Chapter 16
"Hoor eens, meneer Hicks," zei de admiraal, "al wat u daar vertelt, zijn familie-aangelegenheden, waarmee ik volstrekt niets te maken heb. Uit eigen beweging zijt gij in vrouwenkleeren aan boord gekomen, en meneer Rustig had bepaald bevel gekregen onder zeil te gaan, zoodra het transport gereed was, en geen oogenblik te toeven. Nu kunt ge u wel beklagen bij de Regeering, maar als vriend raad ik het u af. Ze houden daar niet van dergelijke grappen en het kon u uw betrekking wel eens kosten. Wees maar blij dat ge weer zoo spoedig naar Tetuan kunt, want het transportschip gaat er, na Mahon aangedaan te hebben, onmiddellijk heen. En nu, meneer, vaarwel, de sloep wacht u."
Meneer Hicks was verbaasd over den weinigen eerbied aan een vice-consul betoond en droop af onder het gelach der gansche bemanning.
Zoodra de geheele lading ontscheept was, heesch de Mary Anna de vlag, ging onder zeil en bereikte in twee dagen Mahon, waar zij de Aurora reeds onder kommando van kapitein Wilson vonden.
Meneer Hicks had eindelijk kapitein Hogg weten te bewegen hem manskleeren te bezorgen, maar nu hij met zijn klacht bij den admiraal zoo slecht gevaren was, zag hij er geen heil in, er nog eens bij een kapitein mee aan te komen; hij bleef dus stilletjes bij kapitein Hogg aan boord en werd gedurende de thuisvaart beste maatjes met hem.
Achttiende hoofdstuk.
Jack gaat over op de Aurora. Hij redt een oude dame uit roovershanden. Storm op zee en brand aan boord.
Kapitein Wilson was zeer tevreden over de wijze waarop Jack zijn bevelen had uitgevoerd, en vroeg hem, wat hij liever deed, op de Harpij blijven of met hem op de Aurora overgaan.
Jack aarzelde.
"Zeg 't maar vrij uit, meneer Rustig; als ge soms kapitein Sawbridge de voorkeur geeft boven mij, zal ik er me niet door beleedigd achten."
"Neen, meneer," antwoordde Jack, "ik geef niet de voorkeur aan kapitein Sawbridge boven u; beiden hebt gij me even voorkomend behandeld, maar toch bekleedt gij de eerste plaats bij mij. Het geval is eigenlijk, dat ik niet gaarne scheiden zou van Gascoigne of van...."
"Of van wien?" zei de kapitein glimlachend.
"Van Mesty, meneer; 't is misschien dwaas van me, maar zonder hem zou ik nu niet meer in leven zijn."
"Dankbaarheid is volstrekt geen dwaasheid, meneer Rustig," antwoordde kapitein Wilson. "Gascoigne denk ik bij mij te nemen, als hij 't ten minste goedvindt, want ik heb bijzonder veel eerbied voor zijn vader en in hemzelf geen gebreken van eenig aanbelang gevonden. Wat Mesty betreft--hij is een flinke kerel en voor hem zal ook wel een plaatsje te vinden zijn, hoop ik."
Den volgenden dag werd Mesty onder het scheepsvolk, dat kapitein Wilson zich uitgekozen had, opgenomen en wel in zijn zelfden rang onder den konstabel der Aurora. Ook Gascoigne en onze held werden op de rol van de fregat gebracht.
Daar de Aurora nog eenige dagen voor anker bleef liggen, vroegen Jack en Gascoigne verlof die aan den wal door te mogen brengen, wat hun werd toegestaan, omdat ze pas zoo'n tijd op het transportschip hadden gezeten. Jack nam zijn intrek in het eenige flinke hotel van de stad en noodigde dikwijls officieren van de Aurora bij zich aan tafel. Alle pretjes woonde hij bij en zou onder anderen op een avond ook met eenige vrienden deelnemen aan een gemaskerd bal.
Hij had zijn keus laten vallen op kostuum als duivel en zoo vermomd reed hij op een ezel naar de plaats van samenkomst. Juist toen hij binnen wilde gaan, hield er een gele koets met twee lakeien in prachtige livrei voor het gebouw stil. Zoodra het portier geopend was, bood Jack met zijn gewone beleefdheid zijn arm aan een oude, dikke, met diamanten bezaaide dame. Zij keek op en nauwelijks kreeg ze den behaarden Jack met zijn drietand, horens en staart in het oog, of ze gaf een, luiden gil en zou stellig gevallen zijn, als niet kapitein Wilson juist bij de hand was geweest om haar in zijn armen op te vangen. Terwijl de oude dame haar dank betuigde aan kapitein Wilson, schoof Jack stilletjes het gebouw binnen. In de feestzaal vond hij 't zoo overmatig druk, dat men zich ternauwernood bewegen kon, en het duurde dan ook niet lang of hij had genoeg van het rondspringen.
"Dat is al te gek." dacht Jack, "laat ik maar liever zien of ik me in de open lucht niet beter kan vermaken." Hij trok zijn wijden jas over zijn maskeradepak en wandelde in den heerlijken maneschijn naar buiten. Allerlei gedachten dwarrelden hem door het hoofd en ongemerkt was hij wel een uur lang aan het ronddolen geweest, toen hij bij een heuvel kwam en dien besteeg om eens te zien, hoe hij het best den terugweg zou nemen. Terwijl hij zoo stond rond te kijken, zag hij opeens beneden op den weg langs den voet van den steilen heuvel een rijtuig naderen. "Wel verdraaid!" riep hij uit, "dat is dezelfde gele koets van die oude dame met haar diamanten en de twee opgeprikte lakeien!"
Nauwelijks had hij dit gezegd of eensklaps stormden uit het houtgewas een zestal kerels te voorschijn en grepen de paarden bij den kop; er vielen een paar schoten, de koetsier tuimelde van den bok en de twee lakeien achter van het rijtuig. De roovers rukten het portier open en begonnen de oude dikke dame met de diamanten er uit te werken. Jack begreep, dat hij tegen zulk een overmacht niets zou kunnen uitrichten, maar misschien kon hij hun toch een schrik op het lijf jagen. Juist rolde de oude dame als een welgevulde waschzak het rijtuig uit, toen Jack, die zijn overjas uitgesmeten had, zich in zijn duivelspak op den top van den heuvel vertoonde en in het volle licht der maan zijn drietand zwaaiend een afgrijselijk "ha, ha, ha, ha!" liet hooren, op hetzelfde oogenblik, dat de roovers hun messen ophieven. De onverlaten werden op het zien van de huiveringwekkende gedaante, die den spotlach had aangeheven, door zulk een hevige ontsteltenis aangegrepen, dat zij het uit alle macht op een loopen zetten. Jack snelde nu haastig den heuvel af, wist met veel inspanning de flauwgevallen dame de koets binnen te loodsen, greep de teugels, sprong op den bok en joeg in vollen ren voort.
Zoodra hij ver genoeg voortgehold was, om geen vernieuwing van den aanval te vreezen te hebben, toomde hij de paarden wat in, maar liet ze toch hun eigen weg kiezen, want hij zelf wist niet welken kant hij op moest. Dicht bij de stad sloegen de dieren zijwaarts af en hielden weldra stil voor een prachtig buitenverblijf. Om de menschen niet te doen schrikken, had Jack zijn overjas weer aangetrokken en zijn masker afgezet en toen nu op het geratel der rijtuigwielen eenige bedienden naar buiten kwamen schieten, vertelde hij hun in weinige woorden wat er gebeurd was. Dadelijk werden er nu handen uitgestoken om de dame uit de koets te helpen. Voor veel complimenten had Jack, toen hij de dikkert in het rijtuig stopte, geen tijd gehad, en men vond ze nu ook in een vrij benauwde positie tusschen de beide banken ingezakt en met de beenen in de lucht.
Zoodra de dame in huis gebracht was, toefde Jack nog slechts een oogenblik en ze kwamen niet meer omtrent hem te weten, dan dat hij een Engelsch officier was van een fregat, dat in de haven lag. Na een wandeling van ruim een half uur bereikte hij zijn logement weer, maar vertelde aan de kennissen, die hij er aantrof, niets van het gebeurde en ging spoedig naar bed.
Juist had hij den volgenden morgen zijn rekening betaald en stond op het punt te vertrekken, toen er iemand kwam hooren of er ook een officier gelogeerd was, die gisteravond op het gemaskerd bal als duivel verkleed was geweest.
Jack maakte zich als den bedoelden persoon bekend en gaf louter voor de aardigheid als zijn naam op: Henry Wilson, kapitein van Zijner Majesteits fregat de Aurora.
De vreemde verwijderde zich met een beleefde buiging; Jack stopte den hotelbediende een flinke fooi in de hand en begaf zich weer aan boord.
De eerste luitenant van de Aurora was in menig opzicht een zeer goed officier, maar reeds als adelborst had hij de gewoonte aangenomen om zijn handen in zijn zakken te steken, en daar raakten ze niet licht uit, ook al woei er een stormwind, waarbij de handen zoo opperbest te pas komen. Meer dan eens had hij bij zoo'n gelegenheid een leelijken val gedaan en een schram opgeloopen, maar de gewoonte was hem te machtig. Een tweede eigenaardigheid van hem was, dat hij een onbeperkt vertrouwen stelde in een zeker kwakzalversmiddel, dat naar het heette tegen alle kwalen hielp. Naar zijne meening was geen ziekte er tegen bestand en hij besteedde jaarlijks wel drie maanden tractement aan dat lorregoed; want hij gebruikte het niet alleen als hij zich niet wel gevoelde, maar ook bijwijze van voorbehoedmiddel als hij volkomen gezond was. Iedereen raadde hij het aan, en men kon hem geen grooter genoegen doen dan zich te laten overreden het te slikken. De officieren lachten hem uit, maar meestal achter zijn rug, want hij werd erg boos als men hem op dit eene punt tegensprak. Onverdroten maakte hij bekeerlingen voor zijn geloof en wijdde soms uren lang uit over de voortreffelijke eigenschappen van het geneesmiddel, terwijl hij de waarheid zijner beweringen staafde met een klein vlugschrift, dat hij steeds bij zich droeg.
Jack meldde zich aan boord en meneer Pottyfar, die juist op het halfdek stond, gaf de hoop te kennen, dat Jack met te meer ijver zijn plicht zou betrachten, nu hij zoo geruimen tijd aan den vasten wal had mogen doorbrengen. Jack stemde daarmee in en ging naar beneden, waar hij Gascoigne en zijn nieuwe baksmaats vond, met wie hij voor het grootste gedeelte reeds kennis had gemaakt.
"Wel Rustig," zei Gascoigne, "heb je nu genoeg van den wal?"
"Meer dan genoeg," antwoordde Jack; "ik denk nu geen verlof meer te vragen."
"Dat is maar goed ook, want meneer Pottyfar is er niet erg scheutig mee, dat verzeker ik je; er is maar één middel om verlof van hem te krijgen."
"Zoo! en wat is dat dan?"
"Je moet je ziek houden en wat van zijn kwakzalversmiddeltjes innemen, dan stuurt hij je naar den wal om het uit te laten werken."
"Is het dat? nu, dan zal ik zoodra we te Vallette ankeren een heele kuur doormaken, maar niet eer."
"Jij dient er wel mee ingenomen te zijn, Jack, 't is een gelijkheidsmiddel, het geneest de eene kwaal zoo goed als de andere."
"Of helpt de patiënten om zeep--wat hen ook op gelijken voet brengt. Jongens ja, Gascoigne, dat middel moet ik voorstaan, om meer dan ééne reden.--Maar zeg eens, wanneer gaan we onder zeil?"
"Overmorgen."
"Naar de vloot bij Toulon?"
"Ja; maar we zullen onderweg wel naar de Spaansche kust afzakken, dat gebeurt met alle oorlogschepen."
"Dat komt, omdat de wind geregeld uit het zuiden blaast."
"Als je soms weer buit gaat maken, Jack, vergeet dan vooral je krijgsartikelen niet."
"Als het aan mij ligt, ga ik er niet meer op uit zonder Mesty. Mijn hemel wat is zoo'n adelborstenkajuit vervelend na zoo'n prettigen tijd aan den wal! Ik zal van armoe maar aan dek gaan om naar de kust te turen."
"En tien minuten geleden nog hadt je er meer dan genoeg van!"
"Ja, maar die tien minuten hebben me heel van streek gebracht. Ik zal den eersten luitenant om een dosis van zijn middel gaan vragen."
"Hoor eens, Jack, we moeten ons beiden te gelijk onder zijn behandeling stellen."
"Zeker, maar daarmee wachten we tot Malta bereikt is."
Jack ging aan dek, maakte kennis met de enkele officieren, die hij nog niet ontmoet had, en klom vervolgens in de mars van den grooten mast, waar hij al mijmerend naar den wal ging zitten kijken.
Den volgenden dag ging de Aurora onder een stevige bries uit het zuidwesten onder zeil, en op een mooien morgen zagen ze de Spaansche kust nog eer ze de Toulonsche vloot in het oog kregen. Meneer Pottyfar haalde zijn handen uit zijn zakken, omdat hij anders geen kans zag door de teleskoop de kust op te nemen. Kapitein Wilson en velen van de officieren en adelborsten hadden ook hun kijkers ter hand genomen en de matrozen in den top gebruikten hun oogen: maar er viel niets anders te zien dan eenige kleine visschersbooten. Allen begaven zich dus naar beneden aan het ontbijt, terwijl het schip dicht langs de kust bijlegde.
"Wat verwed je er onder, Rustig," zei een der adelborsten, "dat we vandaag geen buit zullen maken?"
"Dat we in 't geheel geen schip in zicht zullen krijgen, wil ik niet wedden, maar ik doe 't om al wat je wilt, dat 't niet vóór middernacht gebeuren zal."
"Ik zou je danken; stuur liever den theepot eens dezen kant op, want ik heb de voormiddagwacht."
"Een prachtige morgen," merkte een der overige kameraden, Martin geheeten, op; "maar ik heb zoo'n vermoeden, dat 't er van avond niet zoo goed uit zal zien."
"Waarom niet?" vroeg een ander.
"Ik vaar nu al acht jaar op de Middellandsche zee en heb zoo'n beetje verstand van het weer. Er zit regen in de lucht en 't is een gestadige wind. Als we van avond niet onder dubbel gereefde marszeilen liggen, mag ik ik weet niet wat wezen."
"Klaar aan de zeilen!" klonk het opeens van den kant van het luik.
"Daar heb je 't al," riep Gascoigne en stormde naar boven, gevolgd door al de anderen behalve Martin, die pas afgelost was, en meende dat hij nu wel een poosje gemist kon worden, en er ten minste den tijd van mocht nemen om op zijn gemak zijn kop thee op te lepperen.
't Was werkelijk zoo; een galjoot en vier koopvaardijschepen waren juist de meest oostelijke punt om komen zetten, en bij den wind opgestoken, zoodra ze het fregat in het oog kregen. In een oogenblik was de Aurora onder volle zeilen en de kijkers werden alle op de schepen gericht.
"Alle zwaargeladen, meneer," merkte de eerste luitenant op; "kijk dat marszeil van de galjoot eens ingehaald zijn!"
"Ja, ze hebben ook geen gebrek aan wind," zei kapitein Wilson.
De hoop op een flinken buit deed alle krachten inspannen en weldra had het fregat een heel eind gewonnen op de schepen, die al bijzetten wat ze maar aan zeil hadden en korte gangen in den wal maakten. De Aurora werd regelrecht op hen afgestuurd en ze waren geen twee streken aan lij. De lucht, 's morgens zoo helder, was nu geheel bewolkt, de zon ging schuil en de zee werd hand over hand onstuimiger. Nog tien minuten en ze lagen onder dubbel gereefde marszeilen en bij de windvlagen voegde zich een zware regen. Het fregat sneed met strak gespannen zeilen door de schuimende golven en aan den horizon werd het zoo donker, dat de schepen voor hen uit niet langer te zien waren.
"We zullen er van lusten, verwacht ik," zei de kapitein Wilson.
"Heb ik 't niet gezegd?" merkte Martin tot Gascoigne op. "We maken vandaag geen buit, reken daar gerust op."
Meneer Pottyfar stond, als gewoonlijk met zijn handen in de zakken, bij de gangspil.
"We zullen er, vrees ik, het grootzeil niet langer op kunnen houden, meneer."
"Kapitein Wilson, we zijn vrij kort onder den wal," zei de stuurman; "zou u 't goed vinden wat te wenden?"
"Jawel, meneer Jones. Voorschoten los, aan lij het roer! en--ja, het moet maar,--weg het grootzeil!"
Het grootzeil werd geborgen en het fregat scheen zich onmiddelijk op te richten. Het stootte en slingerde nu niet meer zooals te voren.
"We zijn erg dicht bij de kust, kapitein Wilson; ik kan er zelfs bij dit smerige donkere weer een schijntje van zien--zullen we wenden, meneer?" vervolgde stuurman.
"Ja--klaar om te wenden--op het roer!"
't Was juist bijtijds, want toen het fregat in een halven cirkel rondzwaaide, konden ze, op geen twee kabellengten afstand, de branding tegen de klippen van de kust zien slaan.
"Ik dacht niet dat 't er zoo na aan toe was," zei de kapitein en kneep de lippen op elkaar--"is er nog iets van de schepen te zien?"
"Al in geen kwartier heb ik er iets van bespeurd, meneer," antwoordde de uitkijk, terwijl hij met een pand van zijn jekker zijn kijker tegen den regen beschutte.
"Wat ligt nu voor, kwartiermeester?"
"Zuid-zuidoost, meneer."
De lucht begon er heel anders uit te zien--de witte wolken werden vervangen door zwarte, de wind loeide met rukken, en de regen stortte bij stroomen neer. Kapitein Wilson ging naar beneden in de kajuit om op den barometer te kijken.
"De barometer is gerezen," zei hij bij zijn terugkomst aan dek.
"Is de wind gestadig?"
"Neen, meneer, ze is drie streken geruimd."
"'t Zal op een zuidwester uitdraaien."
De natte, zware zeilen sloegen bij elken uitschieter van den wind.
"Op het roer, kwartiermeester."
De wind bedaarde, de regen viel bij stroomen--voor een oogenblik was het volkomen stil, zoodat het fregat volstrekt niet meer overhelde.
"Aan de brassen! Reken er op, dat we terstond zullen afdrijven."
De brassen waren nauwelijks gespannen, of het was al zoo. De wind schoot met een woest gehuil om naar het zuidwesten, maar gelukkig waren ze er op voorbereid--de ra's stonden rondgebrast en de stuurman vroeg de kapitein welke koers hij moest sturen.
"We moeten de vervolging opgeven," zei kapitein Wilson. "Richt den steven maar op Kaap Sicie, meneer Jones."
En de Aurora vloog met gereefde stagfok en marszeilen op den stormwind voort. Het weer was nu zoo smerig, dat men geen twintig el van zich af kon zien, de donder rolde en bliksemstralen schoten van alle kanten door het donker bewolkt zwerk. Zoodra de zeilen naar den wind gebrast stonden, werd de wacht opgeroepen, en allen, die aan dek gemist konden worden, gingen nat en teleurgesteld als ze waren naar beneden.
"Wat een oude Jonas ben jij toch, Martin," zei Gascoigne.
"Dat kan wel wezen," luidde het antwoord, "maar het ergste moet nog komen, naar mijn gedachte. Ik herinner me net zoo'n storm als deze, op nog geen tweehonderd mijlen van de plek waar we nu zijn. Ik voer toen op de Favorite en we gingen bijna naar den kelder toen...."
Op dit oogenblik hoorde men boven een vervaarlijk geraas; er voer een schok door het geheele schip, dat schudde alsof het vaneen zou splijten; luide kreten werden gevolgd door klaagtonen, het benedendek was vol rook en het fregat helde sterk over. Zonder dat er één woord gezegd werd, stoven allen, die zich in de adelborstenkajuit bevonden, naar boven, niet wetende wat er van te denken, maar overtuigd dat er een groot ongeluk was gebeurd.
Aan dek gekomen werd hun alles duidelijk; de fokkemast was, door den bliksem getroffen, voorover aan lij in zee gevallen en had de groote streng en het kluifhout meegenomen. De afgebroken stomp van de fokkemast brandde fel, in weerwil van den stortregen. Zoodra fokkemast en groote streng over boord waren, draaide het schip met een ruk bij, zoodat de matrozen aan het stuurrad er overheen geslingerd en tegen de verschansing gekwakt werden; op den bak, het voorste gedeelte van het bovendek en zelf op het benedendek lagen overal mannen die gedood of ernstig gewond, of door den schok versuft waren. Het fregat helde sterk over en zware zeeën sloegen er overheen; overal was het pikdonker en het licht der brandende stomp van de fokkemast geleek wel een toorts, die door woeste stormduivels werd opgehouden. Voor een paar minuten was alles in verwarring, eindelijk riep kapitein Wilson, die zelf voor een oogenblik verblind was geweest, om den timmerman en de bijlen. Binnen weinige minuten was de bezaanmast afgehouwen en stortte over het achterschip, het fregat viel af en richtte zich langzaam op. Maar het schrikkelijk tooneel was nog niet ten einde. De bootsman, die op den bak had gestaan, was voor altijd zijn gezicht kwijt en werd naar beneden gedragen. Terwijl de dokter bezig was ook de andere gewonden te onderzoeken en bij te staan, weerklonk opeens de kreet: "Brand!" van uit het benedendek. Het schip had vuur gevat in het kolenhok en de timmerkamer en er steeg een dikke rook op.
"Ieder op zijn post; laat de pompen werken en de putsen doorgegeven! Meneer Pottyfar let er op, dat het werk geregeld gaat. Meneer Jones, neem gij de zorg voor het schip op u. Ik ga zelf naar het benedendek.
"Dat ziet er heel anders uit dan van morgen, Jack," merkte Gascoigne op.
"Ja," antwoordde Jack; "maar wat nu het best gedaan? Als er aan den wal brand in een schoorsteen is hangen ze er een natten deken over."
"Ja," zei Gascoigne; maar dat zou hier, nu het kolenhok in brand staat, weinig helpen."
"In elk geval zijn natte dekens een goed ding, Ned, kom mee naar de hangmatten en de dekens er uit gehaald. Helpt 't niet voldoende, dan hebben we ten minste onzen ijver betoond."
De beide adelborsten riepen nu nog een paar man en in een oogenblik hadden ze meer dekens dan ze dragen konden. Ze nat te krijgen was geen kunst, want het bovendek dreef van al het water.
"Uitmuntend, meneer Rustig, uitmuntend, meneer Gascoigne!" zei kapitein Wilson, toen hij hen aan zag komen. "Hier, jongens, gooi ze er hier maar op en dan flink er op gestampt."
Rustig riep de andere adelborsten toe, dat ze nog meer dekens zouden halen, maar 't hoefde niet, het vuur was al gebluscht. Onder al die bedrijven slingerde het fregat zoo geweldig, dat de verschansing onder water kwam. Toen eindelijk alle gevaar, wat den brand aanging, geweken was, en de manschappen weer naar hun kwartieren gecommandeerd werden, miste men drie officieren en zeven en veertig man, waarvan er zeven dood en de anderen grootendeels reeds onder behandeling van den dokter waren.
Boven gekomen vond Jack den kapitein met de officieren op het halfdek.
"Meneer Rustig," zei kapitein Wilson, "ik moet u en meneer Gascoigne mijn dank betuigen voor de betoonde kordaatheid en tegenwoordigheid van geest."
Jack maakte een buiging en wilde juist weer naar de adelborstenkajuit gaan, toen er een hevige stortzee over het fregat sloeg, zoodat allen, die zich niet gauw konden vastgrijpen, van de been raakten.
Ze krabbelden weer overeind en gingen terstond in de konstabelkamer een glas grog drinken om den zilten smaak van het zeewater uit den mond te spoelen.
Intusschen werden de zeilen geminderd om te voorkomen, dat het dek nogmaals onder water raakte.
Eer de morgen aanbrak was het schip droog gepompt en al wat er in het ongereede was geraakt weer zooveel mogelijk op orde gebracht; maar de storm bleef nog even fel voortwoeden en 't was geen hapje nu aan boord te wezen. Na vier en twintig uren kwam echter de zee tot bedaren, en na een vaart van nog drie dagen bereikte de Aurora de vloot bij Toulon.
Negentiende hoofdstuk.
Jack neemt de proef van meneer Pottyfars universeel geneesmiddel. Een verrassing voor kapitein Wilson.
Op het eerste gezicht hielden ze het aan boord der andere schepen er voor, dat de Aurora slaags geweest was, maar spoedig begrepen ze dat het ruwe weer het vaartuig zoo ontredderd had. Kapitein Wilson maakte zijn opwachting bij den admiraal en kreeg natuurlijk order zijn schip onmiddellijk op te laten lappen. Binnen weinige uren stuurde de Aurora nu koers naar Malta en tegen zonsondergang was er van de Toulonsche vloot niets meer te zien. Toen ze na een vrij vervelenden tocht de haven van Malta waren binnengeloopen, begaf de kapitein zich onmiddelijk naar den goeverneur en Jack, die onderweg al met Gascoigne afgesproken had, dat ze vrij zouden zien te krijgen, ging tegen den avond aan den eersten luitenant verlof vragen om naar den goeverneur te gaan. Nu was ongelukkig meneer Pottyfar in een booze luim en toen Jack hem met zijn verzoek aanklampte, draaide hij zich driftig om, zette de beenen wijd van elkaar, begroef zijn handen zoo diep mogelijk in zijn zakken en zei vrij bits:
"Meneer Rustig, gij weet hoe 't met het schip gesteld is. Er valt een massa te doen--nieuwe masten, nieuwe tuigage, alles moet hersteld worden--en nu komt gij vragen om aan wal te gaan! U kunt, dunkt me, zelf wel het antwoord op uw vraag geven en begrijpen dat er, zoolang niet alles weer kant en klaar is, niemand van de adelborsten een voet aan wal zal zetten.
"Mag ik u doen opmerken, meneer," zei onze held, "dat het op dit oogenblik Zaterdagavond is en morgen Zondag; het werk op het fregat zal eerst Maandag beginnen en daarom had ik gemeend, dat ik tot zoolang wel verlof zou kunnen krijgen."
"Ik ben van een geheel ander gevoelen, meneer," antwoordde de eerste luitenant en liet Jack duidelijk genoeg blijken, dat hij zijn zin niet zou krijgen.