in de huizen ingebroken en alles weggeroofd--verscheiden menschen vermoord--de beste kleeren, die ze vonden aangetrokken--wat er aan wapens, mondvoorraad en wijn bijeen te krijgen was, ingepalmd en zijn er mee in het gebergte gevlucht. Dit is in den afgeloopen nacht gebeurd. Toen ik nog ongeveer een mijl van de stad was, hebben ze mij met mijn geladen kar overvallen, de ossen doen omkeeren en ze mee weggedreven. De kerels zijn met bloed bemorst, maar 't is niet allemaal menschenbloed, want ze hebben eenige van de geroofde ossen geslacht, zooals een herder mij vertelde, maar de man maakte in zijn angst zoo'n haast om weg te komen, dat ik niets anders van hem te weten kwam. Ach, signor, ik heb ze uw naam ook hooren noemers."
"Daar twijfel ik geen oogenblik aan," antwoordde Don Rebiera. "Wat den wijn aangaat, ik hoop maar dat ze er van avond te veel van zullen drinken. Maar Pedro, ze komen stellig hierheen, we moeten ons dus verdedigen--roep jij de anderen eens hier; ik moet ze spreken."
"Ach, ach, we zullen onze ossen nooit terugzien!" riep Pedro klagend uit.
"Neen, maar we zullen ook elkander niet lang meer zien, als we niet terdege op onze hoede zijn. Er is mij meegedeeld, dat ze nog hedennacht hier zullen komen."
"Bij alle heiligen! en ze zijn wel duizend man sterk, wordt er gezegd."
"Nu, zoo groot is hun getal niet, zoover ik weet," merkte Jack op.
"Er moeten er heel wat gedood zijn bij hun aanval op de stad."
"Des te beter. Kom, ga nu, Pedro, drink een glas wijn, en roep dan de anderen."
Het huis werd zoo goed mogelijk gebarricadeerd; de eerste verdieping werd tot een vesting gemaakt door de toegangen met kisten en kasten te versperren. De bovenverdieping brachten ze op dezelfde manier in staat van verdediging, opdat ze daarheen zouden kunnen terugtrekken, als soms de benedendeuren werden stuk gerammeid.
Het werd acht uur in den avond eer alles klaar was, en ze waren nog bezig met er de laatste hand aan te leggen, onder opperleiding van Mesty, die in dat werk van groote bedrevenheid blijk gaf, toen zij het geluid hoorden van een naderende menigte. Ze keken uit een der vensters, en zagen het geheele huis omringd door slaven, op het oog ongeveer honderd in getal. Allen waren op de meest grillige manier gekleed en hadden blijkbaar maar aangetrokken wat hun voor de hand was gekomen: sommigen hadden vuurwapens, maar de meesten waren enkel voorzien van sabels en messen. Een gansche stoet van geroofde dingen volgde hen: karren met allerlei soort van levensmiddelen en wijn; zeilen van schepen en sloepen, die in de bergen tot dekking moesten dienen, hooi en stroo en matrassen. Ook hadden ze een menigte van allerlei vee bij zich. Zij schenen te staan onder een leider, die juist bezig was zijn bevelen uit te deelen, en in wien Jack spoedig Don Silvio herkende.
"Massa Rustig, wijs me alsjeblieft dien man eens," zei Mesty, "opdat ik hem goed ken."
"Zie je daar niet iemand met een geweer in zijn hand voor het front van die kerels heen en weer loopen? Dat is Don Silvio. Hij heeft een buis met zilveren knoopen en een witte broek aan."
"Jawel, Massa Rustig, ik zie hem--laat ik hem nog eens goed opnemen--ziezoo, nu is 't genoeg."
De galeiboeven schenen er vooral op uit, het huis zoo te omsingelen, dat er niemand uit kon ontsnappen, en Don Silvio wees ieder zijn plaats aan.
"Ned," zei Jack, "laten we hem toonen dat wij hier zijn. Hij zei immers, dat hij Don Rebiera van onze komst zou verwittigen--nu moeten we hem het bewijs leveren, dat hij te laat komt."
"Dat is geen kwaad idee," antwoordde Gascoigne; "als soms die kerels nog voor eenig gevoel van dankbaarheid vatbaar mochten zijn, zouden misschien sommigen hunner terugdeinzen voor een aanval op degenen, die hen gered hebben."
"Daar is geen denken aan; maar zij zullen er uit merken, dat er meer in huis zijn dan zij vermoeden; en we kunnen mogelijk enkelen schrik aanjagen door de mededeeling, dat de soldaten elk oogenblik kunnen komen."
Jack wierp onmiddellijk een venster open, en riep met luide stem naar buiten: "Don Silvio! galeiboef! Don Silvio!"
De toegeroepene keerde zich om en zag opeens Jack, Gascoigne en Mesty voor het venster van de bovenverdieping staan.
"Wij hebben u de moeite van ons aan te melden bespaard," riep Gascoigne. "Wij zijn hier om u te ontvangen."
"En binnen drie uren zullen de troepen ook hier zijn; haast je dus maar wat, Don Silvio", voegde Jack er bij.
"Tot weerzien!" vervolgde Gascoigne, en vuurde zijn pistool op Don Silvio af.
Het venster werd onmiddelijk daarop weer gesloten. De verschijning van onze helden en hun aankondiging van de spoedig te verwachten troepen, bleef niet zonder gevolg. De misdadigers beefden bij de gedachte daaraan; Don Silvio werd compleet dol--hij betoogde aan zijn bende de noodzakelijkheid van een onmiddellijken aanval--het onwaarschijnlijke dat de troepen al zoo spoedig zouden komen, en gaf hoog op van de schatten, die in Don Rebiera's woning te vinden moesten zijn. Dit laatste vooral gaf hun weer moed en zij stormden op de deuren los, die zij trachtten open te loopen; doch dit gelukte niet en verscheidenen hunner vielen onder de schoten, door de bezetting van het huis gelost. Na een half uur zagen zij het wanhopige van hun pogen in en trokken af, maar keerden weldra terug met een langen boom door zestig man gedragen, om daarmee de deur open te rammeien. Hiertegen bleek deze niet bestand en vloog al gauw uit de hengsels, zoodat er nu een toegang gemaakt was. Intusschen was het donker geworden, de benedenverdieping werd prijs gegeven, maar de versperringen boven aan de trap beletten de onverlaten verder door de dringen. De verdedigers hadden behoorlijk schietgaten gemaakt, waardoor ze nu een geregeld vuur openden tegen de aanvallers, die niet in staat waren dat te beantwoorden. Zelfs al hadden ze ammunitie gehad voor hun geweren, wat gelukkig niet het geval was, zou het hun toch onmogelijk geweest zijn. Het gevecht werd nu hevig, en gedurende het verloop van twee uren werden de galeislaven herhaaldelijk met groot verlies teruggedreven; maar aangemoedigd door Don Silvio en opgewekt door bekers wijn, hernieuwden zij telkens den aanval en wisten langzamerhand veel van wat hen belemmerde, uit den weg te ruimen.
"We zullen moeten terugtrekken," riep Don Rebiera uit; "over een poos hebben ze alles neergerukt. Wat dunkt u er van, signor Rustig?"
"Dat we zoo lang mogelijk moeten standhouden. Hoe is 't met de ammunitie gesteld?"
"Die hebben we nog in overvloed--we kunnen er stellig nog zes uren mee toe, zou ik denken."
"Wat zeg jij er van, Mesty?"
"Hier blijven, zeg ik. Vuurwapens hebben zij niet--en zoo dicht als ze nu bij ons zijn, is elk van onze schoten doodelijk."
Dit gaf den doorslag en de verdediging werd nu nog twee uur langer volgehouden, dan anders het geval zou geweest zijn. Ook gaf het een niet onwelkome verademing, dat de misdadigers naar de overdekte karren terugtrokken.
Ten slotte bleek de barricade niet langer houdbaar, want de zware stukken huisraad, die zij als versperring opeengestapeld hadden, waren kort en klein gestooten met de als stormrammen gebruikte palen. Er werd dus tot terugtrekking besloten; allen haastten zich naar de volgende verdieping, waar de dames al gebracht waren, en spoedig hadden de galeislaven de eerste verdieping vermeesterd. Ze waren geprikkeld door den weerstand, opgewonden door wijn en overwinning, maar vonden niets.
Nu begon de aanval op de tweede verdieping; maar daar de trap hier nauwer was en de verdediging er van naar verhouding des te gemakkelijker, duurde het geruimen tijd eer ze een voet breed wonnen, terwijl verscheidenen hunner gewond raakten en naar beneden gedragen moesten worden.
De duisternis van den nacht belette beide partijen iets nauwkeurig te onderscheiden en dit was het meest in het voordeel der aanvallers. Verscheidenen klommen over de verschansing van opeengestapeld huisraad, en werden gedood zoodra zij zich aan den anderen kant vertoonden; ja, er werd op het laatst nog enkel geschoten op degenen, die dergelijke gewaagde pogingen deden. Langer dan vier uren werden aanval en verdediging op die wijze voorgezet, tot het daglicht aanbrak en het plan van aanval gewijzigd werd: zij brachten weer palen aan, rammeiden de stukken huisraad aan gruizelementen en wonnen grond. De verdedigers waren doodaf, maar gaven het niet op; zij wisten dat hun eigen behoud en de levens dergenen, die hun het dierbaarst waren, op het spel stonden en verslapten dus niet in hun hardnekkigen weerstand. Toch kregen de misdadigers, met Silvio aan hun hoofd, meer en meer voet, de afstand tusschen de beide partijen werd hand over hand geringer; er was nog maar één groote kleerkast die hen scheidde en daaroverheen werden aanhoudend slagen met lange stokken en sabels uitgedeeld, beantwoord met pistoolkogels.
"We moeten nu vechten op leven en dood," riep Gascoigne Rustig toe, "er schiet geen andere keus over."
"Maar we kunnen toch nog naar den zolder en daar vechten," antwoordde Jack.
"Wel dat is goed bedacht, Jack," zei Gascoigne. "Mesty, gauw naar boven om te zien of er gelegenheid is in geval van nood daarheen terug te trekken."
Mesty haastte zich te gehoorzamen en kwam weldra terug met het bericht, dat ze door een valdeur op zolder konden komen en de ladder achter zich optrekken.
"Dan kunnen we hen nog uitlachen," riep Jack. "Mesty, blijf jij hier, terwijl Gascoigne en ik de dames naar boven helpen," liet hij er op volgen en verklaarde aan de Rebiera's wat er gebeuren moet.
Zoodra de signora en Agnes goed en wel boven waren, haastten Rustig en Gascoigne zich weer naar hun vrienden, die al meer en meer in het nauw raakten. Lang zou de trap niet meer te verdedigen zijn, vooral nu de versperringen voor het grootste gedeelte vernield waren en de aanvallers met groote steenen begonnen te werpen, waardoor twee van Don Rebiera's bedienden en ook Don Martin getroffen en buiten gevecht gesteld werden.
"We moesten terugtrekken," zei Gascoigne; "zijn we eenmaal op zolder, dan kunnen de steenen ons geen kwaad meer doen. Wat dunkt u, Don Philip?"
"Ik ben 't met u eens; laten we eerst de gewonden naar boven dragen en dan zelf volgen."
Aan dien raad werd gehoor gegeven en nauwelijks hadden ze de ladder achter zich opgetrokken, of de galeiboeven, die de laatste hindernissen overgeklommen waren, stormden hen onder een luid geschreeuw na, in de meening dat ze nu zeker waren van hun prooi; maar zij vonden zich erg teleurgesteld, nu het bleek, dat de bestookten nog veiliger zaten dan te voren.
Niets kon de woede van Don Silvio zoo tot het uiterste drijven, als de hardnekkige weerstand der tegenpartij en de veiligheid van hun toevluchtsoord. Hen te bereiken was onmogelijk, derhalve besloot hij den boel in brand te steken en hen te doen stikken, als 't niet anders kon. Hiertoe gaf hij aan zijn volgelingen de noodige bevelen, maar hij verloor daarbij de voorzichtigheid uit het oog, en toen hij zich onder de valdeur waagde, liet Mesty een der zware steenen, die hij mee naar boven genomen had, op Don Silvio's hoofd vallen, zoodat deze onmiddellijk neerstortte. Zwaar gewond werd hij weggedragen, maar zijn gegeven bevelen werden toch ten uitvoer gebracht; de kamer was spoedig gevuld met hooi en stroo en dit in brand gestoken. De uitwerking er van liet zich weldra gevoelen: wel was de valdeur dichtgedaan, maar hitte en rook drongen door de reten; na eenigen tijd begonnen planken en balken vuur te vatten en de toestand werd allerverschrikkelijkst. Een klein dakvenster werd opengestooten en gaf althans tijdelijk eenige verademing, maar de rookkolommen werden aanhoudend dikker. Zij konden niet van zich af zien en ternauwernood ademhalen. Donna Rebiera zakte als levenloos in de armen van haar echtgenoot en Agnes in die van onzen held.
"Massa Rustig, help eens een handje--Massa Gascoigne, kom ook hier. Nu uit alle macht duwen, als we er één afkrijgen, volgen er meer."
Op Mesty's aanwijzing zetten Jack en Gascoigne de schouders tegen een van de benedenste leien van het dak; ze week, raakte los en schoot met veel geraas naar omlaag. De dames werden nu bij de gemaakte opening gebracht en kwamen spoedig weer bij kennis. Nu er ééne lei los was, kostte het weinig moeite er meer los te krijgen en binnen weinige minuten hadden ze gelegenheid om weer versche lucht te happen. Maar nog altijd brandde het huis beneden hen en aan ontkomen viel niet te denken. Terwijl zij hun uiterst geringe kans op behoud bespraken, dreef een windvlaag de uit het dak opstijgende rookwolken uiteen en nu zagen zij een afdeeling troepen op het huis aanrukken. Een luide kreet van blijdschap trok de aandacht der soldaten. Zij bespeurden Rustig en zijn lotgenooten; in een oogwenk hadden zij de woning omsingeld en waren er in binnengedrongen.
De galeislaven, die in huis waren, om naar de door Don Silvio voorgespiegelde schatten te zoeken, werden gevangen genomen of gedood en binnen vijf minuten waren de troepen meester. De moeilijkheid was nu, hoe de menschen boven te redden. Ladders, die zoo hoog reikten, waren er niet. De kommandant gaf van beneden allerlei teekens om te vragen wat hij doen moest.
"Ik zie geen uitkomst," zei Don Philip met een zucht. "Wat te doen?"
"Ik weet 't niet," antwoordde Jack. "Als we nog maar touwen hadden."
"Is 't zeker, Massa Rustig, dat al die boeven beneden weg zijn?" vroeg Mesty.
"Ja," antwoordde Rustig, "kijk maar; ze liggen daar allen gekneveld onder bewaking der soldaten."
"Dan is 't hoog tijd dat we wegkomen."
"Dat vind ik ook, Mesty; maar hoe?"
"Hoe? Wacht maar. Help eens, Massa Rustig; deze plank van den vloer ligt los; komaan, allen geholpen."
Met vereende krachten werd de plank losgerukt.
"Nu er als de drommel op losgebeukt en een gat in het plafond gestooten," zei Mesty, die er al vast mee begon.
Binnen weinige oogenblikken hadden ze een opening boven een der kamers, die nog niet door het vuur was aangetast, en Mesty liet er gauw de ladder door zakken. Allen kwamen behouden naar omlaag en traden, tot verbazing van den kommandant der troepen, ongedeerd de huisdeur uit.
Met een luid hoera werden zij ontvangen, en nu er geen menschenlevens meer te redden vielen, werden alle krachten ingespannen om de vlammen te blusschen, maar tevergeefs. Het geheele huis brandde uit en slechts weinig van het huisraad bleef behouden; trouwens het meeste daarvan was bij de bestorming door Don Silvio en de zijnen toch al vernield.
Nadat aan Pedro en de overige bedienden orders waren gegeven om al het door de misdadigers bijeengestolene weer aan de rechtmatige eigenaars terug te bezorgen, liet Don Rebiera de paarden zadelen en het heele gezelschap trok onder de hoede der troepen, die intusschen weer verkwikt en uitgerust waren, den weg op naar Palermo. De galeislaven volgden geboeid en aan elkaar gekneveld in een lange dubbele rij onder flinke bewaking.
Halverwege maakten zij halt, en sloegen voor den nacht hun bivouack op. Den volgenden dag, tegen den middag zaten Don Rebiera en zijn gezin alweer in hun paleis en onze beide adelborsten en Mesty namen afscheid om zich weer naar boord te begeven.
Jack bracht bij kapitein Wilson zijn rapport uit en begaf zich daarop naar beneden, heel blij dat alles zoo goed afgeloopen was en ook dat hij bij zijn terugkeer op Malta weer een verhaal in petto had voor den gouverneur.
Drie weken lang bleef de Aurora te Palermo voor anker. Intusschen werd de vervolging der galeislaven, die nog op vrije voeten waren, ijverig voortgezet en verscheidenen hunner vielen opnieuw in handen der overheid. Men kwam nu tevens te weten, dat hun aanvoerder Don Silvio gestorven was aan de gevolgen der zware verwonding, hem door Mesty's steenworp toegebracht.
Jack maakte druk gebruik van de gelegenheid om bij de Rebiera's bezoeken af te leggen en werd er weldra als een lid van het gezin beschouwd. Zijn verhouding tot Agnes werd steeds vertrouwelijker en eindelijk waagde hij het, bij Don Rebiera aanzoek te doen om de hand zijner dochter. De oude heer was Jack bijzonder genegen en de verplichting, die hij tegenover onzen held gevoelde, noopte hem te meer om diens verlangen in te willigen. Alvorens echter toe te slaan, bedong hij dat Jack zijn vader met zijn plannen bekend maken en zich van diens toestemming verzekeren zou.
Jack beloofde dit, en hoe prettig het leventje te Palermo ook voor hem was, nu begon hij erg naar huis te verlangen en was maar blij, toen de Aurora eindelijk het anker lichtte en naar Malta koers zette.
Reeds na een reis van vier dagen liepen zij de haven van Valette binnen en Jack was niet zoodra aan wal of hij spoedde zich naar het gouvernementsgebouw, waar Sir Thomas hem met zijn gewone hartelijkheid ontving en terstond een kamer voor hem in gereedheid liet brengen.
Drie-en-twintigste hoofdstuk.
Ongunstige berichten van huis dwingen Jack overijld naar Engeland terug te keeren.
Den volgenden morgen, bij het ontbijt, werden de brieven uit Engeland binnengebracht en onder het schiften zei de gouverneur:
"Meneer Rustig, hier zijn er twee voor u; ik vrees, dat ze geen aangename tijding zullen bevatten, want ze zijn met zwart lak verzegeld."
Jack nam met een beleefde buiging de beide brieven in ontvangst en begaf zich naar zijn kamer. De eerste, dien hij opende, was van zijn vader en luidde als volgt:
"Mijn beste Jack!