Jack Rustig

Chapter 12

Chapter 124,095 wordsPublic domain

"Hier is een fatsoenlijk man, dien gij beleedigd hebt, meneer Rustig," zei de bootsman op den onderbetaalmeester wijzende.

"Ja, meneer Rustig, even fatsoenlijk als gij, al is 't me tegengeloopen; ik behoor tot een van de oudste geslachten van het land," voegde Easthupp er bij, die zich nu door den bootsman gesteund zag.

"Gij hebt dien heer grof beleedigd," vervolgde meneer Biggs, en al hebt ge den mond vol van gelijkheid, toch durft ge hem geen voldoening geven en verschuilt ge u achter uw halfdek."

"Meneer Biggs," hervatte onze held, die nu kregel was geworden, "zoodra we te Malta binnenloopen zal ik aan wal gaan. Als gij en die man daar u dan wat netjes in de kleeren steekt, zal ik me met u beiden meten, en toonen of ik bang ben voldoening te geven."

"Een voor een," zei de bootsman.

"Neen, meneer, niet een voor een maar beiden te gelijk of anders in 't geheel niet. Als gij mijn meerdere zijt, moet gij tot mij afdalen," hernam Jack met bijtenden spot, "of anders daal ik niet af tot dien kerel daar, dien ik weinig beter acht dan een zakkenroller."

Deze uitval van Jack deed den onderbetaalmeester verbleeken en daarna weder rood worden. Hij stampvoette en snoof, maar durfde toch Jack niet onder de oogen zien.

"Nu, meneer Biggs, hebt gij me goed begrepen, of verschuilt ge u soms achter uw bak?"

"Ik zoek geen uitvluchten," antwoordde de bootsman, "en op Malta zullen we de zaak vereffenen."

Na dit antwoord begaf Jack zich weer naar Mesty.

"Massa Rustig, het gezicht van dien Easthupp bevalt me niet. Ik ga mee aan wal, om te zien of het wel eerlijk toegaat."

Nu Biggs verklaard had dat hij zou vechten, moest hij natuurlijk naar een secondant omzien en hij koos daartoe den konstabel Tallboys. Deze had zich in den laatsten tijd meer en meer geërgerd, dat Jack hem in de wetenschap der zeevaartkunde de baas werd, en kon hem daarom niet goed meer zetten; hij kon echter maar niet vatten hoe zoo'n duel van drie personen geregeld moest worden en ging dus in zijn hut aan het napluizen van zijn boeken.

Jack durfde Jolliffe niet over het geval spreken en eigenlijk was er op het schip maar één aan wien hij het kon toevertrouwen, namelijk Gascoigne. Deze nu vond het wel beneden Jack's waardigheid zich met den bootsman te meten, maar nu de uitdaging eenmaal geschied was, viel er niets meer aan te veranderen; hij stemde er dus in toe Jack's secondant te wezen, zonder zich verder over de gevolgen te bekommeren.

Den tweeden dag, nadat ze in de haven van Valette waren binnengeloopen, kregen de bootsman, de konstabel, Jack en Gascoigne verlof om aan wal te gaan. Meneer Easthupp, de onderbetaalmeester, trok zijn besten blauwen jas met koperen knoopen en fluweelen kraag aan, begaf zich naar het halfdek en vroeg eveneens verlof, maar meneer Sawbridge weigerde het hem, omdat zijn diensten vereischt werden bij het overbrengen van duigen en hoepels naar de kuiperij. Ook Mesty kon tot zijn grooten spijt niet gemist worden.

Dit trof ongelukkig, maar er werd nu overeengekomen, dat de ontmoeting plaats zou hebben achter de kuiperij. Easthupp moest er dan maar een deel van zijn diensttijd afnemen, om de breuk in zijn gekwetste eer te herstellen. De partijen gingen allen aan wal en trokken regelrecht naar een der kleine herbergen om de noodige toebereidselen te maken.

Meneer Tallboys nam meneer Gascoigne ter zijde, terwijl de bootsman zijn troost zocht bij een glas grog en onze held zich buiten vermaakte met een aap te plagen.

"Meneer Gascoigne," zei de konstabel, "ik heb er erg over ingezeten, hoe 't met dat duel gaan moet, maar nu ben ik er achter. 't Is met die drie partijen, weet je; waren er twee of vier, dan gaf dat geen moeilijkheid; de rechte lijn of het vierkant zouden ons in dat geval te pas komen; maar nu moeten we het in een driehoek opstellen."

Gascoigne keek verbaasd op, hij begreep maar niet, waar dat op neer zou komen.

"Zijt ge op de hoogte, meneer Gascoigne, van de eigenschappen van een gelijkzijdigen driehoek?"

"Jawel," antwoordde de adelborst, "dat ze drie gelijke zijden heeft--maar wat drommel heeft dat met het duel te maken?"

"Heel veel, meneer Gascoigne," hernam de konstabel; "de moeilijkheid wordt er door opgelost: werkelijk, een duel met z'n drieën kan enkel naar dat grondbeginsel plaats hebben. Zie maar eens hier," zei de konstabel, terwijl hij een stuk krijt uit zijn zak haalde en een driehoek op de tafel teekende, "in deze figuur hebben we drie punten, op gelijken afstand van elkaar en ook hebben we drie strijders; plaatsen we er op ieder punt één, dan is de zaak in orde: hier bijvoorbeeld meneer Rustig, de bootsman daar en de onderbetaalmeester op den derden hoek."

"Maar hoe moet er dan geschoten worden?" vroeg Gascoigne, die schik in de grap kreeg.

"Dat komt er minder op aan," hernam de konstabel, "maar voor zeelui dient 't wel met de zon om te gaan; dat wil zeggen meneer Rustig schiet op meneer Biggs, meneer Biggs op meneer Easthupp en meneer Easthupp weer op meneer Rustig; op die manier krijgt ieder zijn schot en dient tevens tot mikpunt voor een ander."

Gascoigne was in de wolken over die nieuwe vinding, te meer daar hij begreep, dat ze voor Rustig groot voordeel opleverde.

"Op mijn woord, meneer Tallboys! ik maak u mijn compliment; wat zijt ge toch een wiskundige kop, ik ben niet uw schikking ten hoogste ingenomen. Natuurlijk hebben in dergelijke zaken de partijen zich te houden aan de voorschriften der secondanten, en ik zal er wel voor zorgen, dat meneer Rustig met uw uitnemend en wetenschappelijk voorstel genoegen neemt."

Gascoigne begaf zich naar buiten, waar Jack nog met den aap bezig was, deelde hem de door den konstabel voorgestelde regeling mee en beiden lachten er hartelijk over.

De konstabel stelde er den bootsman mee in kennis, en ofschoon deze er zoo goed als niets van begreep, zei hij toch:

"Voor mijn part, ik vind 't best--schot om schot, en geen begunstiging van den een boven den ander."

De partijen verschenen nu op de aangewezen plaats met twee paar scheepspistolen, die meneer Tallboys stil van boord meegesmokkeld had, en de konstabel ging nu meneer Easthupp uit de kuiperij roepen. Intusschen had Gascoigne een gelijkzijdigen driehoek van twaalf pas per zijde uitgemeten, die door Tallboys bij zijn terugkeer goedgekeurd werd. Rustig nam zijn plaats in, de bootsman werd op de zijne gezet en Easthupp, die beteuterd stond te kijken, door den konstabel naar de derde plaats geleid.

"Maar meneer Tallboys," zei de onderbetaalmeester, "ik begrijp er niets van. Meneer Rustig moet toch eerst met meneer Biggs vechten, is 't niet?"

"Wel neen," antwoordde de konstabel, "'t is een duel met z'n drieën. Gij schiet op meneer Rustig, meneer Rustig op meneer Biggs en meneer Biggs op u. Zoo is 't geregeld, meneer Easthupp."

"Maar," zei meneer Easthupp, "dat vat ik niet. Waarom moet meneer Biggs op mij schieten? Met hem heb ik geen twist."

"Omdat meneer Rustig op meneer Biggs schiet, en meneer Biggs moet immers evengoed zijn schot hebben."

"Meneer Easthupp," merkte Gascoigne op, "als gij ooit in fatsoenlijk gezelschap hebt verkeerd, dient ge eenig begrip te hebben van duelleeren."

"In de fijnste gezelschappen heb ik verkeerd, meneer Gascoigne, en ik weet iemand voldoening te geven; maar...."

"In dat geval, meneer, behoort gij te weten dat uw eer in handen van uw secondant is en dat geen fatsoenlijk man van diens schikking in appél komt."

"Dat weet ik ook wel, meneer Gascoigne; maar ik heb geen ruzie met meneer Biggs, en daarom zal meneer Biggs stellig niet op mij willen mikken."

"Zou je soms denken dat ik voor niets op me liet schieten?" viel de bootsman uit. "Waarachtig niet ik wil ook mijn schot hebben."

"Maar op uw vriend, meneer Biggs!"

"Dat kan me niet schelen, ik zal schieten op wie dan ook; schot om schot, en ik zal zoo goed mogelijk raken."

"Neen, heeren, daar tegen teeken ik protest aan," riep Easthupp; "ik ben hier gekomen om voldoening te eischen van meneer Rustig en niet om meneer Biggs op me te laten schieten."

"Gij krijgt immers voldoening door op meneer Rustig te mogen schieten, wat wilt ge nog meer?" antwoordde de konstabel.

"Maar ik protesteer tegen het schieten van meneer Biggs op mij."

"Zoo, wou je soms wel een schot lossen maar er geen ontvangen?" snauwde Gascoigne hem toe, "je bent een vervloekte lafaard en moest eigenlijk weer in de kuiperij gesmeten worden."

Die beleedigende uitdrukking maakte het bloed van Easthupp gaande en hij nam het pistool aan, dat de konstabel hem voorhield.

"Onthoud die woorden goed, meneer Biggs; wat een taal tegenover een fatsoenlijk man! Gij zult van me hooren, meneer, zoodra het schip afbetaald is. Ik verzet me niet langer, meneer Tallboys; liever dood dan eerloos. Ik ben een man van fatsoen, voor den donder!"

Blijkbaar was de bluffer alles behalve dapper, want hij beefde sterk toen hij aanlegde.

De konstabel gaf het teeken, met een omhaal alsof hij aan boord de oefeningen met de kanonnen leidde. Nauwelijks had hij "vuur!" gekommandeerd of meneer Easthupp gaf een luiden gil, sloeg de hand achter tegen zijn broek en viel neer; de kogel had den zetel van zijn eer getroffen, daar hij bij het mikken op onzen held den bootsman zijn rug had toegekeerd. Ook Jack's schot had doel getroffen; de kogel was dwars door de wangen van den bootsman gegaan had een paar van zijn beste boventanden meegenomen en bovendien zijn tabakspruim. De kogel van Easthupp echter was geheel uit den koers gevlogen, want bij het afvuren had hij de oogen dichtgeknepen.

De onderbetaalmeester lag op den grond te kermen--de bootsman spoog met zijn paar tanden een mondje twee, drie bloed uit en wierp zijn pistool nijdig van zich af.

"'t Is waarachtig wat moois," bromde hij tusschen het spuwen door; "hoe moet ik nu voortaan het sein voor het middagmaal geven? Als ik op de fluit wil blazen zal de wind ontsnappen door de gaatjes in mijn wangen."

Intusschen waren de anderen begonnen hulp te verleenen aan den onderbetaalmeester, die maar aldoor aan het jammeren bleef. Zij onderzochten de wond en bevonden dat ze niet gevaarlijk was.

"Houd toch op met dat verwenschte geschreeuw," riep de konstabel uit, "je zult nog maken dat de wacht er op af komt; je bent niet getroffen."

"Niet?" kermde de betaalmeester. "O, laat me maar sterven, laat me maar sterven; raak me toch niet aan!"

"Malligheid!" riep de konstabel uit, "je moet opstaan en naar de boot loopen; als je 't niet doet, laten we je hier liggen--houd je mond toch, kerel! Zul je? of je krijgt een opstopper van me."

"Hij zal niet kunnen loopen, meneer Tallboys," zei Gascoigne; "het best zal wezen dat we een paar man uit de kuiperij roepen en hem naar het hospitaal laten dragen."

Terwijl de konstabel aan dien wenk gehoor gaf, kwam meneer Biggs, met een doek om zijn gezicht alsof hij kiespijn had, op den onderbetaalmeester af.

"Wat duivel maak jij toch voor een erbarmelijk leven? Kijk mij eens, ik heb twee gaten dwars door mijn facie, en jij enkel een in je achtersteven. Ik wou maar dat ik in jouw plaats was, dan kon ik ten minste nog op de fluit blazen. Dat was een verwenscht schot, meneer Rustig."

"Het spijt me waarlijk," antwoordde Jack met een beleefde buiging; "ik verzoek u wel verschooning."

Onder dit gesprek raakte de onderbetaalmeester zoo'n beetje buiten westen en dacht dat hij sterven zou.

"Och hemeltje, wat was ik een dwaas! Nooit ben ik een heer geweest--enkel een bluffer: ik zal sterven; nooit zal ik meer zakkenrollen--nooit--nooit!"

"Jou vervloekte kerel!" riep Gascoigne uit. "Dus ben je toch werkelijk een zakkenroller geweest?"

"Ik zal er me nooit weer mee inlaten," kreunde de vent. "Voortaan zal ik een deugdzaam leven leiden--water, water, alsjeblieft! O, o!"

Daarop viel de arme stakker in zwijm, en meneer Tallboys, die juist met een paar man terugkeerde, liet hem nu naar het hospitaal brengen, waarheen ook de bootsman hem vergezelde, in de meening dat hij wel eenige geneeskundige hulp kon gebruiken, eer hij weer naar boord ging.

"Wel, Rustig," zei Gascoigne, terwijl hij de pistolen opraapte en in zijn zakdoek wikkelde, "dat is de mooiste grap geweest, die ik ooit heb bijgewoond." En bij de herinnering er aan, barstte hij in lachen uit, zoodat de tranen hem over de wangen liepen. Jack echter vond het geval lang zoo prettig niet, want hij vreesde dat de onderbetaalmeester ernstig gewond zou zijn en gaf zijn bezorgdheid daarover te kennen.

"In elk geval hebt gij hem niet getroffen," hernam Gascoigne; "het eenige wat op uw rekening komt is het geschonden gezicht van den bootsman,--je zult hem nu wel voor goed den mond gestopt hebben."

"Ik vrees, dat het voortaan met ons verlof krijgen uit zal zijn," antwoordde Jack.

"Daar kunnen we wel zeker van zijn," stemde Gascoigne in.

"Hoor eens hier," zei Rustig; ik heb een aardig sommetje dollars bij me--als we eens niet naar boord teruggingen?"

"Sawbridge zal ons door de wacht laten inrekenen," luidde het antwoord; "maar daartoe moeten ze ons eerst vinden."

"Dat kan zoo lang niet duren, ze zullen ons gauw genoeg bij de kladden hebben en dan gaan we voor een paar dagen de doos in."

"'t Zou toch een verduiveld werk zijn, als we al de zes weken, die het schip hier blijft liggen, bij zoo'n brandende zonnehitte aan boord moesten hokken, met geen andere bezigheid dan naar het spelen der loodsmannetjes om het roer te kijken en slechte abrikozen te verorberen. Heb je veel geld bij je, Jack?"

"Twintig dubloenen en nog wat dollars," antwoordde Jack.

"Laten we ons dan houden, Jack, alsof we ons doodelijk ongerust maken over de gevolgen van het duel en ons niet durven vertoonen uit vrees van gehangen te zullen worden. Ik zal Jolliffe een brief zenden, dat we ons schuil houden tot onze zaak afgehandeld is en hem verzoeken bij den kapitein en den eersten luitenant een goed woord voor ons te doen. Ik zal hem alles in bijzonderheden vertellen en mij voor de waarheid er van op den konstabel beroepen; dan weet ik zeker, dat, al worden wij gestraft, zij toch om het geval zullen lachen. Maar ik zal 't laten voorkomen, alsof Easthupp gedood is, en wij bang zijn voor ons leven. Als we dan aan boord gaan van een der marktschuiten, die met fruit van Sicilië hier komen en van avond naar Palermo zeilen, kunnen we een tocht van veertien dagen maken en, als ons geld op is, weer terugkeeren."

"Dat is een prachtig idee, Ned, en hoe eer we het ten uitvoer brengen hoe beter. Ik zal den kapitein schrijven om hem te smeeken ons van het ophangen te verschoonen en hem te melden, waar we heen gevlucht zijn. Die brief moet hem overhandigd worden, nadat we onder zeil zijn gegaan."

Veertiende hoofdstuk.

Onze held onderneemt een nieuwen tocht en schiet er bijna het hachje bij in.

Gascoigne en onze held, die geen van beiden in uniform waren, hadden spoedig den eigenaar van een marktschuit opgediept. Zij troonden de man mee naar een kroeg, waar ze, met behulp van een Malthezer jongen, die wat Engelsch verstond, met hem overeenkwamen, dat hij voor de som van twee dubloenen nog dienzelfden avond onder zeil zou gaan en hen bij een of andere stad van Sicilië aan wal zou zetten. Het bezorgen van wat eetbaars en van een paar mantels om in te slapen was onder den koop begrepen.

Onze beide adelborsten keerden nu weer terug naar de herberg, waar ze vóór het duel vertoefd hadden en bestelden een flink maal. Terwijl ze in een achterkamer daarop zaten te wachten, verdreven ze zich den tijd met vliegen vangen en het praten over de gebeurtenissen van dien dag.

Daar meneer Tallboys het niet geraden achtte vóór den avond naar boord terug te keeren en ook meneer Biggs het liever eerst donker wilde laten worden, lekte er vóór den volgenden morgen niets van het duel uit. Ook toen nog werd het niet bekend door den bootsman of den konstabel, maar door een hospitaalknecht, die den scheepsdokter kwam verwittigen, dat een van de manschappen gewond bij hen was binnengebracht, maar het heel goed maakte.

Meneer Biggs was met een doek om zijn gezicht langs de valreep opgeklommen.

"Die verduivelde Jack Rustig," mompelde hij, "sedert we van Portsmouth uitgezeild zijn, ben ik nog maar tweemaal met verlof geweest. De eerste maal moest ik ten spot van de heele bemanning zonder broek naar boord terug en nu durf ik mijn gezicht niet vertoonen." Hij meldde zich bij den officier van de wacht en haastte zich naar de kooi, waar hij den ganschen nacht wakker lag van de pijn, en op een uitvlucht zon om den volgenden morgen niet aan dek te komen.

Die moeite had hij zich echter kunnen besparen, want meneer Jolliffe bracht den brief van Gascoigne aan meneer Sawbridge, en die van onzen held werd aan den kapitein overhandigd.

Kapitein Wilson kwam aan boord en hoorde nu van Sawbridge al de bijzonderheden die Jack onvermeld had gelaten; en nadat zij den brief van Gascoigne in de kajuit nog eens overgelezen hadden en meneer Tallboys in verhoor genomen en in arrest gezonden was, maakten zij zich vroolijk over het gebeurde.

"Er komt maar geen einde aan de dwaasheden van dien Rustig," zei de kapitein. "Ik moet lachen om dat duel, want eigenlijk heeft 't niets te beduiden en hij zou er met een flinke schobbeering afgekomen zijn. Maar die malle jongens zijn nu met een marktschuit naar Sicilië en hoe duivel krijgen we ze weer hier?"

"Zoodra hun geld op is, zullen ze wel vanzelf terugkomen," antwoordde Sawbridge.

"Ja, als ze ten minste niet in andere ongelegenheden geraken. Die Gascoigne is al net zoo'n hachje als Rustig, en nu die twee bij elkaar zijn, valt er geen pijl op te trekken waar het op uit zal draaien. Van middag ga ik bij den goeverneur ten eten, wat zal die lachen als ik hem van de nieuwe manier van duelleeren vertel!"

"Ja, meneer, dat is juist een kolfje naar zijn hand."

"We dienen toch te onderzoeken, Sawbridge, of ze het eiland al verlaten hebben; me dunkt, dat zullen ze nog niet."

Maar het was wel zoo. Jack en Gascoigne hadden een flink maal genuttigd en vervolgens bedaard gewacht, tot de marktschipper hen kwam halen.

"Wat zullen we met de pistolen doen, Jack?"

"Meenemen en laden voordat we vertrekken--we kunnen ze soms noodig hebben. Wie weet of er aan boord van de marktschuit geen muiterij uitbreekt. Hadden we Mesty maar bij ons."

Zij laadden de pistolen, namen er ieder een paar en borgen die onder hun vest, verdeelden kruit en lood onder elkaar en weldra kwam de schipper hun zeggen, dat alles gereed was.

Gascoigne en Rustig betaalden nu hun rekening en wilden vertrekken, maar de schipper gaf hun te kennen, dat hij klinkende munt wilde zien eer hij hen aan boord liet. Jack raakte daarover zoo verbolgen, dat hij een handvol dubloenen uit zijn zak greep en er den schipper twee van toewierp met de vraag of dat genoeg was.

De schipper trok zijn beurs, deed het geld er in en verzocht de jongelieden onder allerlei verontschuldigingen hem te volgen. Dit deden zij en niet lang daarna voeren ze vlak langs de Harpij de haven van Vallette uit.

Het was een heldere avond en onder het flikkeren der sterren en de zachte stralen der maan gleed het lichte vaartuig over het water. De onoverdekte schuit lag vol vaten en kisten, waarin druiven en allerlei vruchten geweest waren en de bemanning bestond, behalve uit den schipper zelf, uit twee man en een jongen, welke laatste drie zich vooruit bij het zeil ophielden.

De schipper zat aan het roer en was zeer beleefd tegenover de twee jongelui, die maar liever ongemoeid gelaten werden. Ten slotte vroegen zij om een paar mantels, daar ze wilden gaan slapen. De schipper riep nu den jongen om het roer van hem over te nemen, haalde wat zij verlangd hadden en ging vervolgens naar voren. Onze beide adelborsten lagen een poos naar de sterren te kijken, zonder een woord te spreken, doch eindelijk begon Jack:

"Zoo'n vaart vind ik heel prettig, Gascoigne. Wat danst zoo'n scheepje luchtig over de golven."

"Dat vind ik ook, je zoudt je zoo heerlijk in slaap kunnen laten wiegelen; maar wat dunk je, zou 't ook zaak zijn wacht te houden?"

"Om de waarheid te zeggen, daar heb ik ook al over gedacht. De oogen van den schipper bevallen me niet best--hij kijkt scheel."

"Dat doet er eigenlijk minder toe, Jack, maar ik geloof dat hij verlekkerd is geraakt op je dubloenen; je hadt eens moeten zien hoe zijn oogen begonnen te glinsteren, toen je zooveel geld voor den dag haalde."

"Ja, dat was een domme streek van me."

"Je hadt hem liever de pistolen dan je dubloenen moeten laten zien."

"Nu, als hij lust krijgt zich toe te eigenen wat hij gezien heeft, zal hij kennis maken met wat hij niet onder de oogen heeft gehad."

"O, bang ben ik niet, maar we zullen toch verstandig doen met een half oog open te houden."

"Wanneer zouden we aan land komen?"

"Morgenavond als de wind zoo blijft, en daar is veel kans op. Als we eens om beurten waakten en onze pistolen onder de mantels gereed hielden?"

"Best--'t is nu ongeveer twaalf uur--wie zal de hondenwacht op zich nemen?"

"Ik, Jack, als je 't goed vind."

"Goedennacht dan en kijk maar goed uit de oogen. Geef me maar een fermen stomp als ik je moet aflossen, want ik slaap verduiveld vast."

Binnen weinige minuten lag Jack in diepe rust, terwijl Gascoigne plat in de schuit zat met naast iedere hand een pistool.

De eigenaar van het scheepje was zoo verlekkerd geraakt op de dubloenen, die Jack zoo ondoordacht had laten zien, dat hij besloot er zich meester van te maken. Terwijl onze beide vrienden zamen zaten te praten, was de schipper met de twee mannen vooruit aan het overleggen, en er werd afgesproken, dat zij de beide passagiers zouden vermoorden, plunderen en vervolgens over boord werpen.

Tegen twee uur in den morgen kwam de schipper eens kijken of ze sliepen, maar vond Gascoigne wakker. Telkens en telkens keerde hij nog eens terug, maar steeds vond hij den jongen man overeind zitten. Ongeduldig geworden, vol begeerte naar het geld en niet vermoedende dat zijn passagiers gewapend waren, begaf hij zich nogmaals vooruit om met de twee anderen te beraadslagen. Gascoigne had zijn bewegingen nauwlettend nagegaan; hij vond het vreemd, dat het roer aan den jongen werd toevertrouwd, terwijl er toch drie volwassen mannen aan boord waren, en ten laatste merkte hij op, dat ze hun messen trokken. Hij gaf Jack een peuter, zoodat deze onmiddellijk ontwaakte. Gascoigne hield jack de hand voor den mond, opdat hij geen geluid zou geven en fluisterde hem toe welke vermoedens hij had. Jack greep zijn pistolen; beiden spanden zoo voorzichtig mogelijk den haan en wachtten in stilte wat er gebeuren zou, Jack, nog liggende, terwijl Gascoigne plat op den bodem der schuit bleef zitten. Eindelijk zag Cascoigne de drie mannen naar achter komen--voor een oogenblik lei hij een zijner pistolen neer om Jack een handdruk te geven, die door dezen beantwoord werd. Terwijl Gascoigne de kerels, die tusschen de leege vaten door naderden, strak in het oog hield, bleef Jack languit liggen en deed alsof hij sliep. Dichtbij gekomen hieven de schipper en zijn beide helpers hun messen op, doch nu losten de slapend gewaande adelborsten opeens hun pistolen, en troffen den schipper en een der knechts vlak in den borst, zoodat ze beiden neerstortten. De derde aanvaller deinsde af. Jack, die niet op kon staan, omdat het lichaam van den schipper hem dwars over de beenen was gevallen, lei met het tweede pistool haastig op den derden man aan en ook deze plofte neer. De jongen aan het roer, die misschien wist waar het op aangelegd was, of wel eenvoudig het voorbeeld der anderen volgde, trok nu ook zijn mes en viel Gascoigne van achteren aan. Gelukkig schampte het mes af, zoodat Gascoigne slechts een lichte verwonding aan den schouder bekwam. Toen hij zich schielijk omwendde om den jongen neerschieten, verloor deze bij het terugdeinzen zijn evenwicht en sloeg over boord.

Onze beide adelborsten schepten nu even adem.

"Wel, Jack." zei Gascoigne ten laatste, "had je ooit...."

"Neen, nooit."--antwoordde Jack.

"Wat nu gedaan?"