Chapter 11
"Ja, 't is de Harpij," zei de matroos. "O, meneer Rustig, kunt gij ons niet vergeven?" vervolgde de man, terwijl hij met de overigen op de knieën viel. "Vertel om Godswil niet alles, meneer Rustig."
Jack's gemoed werd week; hij zag om naar Mesty.
"Mij dunkt," fluisterde deze onzen held toe, "dat bij al wat ze reeds doorstaan hebben, een twaalftal per man wel genoeg zal zijn."
Jack vond de helft dier straf al voldoende, en dus deelde hij hun mede, dat ofschoon hij het gebeurde niet mocht verzwijgen, hij toch niet alles zeggen en zooveel mogelijk vergoeilijken zou. Hij wilde juist weer een toespraak houden, toen een schot van de Harpij, die intusschen op dezelfde hoogte gekomen was, hem dit tot geschikter gelegenheid deed uitstellen. Te zelfder tijd heesch het vaartuig onder den wal de Spaansche vlag en loste een schot.
"Verduiveld, we zitten er juist tusschen in," riep Mesty uit. "De Harpij houdt ons voor een Spanjaard. Komaan, jongens, de kanonnen gericht en kruit en lood bijgebracht. Massa, nu moeten wij op den Spanjaard vuren, anders laat de Harpij ons niet met rust, want we hebben geen Engelsche vlag aan boord."
Spoedig waren de kanonnen geladen en kruit op de pan gedaan, onder welke bedrijven de wind ging liggen, zoodat de zeilen van al de drie schepen tegen de masten sloegen. De Harpij was nu omstreeks twee mijlen van Jack's schip verwijderd en de Spanjaard ongeveer een mijl. Mesty nam het Spaansche schip eens goed op.
"Dat is een oorlogschip, massa,--maar hoe komen we nu aan een vlag? We dienen er toch een te hijschen."
Haastig snelde de neger naar beneden, want hij herinnerde zich een vrij mooien vrouwenrok, achtergelaten door de oude dame, die op het schip was, toen het buit gemaakt werd. Het was er een van groene zijde met gele en blauwe bloemen, maar vrij versleten. Mesty had het ding onder de matras van een der bedden gevonden en in zijn kist gestopt, misschien wel om er een paar vesten van te maken. Spoedig kwam hij er mee aandragen, bevestigde het aan den dirk en heesch het op.
"Ziezoo, massa, dat is voldoende,--dat is nu de zoogenaamde aller-natiënvlag! Iedereen strijkt er de zijne voor en nooit wordt ze naar beneden gehaald," zei Mesty. "Komaan, nu we de vlag geheschen hebben, gaan we vuren--maar denk er om, één voor één en terdege goed mikken, dan hebben we tijd om weer te laden."
"Ze hebben de vlag geheschen, kapitein." zei Sawbridge aan boord van de Harpij; "maar wat 't er voor een is, kan ik onmogelijk onderscheiden. Hoor, daar valt een schot."
"'t Is niet op ons gemikt, meneer," zei Gascoigne, "maar op het Spaansche schip; ik zag den kogel vlak voor den boeg neerslaan."
"'t Moet een kaper wezen," zei kapitein Wilson; "in alle geval komt hij juist van pas, want anders zou de korvet te Carthagena zijn binnengeloopen. Al weer een schot, en goed gemikt ook; dat kleine ding voert zwaar geschut, 't is stellig een Malthezer kaper."
"Dat wil zooveel zeggen als een zeeroover," hernam Sawbridge: "ik kan uit de vlag niet wijs worden--het lijkt wel groen--zeker een Turk. Al weer een schot; drommels, een der uitgezette booten van den Spanjaard is getroffen."
"Ja, kijk ze eens in verwarring raken; als er nu maar een aasje wind komt is hij ons. Daar komt een briesje uit zee op. Zeilen bijgezet, meneer Sawbridge."
Er werd vierkant gebrast en spoedig had de Harpij stuur. Intusschen onderhield Jack met zijn weinige manschappen een wel zwak, maar geregeld en goed gericht vuur op de Spaansche korvet, waarvan al twee booten in het ongereede waren geraakt. De Harpij stak voor den wind op en was spoedig in de nabijheid; met het vuur uit haar boegjagers trachtte zij de korvet den pas af te snijden.
"We hebben ze," riep Mesty; "losgebrand, jongens, en goed gemikt. Daar komt meer wind; één man aan het roer. Te deksel, wat is dat?"
Deze uitroep van Mesty werd veroorzaakt door een schot, dat den romp van het schip aan stuurboord trof. Jack en hij snelden naar den anderen kant en bemerkten dat drie Spaansche kanonneerbooten juist den hoek waren komen omzetten en hen aangevallen hadden. Even voorbij de kaap lagen namelijk de haven en de stad Carthagena en vandaar waren de kanonneerbooten aan de korvet te hulp gezonden. Gelukkig voor Jack, had de wind nu vat op zijn schip gekregen, anders zou hij misschien naar Carthagena gesleept zijn; en de korvet, die zich zoowel door de Harpij als door Jack's vaartuig den pas afgesneden zag, wendde haastig den steven en trachtte te ontkomen door westwaarts zoo kort mogelijk onder den wal te houden. Nog een schot en al weer een doorboorde den romp van het schip en wondde twee van Jack's matrozen; maar zoodra de korvet den steven gewend had, en de Harpij haar volgde, deed Jack natuurlijk hetzelfde en was in tien minuten buiten bereik der kannonneerbooten, die hem niet durfden nazetten. De wind stak meer en meer op en deed den groenen rok lustig wapperen, doch de Harpij en de korvet gaven elkaar nog steeds de volle laag en hadden geen gelegenheid om op Jack's vlag te letten. De Spanjaard verdedigde zich flink en werd gesteund door de batterijen aan den wal, maar eerst eenige mijlen verder was er een geschikte ankerplaats. Tegen den middag ging de wind liggen en om één uur was het bijna bladstil; maar de Harpij was haar tegenstander nu op drie kabellengten genaderd en nam hem zoo duchtig onder handen, dat de Spanjaard ofschoon gesteund door een batterij van vier kanonnen, omstreeks drie uur de vlag moest strijken. De Harpij zond nu een boot aan boord om het schip in bezit te nemen en richtte vervolgens al zijn vuur op de batterij, die ook spoedig tot zwijgen werd gebracht.
De windstilte hield aan en de Harpij had het druk genoeg met haar buitgemaakt vaartuig, met het schiften der gevangenen en het oplappen der beide schepen, die aan zeilen en tuigage veel geleden hadden. Aan boord van de Harpij kon men nog maar steeds niet begrijpen wat het toch voor een vreemd vaartuig wezen mocht, dat de korvet van koers had doen veranderen en hen in staat had gesteld ze te nemen; maar door de drukte was er geen tijd voor gissingen.
Jack's bemanning bestond, met hemzelf meegerekend uit acht personen, waarvan één een Spanjaard en twee gewonden. Er bleven hem dus maar vier man over en hij had de handen vol met het bijstaan der gewonden en het bedienen der kanonnen. Bovendien achtte Mesty het niet geraden het schip op een mijl van de Harpij met enkel twee man aan boord achter te laten. Ook bedacht Jack, dat hij nog geen middagmaal had gehad en misschien in de adelborstenkajuit niet veel te bikken zou vinden; daarom wilde hij eerst wat eten eer hij aan boord van de Harpij ging. Jack nam de dingen altijd vrij luchtig op en besloot nu zich tegen zonsondergang aan te melden. Er waren nog andere redenen, die Jack weerhielden veel haast te maken met aan boord te gaan; hij moest nog overleggen, wat hij wel in zou brengen om zichzelven te verontschuldigen en zijn bemanning zooveel mogelijk vrij te pleiten. Zijn aangeboren oprechtheid noopte hem eerst om de volle waarheid te zeggen, maar hij bedacht toch dat het beter was er slechts een gedeelte van op te biechten. Eigenlijk hal hij zooveel zwarigheid niet behoeven te maken, want de veertien duizend aan klinkende munt uit de kleine kajuit zou voor hemzelf voldoende verontschuldiging zijn en, om hun dappere houding tegenover den vijand, zou aan de manschappen hun muiterij wel vergeven worden. Onder al dat overpeinzen viel Jack, die doodmoe was van al de inspanning, in slaap en inplaats van tegen zonsondergang te ontwaken, gebeurde dit eerst twee uren later. Mesty had hem niet wakker geroepen, omdat hijzelf volstrekt geen haast had om aan boord te komen en weer "den pot te koken voor de jongeheeren."
Bij zijn ontwaken verbaasde Jack er zich over, dat hij zoo lang geslapen had. Aan dek gekomen, vond hij het donker en stil, maar kon gemakkelijk waarnemen, dat de Harpij en de korvet bijgedraaid waren en bezig met de geleden schade te herstellen. Hij gaf last om den kleine sloep te strijken en, het commando aan Mesty overlatende, roeide hij met twee riemen naar de Harpij. Door de gewonden, de gevangenen en het heen- en weervaren der booten tusschen de beide schepen, was de aandacht van allen aan boord der Harpij zoozeer in beslag genomen, dat Jack's kleine sloep onopgemerkt langs zij kwam. Dit had eigenlijk niet mogelijk moeten wezen, maar 't was nu eenmaal zoo en er viel wel eenige verontschuldiging voor bij te brengen. Jack klom aan boord en werkte zich tusschen de gevangenen door die juist gemonsterd werden voor de uitdeeling van levensmiddelen. Hij was in een mantel gewikkeld, zooals de meeste gevangenen er ook een droegen.
Jack had er schik in, dat hij niet herkend werd; hij sloop de groote trap af en moest zich bukken om onder de hangmatten der gewonden door te komen, juist wilde hij zich achteruit in de kajuit bij den kapitein aanmelden, toen hij den jongen Gossett hoorde schreeuwen. "Ik wed, dat die ellendige Vigors weer bezig is dien armen Gossett af te rossen," dacht Jack. "De stakker zal er danig van gelust hebben in mijn afwezigheid, licht dat ik hem tenminste voor ditmaal verlos." Jack wikkelde zich in zijn mantel, gluurde door het raampje van de voorlongroom naar binnen, en zag dat het juist zoo was als hij gedacht had. Met een verbolgen stem bulderde hij: "Meneer Vigors, je zoudt me verplichten met Gossett te laten gaan." Op den klank van die stem, keerde Vigors zich met zijn eind touw in de hand haastig om, zag Jack's gelaat voor het raampje en in de meening dat het een spookverschijning was, gaf hij een gil en viel als in een stuip neer. Ook de kleine Gossett beefde over al zijn leden en staarde hem met open mond aan. Jack was voldaan, en verdween onmiddelijk weer. Daarop begaf hij zich naar de kajuit, waar hij den kapitein in gezelschap van twee Spaansche officieren aantrof. Hij nam zijn hoed af en zei:
"Zooeven aan boord gekomen, kapitein Wilson."
Kapitein Wilson kreeg geen stuip, maar sprong van zijn stoel op en gooide daarbij zijn glas om.
"Mijn hemel, meneer Rustig, waar komt gij vandaan?"
"Van dat schip daar achteruit, meneer," antwoordde Jack.
"Dat schip achteruit! Wat is dat voor een schip?--waar zijt ge zoo lang geweest?"
"Dat is een heele geschiedenis, meneer," hernam Jack.
Kapitein Wilson stak hem de hand toe en Jack schudde die hartelijk.
"In elk geval ben ik blij je weer te zien, mijn jongen; ga zitten en vertel me met een paar woorden hoe het je gegaan is; de bijzonderheden hooren we later wel."
"Met genoegen, meneer," zei Jack; "we hebben den nacht, nadat we weg zijn geraakt, met den kotter dat schip prijs gemaakt. In de zeevaartkunde heb ik 't nog niet ver gebracht en belaadde bij de Zaffarine-eilanden, waar ik uit gebrek aan manschappen twee maanden moest blijven. Zoodra ik weer voldoende bemanning had, ben ik onder zeil gegaan. Drie man verloor ik door de haaien, twee werden er gewond in het gevecht van heden. Het schip voert twaalf stukken, is half met lood en bedrukt katoen geladen, heeft veertien duizend dollars in de kajuit en drie kogelgaten dwars door--zoodat het zaak is er zoo spoedig mogelijk wat manschappen aan boord te zenden."
Dit verhaal was niet bijzonder begrijpelijk, maar dat er veertien duizend dollar waren en er manschappen aan boord vereischt werden, was duidelijk genoeg te kennen gegeven. Kapitein Wilson liet meneer Asper roepen, die op het gezicht van onzen held achteruitstoof, en droeg hem op Jolliffe te gelasten met een der kotters aan boord van het vreemde schip te gaan, de gewonden over te brengen en zelf het kommando over het vaartuig op zich te nemen. Jack moest Jolliffe vergezellen, om hem de noodige inlichtingen te geven.
Dertiende hoofdstuk.
Onze held komt tot de wetenschap, dat driehoeksmeting niet enkel noodig is voor de scheepvaart, maar ook kan dienen tot vereffening van eerezaken.
Kapitein Wilson had te recht gezegd, dat hij 't te druk had om dien avond naar Jack's verhaal te luisteren, want zij moesten zich haasten om beide schepen zoo spoedig mogelijk zeilree te maken. De Spanjaarden hadden namelijk op nog geen tien mijlen afstand te Carthagena oorlogsschepen liggen, die met den uitslag van het treffen bekend waren geworden. Meneer Sawbridge was aan boord van het buitgemaakte schip, een korvet, die twee stukken meer voerde dan de Harpij en de Cacafuogo heette.
Het onbesuisd optreden van Jack had veel tot de vermeestering er van bijgedragen, zoodat kapitein Wilson en meneer Sawbridge, die beiden bevorderd werden, de een tot postkapitein, de ander tot kommandant, dit eigenlijk aan Jack te danken hadden. De Harpij had aan dooden en gewonden negentien man verloren en de Spaansche korvet zeven en veertig.
Tegen twee uur in den morgen waren de schepen gereed en gingen onder zeil naar Gibraltar, terwijl de Nostra Signora del Carmen, onder bevel van Jolliffe, hen vergezelde. Jolliffe genoot het eerst het verhaal van Jack's avonturen, en luisterde er met verbazing naar. Omstreeks negen uur draaide de Harpij bij en zond een sloep aan boord om onzen held en de manschappen, die zoolang met hem op het buitgemaakte schip waren geweest, af te halen en tevens de aanwezige dollars over te brengen. Toen Jack afscheid nam van Jolliffe haalde hij zijn krijgsartikelen voor den dag en gaf ze hem ten geschenke met den wensch, dat ze hem evenveel dienst mochten bewijzen, als ze hemzelf hadden gedaan. De matrozen waren al in de sloep en wierpen smeekende blikken op Jack, ten einde zijn medelijden op te wekken, en Mesty ging vrij gemelijk naast onzen held zitten, waarschijnlijk omdat 't hem maar half beviel, dat hij weer "den pot zou moeten koken voor de jongeheeren." Ook Jack was niet prettig gestemd nu hij zijn kommando moest laten varen, en hij wierp nog eens een blik op den groenen vrouwenrok, die maar steeds aan den mast wapperde, want Jolliffe had de vlag, waaronder Jack zoo gelukkig gestreden had, niet willen neerhalen.
Zooals te begrijpen valt, nam het verhaal van Jack een groot deel van den morgen in beslag, en ofschoon onze held niet trachtte te verbloemen, dat hij meneer Sawbridge's terugroepingssignaal wel gezien had, wekte toch het overige zoozeer de belangstelling van den kapitein, dat hij geheel verzuimde Jack een berisping toe te dienen over het in den wind slaan der bevelen. Hij prees Jack's houding en was ook bijzonder tevreden over Mesty. De gelegenheid was te schoon, om niet melding te maken van Mesty's tegenzin in zijn tegenwoordige bediening en Jack's aanbeveling werd gunstig opgenomen. Ook wist hij vergiffenis te verkrijgen voor de manschappen, maar toch moesten ze voor het oogenblik in boeien geslagen worden. Jack liet hun echter door middel van Mesty mede deelen, dat ze weer vrijgelaten zouden worden, zoodra ze te Gibraltar aankwamen, zoodat een gunstige wind het eenige was wat er nog te wenschen overbleef.
Kapitein Wilson deelde aan Jack mede, hoe hij in de vooronderstelling dat de kotter gezonken was, aan zijn vader had geschreven, om hem den dood van zijn zoon te melden. Dit speet onzen held zeer, vooral om het verdriet dat zijn arme moeder er over hebben zou. "Maar och," dacht Jack, "al gevoelt ze zich een paar maanden ongelukkig, des te blijder zal ze zijn, als ze hoort dat ik nog in leven ben. Zoodra we te Gibraltar binnenvallen, zal ik schrijven en bij gunstigen wind kan dat morgen of overmorgen zijn."
Het langdurig onderhoud met Jack had kapitein Wilson tot de overtuiging gebracht, dat er een flink officier uit hem zou groeien en dat de malligheden van de gelijkheid en de rechten van den mensch al vergeten waren; maar in dit opzicht vergiste hij zich--het in een kinderziel gezaaide onkruid wordt niet zoo spoedig uitgeroeid.
Zoodra de kommandant hem had laten gaan, begaf Jack zich aan dek, waar hij den kapitein en de officieren van de Spaansche korvet aantrof, die peinzend naar de Nostra Signora del Carmen stonden te turen. Toen zij onzen held in het oog kregen, van wien ze door kapitein Wilson wisten, dat hij hun het binnenloopen in de haven van Carthagena had belet, sloegen zij wrevelige blikken op hem.
Jack groette echter met zijn gewone beleefdheid en was blij dat hij wat van zijn Spaansch kon luchten. Ofschoon de Spaansche kapitein alle reden had om Jack naar de maan te wenschen, nam hij toch de vormen behoorlijk in acht en vroeg hem onder anderen wat hij toch wel voor een vlag gevoerd had.
"Ja, meneer Rustig," zoo sloot kapitein Wilson zich bij die vraag aan, "dat moet je ons eens vertellen. We konden er geen van allen wijs uit worden. Ik zie daar, dat meneer Jolliffe ze nog altijd in top laat wapperen."
Jack wist niet goed wat hij er van maken moest, maar antwoordde ten laatste: "Dat was de banier van de gelijkheid en de rechten van den mensch, meneer."
Kapitein Wilson fronsde de wenkbrauwen en Jack, die zijn misnoegen bespeurde, vertelde nu het heele geval, waarop de ander begon te lachen, Jack deelde het ook in het Spaansch aan de officieren der korvet mede en deze merkten op, dat het wel niet de eerste en ook niet de laatste maal zou zijn, dat mannen in verlegenheid waren geraakt door een vrouwenrok.
Bij de geheele bemanning van het schip stond Jack in hooge gunst, behalve bij zijn vier vijanden--den stuurman, Vigors, den bootsman en den onderbetaalmeester. Vigors had de wijste partij gekozen en zijn eindje touw in zijn kist geborgen tot Jack weer eens een tocht mocht ondernemen. De kleine Gossett wees, als Vigors eenige beleedigende aanmerking op hem maakte, grinnikend naar het raampje van de kajuit en alleen de herinnering deed Vigors verbleeken en bracht hem tot zwijgen.
Binnen twee dagen bereikten zij Gibraltar, waar meneer Sawbridge en ook Jolliffe weer aan boord van de Harpij kwamen. Gedurende de veertien dagen, die ze voor anker lagen, mocht Jack aan wal blijven. Meneer Asper vergezelde hem en Jack trok een flinken wissel op zijn vader om hem goed duidelijk te maken, dat hij nog in leven was.
Toen Jack zijn avonturen aan meneer Sawbridge verteld had, zei deze: "Mij dunkt, meneer Rustig, als ge zoo verzot zijt op kruistochten, diendet ge u wat toe te leggen op de zeevaartkunde."
"Ja," antwoordde Jack bescheiden, "in dat opzicht ontbreekt me nog heel wat."
"Welnu, meneer Jolliffe zal u zeker gaarne onderrichten; hij is er ook het best toe geschikt, en als ge er even vlug mee vordert als met het Spaansch, kan het u niet veel moeite kosten."
Jack vond dat een goeden raad. Reeds den volgenden dag was hij met zijn vriend Jolliffe druk aan den gang en kwam tot de gewichtige ontdekking, dat twee evenwijdige lijnen, tot in het oneindige verlengd, elkaar nooit snijden.
Tijdens Jack's afwezigheid van een maand of vijf, zes, was het op de Harpij bij het oude gebleven, alleen de konstabel Minus, die bij het afschieten van een slecht geladen geweer zijn rechterhand verspeeld had en op pensioen was gesteld, had een plaatsvervanger gekregen in meneer Tallboys, een stevig gebouwden, ineengedrongen kerel met rood haar, een rood gezicht en nog rooder handen. Deze beschouwde een konstabel als de meest gewichtige persoon aan boord van een schip en meende, dat zoo iemand van al wat de zeevaartkunde betrof op de hoogte moest wezen. Hij wist minstens tien gevallen bij te brengen van bloedige gevechten, waarin de kapitein en al de officieren gedood of gewond waren, zoodat het bevel over het schip op den konstabel neer was gekomen.
"Nu begrijp je wel", placht hij dan te zeggen, "dat zoo'n konstabel een zeevaartkundige moet wezen, wel degelijk een wetenschappelijk man."
In die overtuiging bleef hij steeds studeeren, maar daar zijn hersens slechts weinig konden bevatten, warde hij alles dooreen en zijn hoofd zat zoo volgepropt met technische termen dat hij zijn mond niet kon open doen zonder er eenige te pas te brengen."
"Ik vind 't heel verstandig, meneer Rustig", zei de konstabel op zekeren dag, terwijl ze naar Malta onder zeil waren, "dat gij de wetenschap der zeevaartkunde onderhanden hebt genomen; op uw leeftijd werd dat hoog tijd."
"Ja," antwoordde Jack, "ik kan al een loodlijn trekken en, als het noodig is, de verschillende streken van het kompas opnoemen."
"Ja, maar aan de afwijking van het kompas zijt ge nog niet gekomen."
"Neen, nog niet," antwoordde Jack.
"Weet ge wel, dat een zeilend schip een parabool beschrijft om den aardbol?"
"Zoover ben ik nog niet."
"Hebt ge al iets gehad over de driehoeksmeting?"
"Nog niet."
"Nu, die vereischt heel wat oplettendheid."
"Dat wil ik graag gelooven," antwoordde Jack.
Dergelijke praatjes knoopte de konstabel telkens aan maar gelukkig stoorde Jack zich weinig aan de dikwijls averechtsche beweringen, en hield zich alleen aan de lessen van Jolliffe, zoodat hij, eer ze Malta bereikten, al een heelen bluf wist te slaan met zijn verkregen kennis.
Op Malta kwam hij weer in ongelegenheid. Ofschoon meneer Smallsole hem ongemoeid liet, bleef die toch zijn vijand, en Vigors hield zich koest, al zon hij op wraak; maar in het bedoelde geval kreeg hij 't met den bootsman en den onderbetaalmeester te kwaad. Terwijl Jack weer eens, zooals hij dikwijls placht, vooruit op den bak een praatje maakte met Mesty, liepen de bootsman en de onderbetaalmeester het dek op en neer en verzuimden geen gelegenheid om onzen held, telkens als ze in zijn buurt kwamen, steken onder water te geven.
"Het is mijn bepaalde meening," zei Easthupp, terwijl hij aan zijn boord trok, "dat een heer zich als een heer behoort te gedragen en als zoo iemand met denkbeelden van gelijkheid en zulke vrijzinnige gevoelens voor den dag komt, dient hij er zich ook aan te houden."
"Zeer zeker, meneer Easthupp, dat moet hij ook; en als iemand, die even goed een heer is als hij, toevallig niet tot het halfdek behoort, behoeft hij hem daarom niet te beleedigen enkel omdat hij dezelfde denkbeelden verkondigt."
Daarop sloeg meneer Biggs met zijn rotting tegen de schoorsteenkap van de kombuis en wierp een zijdelingschen blik op onzen held.
"Ja," vervolgde de onderbetaalmeester, "ik zou wel eens willen zien dat iemand aan den wal zoo handelde; maar de tijd zal nog wel eens komen, dat ik de ondergane beleediging in bloed kan afwasschen, meneer Biggs."
"En ik mag vervloekt zijn, als ik niet op een goeden dag een lesje zal geven aan den vlegel, die indertijd mijn broek gestolen heeft."
"Kwam 't met het geld uit, meneer Biggs?" vroeg de onderbetaalmeester.
"Ik heb 't niet nageteld," luidde het onverschillige antwoord.
"Neen--fatsoenlijke lui zijn daarboven verheven", hernam Easthupp; "maar er loopt anders wel volk rond met lange vingers. 't Is ongelooflijk zoo'n menigte verloren geraakte horloges en voorwerpen van waarde ik vroeger in Londen gezien heb."
"Ik durf gerust zeggen," zei de bootsman weer; "dat ik niet zou aarzelen voldoening te geven aan iemand beneden mijn rang, als ik zelf hem te voren beleedigd had. Ik sta niet zoo op mijn rang al praat ik niet over gelijkheid en al ben ik geen goede maatjes met negers."
Dit alles was te duidelijk, dan dat onze held het niet zou begrijpen; jack trad dus op den bootsman toe, groette beleefd en zei:
"Als ik me niet vergis, meneer Biggs, dan heeft uw gesprek betrekking op mij."
"Best mogelijk", antwoordde de bootsman. "Luistervinken hooren zelden veel goeds van zichzelven."
"Het schijnt wel, dat fatsoenlijke lui niet zamen kunnen praten zonder beluisterd te worden," liet Easthupp er op volgen, met een ruk aan zijn halsboord.
"Het is niet de eerste maal, dat gij goed gevonden hebt beleedigende aanmerkingen te maken, meneer Biggs; en daar gij dat geval met uw broek niet schijnt te kunnen verkroppen, zal ik u maar ronduit zeggen, dat ik ze mee naar boord genomen heb. Als gij er soms voldoening voor verlangt, dan ben ik volkomen bereid die te geven."
"Ik ben uw meerdere in rang, meneer Rustig," antwoordde de bootsman.
"Volgens de regeling van den dienst, ja; maar zooeven hebt ge beweerd niet veel aan rang te hechten en bovendien--ik behoor tot het halfdek en gij niet."