Chapter 13
"Om te beginnen, Ned, dienen we een van beiden aan het roer te gaan, want de schuit dobbert al aardig op goed geluk rond."
"Je hebt gelijk," antwoordde Gascoigne, "en daar ik beter sturen kan dan jij, zal ik dat maar op me nemen."
Gascoigne vatte nu de roerpen ter hand, loefde bij den wind op en hervatte het gesprek.
"Die ellendige jongen heeft me een duivelschen veeg over den schouder gegeven; of hij me erg gewond heeft, weet ik niet, maar 't is gelukkig mijn linkerschouder, zoodat ik toch evengoed sturen kan. Zouden de kerels alle drie dood zijn?"
"De schipper in elk geval," antwoordde Jack. "Ik had heel wat werk om mijn beenen onder hem vandaan te krijgen. Maar we zullen met het onderzoek wachten tot de dag aangebroken is en intusschen mijn pistolen weer laden."
"Het wordt in het oosten al helderder--over een half uur zal 't wel licht zijn. Wat een drommelsche herrie, Jack!"
"Ja, wie kan dat helpen? We gingen aan den haal omdat twee menschen gewond waren,--en nu zijn we verplicht geweest uit zelfverdediging vier personen te dooden."
"En daarmee is het nog niet afgeloopen. Wat moeten we aanvangen als we op Sicilië komen? De overheid zal ons gevangen nemen--misschien wel laten ophangen."
"Dat zullen we toch eerst eens nader beredeneeren," zei Jack.
"We moesten 't maar liever onder ons beiden uitmaken, Jack, en overleggen hoe ons het best uit de verlegenheid te redden."
"Me dunkt, dat we er juist al heel aardig aan zijn ontsnapt; wees maar niet bezorgd, we zullen een volgenden keer ook wel weer uit de klem raken. 't Is toch gek, dat er bij al wat ik doe, zooveel overhoop raakt."
"Ja, dat is 't wel, Jack. Maar hoor je daar niet een van die arme kerels kreunen?"
"Dat zou niet onmogelijk wezen."
"Wat moeten we met hen aanvangen?"
"We zullen de lijken bij ons moeten houden, of ze over boord werpen; het geheele geval vertellen precies zooals het geloopen is, of er geen woord over reppen."
"Dat is vrij duidelijk. Maar er dient gehandeld te worden, want met praatjes komen we niet verder."
"Stel, dat we de lijken aan boord houden, een zeehaven binnenloopen, ons bij de overheid aanmelden en meedeelen wat er gebeurd is, wat dan?"
"Dan zullen we stellig bewijzen, dat we drie man gedood hebben, maar niet, dat we er toe gedwongen waren Jack. Ze zullen ons dus in de gevangenis zetten, tot we onze onschuld hebben bewezen, wat niet zoo gemakkelijk gaan zal."
"Dat is verre van plezierig," antwoordde Jack. Maar laten we nu de zaak eens van den anderen kant bekijken."
"Als we de lijken en ook de leege vaten over boord werpen, de schuit reinigen en de eerste haven de beste binnenloopen, hebben we alle kans, juist op dezelfde plaats te komen, vanwaar de schuit uitgezeild is. Dan krijgen we een hoop vrouwen en kinderen en met messen gewapende kerels aan den hals, die ons zullen vragen waar de bemanning van het vaartuig gebleven is."
"Dat zou me volstrekt niet bevallen," zei Jack.
"En al loopt 't niet zoo erg, in elk geval zullen ze vragen wie wij zijn en waar we vandaan komen."
"Alweer een moeilijkheid," zei Jack. "We moesten maar zeggen, dat we er op uit waren gegaan, om met het pistool zeemeeuwen te schieten en door een stormwind naar Sicilië zijn afgedreven--dat wekt meteen belangstelling."
"Misschien is dat nog maar het beste, Jack. In elk geval dienen we eerst die lijken op te ruimen; maar als de kerels eens niet dood zijn?--We kunnen ze toch niet levend over boord smijten--dat zou een moord wezen."
"Ja, juist," antwoordde Jack, "dus eerst ze doodgeschoten en dan overboord er mee."
"Je bent toch een rare, Jack. Maar kom laten we eerst de kerels onderzoeken en dan beslissen. Houdt je pistool gereed, ze mochten eens enkel een schampschot gekregen hebben."
"Deze heeft stellig zijn portie," hernam Jack met een ruk aan het lijk van den schipper, "en de kerel, dien jij geraakt hebt, heeft een gat in zijn borst als een vuist. Nu de derde," vervolgde hij, terwijl hij over den dwarsbalk stapte--"die is zeker ook om zeep. Wel vriend, ben je dood?" vroeg Jack en bekrachtigde zijn vraag met een schop tegen de ribben. De man kreunde. "Dat is jammer, Gascoigne, maar mijn pistool zal er gauw een eind aan maken."
"Halt! Jack," riep Gascoigne uit, "dat zou immers een moord zijn."
"In het onderhavige geval niet," beweerde Jack. "Iemand die een aanslag doet op het leven van een ander, heeft het zijne verbeurd."
Gascoigne kon echter nog niet toegeven, dat Jack daarom recht had om met nummer drie korte metten te maken en er volgde eenig gehaspel tusschen onze beide vrienden, waaraan eindelijk de persoon in kwestie zelf een einde maakte door met een zwaren zucht den laatsten adem uit te blazen. Nu talmden zij niet langer en spoedig waren de lijken in de golven verdwenen. Nadat ook de schuit schoongeveegd was, zochten ze naar wat eten en vonden in een kist brood, worst en een kruik wijn.
"De schipper heeft toch woord gehouden en voor een maal gezorgd," zei Jack.
"Ja, en als het gezicht van al dat goud hem niet verlokt had, zou hij nog in leven zijn."
"Als jij niet aangeraden had op de vlucht te gaan met een marktschuit, evengoed."
"En als jij geen duel had gehad, zou ik dien raad niet gegeven hebben."
"En als de stuurman niet genoodzaakt was geweest te Gibraltar zonder broek aan boord te komen, zou ik niet geduelleerd hebben."
"En als jij niet aan boord gekomen waart, zou de bootsman zijn broek aan gehad hebben."
"En als mijn vader geen wijsgeer was geweest, zou ik niet op zee gegaan zijn; zoodat eigenlijk mijn vader van alles de schuld draagt en, zonder het zelf te weten, heel op de kust van Sicilië vier menschen gedood heeft--daar heb je nu oorzaak en gevolg. Kortom, niets gaat boven redeneeren; nu dat uitgemaakt is, kunnen we wel aan ons maal beginnen."
Nadat dit afgeloopen was, ging Jack naar voren en kreeg land in 't zicht; drie of vier uren stuurden zij nu denzelfden koers.
"We moeten meer bij den wind opsteken," zei Gascoigne; "bij een kleine stad aan te leggen, zal niet geraden zijn; we hebben te kiezen of we ergens op de kust zullen landen en de schuit laten zinken, of bij een of andere groote stad binnenloopen."
"Dat moeten we nog eens in 't breede beredeneeren," zei Jack.
"Neem jij dan intusschen het roer over, want mijn arm wordt me zoo moe; je kunt goed genoeg sturen en 't is tijd, dat ik eens naar mijn schouder kijk, want hij is me heelemaal stijf geworden." Gascoigne trok zijn jas uit en bemerkte nu dat zijn hemd van bloed doortrokken was en op de wond vastgeplakt zat. Hij nam zoolang het roer over, tot Jack hem den schouder gewasschen en verbonden had.
"Neem jij het roer nu maar weer voor je rekening," zei Gascoigne, "want ik sta op de ziekenlijst."
"Als heelmeester ben ik niets waard," hernam Jack; "maar wat nu begonnen? Zullen we van avond aan wal gaan en de schuit laten zinken of een stadshaven binnenloopen?"
"Wil je wel gelooven, Jack, dat ik wou dat we weer op de Harpij zaten? Ik heb al genoeg van den tocht."
"'t Loopt met mijn tochten ook zoo ongelukkig," antwoordde Jack, "ze zijn al te avontuurlijk; maar aan den wal ben ik nog nooit aan 't ronddolen geweest. Me dunkt, als we Palermo maar konden bereiken, zouden we alle moeilijkheden te boven zijn."
"De wind wakkert aan, Jack," zei Gascoigne; "en 't begint er te loevert vrij smerig uit te zien. Ik vrees dat we storm krijgen."
"Dat belooft weinig goeds--ik weet wat het zegt bij een storm gebrek aan handen te hebben; één ding is echter gelukkig, we zullen ditmaal niet uit den wal gedreven worden."
"Neen, maar wel op de klippen schipbreuk lijden. Er staat te veel zeil bij, Rustig, we zullen wat moeten strijken en een rif leggen, en hoe eer hoe liever maar, want over een uur zal het donker zijn. Ga vooruit het zeil maar strijken, dan zal ik je helpen."
Jack deed dit, maar het zeil zakte in het water en hij kon 't niet binnen boord krijgen.
"Zet 't aan de spil vast," zei Gascoigne, "dan zal ik er de wind uit laten loopen."
Dit gebeurde; zij reefden het zeil, maar konden het niet meer omhoog krijgen: telkens als Gascoigne den helmstok losliet om Jack te helpen, schoot de wind in het zeil, en als hij dan naar het roer ging om den wind weer uit het zeil te krijgen, was Jack alleen niet sterk genoeg om het op te hijschen.
De wind werd hand over hand sterker en de zee onstuimiger; de zon school weg en met het halverwege geheschen zeil konden ze niet bij den wind houden, maar waren verplicht recht op de kust aan te varen. De schuit vloog vooruit over de koppen der golven en de kiel stond half blank van het water; de maan was al opgekomen en gaf licht genoeg om te doen zien, dat zij niet meer dan vijf mijlen van de kust verwijderd waren, waar een breede strook schuim een hevige branding verried.
"In elk geval kunnen ze ons niet beschuldigen, dat wij er met de schuit van door zijn," merkte Jack op; "zij is integendeel met ons aan den haal."
"Ja," stemde Gascoigne toe, die al zijn kracht noodig had om de roerpen te regeeren; "zij heeft het bit tusschen de tanden genomen."
"Ik wou, dat ik ook maar wat tusschen de tanden had," zei Jack, "want ik heb een verduivelden honger; en jij, Ned?"
"Ik niet minder," antwoordde Gascoigne; "maar, weet je, Jack, 't kon best ons galgemaal wezen."
"Dan mag 't wel bijzonder goed zijn.--Maar hoe denk je dat zoo, Ned?"
"Over een half uur zitten we op het strand."
"Daar moeten we immers juist wezen."
"Ja, maar er staat een hooge zee en ons vaartuig kon wel eens tegen de rotsen stuk geslagen worden."
"Nu, dan zal ons daar ten minste niet meer naar gevraagd worden."
"Dat is wel waar, maar met die klippen is 't geen gekscheren; we zullen 't er zelf niet beter afbrengen dan de schuit en zwemmen helpt ook niet. Konden we maar een inham of een zandbank vinden, dan zou het misschien nog gelukken om aan wal te komen."
"Ja," hernam Jack, "ik ben nog niet lang op zee en weet natuurlijk nog weinig van al die dingen. Je zult wel gelijk hebben, maar ik zie het groote gevaar niet in--laten we de schuit hier maar dadelijk recht op het strand laten loopen."
"Dat zal ik ten minste beproeven," antwoordde Gascoigne, die al vier jaar ter zee voer en vrij goed wist wat er gedaan diende te worden.
Jack reikte hem een flink stuk brood met worst toe.
"Dank je, ik kan nu niet eten."
"Ik wel," antwoordde Jack, met een vollen mond.
Jack at en Gascoigne stuurde; de snelheid waarmee de marktschuit op de kust aanstoof was werkelijk onrustbarend. Als een pijl vloog ze van golf op golf en scheen er den spot mee te drijven, als deze haar toppen over den smallen achtersteven deden krullen. Geen mijl waren ze meer van het strand, toen Jack, die intusschen met zijn avondmaal klaar was en naar het bruischend schuim langs de kust zag, uitriep:
"Dat is heerlijk--prachtig!"
"Hij bekommert zich ook nergens om," dacht Gascoigne; "'t schijnt wel dat hij geen flauw begrip heeft van het gevaar waarin we verkeeren."
"Wacht maar, mijn beste jongen," zei Gascoigne, "binnen weinige minuten zitten we op de klippen. Ik kan onmogelijk van het roer weg, maar als we elkaar niet mochten terugzien, vaarwel dan, Jack, God zegen je."
"Gascoigne," zei Jack, "jij bent gewond, en ik niet; je schouder is stijf en je kunt den linkerarm ternauwernood bewegen. Als het toch op de klippen uitdraaien moet, kan ik evengoed sturen als jij. Ga jij voor naar den boeg, daar zul je een betere kans hebben." En de pistolen tusschen zijn vest stekende, liet hij er op volgen: "ik wil die dingen toch niet achterlaten, ze hebben ons te goede diensten bewezen. Komaan, Gascoigne, laat mij nu aan het roer."
"Neen, neen, Rustig."
"Ik zeg van ja," hernam Jack, op luiden, gebiedenden toon, "en wat meer is, ik wil gehoorzaamd worden, Gascoigne. Al heb ik geen voldoende kennis, spierkracht heb ik toch, en op de kust kan ik al licht aansturen. Kom, laat mij aan het roer. Als je dan niet goedschiks wilt, zal ik er me met geweld van meester maken."
Rustig wrong Gascoigne den helmstok uit de hand, en gaf hem een duw.
"Ga nu vooruit en zeg me hoe ik sturen moet."
Hoe Gascoigne ook gestemd was over Jack's manier van handelen, toch begreep hij onmiddellijk, dat er niets beters op zat dan de schuit op de minst onveilige plek te laten loopen, en hij dus waarschijnlijk vooruit nog betere diensten zou kunnen bewijzen dan aan het roer. Hij tuurde strak naar de klippen, waar de golven telkens als schuimend bovenuit sloegen, om dan als watervallen weer langs de kanten er van neer te stroomen. Wat rechtsaf bespeurde hij een gaping; als het vaartuig daarop aangehouden werd, meende hij, zou het zóó hoog opgeworpen worden, dat er voor hen kans zou zijn er uit te komen. Dit was nog de eenige manier om aan den dood te ontsnappen.
"Een beetje stuurboord--zoo is 't genoeg. Recht zoo--bakboord nu--bakboord? Pas op dat de ra je niet tegen het hoofd slaat--vasthouden!"
Op dit oogenblik werd de marktschuit in een breede kloof van een rots gesmeten, waarvan de zijden bijna loodrecht stonden; dit was het eenige wat hen kon redden, want als ze van den buitenkant tegen de klip aangekomen waren zou de schuit aan splinters geslagen zijn. De kloof was nog geen vier voet breeder dan de schuit, en daar dezen door de golven omhoog geslingerd werd, sloeg de ra met groot geweld heen en weer. Jack zou stellig over boord geworpen zijn, als hij niet gewaarschuwd was geworden; maar nu dook hij neer, zoodat de ra over hem heen ging. Toen het water terugweek, bleef de schuit tusschen de rotswanden hangen, maar een tweede golf stuwde ze nog hooger op en vulde ze tegelijkertijd met water. De boeg stond nu verscheidene voeten hooger dan de achtersteven, waar Jack zich bevond; en het gewicht van het water, vereenigd met de kracht der terugslaande golven, deed het vaartuig vlak achter den mast vaneensplijten. Jack bemerkte, dat het achtergedeelte van het schip weggeslagen werd; hij greep de ra, die nog heen en weer slingerde en terwijl hij zich daaraan vastklemde, zag hij het gedeelte van de schuit, waar hij zooeven nog gestaan had, onder zich in de golven verzinken.
Jack moest al zijn krachten inspannen om niet door de telkens opgezweepte golven weggerukt te worden; maar hij wist dat zijn leven van het vasthouden der ra afhing en ofschoon het water gedurig over hem heen sloeg, liet hij niet los. Eindelijk wist hij vasten voet te krijgen op de klip en kroop naar het voorstuk van de schuit, dat heel wat hoogerop tusschen een nauwer gedeelte van de kloof vastgeklemd zat. Opziende zag hij boven zich op een rotspunt Gascoigne staan, die hem nu de hand toestak en omhoog hielp.
"Ziezoo," zei Jack, terwijl hij het water afschudde, "hier zijn we tenminste aan wal--zoo iets had ik me toch niet kunnen voorstellen. De drang van het terugstroomende water was zoo groot, dat mijn arm er bijna door uit het lid getrokken zou zijn. Hoe gelukkig, dat ik jou met je gewonden schouder naar voren heb laten gaan! Nu alles voorbij is, en je gezien hebt dat ik toch gelijk had, zul je mijn ruwe bejegening wel niet kwalijk nemen."
"Je behoeft geen verschooning te vragen, dat je me het leven gered hebt, Jack," antwoordde Gascoigne, bibberend van koude.
"Ik moet eens zien of onze ammunitie droog gebleven is," zei Jack; "ik heb ze in mijn hoed geborgen."
Jack zette zijn hoed af en bevond, dat de patronen niets geleden hadden.
"Wat nu begonnen, Gascoigne?"
"Ik weet 't waarlijk niet."
"Laten we dan hier gaan zitten, om het eens goed te overleggen."
"Dank je wel, er zou te veel koud water over onze redeneeringen loopen--ik ben halfdood; laten we opstappen."
"Met alle genoegen," zei Jack, "al loopt 't hier alles behalve gemakkelijk."
Vijftiende hoofdstuk.
Onze held volgt zijn noodlot en ontmoet oude bekenden.
Onze beide vrienden klauterden nu verder over de klippen en hadden weldra den steilen oever bereikt, waar ze gingen zitten rusten. De lucht was helder, ofschoon er een sterke wind woei. Zij hadden een ruim uitzicht over de kust, die door de onstuimige golven gezweept werd.
"Als ik zoo naar die woeste baren zie, Ned, ben ik toch maar blij dat we er uit zijn."
"Dat ben ik volkomen met je eens, Jack, maar hier vandaan zou ik ook wel willen, want de wind blaast me door merg en been. Laten we wat landwaarts in gaan en zien of we eenige beschutting kunnen vinden tot de dag aanbreekt."
"'t Is haast te donker om iets te vinden," antwoordde onze held; "maar toch zoo'n stevige bries uit het westen boven op een heuveltop en dan met doornatte kleeren midden in den nacht, zonder iets te eten of te drinken, is geen bijzonder begeerlijke toestand en licht tegen een beteren te ruilen."
Zij liepen een honderd el verder en daalden toen af, wat hen terstond in een veel zachter atmosfeer bracht. Bij het voortzetten van hun tocht landwaarts in, kwamen ze op een weg, die evenwijdig scheen te loopen met de kust en volgden dien; want, zooals Jack te recht opmerkte, een weg voert altijd ergens heen. Na een wandeling van een kwartier, hoorden zij het rollen van de branding en bespeurden de witte muren van huizen.
"Eindelijk zijn we er," zei Jack. "Zou er iemand naar buiten komen en ons binnenlaten, of zouden we voor den nacht een schuilplaats moeten zoeken op een van de vaartuigen, die hier aan den wal liggen?"
"Denk er nu vooral om, Rustig, dat ge uw geld niet laat zien; dat wil zeggen, kom hoogstens met een dollar voor den dag en zeg dat je niet meer hebt; of beloof, dat we betalen zullen, zoodra we te Palermo komen; en als ze ons niet vertrouwen of ons niets willen geven, moeten we nader zien hoe we het maken zullen."
"Wat gaan die vervloekte honden te keer! Ditmaal zullen we 't er wel goed afbrengen, Gascoigne; we zien er waarlijk niet uit, alsof 't de moeite waard was ons te plunderen, en bij een aanval hebben we pistolen om ons te verdedigen. Reken er gerust op, dat ik geen goud meer vertoonen zal. En nu afgesproken hoe we doen zullen. Neem jij één pistool en de helft van het goud--'t zit alles in mijn rechterzak--mijn dollars en klein geld in mijn linker. Ook daarvan krijg je de helft. Totdat we in een veilig oord gekomen zijn, hebben we zilver genoeg."
Jack verdeelde nu in het donker het geld en gaf Gascoigne ook een pistool.
"Zullen we aankloppen om een onderkomen?--Laten we liever eerst het dorp doorwandelen en zien of er ergens een herberg te vinden is. Dat keffend hondegoed zal ons spoedig op de hielen zitten, ze komen al nader en nader. Daar staat een kar vol stroo--als we daar eens inkropen tot den morgen--we kunnen er ons in elk geval in verwarmen."
"Ja," antwoordde Gascoigne, "en veel beter slapen dan in een van de schamele woningen. Ik ben vroeger eens op Sicilië geweest; maar 'n vlooien dat je daar hadt!"
Onze beide adelborsten klommen in de kar, kropen lekker onder het stroo en waren spoedig in diepe rust. Daar ze in twee nachten geen oog hadden dichtgedaan, valt 't niet te verwonderen dat ze vast sliepen--zoo vast zelfs, dat, toen twee uren later de boer, die eenige vaten wijn naar het dorp had gebracht, zijn ossen inspande en, zonder iets van zijn vracht te bemerken, wegreed, zij volstrekt niet in hun rust werden gestoord, ofschoon de wegen op Sicilië nog al heel wat te wenschen overlaten.
Door het hobbelige van den weg werd de slaap van onze avonturiers nog eer versterkt dan gestoord; en al kregen ze nu en dan hevige schokken, dit werkte slechts uit, dat ze zich in hun droomen weer op de omstuimige golven en tusschen de klippen aan boord waanden. Na omstreeks twee uren bereikten de kar haar bestemming; de boer spande zijn ossen uit en leidde ze weg. Dezelfde oorzaak heeft soms tegengestelde gevolgen: nu de beweging van de kar ophield werd de rust van onze beide adelborsten verstoord; zij draaiden zich in het stroo om, gaapten, rekten de armen uit en werden wakker. Gascoigne, die een hevige pijn in den schouder voelde, was de eerste, die zijn verwarde zinnen weer goed bij elkaar kreeg.
"Rustig." riep hij, terwijl hij overeind ging zitten en zich de stroosmelen van het lijf schudde.
"Bakboord!" zei Jack half droomend.
"Kom, Rustig, we zijn nu niet aan boord. Word wakker!"
Jack richtte zich op en toen hij zich eindelijk genoeg uit het stroo omhoog gewerkt had om Gascoigne te kunnen zien, zei hij:
"Sla je geloof aan droomen, Ned? Ik heb namelijk gedroomd, dat we wakker werden en bij dezelfde stad aangeland bleken, waar vandaan de marktschuit uitgezeild was. Ze hadden het wrak tusschen de klippen ontdekt en herkend en een van onze pistolen gevonden. Wij werden ingerekend en in verhoor genomen omtrent het lot van de bemanning der schuit; en juist toen ze ons wilden knevelen, werd ik wakker."
"Heel gek, Jack. Toch moesten we hier maar niet langer toeven en ook verbeeld ik me, dat 't niet kwaad zoo zijn, als we onze kleeren noch wat meer havenden. Vooreerst zien we er dan wat schooieriger uit en in de tweede plaats kunnen we dan onze plunje lichter tegen de landsdracht verwisselen en verder trekken, zonder dat het kwade vermoedens wekt. Je weet, dat ik vrij goed Italiaansch spreek."
"Ik heb er niets tegen mijn kleeren nog wat meer te havenen," antwoordde Jack. "Maar geef me jouw pistool ook eens; de nat geworden lading moet er uit en ik zal beide opnieuw laden."
Nadat dit geschied was, kropen onze adelborsten uit de kar en keken om zich heen.
"Wat is dat, Gascoigne? van nacht waren we vlak bij de kust en tusschen huizen in en waar zitten we nu?"
"We hebben zeker geslapen als ossen," antwoordde Gascoigne, "maar we kunnen toch nog niet veel verder zijn."
"We zijn hier van alle kanten door heuvels omringd over een uitgestrektheid van minstens twee mijlen. De een of andere goede geest moet ons landwaarts in gebracht hebben, om ons te vrijwaren voor de vervolgingen der familiebetrekkingen van de bemanning, waarvan ik gedroomd heb," zei Jack.
Zooals hun later bleek, was de marktschuit werkelijk uit dezelfde zeehaven uitgezeild, die zij 's nachts bereikt hadden. Het wrak was gevonden en herkend en de inwoners hadden 't er voor gehouden, dat de schipper met zijn volk in den storm omgekomen was. Hadden ze onze beide adelborsten aangetroffen en ondervraagd, dan waren deze waarschijnlijk leelijk in de klem geraakt.
Na een poos nauwlettend rondgekeken te hebben, zagen ze, dat ze zich op een open veld bevonden, waar blijkbaar maïs afgedorscht en opgewand was, en dat de kar, die hen vervoerd had, in de schaduw van een groep boomen stond.
"Er moet toch ergens in de buurt een huis wezen," zei Gascoigne, "misschien hier achter die boomen. Komaan, Jack, je hebt stellig evenveel honger als ik, we moeten naar een ontbijt omzien."
Zij werkten zich nu door het vrij dichte boschage en ontdekten spoedig den muur van een groot huis.
"Al klaar," zei Jack; "maar eerst het terrein verkennen. Een boerenwoning is 't niet; het huis moet aan iemand van eenig aanzien behooren. Nu, des te beter--ze zullen dan te eer fatsoenlijke lui in ons herkennen, al steken we allerellendigst in de kleeren. We moeten ons maar houden aan dat praatje over de zeemeeuwenjacht, dunkt je ook niet?"
"Ja," antwoordde Gascoigne; ik weet er niets beters op. Maar ik bedenk daar, dat onze kansen niet zoo slecht staan, want de Engelschen hebben bezetting op Palermo."
"Zoo? Nu, ik wou maar dat ik vast aan de garnizoenstafel zat.--Maar wat hoor ik daar? Roept daar niet een vrouw om hulp? Ja, waarachtig! Vooruit, Ned!" En gevolgd door Gascoigne stormde Jack op het huis aan. Hoe meer zij naderden des te luider werden de kreten, en toen zij het vertrek binnenstoven, waaruit het geroep tot hen doordrong, vonden zij er een bejaard heer, die zich verdedigde tegen twee jongelieden, terwijl een bedaagde dame en een jong meisje de aanvallers trachten terug te houden. Fluks sprongen de beide adelborsten toe, grepen ieder een der onverlaten aan en hielden hun de pistolen voor. Schrik en verbazing over het onverwachts optreden onzer beide vrienden veroorzaakten eenige oogenblikken van stilte.
"Ned," zei Jack ten laatste, "zeg aan die twee, dat we afvuren, als ze niet onmiddelijk hun degens overgeven."