Chapter 17
Jack kon die weigering maar niet verkroppen en was gedurende zijn eerste wacht ongenietbaar; hij vatte dan ook het besluit op, om den dienst zoodra mogelijk te verlaten.
Den volgenden morgen kwam kapitein Wilson het scheepsvolk monsteren en Jack wilde den kapitein juist gaan aanspreken, toen deze tot hem zei:
"Meneer Rustig, de goeverneur heeft me verzocht u mee aan wal te brengen om bij hem te dineeren, voor logies is ook gezorgd."
Jack sloeg aan en snelde naar beneden om de noodige toebereidselen te maken. Weer aan dek gekomen, vond hij kapitein Wilson nog niet gereed. Hij ging nu aan meneer Pottyfar zeggen, dat de kapitein hem gelast had met hem aan wal te gaan; en meneer Pottyfar, wiens kwade bui weer overgewaaid was, zei:
"Heel goed," meneer Rustig--ik wensch u veel plezier."
"Dat klinkt heel anders dan gisteren," dacht Jack: "als ik nu eens een proefje nam van zijn medicijnen?"
"Ik voel me niet wel, meneer Pottyfar, en de pillen van den dokter helpen me niet--ik ben altijd ziek als ik lang de noodige lucht en beweging heb moeten missen."
"Ja," zei de eerste luitenant, "lucht en beweging zijn een voornaam ding. In die middeltjes van den dokter stel ik ook niet veel vertrouwen; het eenige wat iets waard is, is mijn universeel geneesmiddel."
"Ik zou er zoo graag een proef van nemen, meneer," antwoordde Jack; "ik heb uw boekje eens gelezen, en daarin gevonden dat het middel onfeilbaar werkt, als het gedurende veertien dagen of drie weken geregeld wordt ingenomen met volop vrije lucht en beweging."
"Zeker is dat zoo," antwoordde meneer Pottyfar; "en als gij lust hebt er de proef van te nemen, kan ik u wel een dosis geven, ik heb toch genoeg."
"Heel graag, meneer," antwoordde Jack; "en hoe dikwijls moet ik er van gebruiken tegen de hoofdpijn, die me dagelijks kwelt?"
Meneer Pottyfar nam Jack mee naar beneden, stopte hem drie of vier fleschjes met het heilmiddel in de hand en zei hem, dat hij 's avonds, tegen het naar bed gaan, dertig droppels moest innemen, niet meer dan twee glazen wijn mocht drinken en de felle zon moest vermijden.
"Maar, meneer," hernam Jack, die de fleschjes in zijn zak had gestoken, "ik vrees dat het te lang duren zal; want nu het schip op de helling komt, zal ik dagelijks aan de zon worden blootgesteld."
"Ja, als gij niet gemist kondt worden, meneer Rustig; maar we hebben manschappen genoeg; en zoolang gij ziek zijt, mag er geen werk van u gevorderd worden. Draag vooral zorg voor uw gezondheid; ik ben er stellig van overtuigd, dat gij van dit middel een wonderdadige werking zult ondervinden."
"Van avond zal ik er mee beginnen, meneer," antwoordde Jack, "ik dank u zeer. Ik logeer bij den gouverneur--moet ik morgen vroeg aan boord komen?"
"O neen, wees vooral voorzichtig en neem u in acht; met genoegen zal ik hooren dat ge wat beter zijt. Laat me weten hoe 't er mee gaat."
"Dagelijks zal ik u met de boot bericht zenden, meneer," antwoordde Jack met een verlicht hart; "ik ben u ten zeerste dankbaar. Gascoigne en ik hadden er al over gedacht er u naar te vragen, maar we zagen er wat tegen op: de arme jongen heeft bijna geregeld hoofdpijn, nog erger dan ik, en de pillen van den dokter helpen hem ook niets."
"Hij zal ook een paar fleschjes hebben, meneer Rustig; ik vond al dat hij er bleek uitzag. Let nu vooral op matige beweging, meneer Rustig, en vermijd de middagzon."
"Ja, meneer," antwoordde Jack, "ik zal er om denken," en innig verblijd ging hij heen. Hij gaf Mesty last zijn goed in de boot te brengen en was spoedig met den kapitein aan wal, waar ze door den goeverneur hartelijk werden ontvangen.
"Wel, Jack, mijn jongen heb je weer het een en ander te verhalen?" vroeg de goeverneur.
"Ja, meneer," antwoordde Jack, "ik weet een paar heel aardige gevallen."
"Best, na tafel zullen we er wel van hooren," hernam de goeverneur. "Ga nu eerst maar eens kijken of je kamer je aanstaat, en of je 't er een poos zult kunnen uithouden."
"Dat kan niet lang wezen, goeverneur," merkte kapitein Wilson op. "Meneer Rustig dient zijn plicht te leeren, en daarvoor is nu een goede gelegenheid."
"Ja maar, met uw verlof, kapitein," antwoordde Jack, "ik sta op de ziekenlijst."
"Ziekenlijst?" vroeg kapitein Wilson, "van morgen stond uw naam toch niet op het rapport."
"Neen, maar ik sta op de lijst van meneer Pottyfar en ik moet een kuur met zijn universeel geneesmiddel doormaken."
"Wat is dat nu weer, Jack? Zeker de een of andere grap," zei de goeverneur.
Jack vertelde hoe de eerste luitenant hem den vorigen avond verlof had geweigerd, maar hem nu vergund had aan wal te blijven, om de proef te nemen met het universeele middel, waarover de goeverneur zoo hartelijk lachte, dat kapitein Wilson er zijns ondanks mee moest instemmen.
"Hoor eens, meneer Rustig," zei de kapitein na een poos, "al heeft meneer Pottyfar u toegestaan aan wal te blijven, ik kan dit niet--gij moet Uw plicht leeren vervullen. De gelegenheid daartoe is nu veel te mooi en doet zich niet alle dagen op, dat zult ge zelf begrijpen."
"Ja, meneer, dat zie ik in," antwoordde Jack, en bij die woorden stond hij op, maakte een buiging en verliet de warande, waarin ze hadden zitten praten.
"Och kom, kapitein," zei de gouverneur toen Jack weg was, "je moet 't niet zoo nauw met hem nemen; met een zacht lijntje is hij 't best te regeeren."
"Wel mogelijk maar hij moet zijn plicht doen, evengoed als de anderen."
"Dat valt niet tegen te spreken, maar er is wel een mouw aan te passen, zoodat hij niet voortdurend aan boord behoeft te blijven. Stel hem aan tot uw ordonnans, tot het overbrengen van berichten van en naar het schip; bij dat baantje kan hij 's avonds en 's nachts geregeld hier blijven."
"Op die manier zou 't te vinden zijn," hernam kapitein Wilson peinzend. Ik ben maar bang dat hij te ruim bij kas is, om met het scheepsleven vrede te hebben; al dat geld is voor zoo'n jong officiertje glad verkeerd."
"Kom, kom, 't kan lang duren eer hij zich in de grond werkt, en als uw eerste luitenant zoo bespottelijk hoog wegloopt met zijn universeel geneesmiddel, is 't dan wonder dat een adelborst er profijt van ziet te trekken?"
"Dat niet, maar ik mag me niet met open oogen laten beetnemen."
"Hij heeft het heele geval zoo openhartig verteld, maak dus geen gebruik van die vertrouwelijke mededeeling. Werkelijk, wat ik daareven voorstelde zal nog het beste wezen en alle partijen bevredigen; want gij hebt dan uw zin omdat hij dienst doet, de eerste luitenant omdat Jack zijn geneesmiddel gebruikt, en Jack zelfs, omdat hij iederen dag bij mij kan eten."
"Nu, dan moet 't maar zoo geschikt worden," antwoordde kapitein Wilson lachend.
Na afloop van 't diner, waarbij heel wat gasten genoodigd waren, vroeg de gouverneur Jack, of hij niets iets te vertellen had en onze held dischte nu het verhaal op van kapitein Hogg's liefdesgeschiedenis met Miss Hicks en hoe hij haar broer den vice-consul had beetgenomen. De goeverneur had er machtig veel schik in en kapitein Wilson gaf zijn verwondering te kennen, dat hij er eerst nu iets van hoorde.
"Je heb een groote dwaasheid voorkomen, meneer Rustig, en daar deed je wel aan," merkte de kapitein lachend op, "maar hoe komt 't, dat je er mij nooit iets van verteld hebt?"
"Och, meneer," antwoordde Jack, "ik heb mijn verhalen altijd maar bewaard voor de goeverneurstafel, waar ik u toch stellig ook zou aantreffen; ik behoefde dan niet tweemaal hetzelfde te vertellen."
Jack gedroeg zich uitstekend, en bleef uit eigen beweging het grootste gedeelte van den dag aan boord om zijn plicht te leeren, zoodat kapitein Wilson geen berouw behoefde te hebben over zijn toegeeflijkheid tegenover hem. Met Jacks gezondheid ging het dagelijks beter, wat veel voldoening schonk aan meneer Pottyfar, die in de meening verkeerde, dat zijn universeel geneesmiddel geregeld gebruikt werd. Gascoigne, die ook onder behandeling van den eersten luitenant was, ging dikwijls met onzen held aan wal en dacht er niet meer over om zijn ontslag uit den dienst te nemen.
Zeven weken hadden ze al in de haven gelegen, want er was heel wat te herstellen geweest, toen kapitein Wilson op een morgen bij het ontbijt een brief ontving, welks inhoud hem ten hoogste verbaasde. "Mijn hemel! wat moet dat beteekenen?" riep hij uit.
"Wat is er, Wilson?" vroeg de goeverneur.
"Hoor nu eens aan, Sir Thomas." En de kapitein las:
"Hooggeachte Heer!
Het is mijn plicht u mede te deelen, dat de onlangs overledene Lady Signora Alfergas de Guzman, in haar testament een som van duizend dubloenen in goud aan u vermaakt heeft, als een blijk van erkentelijkheid voor de goede diensten haar bewezen op den avond van den 12_den_ Augustus. Indien gij iemand machtigen wilt tot inning van genoemd bedrag, zal het onmiddellijk uitbetaald worden. Moge een lang leven uw deel zijn!
Uw onderdanige dienaar, ALFONZO XEREZ."
Onder het lezen van dien brief, sloop Jack stilletjes de kamer uit, zonder dat de goeverneur of de kapitein er acht op sloegen.
"Wat kan dat beteekenen?" vroeg de kapitein. "Ik herinner me niets van diensten op 12 Augustus of daar omtrent aan den een of ander bewezen. 't Moet een verrassing wezen--12 Augustus--dat was de dag van het groote gemaskerd bal."
"'t Is in elk geval een buitenkansje voor u, want--vergissing of niet--niemand anders dan gij kan aan het legaat raken."
"Ik heb niet gehoord van iets bijzonders, dat op het gemaskerd bal zou zijn voorgevallen; ik ben er wel geweest, maar vroeg heengegaan, omdat ik me niet prettig gevoelde. Meneer Rustig," zei de kapitein en wendde zich om, maar Jack was weg.
"Is hij er ook geweest?" vroeg de gouverneur.
"Ja, dat weet ik zeker, want de eerste luitenant heeft me gezegd, dat hij verlof had gevraagd om eerst den volgenden morgen aan boord terug te komen."
"Reken er dan maar vast op, dat hij er achter steekt," hernam de gouverneur en sloeg met de vuist op tafel.
"'t Zou me niet verwonderen," antwoordde kapitein Wilson, lachend.
"Laat 't maar aan mij over, Wilson, ik zal wel uitvisschen hoe de vork aan den steel zit."
Na nog een poosje praten, begaf kapitein Wilson zich naar boord, in de hoop dat de gouverneur Jack uit zou hooren. Daartoe kreeg Sir Thomas echter geen gelegenheid, want Jack had al bij zichzelven besloten den gouverneur tot zijn vertrouwde te maken en begon uit eigen beweging het heele geval met de dikke dame te vertellen.
"Houd op, Jack, want ik zou me ziek lachen," zei de vroolijke oude heer ten laatste; "maar wat dient er nu gedaan?"
Onze held werd nu ernstig en betoogde den gouverneur, dat hij zelf overvloed van geld had, terwijl kapitein Wilson arm was en een groot gezin moest onderhouden. Daarom hoopte hij, dat alles in het werk zou gesteld worden om kapitein Wilson tot het aanvaarden van het legaat te bewegen.
"Goed zoo, mijn jongen, zoo mag ik 't hooren," hernam de gouverneur; "maar 't zal misschien niet zoo gemakkelijk gaan, want Wilson staat erg op zijn eer. Je hebt immers niemand iets van het geval verteld?"
"Geen sterveling behalve u, Sir Thomas."
"Hij zelf mag de eigenlijke toedracht ook niet vernemen, want dan zou hij eerst recht het legaat weigeren."
"Ik heb er al iets op gevonden, meneer," zei Jack. "Toen ik voor het feestgebouw aan die oude dame mijn geleide aan bood en zij van mijn duivelskostuum zoo'n schrik kreeg, is ze in de armen van kapitein Wilson gevallen en was hem zeer dankbaar, dat hij haar voor een leelijke tuimeling had behoed."
"Daar hebben we 't, Jack," antwoordde de gouverneur, "daar moeten we 't maar op gooien. Ik heb wel beweerd dat gij er achter zoudt steken, maar ik zal hem nu wel wat anders op den mouw spelden; laat dat maar gerust aan mij over."
Toen kapitein Wilson des namiddags terugkwam, vond hij den gouverneur in de waranda.
"Ik heb eens met den jongen Rustig gesproken," zei de goeverneur, "maar van dat legaat weet hij niets. Toch heeft hij een verklaring aan de hand gedaan. Toen hij namelijk als duivel de oude dame zulk een schrik op het lijf joeg, hebt gij het zwaarlijvige schepsel in uw armen opgevangen en daardoor voor een gevaarlijken val behoed."
"Ik herinner me niets van de heele geschiedenis; en dan, duizend dubloenen voor het oprapen van een oude dame!"
"Waarom niet? Ik ken die familie als onnoemelijk rijk, en als het arme schepsel gevallen was, zou 't haar misschien den dood hebben gekost. Heel begrijpelijk dus, dat ze haar redder ruim wenschte beloonen. Uw naam uit te visschen was ook zoo moeilijk niet, want gij waart in uniform."
"Ja," antwoordde kapitein Wilson, "ik weet er ook geen andere verklaring aan te geven en zal 't er dus maar voor houden, dat de uwe de juiste is. Toch vind ik het wel wat kras duizend dubloenen aan te nemen voor een eenvoudige beleefdheid."
"Och wat! zoo'n bedrag heeft voor die familie niets te beteekenen, terwijl het voor u met uw groot gezin een aardig buitenkansje is. Geloof me, al had de val haar het leven niet gekost, een been zou ze al licht gebroken hebben."
"Op die veronderstelling zal ik het legaat dan in 's hemelsnaam maar aannemen," antwoordde kapitein Wilson lachend.
"Wel natuurlijk, zend er terstond iemand op uit. De wisselkoers staat op dit oogenblik juist zeer hoog en gij zult voor de duizend dubloenen nu bijna vier duizend pond krijgen."
"Vier duizend pond voor het op de been houden van een oud wijf!" riep Wilson uit.
"Ja, 't is verduiveld goed betaald, Wilson, ik wensch je geluk."
"Wat ben ik den vader van onzen Rustig toch veel dank verschuldigd!" merkte de kapitein na eenig zwijgen op. "Als hij me niet door zijn geldelijken steun aan een schip geholpen had, zou ik niet bevorderd zijn, geen drie duizend pond als aandeel in den gemaakten buit ontvangen hebben, niet het kommando hebben gekregen over een mooi fregat en nu nog in een ommezien vierduizend pond."
De gouverneur dacht bij zichzelf, dat voor dit alles aan Jack meer dank toekwam dan aan diens vader, maar hij was verstandig genoeg om daarover te zwijgen.
"'t Is waar," zei de goeverneur, "de hulp van den ouden heer Rustig mag niet voorbijgezien worden, maar het meest hebt ge toch aan uw eigen flinkheid te danken."
Twintigste hoofdstuk.
Jack ontvangt een brief van zijn vader. Don Silvio weet zich onder een valschen naam bij den goeverneur in te dringen.
Hier werd het gesprek gestoord door de aankomst van een bezending brieven uit Engeland. Kapitein Wilson begaf zich met de voor hem bestemde naar zijn kamer, de goeverneur hield zich bezig met de zijne en onze held kreeg voor het eerst een schrijven van zijn vader. Het luidde als volgt:
"Waarde zoon.
Al menigmaal heb ik het plan opgevat u te laten weten hoe 't hier in deze streken geschapen staat. Maar daar ik om mij heen niets dan ellende bespeur, heb ik telkens de pen weer neergelegd, ten einde u niet te bedroeven met de mededeeling er van.
De tijding van uw dood en ook het latere bericht, dat gij onverhoopt voor ons gespaard waart gebleven, zijn in orde ontvangen en ik houd me overtuigd, dat ik zoowel de smart als de vreugde met de voor een wijsgeer passende kalmte heb gedragen. In het eerste geval troostte ik mij met de overweging, dat de door u verlaten wereld in een staat van slavernij verkeerde en gebukt ging onder den druk der geweldenarij zoodat te sterven slechts onze vrijheid ten goede kon komen; en in het tweede geval matigde ik mijn blijdschap om dezelfde redenen, vast besloten als ik ben om zoowel in leven als in sterven mij een waar wijsgeer te betoonen, wat Dr. Middleton er ook van moge zeggen.
Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik overtuigd word, dat niets de wereld gelukkig kan maken dan gelijkheid en zuivere inachtneming van de rechten van den mensch--kortom dat alles en iedereen op één zelfde peil diende gebracht te worden.
Ja, mijn zoon, als ik niet bleef hopen, dat de zon der gerechtigheid zal verrijzen, om al de donkere wolken, die het land verduisteren, te verdrijven--als ik niet bleef hopen nog eenmaal een gelijke verdeeling van alle eigendom te beleven--dan zou ik er me niet om bekommeren, hoe eer hoe liever dit tranendal vol dwingelandij en ongerechtigheid te verlaten. Doch het groote werk der bevrijding van het menschdom zal volbracht worden, in weerwil van het schouderophalen en hoofdschudden van zulk een koppigen, eigenwijzen kerel als Dr. Middleton.
Uw moeder leeft heel stilletjes voort; werken of lezen doet ze niet meer, ja zelfs haar breikous heeft ze er aan gegeven; zij zit nu maar den ganschen dag in een hoekje van den haard met haar duimen te spelen in afwachting van het duizendjarig rijk. Arm schepsel! wat ze daar al niet voor onzin over uitkraamt! Doch ik laat haar stil begaan, en volg het voorbeeld van den griekschen wijsgeer Socrates, die met zijn Xantippe ook heel wat te stellen had.
Ik hoop, waarde zoon, dat met de jaren uwe beginselen in vastheid zullen gewonnen hebben en dat gij, indien zulks noodig is, alles zult opofferen ter bereiking van datgene wat in mijne oogen het duizendjarig rijk is. Zie zooveel mogelijk aanhangers voor onze denkbeelden te winnen en geloof mij
Uw toegenegen vader en trouwen gids NICODEMUS RUSTIG."
Jack schudde het hoofd en lei den brief met een zucht neer, ontevreden over zijn vader en over zichzelf. Het liep echter tegen etenstijd en dus ging hij zich kleeden voor het diner bij den goeverneur, waarop ook Gascoigne genoodigd was. Nauwelijks waren ze in de ontvangkamer gekomen, of Sir Thomas trad op hen toe:
"Gij beiden verstaat Italiaansch, heeren, doe me dus het genoegen u van middag bezig te houden met een Siciliaansch officier, die mij zeer aanbevolen is."
Zij werden nu voorgesteld aan een slank jongmensch van een kaap uiterlijk, maar die toch iets onaangenaams in zijn blik had. Aan tafel werd Don Matthias, zoo luidde zijn naam, tusschen onze beide adelborsten geplaatst en deze begonnen terstond een gesprek met hem, begeerig als ze waren om iets te vernemen omtrent hun vrienden te Palermo. Zoo onder het praten vroeg Jack of hij ook kennis had aan Don Rebiera, waarop de Siciliaan bevestigend antwoordde, en weldra hadden ze 't heel druk over de verschillende leden der familie. Tegen het einde van het diner vroeg Don Matthias onzen held hoe hij met Don Rebiera in kennis was gekomen en Jack vertelde nu hoe hij en zijn vriend Gascoigne den man gered hadden uit de handen van twee schurken. Na deze mededeeling scheen het opeens uit te raken met de spraakzaamheid van den jongen officier, maar toch gaf hij bij het afscheid nemen zijn hoop te kennen onze adelborsten nog nader te ontmoeten. Nauwelijks was hij vertrokken of Gascoigne merkte op: "Me dunkt, ik heb dat gezicht meer gezien, maar waar, dat wil me niet te binnen schieten."
"Ik kan me niet herinneren hem ooit ontmoet te hebben," antwoordde onze held, "maar in dergelijke opzichten is jouw geheugen heel wat beter dan het mijne."
Er werd niet verder over gesproken en Jack was al weer aan het luisteren naar den goeverneur en kapitein Wilson, die nog alleen van de partij over waren, toen Gascoigne, nadat hij geruimen tijd had zitten soezen, opeens van zijn stoel opsprong en uitriep:
"Nu ben ik er achter!"
"Waar achter?" vroeg kapitein Wilson.
"Achter den naam van dien Siciliaanschen officier--ik wist ook wel, dat ik hem meer gezien had."
"Dien Don Matthias?"
"Neen, Sir Thomas! Niet Don Matthias! Hij is niemand anders dan Don Silvio, die op het punt stond Don Rebiera te vermoorden, toen wij te hulp schoten en den man redden."
"Ik geloof waarlijk dat je gelijk hebt, Gascoigne."
"Stellig heb ik dat," hernam Gascoigne; "nog nooit heb ik me in zoo iets vergist."
"Reik me die brieven eens aan, Rustig," zei de goeverneur, "dan zullen we eens zien hoe hij genoemd wordt. Hier heb ik 't--Don Matthias de Alayeres. Je hebt 't zeker mis, Gascoigne; bedenk wel, dat ge een zware beschuldiging tegen dien jongen man inbrengt."
"Dat weet ik, Sir Thomas, maar ik zou er mijn heele traktement onder durven verwedden, dat 't Don Silvio is. Ook heb ik wel degelijk opgemerkt, dat hij van kleur verschoot, toen Jack hem verhaalde, dat wij beiden het geweest waren, die Don Rebiera te hulp waren gekomen. 't Is jou toch zeker ook niet ontgaan, Jack, dat hij later haast geen woord meer gesproken heeft."
"Dat is zoo," antwoordde Jack.
"Dan zullen we aan 't onderzoeken moeten," merkte de goeverneur op; "want in dat geval is de aanbevelingsbrief bedriegerij."
Allen begaven zich nu naar bed, en terwijl Rustig en Gascoigne den volgenden morgen nog eens hun vermoedens bespraken, werden er brieven uit Palermo voor hen gebracht. Zij dienden ter beantwoording van Jack's schrijven bij hun aankomst op Malta; eenige regels van Don Rebiera, een klein briefje van Agnes, en een uitvoerig schrijven van zijn vriend Don Philip, waarin onder anderen ook voorkwam, dat Don Silvio opnieuw een aanslag gewaagd had op hun vaders leven, welke toeleg gelukkig verijdeld was. Waarschijnlijk was de ellendeling met een der marktschuiten naar Malta ontsnapt.
Dit nieuws werd bij het ontbijt terstond aan den gouverneur en aan kapitein Wilson medegedeeld.
"We zullen dat eens onderzoeken," merkte de gouverneur op, die nu ook naar den verderen inhoud der brief vroeg.
Jack en Gascoigne hadden rust noch duur aan het ontbijt en niet zoodra was dit afgeloopen, of zij pakten zich stilletjes weg. Toen kapitein Wilson eenige oogenblikken later opstond om naar boord te gaan, waren de beide adelborsten nergens te vinden.
"Ik begrijp 't al, Wilson," zei de gouverneur; "laat ze maar aan mij over, en ga zelf gerust naar boord."
Intusschen hadden onze beide vrienden een eenzamen vestingwal opgezocht, waar ze niet licht gestoord zouden worden, "Je vermoedt zeker wel wat ik van plan ben, Gascoigne," zei Jack. "Ik wil dien ellendeling nog dezen morgen een kogel door den kop jagen."
"Alles goed en wel, Jack, maar dat is eigenlijk mijn werk en niet het jouwe; ik heb hem ontdekt, dus behoort hij mij."
"Dat staat nog te bezien," hernam Jack; "hij heeft 't toegelegd op het leven van den man, dien ik eens mijn schoonvader hoop te noemen, en dus heb ik het meeste recht op hem."
"Bedenk wel, Jack, dat hij een aanverwant van Agnes is; jij mag je dus niet met zijn bloed bezoedelen, want dat zou later voor je huwelijk een groot bezwaar kunnen opleveren."
Dit bracht Jack tot nadenken en na nog wat gehaspel werd er bepaald, dat Gascoigne met Don Silvio zou vechten, terwijl Jack de uitdaging zou overbrengen. Zij lieten er geen gras over groeien en Jack begaf zich onmiddellijk naar het logement, waar de Siciliaan zijn intrek genomen had.
Bij Don Silvio binnen gelaten, vond hij hem bezig met het wetten van een tweesnijdenden dolk. De Siciliaan trad hem te gemoet en stak hem met voorgewende hartelijkheid de hand toe, maar Jack zei met een uitdagenden blik: "Don Silvio, wij kennen u; ik kom hier alleen om namens mijn vriend voldoening van u te vragen. En waarlijk, gij moogt nog van geluk spreken, want het is toch vrij wat verkieselijker te sterven door de hand van een fatsoenlijk man dan aan de galg."
Don Silvio werd opeens doodsbleek--zijn hand deed een greep naar zijn dolk, maar deze was op tafel blijven liggen; ten slotte antwoordde hij: "'t Is goed, meneer, over een uur zal ik mij met hem meten, waar gij maar verkiest."
Jack gaf op waar de ontmoeting zou plaats hebben en ging heen. Hij spoedde zich met Gascoigne naar de woning van een officier met wien ze bevriend waren, en, na zich bij deze van de noodige vuurwapenen voorzien te hebben, kwamen zij nog vóór den bepaalden tijd op de aangeduide plek. Zij wachtten geruimen tijd, maar wie er verscheen--Don Silvio niet.
"Hij heeft de plaat gepoetst," merkte Gascoigne op; "de schurk is ons ontsnapt."
Reeds was er een half uur na het vastgestelde tijdstip verstreken en nog altijd was er geen spoor te zien van Gascoigne's tegenpartij; maar wel kwam een der adjudanten van den gouverneur op hen af.