Chapter 14
Gascoigne bracht dit bevel in het Italiaansch over en toen er aan voldaan was, lieten onze adelborsten de jongelieden los, die nu door den ouden heer aldus werden toegesproken:
"Tegen uw wil zijt gij beiden verhinderd een ondoordachten, onrechtvaardigen moord te begaan. Wie degenen zijn, die mij zoo te juister tijd redding hebben aangebracht, weet ik niet, maar ik ben hun innig dankbaar, en zoodra gij tot bezinning zijt gekomen zult ge dat ook zijn, daar ze u belet hebben u te bezoedelen met een daad, die uw verder leven door wroeging zou hebben vergald. Gij zijt vrij, om te gaan waarheen ge wilt; in u, Don Silvio, heb ik me zeer bedrogen; de dankbaarheid, die ge mij verschuldigd zijt, had u van zulk een schandelijke handeling moeten terughouden, wat u betreft Don Scipio, gij zijt zeer misleid geworden; maar in één opzicht, hebt gij beiden het slecht getroffen. Tien dagen geleden waren mijn beide zoons hier, en bij het koelen van uw wrok tegen mij, zoudt ge me niet zwaarder hebben kunnen treffen dan in mijn kinderen, terwijl ge nu als laffe moordenaars op een oud man zijt aangevallen. Neemt uwe degens en maakt er in het vervolg een beter gebruik van. Tegen verdere aanvallen zal ik op mijn hoede zijn."
Gascoigne, die alles verstond wat er gezegd werd, reikte nu aan de beide jongelieden hun degens, waarna zij zonder een woord te zeggen de kamer verlieten.
"Wie gij ook zijn moogt, ontvangt mijn dank voor de redding van mijn leven," zei de oude heer, terwijl hij met eenige bevreemding het uiterlijk voorkomen van de adelborsten opnam.
"Wij zijn officieren van een Engelsch vaartuig," antwoordde Gascoigne ter verklaring. "Onze boot leed den vorigen nacht schipbreuk, en we hebben in het donker getracht bijstand en voedsel te vinden. Indien we maar te Palermo kunnen komen, zullen we daar stellig vrienden aantreffen en in de gelegenheid gesteld worden ons van behoorlijke kleeding te voorzien."
"Is uw schip vergaan, heeren?" vroeg de Siciliaan, "en zijn er velen bij omgekomen?"
"Neen, ons schip ligt voor Malta; maar op een pleziertocht met een der booten werden we door een stormwind overvallen en naar de kust gedreven. Ten einde u van de waarheid er van te overtuigen, kunnen onze pistolen dienen, die het koningsmerk dragen, en ten bewijze dat we geen fortuinzoekers zijn, zullen we u ons goud toonen."
Gascoigne haalde nu zijn dubloenen voor den dag en Jack deed hetzelfde, waarbij hij langs zijn neus weg opmerkte:
"Ik dacht, dat we alleen ons zilver zouden laten zien, Ned!"
"Dat alles is overbodig," antwoordde de edelman; "uw houding in deze zaak, uw manieren en beschaafde taal doen u reeds als fatsoenlijke lieden kennen; en al waart gij ook van de nederigste afkomst, in elk geval ben ik u mijn leven schuldig en gij hebt slechts te zeggen, waarmede ik u van dienst kan zijn."
"Met ons wat te eten te geven, want we hebben sedert verscheidene uren niets genuttigd. Misschien zullen we daarna nog een nader beroep doen op uw welwillendheid."
"Gij zult u over het hier voorgevallene wel zeer verbazen," zei de edelman; "zoodra gij op uw verhaal zijt gekomen zal ik er u het een en ander van meedeelen, vergun me intusschen mijzelven aan u voor te stellen als Don Rebiera de Silva."
"Ik wou maar," zei Jack, die door zijn kennis van het Spaansch een gedeelte van het gesprokene had opgevangen, "dat hij ons aan het ontbijt noodigde."
"Ik ook," zei Gascoigne; "maar we moeten nog een beetje geduld hebben--hij heeft de dames opgedragen onmiddellijk iets gereed te maken."
"Uw vriend schijnt geen Italiaansch te spreken," zei Don Rebiera.
"Neen, meneer, maar wel Fransch en Spaansch."
"Als hij Spaansch verstaat, kan mijn dochter met hem praten, zij is eerst onlangs uit Spanje teruggekeerd."
Don Rebiera geleide hem nu naar een andere kamer, waar weldra een ontbijt werd opgedragen, dat onze adelborsten zich terdege lieten smaken.
Toen zij verzadigd waren, wilde de Don hun de noodige ophelderingen geven omtrent de aanleiding tot de geweldadigheden, die door hun tusschenkomst gelukkig waren verhinderd. Maar bedenkende dat Jack er slechts de helft van zou verstaan, liet hij eerst zijn vrouw en zijn dochter roepen, opdat deze zich intusschen in het Spaansch met onzen held zouden onderhouden.
Zoodra Donna Clara en Donna Agnes binnengekomen en voorgesteld waren, zei Jack, die te voren niet veel acht op haar geslagen had, bij zichzelven: "Zoo'n gezicht als van dat meisje heb ik meer gezien." Of hij zich nu hierin vergiste of niet, stellig had hij maar zelden een mooiere brunette onder de oogen gehad dan de vijftienjarige Agnes.
Donna Clara was uiterst voorkomend en om haar echtgenoot niet in zijn verhaal te storen, stelde zij onzen held een wandeling in den tuin voor, waar ze al spoedig in een priëel plaats namen. Veel Spaansch kende de oude dame niet, maar al liet ze er nu en dan een Italiaansche woord tusschen vloeien, Jack verstond haar toch heel goed. Zij vertelde onder anderen, dat zij met echtgenoot en dochter een paar jaar geleden haar getrouwde zuster in Spanje was gaan bezoeken, en bij het terugkeeren Agnes, die pas van een zware ziekte was hersteld, had moeten achterlaten. Het meisje bleef toevertrouwd aan de zorgen harer tante, die een dochter van ongeveer gelijken leeftijd had, en was nu twee maanden geleden teruggekomen. Het vaartuig waarmede zij in gezelschap van oom, tante en neven den overtocht had gemaakt, was in handen gevallen van een Engelsch schip; maar de kommandant er van was hoogst beleefd geweest en had hen reeds den volgenden dag vrijgelaten en vergund al hun goed mee te nemen.
"Ei zoo," dacht Jack, "ik wist wel, dat ik dat gezichtje meer gezien had; dus was zij een van de meisjes in den hoek van de kajuit.--Daar wil ik eens een grap mee hebben."
Toen mama uitgepraat was, richtte Jack zich uiterst beleefd tot de dochter.
"Ik schaam me, Donna Agnes, dat ik in zulk een gehavende plunje naast u zit--maar de klippen op de kust storen zich aan niets."
"Wij hebben de grootste verplichtingen aan u, meneer, en letten niet op zulke kleinigheden."
"Dat is wel vriendelijk van u, Signora," hernam Jack. "Weinig vermoedde ik van morgen, dat de fortuin mij zoo gunstig zou zijn--want wel kan ik anderen de toekomst voorspellen, maar mijzelven niet."
"Kunt gij in de toekomst lezen?" riep de oude dame uit.
"Ja, mevrouw, daar heb ik 't vrij ver in gebracht. Mag ik uw dochter eens waarzeggen?"
Donna Agnes keek onzen held eens aan en glimlachte.
"Ik bemerk al, dat de jonge dame er weinig geloof aan hecht; ik dien dus een bewijs te leveren van mijn kunst, door haar te vertellen wat haar reeds overkomen is. De signora zal dan meer vertrouwen in mij stellen."
"Zeker zal ik dat."
"Wees dan zoo goed, mij de palm van uw hand te laten zien."
Agnes stak haar hand uit; Jack vatte die, om de lijnen er van na te gaan.
"Dat gij in Spanje opgevoed, voor twee maanden uit dat land teruggekeerd, door de Engelschen gevangen genomen en weer vrijgelaten zijt, heeft uw moeder reeds verteld; maar om te bewijzen, dat ik van dat alles volkomen op de hoogte ben, zal ik meer in bijzonderheden treden. Gij waart op een schip dat veertien stukken geschut voerde,--is 't niet zoo?"
Donna Agnes knikte toestemmend.
"Dat heb ik toch niet aan meneer verteld," riep Donna Clara uit.
"Het vaartuig werd 'n nachts overrompeld, zonder dat er een gevecht plaats had. Den volgenden morgen braken de Engelschen met geweld de kajuitdeur open; uw oom en uw neven vuurden hunne pistolen af."
"Lieve hemel?" riep Agnes verbaasd uit.
"De Engelsche officier was een jongmensch van een vrij onaangenaam uiterlijk."
"Nu hebt u 't mis, Signor,--hij had integendeel een zeer gunstig voorkomen."
"Over den smaak valt niet te twisten, Signora. Gij wist van angst haast niet wat ge deedt, en waart in een hoek van de kajuit gekropen."
Agnes, die zich al meer en meer verwonderde, keek eensklaps onzen held strak aan en riep uit:
"O moeder, hij is 't--nu herken ik hem, hij is 't?"
"Wie, kindlief?" vroeg Donna Clara, die een en al verbazing was over Jack's waarzeggerskunst.
"Wel, de officier die ons gevangen nam en zoo vriendelijk was."
Jack schoot in een luiden lach en erkende toen, dat zij goed gezien had.
Fluks sprong Agnes op om haar vader te gaan meedeelen, wie eigenlijk zijn gast was.
Ofschoon Don Rebiera zijn verhaal nog niet geëndigd had, bracht toch deze mededeeling van Agnes weer allen bijeen en Jack werd met dankbetuigingen overstelpt.
"Hoe kon ik vermoeden," zei de Don, "dat ik u zoo dubbel verplicht zou zijn, meneer. Zeg slechts waarmede ik u beiden van dienst kan wezen. Mijn zoons zijn te Palermo, en zullen de kennismaking met u stellig op hoogen prijs stellen; zoodra dus het verblijf hier bij ons u mocht gaan vervelen...."
Jack maakte een beleefde buiging en zei, met een blik op zijn gehavend plunje. "We zijn niet in een staat, dat we hier lang kunnen vertoeven."
"De kleeren van mijn broers zullen hun wel passen, dunkt me," zei Agnes tot haar vader; "en er zijn nog al heel wat kleedingstukken hier achtergelaten."
"Als de heeren zich daarmee zouden willen behelpen."
Het duurde nu niet lang, of onze adelborsten zagen er weer behoorlijk gekleed uit en de wederzijdsche verhouding werd gaandeweg vertrouwelijker.
Na het diner werd er siësta gehouden, maar Jack en Gascoigne, die in de kar wel voor een halve week genoeg geslapen hadden, gingen zamen in den tuin wandelen.
"Wel, Ned," zei Jack, "verlang je alweer naar de Harpij?"
"Neen," antwoordde Gascoigne, "we zijn mooi op onze pootjes terechtgekomen, al zijn we ook eerst duchtig door elkaar geschud.--Maar wat is die Agnes een lief schepseltje! Hoe toevallig, dat je ze hier weer moet aantreffen!"
"Dat is 't wel, Ned. Maar kom, laten we in dit priëel gaan zitten en vertel me dan eens wat Rebiera al zoo van zijn lotgevallen heeft meegedeeld."
We zullen dit verhaal niet in al zijn bijzonderheden volgen, maar er enkel uit vermelden, dat een oude familieveete Don Rebiera herhaaldelijk blootstelde aan de vervolging van een paar verre neven, die geen middelen ontzagen om hem het leven te verbitteren, ja zelfs hem meermalen met den dood hadden bedreigd.
Gedurende de veertien dagen, die Jack en Gascoigne bij de Siciliaansche familie doorbrachten, werden zij als zoons van den huize beschouwd. Agnes voelde zich het meest aangetrokken tot Jack, met wien ze erg druk was en dikwijls wandeltochtjes maakte, zoodat onze held spoedig tot de overtuiging kwam, dat er geen aardiger en liever meisje op de wereld te vinden was.
Bij het afscheid kregen onze beide adelborsten aanbevelingsbrieven mee aan de voornaamste families van Palermo en aanvaardden, op keurig opgetuigde muilezels gezeten, hun tocht.
Nauwelijks hadden ze de plaats hunner bestemming bereikt en in een hôtel hun intrek genomen, of Gascoigne vatte de pen op om Don Rebiera van hun gelukkige aankomst te verwittigen en Jack nam de gelegenheid waar, om er een briefje voor Agnes bij te voegen.
Hun eerste werk was nu nieuwe kleeren aan te schaffen en zich bij den door Don Rebiera aangewezen bankier van het noodige geld te voorzien.
In hun logement teruggekeerd, troffen zij er Don Philip en Don Martin, de zonen van Don Rebiera, aan, met wie zij spoedige beste maatjes waren en die hen overal rondgeleidden. In een wip waren er drie weken vervlogen en Jack en Gascoigne dachten nog niet aan heengaan.
Op een partij bij den hertog van Pentaro kwamen zij in aanraking met den kapitein van het Engelsch fregat, de Aurora, die er pas voor anker was gekomen. Onze adelborsten waren in burgerkleeding en werden door kapitein Tartar voor Engelsche jongelieden van fortuin aangezien, die een pleziertocht maakten. Daarom behandelde hij hen met de meeste voorkomendheid, wat Jack zóó voor den man innam, dat hij hem beleefd verzocht voor den volgenden middag zijn gast te willen zijn. Kapitein Tartar nam de uitnoodiging aan en bij het afscheid drukten zij elkaar hartelijk de hand, beiden ten zeerste ingenomen met de nieuwe kennismaking.
Jack liet den volgenden dag terdege opdisschen en aan wijn ontbrak het niet. Toen de andere gasten zich naar een bal begaven, waarop ze genoodigd waren, bleef kapitein Tartar, die wel van een glaasje hield, nog zitten plakken, en Jack achtte zich beleefdheidshalve verplicht hem gezelschap te houden. Gascoigne bleef ook, om op te passen dat Jack zich niet zou verpraten.
De kapitein was bijzonder onderhoudend en begon een beetje tegen Jack op te zien, toen hij ontdekte dat deze de eenige zoon van een schatrijken vader was. Onder het gesprek vroeg de kapitein Jack wat hem herwaarts gebracht had, en Jack vertelde dat hij met de Harpij gekomen was. Gascoigne waarschuwde hem met een duw, maar 't hielp niet, want de wijn was onzen Jack naar het hoofd gestegen.
"Ei zoo! dus met kapitein Wilson? Dat is nog een oud vriend van me."
"Van ons ook," antwoordde Jack; "'t is een verduiveld beste kerel, die Wilson."
"Maar waar zijt ge later geweest?" vroeg kapitein Tartar.
"Wel, op de Harpij, ik behoor tot de bemanning."
"Tot de bemanning? In welke kwaliteit, als ik vragen mag?" hernam kapitein Tartar op vrij wat minder beleefden en vertrouwelijken toon.
"Als adelborst," antwoordde Jack; "en Gascoigne ook."
"Zoo! dus zijt ge met verlof?"
"Och neen, dat niet; maar ik zal je vertellen, ouwe jongen, hoe 't ermee gelegen is."
"Een oogenblikje, alsjeblieft," viel kapitein Tartar hem in de rede en stond op; "ik moet even mijn oppasser een paar orders geven, die ik verzuimd heb."
Gascoigne maakte van de gelegenheid gebruik om Jack op zijn onvoorzichtigheid te wijzen, maar deze stoorde er zich niet aan, en toen de kapitein zijn plaats aan tafel weer ingenomen had, vertelde Jack hem al wat er voorgevallen was. Toen hij geëindigd had, zei hij heel familiaar:
"Toe, Tartar, je hebt daar de flesch bij je staan, laat ik je een handje helpen."
Kapitein Tartar wierp zich in zijn stoel achterover en scheen zich nauwelijks te kunnen inhouden.
"Heb je genoeg van den wijn?" zei Jack. "Dan kunnen we, dunk me, ook wel naar het bal gaan."
Op dit oogenblik verscheen een sergeant van de mariniers aan de deur, sloeg aan en keek met een blik van verstandhouding naar den kapitein.
"Wel zoo, meneer," riep kapitein Tartar, van zijn stoel opspringende, met donderende stem, "gij zijt dus een gedeserteerde adelborst, en hebt nog wel de onbeschaamdheid hier in Palermo goeden sier te maken en zelfs een postkapitein ten eten te vragen! Zoo'n duivelsche rekel durft me kortweg 'Tartar' en 'ouwe jongen' noemen!" vervolgde de kapitein, die nu kookte van woede en met de vuist op tafel sloeg, zoodat de glazen er van rinkelden.
"Veroorloof me op te merken, meneer," zei Jack, die bij dien uitval ineens weer nuchter werd, "dat wij niet tot uw schip behooren, en dat we in burgerkleeding zijn."
"In burgerkleeding--zoo'n paar bedriegers, zonder een cent op zak, die zich als heele heeren voordoen, en met de noorderzon vertrekken zonder hun rekening te betalen."
"Noemt gij mij een bedrieger, meneer?" vroeg Jack.
"Ja, meneer, gij...."
"Dan liegt gij!" riep onze held in drift uit. "Ik ben een fatsoenlijk man, meneer, en het spijt me, dat ik niet hetzelfde van u kan getuigen."
Verbazing en woede beletten kapitein Tartar te spreken. Vergeefs opende hij den mond, doch viel weer op zijn stoel neer. Eindelijk, nadat hij zich wat hersteld had, gelukte 't hem uit te roepen:
"Matthews--Matthews!"
"Present, meneer!" antwoordde de sergeant, die bij de deur was blijven staan.
"Laat je mariniers binnenkomen en neem die twee in verzekerde bewaring. Onmiddellijk er mee naar boord en ze in de boeien geslagen."
"Misschien zult ge ons wel willen veroorloven, meneer," zei Jack, die nu geheel bedaard was, "dat we alvorens naar boord te gaan onze rekening betalen. Wij zijn geen bedriegers, maar daar gij de hand hebt gelegd op onze personen, zult gij u wellicht zelf met de betaling willen belasten;" en Jack wierp een zware beurs met dollars op tafel. "Vooral wenschte ik u te verzoeken, ten opzichte van de bedienden niet karig te wezen."
"Sergeant, geef hun gelegenheid om hun rekening te betalen," zei kapitein Tartar op wat minder hoogen toon en verliet de kamer.
"Goede hemel, Jack, wat ben je begonnen?--je zult nog voor den krijgsraad gebracht en uit den dienst ontslagen worden."
"Dat hoop ik maar," antwoordde Jack, "ik was een gek, dat ik op zee ging. Maar hij heeft me een bedrieger genoemd, en dat laat ik er niet bij."
"Als gij klaar zijt, heeren," zei de sergeant, die lang genoeg onder kapitein Tartar gediend had om te weten, dat een door hem opgelegde straf nog geen bewijs was van een begaan vergrijp.
"Betaal jij de rekening, Rustig, dan ga ik ons boeltje halen," zei Gascoigne.
Binnen een half uur zaten onze beide vrienden in plaats van op het bal, onder het halfdek van de Aurora in boeien.
Intusschen was kapitein Tartar naar het bal gegaan, waarop ook hij uitgenoodigd was. Bij zijn binnenkomen werd hij aangesproken door Don Martin en Don Philip, die hem vroegen, waar onze held en diens vriend bleven. Kapitein Tartar was alles behalve goed geluimd en zei kortaf, dat ze aan boord van zijn schip in de boeien zaten.
"In de boeien! hoedat zoo?" riep Don Philip uit.
"Wel, meneer, omdat ze een paar jonge deugnieten blijken te wezen, die zich bij de deftigste gezelschappen hebben ingedrongen, terwijl ze niet meer zijn dan een paar van hun schip gedroste adelborsten."
Nu wisten de Rebiera's heel goed, dat Jack en zijn vriend adelborsten waren, maar zij vonden dat geen reden om hen niet als fatsoenlijke lui te beschouwen en als zoodanig te behandelen.
"Hebt gij, meneer," zei Don Philip, "die hun gastvrijheid genoten, met hen gelachen, gepraat en arm in arm gewandeld hebt, u verstout hen in de boeien te slaan?"
"Ja, meneer, dat heb ik."
"Dan zijt ge een ellendeling en daag ik u uit!" riep Don Philip, de oudste broeder.
"En ik doe hetzelfde," voegde de ander er bij.
De beide broeders hadden zich zoo gehecht aan onzen held, die zulke belangrijke diensten aan hun familie bewezen had, dat hun ergernis geen grenzen kende. Zij vertelden aan al hun aanwezige vrienden wat er voorgevallen was, zoodat het nieuwtje weldra door de geheele balzaal verbreid raakte en zooveel verontwaardiging wekte, dat iedereen kapitein Tartar den rug toekeerde. Deze verliet dan ook spoedig de balzaal en begaf zich naar zijn logement, waar den volgenden morgen de secondant van Don Philip de uitdaging in allen vorm kwam herhalen.
Lafhartig was Kapitein Tartar volstrekt niet; hij nam dus de uitdaging aan, maar daar hij op den degen niet geoefend was, stelde hij als voorwaarde, dat er met pistolen zou gevochten worden. Hiertegen werd geen bezwaar gemaakt. De ontmoeting had plaats en reeds het eerste schot van Don Philip ging kapitein Tartar dwars door het hoofd, zoodat hij onmiddellijk dood neerstortte.
Don Philip en zijn broeder begaven zich al spoedig aan boord van de Aurora om onzen held te bezoeken. De eerste luitenant, die in 't geheel geen vriend van den kapitein was geweest, ontving hen zeer beleefd en verklaarde, dat kapitein Tartar hem volstrekt niet had medegedeeld op welken grond de twee jongelui in boeien waren geslagen. Hij achtte zich dus niet gerechtigd tegen hen op te treden en zou last geven hen in vrijheid te stellen. Daar hij echter vernomen had, dat ze tot de equipage behoorden van een der oorlogsschepen, die bij Malta lagen, voelde hij zich verplicht hen mee te nemen en aan boord van hun eigen schip te brengen.
Jack en Gascoigne werden nu van hun boeien bevrijd en vernamen van Don Philip, hoe deze de hun aangedane beleediging gewroken had. Na een onderhoud van ruim een uur namen Don Philip en diens broeder onder de hartelijkste betuigingen van vriendschap afscheid en roeiden weer naar den wal.
Zestiende hoofdstuk.
Onze held krijgt een hekel aan den dienst, maar raakt er ook weer mee verzoend. Hij neemt wakker deel aan de bemachtiging van een Franschen kaper.
Daags na de begrafenis van kapitein Tartar zeilde de Aurora naar Malta en werden onze beide adelborsten aan boord van de Harpij gezonden.
Meneer James, de eerste luitenant van de Aurora, die na Tartar's dood het kommando over het schip voerde, was verlangend zich bij den admiraal te Toulon te vervoegen en wilde daarom reeds den volgenden dag de reis voortzetten. Aan tafel bij den gouverneur ontmoette hij kapitein Wilson en vertelde, dat Jack en Gascoigne op last van kapitein Tartar in boeien geslagen waren. Ook deelde hij zijn vermoedens mede omtrent de aanleiding er toe en het duel dat er het gevolg van geweest was. Het geheele geval bleef echter zeer raadselachtig, daar Jack en Gascoigne zich tegenover niemand aan boord der Aurora over hun avonturen op Sicilië hadden uitgelaten.
"Ik zou omtrent dat duel wel eens het naadje van de kous willen weten," zei de gouverneur; "och, Wilson, breng Rustig morgenochtend mee hierheen, dan kan hij ons zijn verhaal opdisschen."
Ik vrees dat we hem te veel aanmoedigen, Sir Thomas, hij maakt 't al erg genoeg. Er komt maar geen einde aan zijn avonturen en 't loopt altijd goed af."
"Nu ja, maar je kunt hem immers hier ontbieden en duchtig onder handen nemen, evengoed als in uw eigen kajuit; we zullen dan de waarheid wel uit hem krijgen."
"Dat is stellig," antwoordde kapitein Wilson, "want hij komt er altijd rond voor uit."
"Nu, doe me dan het genoegen hem te laten halen. Ik vind 't zoo verschrikkelijk niet, dat hij zich schuil gehouden heeft, want hij schijnt in de meening verkeerd te hebben, dat hij zou gehangen worden. Ik moet den jongen noodzakelijk zien."
"Welaan, gouverneur, als dat uw wensch is," antwoordde kapitein Wilson, en schreef een paar woorden om meneer Sawbridge te verzoeken, meneer Rustig tegen tien uur in den morgen ten huize van den gouverneur bij hem te zenden.
Jack verscheen in uniform. Over hetgeen hem zou gezegd worden bekreunde hij zich niet veel, want hij was toch besloten den dienst te verlaten. Dat hij in boeien was geslagen, kon hij maar niet verkroppen.
Toen Jack bij den kapitein werd toegelaten, vond hij dezen met den gouverneur aan het ontbijt. Onverschrokken, maar met den noodigen eerbied, stapte hij naar binnen. Kapitein Wilson sprak hem toe en bracht hem onder het oog, dat hij met dat duel, en meer nog met het van het schip wegloopen, een groote fout begaan had. Jack keek deemoedig naar kapitein Wilson op, erkende het verkeerde zijner handeling en beloofde in het vervolg beter te zullen oppassen, als kapitein Wilson het ditmaal door de vingers wilde zien.
"Vergun me, kapitein, dat ik een woordje ten gunste van het jongemensch in het midden breng," zei de gouverneur; ik ben overtuigd dat het enkel een gevolg is geweest van gebrek aan oordeel."
"Nu, meneer Rustig, daar gij berouw toont en de gouverneur het voor u opneemt, zal ik de zaak maar laten rusten. Maar vergeet niet, dat ge mij met uw dolle streken heel wat ongerustheid hebt bezorgd, en bedenk steeds, dat ik veel te veel belang stel in uw welzijn, om niet angstig te zijn als gij u aan zulke gevaren blootstelt. Ga nu maar weer aan boord aan uw bezigheid en laat Gascoigne hetzelfde doen; maar laat me alsjeblieft niet meer hooren van duels en van wegloopen."
Jack was door die vriendelijke bejegening zoo getroffen, dat hij geen woord kon uitbrengen; hij maakte een buiging en wilde juist de kamer verlaten toen de gouverneur zei:
"Meneer Rustig, hebt ge al ontbeten?"
"Ja, meneer," antwooordde Jack, "eer ik aan wal ging."
"Kom, een adelborst ziet er niet tegen op tweemaal te ontbijten; schuif maar bij--alles is nu toch vergeten."
Jack boog, nam een stoel, en bewees dat zijn eetlust niet veel schade geleden had door het standje. Toen het ontbijt afgeloopen, was, merkte kapitein Wilson op:
"Mijnheer Rustig, gewoonlijk hebt ge bij uw terugkomst eenige avonturen te verhalen, zoudt ge den gouverneur en mij niet het een en ander willen meedeelen van wat er op uw laatsten tocht is voorgevallen?"