Jack Rustig

Chapter 15

Chapter 154,080 wordsPublic domain

"Welzeker, meneer," antwoordde Jack; "maar ik moet om geheimhouding verzoeken, want die is voor Gascoigne en mij van het grootste belang."

"Met genoegen als geheimhouding noodig is, mijn jongen; maar daarover kan ik zelf het best oordeelen," zei de gouverneur.

Jack begon nu te verhalen wat wij reeds weten en besloot met de mededeeling, dat hij den dienst wenschte te verlaten, Hij hoopte dat kapitein Wilson hem zou ontslaan en naar huis zenden.

"Och wat, onzin!" riep den gouverneur uit, en kapitein Wilson ging aan 't betoogen om hem van zijn voornemen terug te brengen, wat dan ook gelukte.

"Als gij er niets tegen hebt, kapitein, dan noodig ik meneer Rustig van middag bij ons ten eten en verzoek hem Gascoigne mee te brengen. Gij kunt hem dan eerst duchtig het jak uitvegen en ik hem vervolgens troosten met een flink diner."

Toen Jack vertrokken was, zei de gouverneur: "De jongen moet zachtzinnig behandeld worden, kapitein Wilson; 't zou een verlies zijn, als hij den dienst verliet. Lieve hemel, wat al avonturen en hoe aardig weet hij ze te vertellen! Als gij 't goedvindt, vraag ik hem al den tijd, dien gij hier blijft, bij me te logeeren; ik moet goede maatjes met hem worden en hij mag den dienst niet verlaten."

Kapitein Wilson, die ook begreep dat onze held met zachtheid het best te regeeren was, gaf zijn toestemming op het voorstel van den gouverneur. Jack at dus aan tafel bij den gouverneur en nam les in het Spaansch en Italiaansch, zoolang de Harpij opgelapt werd. Nog eer het schip klaar was, kwam er een vaartuig van de vloot met last aan kapitein Wilson om zich naar Mahon te begeven en een transport, dat daar lag, uit te zenden, ten einde de vloot van levende ossen te voorzien. Jack keerde wel niet met veel lust naar zijn schip terug, maar hij had den gouverneur beloofd, dat hij in dienst zou blijven en begaf zich dus den avond vóór het onder zeil gaan aan boord. Hij had dus een lekker leventje geleid, dat de scheepskost hem eerst tegenstond, maar spoedig herkreeg hij zijn eetlust.

Den volgenden dag ging de Harpij onder zeil en Jack vatte zijn gewone bezigheden weer op. Meneer Asper leende tien pond van hem en onze held hield zooveel wacht als hij verkoos, wat al bijster weinig was, daar hij aan het wacht houden een broertje dood had.

De Harpij hield onder voortdurenden tegenwind koers langs de Afrikaansche kust en gedurende verscheidene dagen ondervonden ze niets dan teleurstelling. Eindelijk ontdekten ze onder den wal, op ongeveer zestien mijlen afstand, een brik. Naar uiterlijk en tuigage hield kapitein Wilson het schip voor een of anderen kaper, maar het was stil weer en ze konden het niet naderen. Toch achtte de kapitein zich tot een onderzoek verplicht, en daarom werden om tien uur 's avonds de booten uitgezet. Daar het enkel om een verkenning te doen was, ging meneer Sawbridge niet mee. Meneer Asper stond op de ziekenlijst, zoodat de stuurman Smallsole het kommando over de expeditie kreeg. Jack verzocht meneer Sawbridge om het bevel over een der booten. Meneer Jolliffe en meneer Vigors gingen bij den stuurman in de sloep. De konstabel was bevelvoerder over den eenen kotter en onze held over den tweeden. Ofschoon eerst zeventien jaar, was Jack toch sterk en groot voor zijne leeftijd en kon gerust een volwassen man genoemd worden. Mesty was bij hem en juist toen de boot afzette, liet ook Gascoigne zich er in glijden. De opdracht aan den stuurman was vrij bepaald; hij moest het schip verkennen, en als het flink bewapend bleek niet aanvallen, want het lag dicht onder den wal en kon, zoodra de wind opzette, toch niet aan de Harpij ontsnappen. Voerde het geen geschut dan moest hij het aanklampen, maar niet voordat de morgen was aangebroken. Dat de booten reeds 's avonds werden uitgezonden, was om geen hinder te hebben van de zonnehitte, die overdag buitengewoon groot was en al menigeen op de ziekenlijst had gebracht. Ze moesten de baai inroeien, maar zorgen niet ontdekt te worden en niet al te dicht bij het vreemde schip de ankers uitwerpen om het aanbreken van den dag af te wachten. Opdat er geen misverstand zou plaats hebben, had meneer Smallsole zijn bevelen gekregen in tegenwoordigheid van de andere officieren, die over de booten waren gesteld. Na drie uren roeien bereikten zij de plaats waar de brik lag, en daar ze aan boord geen lichten zagen bewegen, meenden zij niet opgemerkt te zijn. Zij lieten de ankers vallen in omstreeks zeven vademen water en wachtten het daglicht af. Toen Jack kapitein Wilson's bevel hoorde om tot het aanbreken van den dag voor anker te gaan liggen, had hij Mesty beneden vischsnoeren laten halen, want versche visch is altijd een versnapering voor adelborsten. Onder het visschen raakten Jack en Gascoigne aan het praten over de beste manier van aanval met booten. Gascoigne was er voor, dat alle booten te gelijk het schip zouden aanklampen, terwijl Jack het beter vond, dat ze dit een voor een deden.

"Wil jullie wel eens stil wezen, daar in je boot!" riep de stuurman. "Jullie zijn er altijd op uit om den boel in de war te sturen."

"Dank je wel, meneer," mompelde Jack. "Ik heb weer beet, Ned."

Jack en zijn vriend bleven aan het visschen tot de dag aanbrak. De mist trok op, zoodat de brik zichtbaar werd, en ternauwernood bespeurde zij de sloepen, of ze heesch de Fransche vlag en loste een kanonschot ter uitdaging.

Meneer Smallsole wist niet goed wat hij doen zou, het geloste schot verried geen zwaar geschut, dat vond meneer Jolliffe ook. De manschappen, als gewoonlijk tuk op den aanval, beweerden hetzelfde, en daar meneer Smallsole niet voor den vijand durfde wijken, uit vrees van door de bemanning van zijn schip later met een scheel oog te worden aangezien, gaf hij bevel de ankers te lichten.

"Wacht nog even, jongens," zei Jack tot de manschappen van zijn boot, "ik heb daar juist beet." Zij lachten, dat Jack 't zoo luchtig opnam, en gaven hem gelegenheid eerst zijn visch op te halen; met wat forscher roeien zouden ze in een paar seconden wel weer met de andere booten gelijk komen.

"Hij is binnen," riep Jack; "licht nu het anker maar." Door het oponthoud waren de anderen booten zulk een eind voor, dat ze niet zoo gemakkelijk meer in te halen waren.

"Ze zullen vóór ons aan boord zijn." zei Gascoigne.

"Wat hindert dat?" antwoordde Jack; "één moet er toch de laatste wezen."

"Best mogelijk, maar niet de boot waar ik in ben."

"Och kom, wij zullen het reservekorps vormen en de eer genieten van de kans te onzen gunste te doen keeren."

"Allen gelijk, jongens!" riep Gascoigne, bemerkende dat de overige sloepen nog steeds een kabellengte voorbleven.

"Hoor eens, Gascoigne, ik heb het kommando over de sloep," zei Jack, "en ik verkies niet dat mijn manschappen buiten adem enteren--dat zou al te dom wezen. Geregeld en bedaard, jongens, maar niet te haastig."

"Maar zij zullen het schip veroveren eer wij langs zij komen!"

"Al was dat zoo, dan zoo ik nog gelijk hebben, nietwaar Mesty?"

"Zeker, Massa Rustig, gelijk heeft u--want stel dat ze het schip nemen zonder u, dan hebben ze u niet noodig--en hebben ze u noodig, dan komt gij." En de neger, die zijn buis uitgegooid had, stroopte zijn hemdsmouwen op, alsof hij niet veel goeds verwachtte.

De eerste kotter, onder bevel van den konstabel, sneed de barkas voorbij en was drie bootslengten voor, toen zij langs zij van het schip kwam. De brik gaf haar de volle laag en de boot verdween in de golven.

"De kotter zinkt!" riep Gascoigne uit; "roei op toch, jongens!"

"Zie je nu wel, dat als we alle drie gelijk gebleven waren, die volle laag ook ons om zeep zou gebracht hebben?" zei Jack bedaard.

"Kijk de barkas eens vooruitschieten! Zet aan, jongens, zet aan!" riep Gascoigne stampvoetend van ongeduld.

"De ontvangst was blijkbaar zeer warm; terwijl de manschappen uit de barkas aan boord klauterden, was de kotter onder den achtersteven van de brik gekomen--nog een paar slagen en hij zou langs zij wezen. Opeens had er aan dek van het schip een vreeselijke ontploffing plaats en brokstukken van lichamen en voorwerpen werden door de lucht geslingerd. De uitbarsting was zoo hevig, dat de manschappen van den tweeden kotter, als van schrik verlamd, eensklaps het roeien staakten; strak staarde ze naar de opstijgende rookkolommen, die masten en tuigage van het schip onzichtbaar maakten.

"Nu is 't tijd, jongens, vooruit nu!" riep onze held.

Door zijn stem weer tot bezinning gebracht, gehoorzaamden de manschappen--maar de boot had reeds genoeg vaart en eer zij weer een ruk aan de riemen konden doen, bonsden zij al tegen het schip aan en, Jack volgende, waren ze in een paar seconden op het halfdek van de brik. Hier was 't een verschrikkelijk gezicht--het heele dek was zwart en lag bezaaid met lijken; vele kleeren branden nog en verscheidene lichamen waren vaneengerukt.

De gangspil was gelicht en over één kant geslagen--het kompashuisje lag in gruizelementen en verscheidene touwen brandden. Geen levende ziel was aan dek te bekennen.

Zooals zij later vernamen van de manschappen, die hun leven gered hadden door beneden te blijven, had de Fransche kapitein de sloepen al in het oog gehad eer zij ankerden, en zich op alles voorbereid; voor het handiger laden der kanonnen, had hij een groote ammunitiekist met kardoezen op het dek laten plaatsen. Nu was het gevecht tusschen de bemanning van de sloep en die van het schip vlak bij de ganspil gevoerd, en een pistoolschot was bij ongeluk tusschen de kardoezen te land gekomen en had de vreeselijke verwoesting veroorzaakt.

Het eerste werk was den brand te blusschen, die zich over het schip uitbreidde. Zoodra men de vlammen meester was, ging onze held naar het achterschip en keek over de verschansing naar den gezonken kotter om.--"Gascoigne, ga met vier man in de boot--ik zie daar op een kwartmijl afstand den kotter drijven: misschien valt er nog iemand te redden; me dunkt, ik zie een paar hoofden."

Gascoigne haastte zich weg en keerde spoedig terug met drie man van den kotter; de overigen waren weggezonken, waarschijnlijk gedood of gewond, toen ze van de brik de volle laag kregen.

"Goddank, ten minste drie gered!" zei Jack. We moeten nu zien of er hier op dek nog enkele van die arme drommels in leven zijn gebleven, en dan de rest maar over boord gooien. Wel, Ned, wat zou er van ons geworden zijn, als we de brik te gelijk met de sloep hadden geënterd?"

"Ja, jij komt altijd op je beenen te recht, Jack," antwoordde Gascoigne; "maar dat bewijst nog niet dat je gelijk hebt."

"Jij bent niet te overtuigen, Ned; maar 't is nu geen tijd van lange redeneeringen, we moeten naar die arme kerels omzien; enkelen leven er nog."

Bij het nagaan der lijken bleek, dat ook Vigors onder de verongelukten behoorde, en in een gelaat, dat bijna geheel zwart gebrand was, herkenden zij den armen Jolliffe. Drie vingers van de linkerhand was hij ook kwijt, maar zoodra hij aan dek gebracht was, scheen hij weer te herleven en wees naar zijn mond om water, dat hem oogenblikkelijk gebracht werd.

"Mesty," zei Jack, "zorg jij zoo goed mogelijk voor meneer Jolliffe tot ik terugkom."

Het onderzoek werd nu voortgezet en men vond vier Engelsche matrozen en evenveel Franschen, die er waarschijnlijk het leven nog zouden afbrengen. De overige lijken werden over boord gesmeten. Van den stuurman vonden ze tusschen de kanonnen enkel het hoofd en beneden waren maar elf Franschen.

Het schip was een Fransche kaper met tien stukken en vijf en zestig koppen, waarvan er acht op buit uit waren. De bemanning van het schip leed een verlies van zes en veertig aan dooden en gewonden. Van de Harpij waren er vijf van den kotter verdronken en achttien met de sloep in de lucht gevlogen; van de drie en twintig, die aan de expeditie deelnamen, hadden alleen meneer Jolliffe en vijf matrozen er het leven afgebracht.

"Daar komt de Harpij aan," zei Gascoigne tot Rustig.

"Des te beter, Ned, want 't is hier een allerellendigst tooneel en ik wou dat ik maar weer aan boord was. Ik ben daar juist bij Jolliffe geweest; hij kan een beetje spreken; denkelijk zal hij nog herstellen. Ik hoop 't voor den armen kerel, hij heeft dan alle kans eindelijk eens bevorderd te worden."

Spoedig lag de Harpij naast de brik bijgedraaid en Jack ging met den kotter aan boord om rapport uit te brengen omtrent het gebeurde. Kapitein Wilson gevoelde grooten spijt over het verlies van zooveel manschappen, en begaf zich met Sawbridge aan boord van de brik om de verschikkelijke uitwerking der ontploffing persoonlijk in oogenschouw te nemen.

Jolliffe en de overige gewonden werden aan boord van de Harpij gebracht, en allen herstelden. Tengevolge der brandwonden vervelde Jolliffe's pokdalig gelaat geheel en al en het leek wel of het daardoor een beetje opgeknapt was. Hij werd echter niet alleen bevorderd, maar ook op pensioen gesteld en trad dus uit den dienst.

Zeventiende hoofdstuk.

Jack gaat uit fourageeren en speelt den vice-consul van Tetuan een leelijken poets. Ook schipper Hogg komt er vrij bekaaid af.

De Harpij zette met haar buit koers naar Mahon, waar ze weinige dagen na haar aankomst dépéches van den admiraal ontving. Daarbij zag kapitein Wilson zich overgeplaatst op de Aurora, om er de kommandantsplaats te vervullen, die door kapitein Tartars dood opengevallen was, terwijl meneer Sawbridge tot den rang van gezagvoerder bevorderd werd en het bevel kreeg over de Harpij.

De admiraal liet kapitein Wilson weten, dat de Aurora nog de komst van een ander fregat, dat elk oogenblik kon binnenloopen, moest afwachten en daarna onmiddelijk naar Mahon gezonden en onder zijn kommando gesteld zou worden. Ook gaf hij kennis, dat de vloot gebrek kreeg aan slachtvee, waarom hij verzocht, dat er zonder uitstel naar Tetuan zou gezonden worden.

Kapitein Wilson had zooveel officieren verloren, dat hij niet wist, wien hij met die zending belasten zou. Eigenlijk was hij nu niet langer kommandant van de Harpij en er schoot maar één luitenant over en geen stuurman of stuurmansmaat. Gascoigne en Jack waren de eenige bruikbare adelborsten en hen durfde hij niet goed belasten met iets waar zooveel haast bij was.

"Wat zullen we doen, Sawbridge? zullen we Rustig zenden of Gascoigne of beiden, of geen van beiden? Als zij het slachtvee niet spoedig bezorgen, zullen zij er bij den admiraal niet zoo gemakkelijk afkomen als bij ons."

"Er moet toch iemand heen, Wilson," antwoordde Sawbridge, "en het is gewoonte twee officieren te zenden, zoodat de een het vee aan boord ontvangt, terwijl de andere het toezicht houdt op de inscheping."

"Nu dan moeten ze er beiden maar heen. Sawbridge, maar lees hen eerst goed de les."

"Ik geloof niet dat er veel bij gewaagd is," antwoordde Sawbridge, "want Tetuan is zulk een ellendig gat, dat ze er hoe eer hoe liever vandaan zullen gaan."

Rustig en Gascoigne werden ontboden; zij luisterden met allen eerbied naar hetgeen kapitein Sawbridge hun voorhield, beloofden dat zij zich strikt aan de opdracht zouden houden, kregen een brief voor den vice-consul mee en werden met het noodige aan boord der brik Mary Anna gebracht, waar de stuurman en de bemanning reeds bezig waren met het winden der ankers.

De schipper van het transport, een roodharige kerel met een vollemaansgezicht, een mopneus en handen als presenteerblaadjes, kwam naar het achterschip om hen te verwelkomen en niet zoodra waren de kisten en hangmatten aan dek, of het anker werd gelicht en de zeilen geheschen. Met schipper Hogg stond Jack spoedig op een goeden voet, vooral omdat hij hem kapitein noemde en alle extraatjes van eten en drinken voor zijn rekening nam.

Te Tetuan aangekomen, gingen Jack en Gascoigne aan wal om vergezeld van kapitein Hogg den vice-consul een bezoek te brengen. Zij vertoonden hun papieren en verzochten om slachtvee. De vice-consul was een schraal, onbeduidend manneke, die de opvolger van zijn vader was geworden, omdat niemand anders het de moeite waard had geacht naar den slecht bezoldigden post te dingen. Toch hechtte meneer Hicks heel wat gewicht aan zijn ambt en zijn zuster, de eenige Engelsche jonge dame van de plaats, zocht vooral de aandacht te trekken der heeren zeeofficieren, die er soms om ossen kwamen. Heel gauw tevreden was ze echter niet, en had al achtereenvolgens de aanzoeken van drie adelborsten, een stuurmansmaat en een betaalmeester van de hand gewezen.

Zoodra de schikkingen op het kantoor van den heer Hicks getroffen waren, werden de bezoekers in de ontvangkamer genoodigd en aan de zuster van den vice-consul voorgesteld. Miss Hicks trok den neus op voor de beide adelborsten, maar lachte kapitein Hogg allervriendelijkst toe. Deze werd zelfs tegen den volgenden middag ten eten gevraagd en raakte al spoedig op de gastvrouw verliefd, wat eenige stribbeling gaf tusschen Miss Julia en haar broer den vice-consul, die verklaarde nooit zijn toestemming te zullen geven tot een huwelijk met meneer Hogg. Miss Hicks verkoos echter niet zich aan haar broer te storen; zij was baas over zichzelve, verklaarde zij, en zou doen wat haar goeddacht.

Toen eindelijk de lading ingenomen was en er aan vertrekken diende gedacht te worden, besloot kapitein Hogg allen tegenstand van den vice-consul te verijdelen, door Julia eenvoudig te schaken en op zijn schip mee te nemen naar Toulon. Jack, die er de lucht van gekregen had, hield zich alsof hij Hogg een handje wilde helpen en waarschuwde hem, dat Hicks vermoedde wat er gebeuren zou en, zoolang Hogg nog niet aan boord was, zijn zuster voortdurend in het oog zou houden. "Ga dus zelf aan boord, en onder zeil, meneer Hogg," zei Jack, "en laat het aan mij over Miss Hicks bij u te brengen, zoodra haar broer alle gevaar geweken zal achten."

"Hartelijk dank, meneer Rustig," antwoordde kapitein Hogg; "dat is een uitmuntend plan; wat zijt ge toch vriendelijk!"

Nauwelijks had meneer Hicks de gelden voor de geleverde ossen ontvangen of zijn houding ook tegenover onzen held veranderde geheel. Dit stond Jack lang niet aan, maar hij hield zich alsof hij niets bespeurde, bleef den vice-consul de warmste vriendschap betoonen en nam de gelegenheid te baat hem te zeggen, dat hij zijn voorkomendheid niet beter kon beantwoorden, dan door hem in te lichten omtrent de plannen, die er tegen hem gesmeed werden. Hij vertelde hem nu de beraamde vlucht van zijn zuster en dat hij zelf de aangewezen persoon was om haar te ontvoeren.

"Welk een gruwel!" riep de vice-consul uit; "ik zal er me over beklagen bij de regeering."

"Zou 't niet beter zijn," zei Jack, "als we 't zoo aanlegden, dat het geval voor onszelf met een pretje afliep en kapitein Hogg gefopt werd? Trek uw zusters kleeren aan, dan zal ik u in plaats van haar aan boord brengen. Ik zal u in de kajuit brengen en daar moet ge dan uzelf opsluiten. Zonder mijn toestemming kan hij niet uitzeilen; den volgenden morgen openen we de deur van de kajuit en lachen Hogg eens terdege uit. Zorg dat uw boot tegen het aanbreken van den dag u weer van boord komt halen, ik zal dan maken, dat Hogg onverwijld naar Toulon vertrekt. 't Zal een kostelijke grap wezen."

Dat vond de vice-consul ook. Hij drukte Jack de hand en was weer even voorkomend als te voren.

Even vóór donker werd van de brik, die reeds onder zeil was gegaan, een sloep aan den wal gezonden, en, zooals afgesproken was, gaf meneer Hicks voor, dat hij naar zijn kantoor ging om de scheepspapieren in orde te maken--terwijl zijn eigenlijk doel was, zijn zusters kleeren aan te trekken. Miss Hicks stond onmiddellijk op, wenschte onzen held een aangename reis en zei, ook al weer zooals afgesproken was, dat ze met zware hoofdpijn naar bed moest. Zij wenschte haar broeder goedennacht, en begaf zich naar haar kamer waar ze nog een uur zou wachten, waarna Jack haar in den tuin zou vinden en naar den brik brengen. Onze held ging mede het kantoor binnen en hielp den vice-consul, die al zijn eigen bovenkleeren uittrok en in een doek knoopte ten einde ze, als hij eenmaal aan boord in de hut zou wezen, weer aan te trekken.

Zoodra Hicks klaar was, nam Jack het bundeltje kleeren op en geleidde de gewaande Miss naar de sloep. Haastig zetten zij af en bij die gelegenheid liet Jack ongemerkt meneer Hicks' bundeltje te water vallen. Spoedig waren ze aan boord van het schip, waar Jack den verkleeden consul naar de hut bracht, die deze niet achter zich sloot, dan na eerst Jack onder een handdruk toegefluisterd te hebben: "Wat zullen we morgen lachen!"

Niet zoodra was de boot weer opgeheschen of kapitein Hogg kwam naar onzen held toe, schudde hem de hand en zei ook: "Wel, meneer Rustig, wat zullen we morgen lachen!"

"Die 't laatst lacht, lacht 't best," dacht Jack.

Er woei een flinke bries, en die de wacht te kooi hadden, kropen in hun hangmatten. Ook meneer Hicks wist niets beters te doen dan te gaan slapen en bij het aanbreken van den dag was de Mary Anna al meer dan honderd mijlen van de Afrikaansche kust.

Wat zetten meneer Hicks en de kapitein nijdige gezichten toen zij zich den volgenden morgen beiden gefopt zagen? Zij waren zoo boos als een spin, maar Jack deed niets dan lachen. De kapitein wilde terug om Miss Hicks te halen, en de vice-consul verlangde zijn vrijheid weer, maar de wind woei fel en Jack wist den kapitein tot bedaren te brengen, door er op te wijzen dat bij het rekken van den tocht, er licht ossen konden sterven en hij die zou moeten vergoeden. Ook kon hij Miss Hicks later immers huwen, zonder dat haar broer er iets tegen zou kunnen doen. De onder- en bovenlijzeilen werden dus bijgezet en de reis vervolgd tot groote ergernis van meneer Hicks, die den kapitein en Jack met een aanklacht bij de regeering bedreigde. Hij eischte zijn kleeren terug, maar Jack antwoordde dat ze bij het van wal steken uit de sloep waren gevallen. Van niemand kon hij kleeren geleend krijgen, zoodat hij ten spot van allen in vrouwenrokken rondliep. Door het belachelijke van het geval vergat de kapitein zijn eigen leed; hij werd weer goede vrienden met Jack, en al weigerde meneer Hicks dien middag met hen mee te eten, zij lieten zich door zijn kwaadheid hun eetlust niet benemen.

Na een voorspoedige vaart van tien dagen bereikten ze 's morgens van den elfden dag de Toulonsche vloot. Jack meldde zich terstond bij den admiraal en rapporteerde het meegebrachte slachtvee, en spoedig kwamen nu van al de schepen sloepen aanzetten om haar deel van de lading der Mary Anna in te nemen. Terwijl men hiermee bezig was, richtte de vlaggekapitein van het admiraalsschip zijn kijker naar het transportvaartuig en bespeurde daar aan dek een vrouwelijke gedaante.

"Is dat soms de vrouw van den stuurman?" vroeg hij aan Jack, die met den admiraal dicht bij hem stond.

"Neen, meneer," antwoordde Jack, dat is de vice-consul."

"Wat! een vice-consul in vrouwenrokken?"

"Ja, de vice-consul van Tetuan. Hij is in die kleeding aan boord gekomen, toen de brik al onder zeil was, en ik achtte het plicht geen oogenblik te vertragen, omdat ik wist hoe dringend de vloot om versch vleesch verlegen was."

"Wat beteekent dat, meneer Rustig?" zei de admiraal; "daar steekt zeker iets achter. Kom even beneden alsjeblieft."

Jack volgde nu den admiraal en den vlaggekapitein naar de kajuit en vertelde daar zonder omwegen het heele geval, wat een hartelijk gelach verwekte.

"Meneer Rustig." zei de admiraal toen zijn lachbui over was, "ik wil er u geen verwijt van maken, maar 't was toch dunkt mij niet noodig geweest dien vice-consul in vrouwenkleeren te steken."

"Ik heb naar mijn beste weten gehandeld, admiraal," antwoordde Jack heel onderdanig.

"Nu, over het geheel genomen, ben ik tevreden met wat gij gedaan hebt. Kapitein Malcolm, zend alsjeblieft een sloep uit om den vice-consul te halen."

Meneer Hicks hunkerde er zoo naar om over al zijn leed beklag te doen, dat hij zich niet stoorde aan zijn vrouwenkleeren. Wel werd er druk gegicheld toen hij aan boord kwam, maar dat zou spoedig genoeg ophouden, dacht hij, zoodra ze maar te weten kwamen wie hij eigenlijk was. Hij droeg zijn geval aan den admiraal voor, maar vond bij dezen slechten troost.