Chapter 18
"Daar heb je Atkins," zei Jack; "dat treft ongelukkig, maar hij zal wel geen bezwaar maken."
"Heeren," zei Atkins, heel deftig groetende, "de gouverneur wenscht dringend u beiden te spieken."
"Op dit oogenblik kunnen we onmogelijk komen, maar over een half uur zullen we er wezen."
"Gij moet er echter binnen drie minuten zijn. Neem me niet kwalijk, maar ik heb uitdrukkelijke bevelen en om ze stipt te kunnen uitvoeren, staat er een korporaal met eenige manschappen achter den vestingwal geposteerd--maar natuurlijk, als gij gewillig meegaat is die hulp overbodig."
"Dat is een vervloekte dwingelandij," riep Jack uit. Er bleef hun echter geen keus over, en daarom volgden zij meneer Atkins naar het gouvernements gebouw, waar zij Sir Thomas aantroffen onder de waranda, die het uitzicht gaf op de haven en de open zee.
"Kom eens hier, heeren." zei de gouverneur op strengen toon; "ziet ge daar ginds op twee mijlen van de kust dat schip wel? Daarmede wordt Don Silvio gevankelijk naar Sicilië overgebracht. En onthoudt nu wel den levensregel, dien ik u zal aangeven: Vecht als het noodig is met fatsoenlijke menschen, maar nooit met schurken en moordenaars. Een tweegevecht met een ellendeling aan te nemen, is even onteerend als een fatsoenlijk man voldoening te weigeren. Gaat nu heen, want ik ben boos op u, en komt niet meer onder mijn oogen vóór etenstijd."
Een-en-twintigste hoofdstuk.
de Aurora raakt slaags met een Russisch fregat. Luitenant Pottyfar zoekt vergeefs baat bij zijn universeel geneesmiddel.
Maar eer zij den gouverneur aan tafel ontmoetten, was er van de vloot een sloep aangekomen met depêches van den opperbevelhebber. Daarbij werd onder anderen aan kapitein Wilson gelast, zooveel mogelijk haast te maken met het uitrusten van zijn schip en dan te gaan kruisen in de buurt van Corsica, waar hij een Russisch fregat moest aanklampen; vond hij 't daar niet, dan moest hij inlichtingen inwinnen en het overal nazetten, waar het te vinden mocht zijn.
Alles aan boord van de Aurora raakte nu druk in de weer. Kapitein Wilson verliet met onzen held en Gascoigne de woning van den gouverneur en begaf zich weer aan boord, waar zij dag en nacht bleven. Op den derden dag was de Aurora geheel gereed om in zee te steken en omstreeks den middag zeilde zij de haven van Valette uit.
Binnen een week was de Corsikaansche kust bereikt en men behoefte geen uitkijk in den mast te zenden, want een der officieren of de adelborsten was er voortdurend van het aanbreken van den dag tot donker. Van het schip, waarop ze jacht maakten, was echter nog steeds niets te bespeuren.
Windstilte gaf eenige dagen vertraging, maar eindelijk maakte een stevige bries uit het noorden het mogelijk langs den oostkant van het eiland zuidelijk koers te zetten. Op den achttienden dag na het verlaten van Malta, kregen zij omstreeks zestien mijlen voor zich uit een groot schip in 't zicht. De manschappen zaten op dat oogenblik juist aan het ontbijt:
"Een fregat, kapitein Wilson, ik ben er zeker van," zei de eerste luitenant.
"Welken koers heeft het?"
"Denzelfden als wij."
De Aurora had alle zeilen bijgezet, en toen het volk ging schaften had ze al ongeveer twee mijlen gewonnen op het achtervolgde vaartuig.
"Dat zal een langdurige jacht zijn, nu we beiden denzelfden koers hebben," merkte Martin tegen Gascoigne op.
"Ja, dat vrees ik ook--maar het ergste is nog, dat het misschien zal ontsnappen."
"Daar is ook wel kans op," antwoordde zijn kameraad.
"Och wat, jij altijd met je Jobsgedachten!" viel Gascoigne uit.
"Ja, maar ik heb 't toch niet zoo dikwijls mis;" herman Martin. "Twee dingen zijn maar de vraag: vooreerst, zullen we het schip inhalen of niet--en dan als we het inhalen, is 't wel het vaartuig, waarop wij 't gemunt hebben."
"'t Schijnt jou al heel weinig te kunnen schelen."
"Dat is volstrekt het geval niet; reken maar eens aan, ik ben de oudste adelborst hier aan boord; als ik het bemachtigen van het fregat overleef, zal ik eindelijk eens bevorderd worden, en schiet ik er het hachje bij in, welnu dan is de bevordering overbodig. Maar ik ben al zoo dikwijls teleurgesteld, dat ik maar nergens meer op reken, zoolang ik 't niet goed en deugdelijk heb."
"Nu, om jou mag ik maar lijden, Martin, dat het gindsche schip hetzelfde is dat we zoeken, dat we er het leven afbrengen, en dat jij bevorderd wordt."
"Dankje, Rustig--ik wou dat ik er ook op durfde hopen."
"Ze hebben bij den wind gebrast, kapitein," riep de tweede luitenant uit de stengedwarszalings.
"Wat dunk jou er van, Martin?" vroeg Jack.
"Dat 't een Engelsch fregat is, of dat het schip een flinke bemanning heeft en een dapperen kerel tot kommandant."
De zon begon onder te gaan eer de Aurora het schip tot op twee mijlen genaderd was. Er was geseind, maar dit bleef onbeantwoord, hetzij dat het te donker was om de kleuren van de seinvlaggen te onderscheiden, hetzij de vijand die niet kende. De vreemdeling had de Engelsche vlag geheschen, maar dat kon nog niet gelden voor een afdoend bewijs, dat hij tot een bevriende natie behoorde; en even vóór donker had hij den steven naar de Aurora gewend, die nu recht op hem aan was gekomen. Van de bemanning der Aurora was ieder op zijn post, want binnen weinige minuten zou het beslist zijn, of ze met een vriend of met een vijand te doen hadden.
Nu is er haast geen lastiger geval denkbaar, dan zoo'n ontmoeting: met een schip, waarvan men niet weet, wat men er aan heeft. Men moet zich geheel tot den aanval gereed houden en zorgen dat de vijand, als het er een is, geen voordeel trekke uit uw dralen met handelend op te treden; en aan de anderen kant dient de grootste voorzichtigheid in acht genomen, opdat ge niet op een vriend en landgenoot losbrandt.
Kapitein Wilson had het nachtsignaal geheschen, maar met al de zeilen zou 't voor het andere schip moeielijk zijn het op te merken. Om nu dit bezwaar uit den weg te ruimen en alle vergissing te voorkomen, liet kapitein Wilson, toen de twee fregatten elkaar tot op drie kabellengten genaderd waren, de bezaan opgeien, zoodat het seinlicht duidelijk zichtbaar werd.
Er kwamen op het andere schip wel lichten in beweging, alsof ze van plan waren te antwoorden, doch ze bleven maar steeds de Aurora aan lij houden tot op ongeveer een halve kabellengte, en toen de schepen elkaar bijna vlak op zij waren gekomen, werd er in het Engelsch geroepen:
"Schip ahoy! wat voor schip is dat?"
"Zijner Majesteits fregat Aurora," riep kapitein Wilson, die boven op de verschansing stond. "En wat voor schip is het uwe?"
In plaats van het verwachte antwoord "zijner Majesteits schip ----" hoorden zij opeens de kanonnen losbranden en kreeg de Aurora de volle laag op zulk een geringen afstand, dat de uitwerking geducht was. De bemanning van de Aurora was, toen er in het Engelsch gepraaid werd, in de meening geraakt, dat het een van hun eigen kruisers zou zijn. Zij, die de stukken bedienden, hadden teleurgesteld de talierepen laten vallen en de stilte, die er geheerscht had, zou juist afgebroken worden door uitingen van ontevredenheid over zoo'n tegenvaller, toen het gedonder van het geschut hun opeens in de ooren klonk, en het splijten en scheuren van balken en planken hen voor een oogenblik deed versuffen. Menigeen moest naar beneden gedragen worden, maar het viel moeilijk te zeggen wat er bovendreef, de verontwaardiging over den verraderlijken aanval of de voldoening, nu het bleek dat ze niet voor niets op hun post waren geroepen. In elk geval weerklonk er een driewerf hoera! waardoor het gekreun en gekerm dergenen, die naar de ziekenboeg werden gesjouwd, overstemd werd.
"Volk aan de bakboordsstukken en klaar om te wenden!" bulderde kapitein Wilson en haastte zich van de verschansing. "Terdege uitkijken, jongens, en goed gemikt, hoor! We zullen ze die aardigheid eens flink betaald zetten."
De Aurora was gewend en loste de volle laag op het achterschip van het Russische fregat. Het was bijna donker, maar de vijand scheen al even verlangend naar den strijd als de Aurora. Binnen vijf minuten waren de twee schepen elkaar op zij gekomen en openden op weinig meer dan een pistoolschot afstand een moorddadig vuur.
Na een verwoed gevecht van een half uur, ging kapitein Wilson van beneden naar het bovendek en richtte zelf stuk voor stuk de geladen kanonnen, de midscheepsche op de groote rust van den vijand, en ook die van het voor- en van het achterschip zóó, dat al de schoten ongeveer op de zelfde hoogte moesten treffen. Vervolgens gaf hij bevel dat op het gegeven kommando alle tegelijk moesten afgevuurd worden. De vijand begreep niet waarom er zoo gedraald werd met schieten en verbeelde zich al, dat de Aurora het vuren opgaf. Maar opeens kreeg hij de volle laag en, hoe donker het ook was, toch kon men de uitwerking waarnemen. Er was een geducht gat in het schip geslagen en de groote mast tuimelde over boord. De Aurora maakte nu, dat ze dwars voor den Rus kwam te liggen, en begon uit de bovendeksstukken met schroot te schieten, om den vijand alle werkzaamheid aan dek te verhinderen, terwijl de batterij van het hoofddek een vernielend vuur op den romp bleef onderhouden.
De maan brak door de wolken en stelde hen in staat met meer juistheid te werk te gaan. In een kwartier was het Russische schip al zijn masten kwijt en kon kapitein Wilson de helft van zijn manschappen aan het herstellen der geleden schade zetten. De vijand bleef nog met vier stukken het vuur beantwoorden, maar het duurde niet lang of ook deze vier waren tot zwijgen gebracht. De Aurora staakte nu den strijd en de tweede luitenant werd met een der sloepen, die ongehavend was gebleven, afgezonden om zich te vergewissen of het fregat zich gewonnen gaf.
De heldere maan wierp een zilverachtig licht over het water, toen de boot afzette; kapitein Wilson en de officieren, die niet gewond waren, leunden over de deerlijk gehavende verschansing van de Aurora en wachtten het antwoord af. Op eens werd de stilte van den nacht verbroken door een vervaarlijk geraas van den kant van het Russisch fregat, op dat oogenblik ongeveer drie kabellengten van hen verwijderd.
"Wat zou dat zijn?" riep kapitein Wilson uit. "Het anker hebben ze vroeger al laten vallen, dat kan 't dus niet wezen. Je moest eens loden, meneer Jones, en zien hoeveel water we hebben."
Meneer Jones was al lang doodelijk gewond naar beneden gedragen, maar een ander wierp het lood uit en peilde zeven vademen.
"Dan zal hij 't ons, vrees ik, nog lastig genoeg maken," merkte Wilson op; en dat bleek ook spoedig, want de Russische kapitein had den tweeden luitenant in het Engelsch toegeroepen, "dat hij zijn vraag met het geschut beantwoorden zou" en was bijna onmiddellijk daarop weer begonnen te vuren op de Aurora.
Kapitein Wilson maakte zeil en voer aanhoudend om het geankerde schip heen, zoodat hij het bij beurten rechts en links de volle laag kon geven. De hardnekkigheid, waarmee de dappere Rus den strijd volhield, gaf kapitein Wilson de overtuiging, dat de man liever zou blijven doorvechten tot zijn schip zonk dan de vlag te strijken; en in dit geval zou de Aurora niet alleen nog verscheidene manschappen moeten verliezen, maar ook het Russische schip niet buit kunnen maken. Daarom besloot kapitein Wilson tot een beslissenden stap. Na een kort overleg met zijn officieren klampte hij den Rus aan boord, en sprong aan het hoofd zijner manschappen op het vijandelijk dek over.
Er volgde nu een allerhevigst gevecht van man tegen man, waarbij de Russische kapitein en het gering getal manschappen, dat hij nog over had, zich dapper verweerden. Lang kon echter de tegenstand niet duren en weldra was het Russisch fregat in handen der Engelschen.
Zoodra het dek opgeruimd was, liet kapitein Wilson de luiken sluiten en gaf aan een deel zijner manschappen last aan boord van het veroverde vaartuig te blijven, terwijl hij zelf zich haastte onderzoek te gaan doen naar den toestand van zijn eigen schip.
De dag was al aangebroken eer aan boord der Aurora de boel weer zoo wat op orde was gebracht. De meeste gewonden waren intusschen in de hangmatten gelegd, terwijl er ook enkelen waren, die een amputatie moesten ondergaan.
De timmerman had al de geschoten gaten onder of dicht bij de waterlijn hersteld en was daarna begonnen het lek van het buitgemaakte vaartuig te stoppen. Ofschoon aan het bovengedeelte erg gehavend, was er toch geen aanleiding om te veronderstellen dat het ook beneden de waterlijn ernstige schade had beloopen en daarom bleven de luiken gesloten, ofschoon eenige manschappen aan de pompen werden gesteld om te zien of het schip ook water maakte. Zoodra de Aurora er weer wat behoorlijk uit begon te zien, ging kapitein Wilson opnieuw aan boord van het veroverde schip, waar het dek, nu het helder licht geworden was, een vreeselijk bloedbad te aanschouwen gaf. Lijk na lijk werd over boord geworpen en aan de gewonden zoodra mogelijk hulp verleend; de luiken werden afgenomen en het overschot der bemanning aan dek gekommandeerd; ongeveer tweehonderd gaven gehoor aan dat bevel, maar het zag er beneden, wat dooden en gewonden betrof, al even ellendig uit als boven. De gevangenen werden op de Aurora overgebracht en daarna begon het schiften van dooden en levenden. Vervolgens werden de meest noodige herstellingen gedaan en een deel der bemanning van de Aurora, onder bevel van den tweeden luitenant, er aan boord gezonden. Den ganschen nacht werd er doorgewerkt en eerst den volgenden morgen kon de Aurora, met de Drietand, zoo heette het Russische fregat, op sleeptouw, onder zeil gaan.
In dat moorddadig gevecht had de Drietand meer dan tweehonderd man aan dooden en gewonden. Het verlies der Aurora was niet zoo groot, maar toch belangrijk genoeg, namelijk zes en vijftig manschappen en officieren. Onder de gesneuvelden behoorden de stuurman Jones, de derde luitenant en twee adelborsten. Meneer Pottyfar, de eerste luitenant, was al bij het begin van den strijd zwaar gewond. De stuurmansmaat Martin en Gascoigne waren ook beiden getroffen, de eerste doodelijk, de tweede vrij ernstig. Onze held had een jaap met een sabel gekregen, zoodat hij zijn arm een tijdlang in een doek moest dragen.
Nog voordat de Drietand geënterd werd, was Mesty door een splinter geraakt, maar hij was aan dek gebleven om als een vader over Jack te waken en hem te beschermen. Ja, hij had nog meer gedaan; want toen kapitein Wilson met het plat van een sabel een slag kreeg, die hem deed suizebollen en op de knieën schieten, had hij zich met Jack vóór hem geworpen. En Jack had gezorgd, dat kapitein Wilson niet onbekend bleef met den grooten dienst, hem door Mesty bewezen.
"Maar je zult wel bij Mesty geweest zijn, toen hij me het leven redde," merkte kapitein Wilson op."
"Dat was ik ook, meneer," antwoordde Jack bescheiden, "maar zonder dat ik zelf veel kon uitrichten."
"Hoe gaat 't van avond met uw vriend Gascoigne!"
"O, lang niet slecht, meneer; hij krijgt trek in een glas grog."
"En met Martin?"
Jack schudde bedenkelijk het hoofd.
"De dokter is toch van oordeel, dat hij weer zal beteren."
"Ja, meneer, dat heb ik Martin ook verteld; hij vond 't heel goed, dat men hem hoop gaf--maar zelf dacht hij er anders over."
"Je moet hem wat opmonteren, meneer Rustig; zeg hem, dat hij vast op bevordering kan rekenen."
"Dat heb ik hem al gezegd, meneer, maar hij wil 't niet gelooven. Hij zal er geen geloof aan slaan, zoolang hij niet de geteekende aanstelling onder zijn oogen krijgt. Ik denk bepaald, dat zoo'n stuk nog gunstiger op hem zou werken dan de dokter."
"Nu, meneer Rustig, morgenochtend zal hij 't hebben. Hebt ge meneer Pottyfar ook bezocht? Ik vrees, dat het slecht met hem zal afloopen."
"Dat vrees ik ook, meneer; hij wordt iederen dag erger, ofschoon toch de wond gunstig staat."
Zoo praatte Jack met zijn kapitein, toen zij den derden morgen na het gevecht aan het ontbijt zaten.
Den dag daarna bracht Rustig een voorloopige aanstelling voor Martin beneden en stelde hem die ter hand. De arme stakker, die in een verband in zijn hangmat lag, doorlas het stuk nauwkeurig.
"'t Is maar een voorloopige aanstelling, Jack," zei hij; "misschien wordt ze niet bekrachtigd."
Jack zwoer bij al de krijgsartikelen, dat 't wel degelijk gebeuren zou; maar Martin bleef volhouden, dat 't nooit zoo ver zou komen.
"Neen, neen," zei hij, "ik wist wel, dat ik 't nooit tot stuurman zou brengen. Wordt de aanstelling niet bekrachtigd, dan zal ik in leven blijven, maar gebeurt dat wel, dan sterf ik stellig."
Iedereen, die Martin in zijn hangmat kwam opzoeken, wenschte hem geluk met zijn bevordering, maar zes dagen na het treffen met den vijand, werd het stoffelijk overschot van den armen Martin aan de golven prijs gegeven.
Het spoedigst volgde hem de eerste luitenant Pottyfar, die, gewond als hij was, een pakje van zijn universeel geneesmiddel had weten machtig te worden, en er zooveel fleschjes van geledigd had, dat hij op een goeden morgen dood in zijn hangmat werd bevonden, met meer dan twee dozijn leege fleschjes onder zijn hoofdkussen en naast zijn matras.
Twee-en-twintigste hoofdstuk.
Menschlievendheid met ondank beloond. Jack en zijn vrienden in levensgevaar, maar nog intijds van den dood gered.
Binnen drie weken liep de Aurora, met haar buit op sleeptouw, de haven van Malta binnen, maar een lange rust werd haar niet gegund, want er waren dringende tijdingen naar de overheid van Palermo over te brengen. Hiermede nu werd kapitein Wilson belast. Na ontvangen antwoord moest hij naar Malta terugkeeren, degenen van zijn manschappen opnemen, die intusschen genoegzaam hersteld waren om het hospitaal te kunnen verlaten, en vervolgens zich bij de vloot voor Toulon gaan voegen. Jack was buiten zichzelven van blijdschap nu hij gelegenheid zou krijgen om Agnes en haar broeders weer te ontmoeten.
Opnieuw verliet de Aurora de hooge klippen van Valette en doorkliefde onder een flinke bries de donkerblauwe golven. Maar tegen den avond begon de wind weer op te steken, zoodat ze de marszeilen dubbel moesten reven. Den tweeden dag voeren ze langs de kust van Sicilë, niet ver van de plek, waar Rustig en Gascoigne aan den wal gedreven waren. Het weer was intusschen veel kalmer geworden en de zee tot bedaren gekomen. Daarom stuurden ze dicht onder de kust, wijl de wind niet gunstig was voor de vaart naar Palermo. Als gewoonlijk werden nu de kijkers naar land gericht, naar de villa's, waarmee de heuvels en dalen bezaaid waren.
"Wat is dat, Gascoigne," zei Rustig, "daar onder die overhellende rots?--'t lijkt wel een schip."
Gascoigne bracht zijn kijker in de aangewezen richting.--"Ja, 't is een schip, dat op de klippen zit: naar den voorsteven te oordeelen is 't een galei."
"Dat is 't ook," riep de uitkijk, "ik kan de roeibanken duidelijk onderscheiden."
Dit werd aan kapitein Wilson meegedeeld, die nu zelf een onderzoek instelde.
"Ze zit op de rotsen, dat is zeker," merkte hij op, "en ik verbeeld me ook, dat ik volk aan boord zie. Eén streek afhouden, kwartiermeester!"
De Aurora werd nu recht op het schip aangestuurd, en na een uur was ze niet meer dan een mijl er van verwijderd. Hun vermoedens waren juist geweest--'t bleek een van de Siciliaansche goevernementsgaleien te zijn, die op de klippen gesmeten was, en ze zagen nu ook, dat er menschen aan boord waren, die met stukken linnengoed seinen gaven.
"'t Zijn stellig galeislaven; want ik bemerk, dat ze geen van allen van plaats veranderen. De officieren en matrozen moeten de galei verlaten en de slaven aan hun lot overgelaten hebben."
"Dat is wreed," zei Jack tot Gascoigne; "de kerels waren wel tot de galeien veroordeeld, maar niet ter dood."
"Van de golven hebben ze niet veel genade te verwachten," antwoordde Gascoigne; "als de wind wat meer landwaarts-in omloopt, zijn ze er morgen ochtend om koud."
Ofschoon kapitein Wilson zich niet met dit gesprek inliet, hoorde hij toch wat er gezegd werd en stemde er volkomen mee in; maar hij kon 't met zichzelf nog niet eens worden wat hij doen moest; al die menschen ellendig laten omkomen, of zoo'n bende schurken tegen de maatschappij los te laten. Na eenige overweging besloot hij tot het laatste. De Aurora draaide bij en de twee kotters werden afgelaten en bemand.
"Meneer Rustig, neem gij in den eenen kotter de wapensmeden mee, roei naar boord van de galei, ontboei die kerels, en breng ze bij kleine afdeelingen aan land. Meneer Gascoigne, gij vergezelt meneer Rustig met den anderen kotter, en houd u gereed tot handelen, als soms de schurken onder het overbrengen een vijandelijke houding mochten aannemen; want op dankbaarheid valt bij hen niet te rekenen."
Ingevolge die bevelen, zetten onze beide adelborsten van boord af. Zij vonden de galei tusschen de rotsen geklemd, terwijl er een gat in de kiel gestooten was, en, zooals zij reeds vermoed hadden, was de kommandant met de bemanning in de booten gegaan en had de slaven aan hun lot overgelaten.
"Viva los Inglesos!" riepen de kerels, toen Rustig bij hen aan boord klom.
"Wel, Ned, heb je ooit zoo'n kostelijk zoodje schurken bijeen gezien?" merkte Rustig op, toen hij zijn oog had laten gaan over de tronies der geketenden.
"Neen," antwoordde Gascoigne; "en, me dunkt, de kapitein zou, als hij hier eerst een kijkje had genomen, zich wel tweemaal bedenken, eer hij die bende losliet."
"Wel mogelijk--maar wij hebben bepaalde bevelen. Sla al de sloten los, smid, van achteren te beginnen; zoodra we een lading hebben, zetten we die aan wal."
"Hoeveel zijn er?--twaalf dozijn.--Twaalf dozijn boosdoeners los te laten tegen de maatschappij! Ik heb heel veel lust eerst nog eens naar boord terug te keeren, om er den kapitein over te spreken--honderd vier en veertig onverlaten, die allen gehangen dienden te worden--want verdrinken is nog te goed voor hen."
"We hebben order gekregen hen te bevrijden, Jack."
"Jawel; maar ik zou er toch eerst wel eens met kapitein Wilson over willen redeneeren."
"Ze zullen hen gauw genoeg achter de vodden zitten, Jack, en in een ommezien zijn ze allen weer ingepikt," hernam Gascoigne.
"Nu, dan moeten we maar aan de orders gehoorzamen; maar 't stuit me toch tegen de borst. Sla los, smid!"
De wapensmid, die evenals de matrozen het met Jack eens scheen te zijn en nog niet aan het werk gegaan was, begon nu met zijn hamer de sloten één voor één los te slaan. Telkens als er een slaaf ontboeid was, moest hij in den kotter; zoodra die voldoende aangeladen was, voer Jack af, gevolgd door Gascoigne met zijn manschappen, en zette de kerels op ongeveer een kabellengte afstand aan wal.
Ze moesten zes gangen maken eer allen aan land waren. Toen de laatste vracht was afgezet en Jack juist bevel wilde geven om weer van wal te steken, keerde een der galeiboeven zich om en riep Jack op spottenden toon toe: "Addio, signor, tot weerziens!" Jack keek verbaasd op en herkende nu in het morsige, halfnaakte wezen, dat hem toesprak, Don Silvio!
"Ik zal Don Rebiera vast van uw komst verwittigen, Signor!" riep de ellendeling, sprong op de klippen en mengde zich onder de overigen, die nu hun redders begonnen uit te jouwen en uit te lachen.
"Ned," zei Rustig tot Gascoigne, "daar hebben we dien schurk ook losgelaten."
"Jammer genoeg," antwoordde Gascoigne; "maar wat konden wij er aan doen? We hebben eenvoudig de gegeven orders uitgevoerd."
"Ik zal er toch met den kapitein over spreken, zoodra we weer aan boord zijn," hernam Jack.
"Te laat, vriend."
"Je heb gelijk," zuchtte Jack met een uitdrukking van wanhoop op het gelaat.
"Zet aan, jongens, zet aan!"
Jack keerde aan boord terug en rapporteerde wat hij gedaan had; ook dat Don Silvio onder de bevrijden behoorde. Hij nam tevens de gelegenheid te baat om zijn bezorgdheid daarover te kennen te geven, wegens de nabijheid van Don Rebiera's woning. Kapitein Wilson beet zich op de lippen; hij zag in, dat zijn menschlievendheid hem zijn gewone voorzichtigheid uit het oog had doen verliezen.