Chapter 10
De onderofficier was woordvoerder. Hij zei dat ze zulk een zwaar werk hadden gehad en nu wat rust verlangden;--er was voor drie maanden proviand aan boord, zoodat er volstrekt geen haast bestond en zij best op den vasten wal een tent konden opslaan om daar eenigen tijd te blijven; en daar het er niet op aankwam of ze aan den wal dronken werden, verwachtten zij dat hun zou worden toegestaan mondbehoeften en een goeden voorraad wijn mee te nemen. De anderen hadden hem opgedragen verlof te vragen, maar ze waren besloten ook bij weigering toch te gaan. Jack kreeg veel lust om met de handspaak te antwoorden, maar hij zag dat al de matrozen hun messen en pistolen in den gordel hadden steken en vond het dus verstandiger Mesty te raadplegen, die, om het nuttelooze van den weerstand, Jack aanried toe te geven, en er bijvoegde, dat de wijn maar hoe eer hoe beter opmoest, want zoolang die strekte zou er niets uitgericht worden. Jack deelde nu heel genadig mee, dat ze hun zin zouden hebben en hij hier zou blijven zoo lang zij verkozen. Mesty gaf hun de sleutels van de bottelarij en zei met een grijnslach dat ze zichzelven maar moesten voorzien. De matrozen gaven nu aan Jack te kennen, dat hij en Mesty aan boord dienden te blijven, om op het schip te passen, en dat zij den Spanjaard mee naar den wal zouden nemen om voor hen te koken. Maar daartegen merkte Jack op, dat hij zonder twee helpers onmogelijk aan hun opdracht kon voldoen, als zij soms wenschten dat hij bij hen aan den wal zou komen. De matrozen vonden die opmerking gegrond en lieten daarom Jack den Spanjaard bij zich houden, opdat hij te vlugger gehoor zou geven aan hun roepstem van het strand. Zij wenschten hem nu goedendag en hoopten dat hij zich zou vermaken met de krijgsartikelen.
Zoodra zij een reserve-zeil in de boot hadden gesmeten, benevens eenige sparren om een tent op te slaan en wat dekens, gingen zij naar beneden, heschen twee van de drie vaatjes wijn, een paar zakken beschuit, wapenen en ammunitie op, en zooveel zout als zij meenden noodig te hebben. Toen de boot vol was stooten zij af onder een spotachtig, driewerf herhaald hoezee. Jack was gevoelig voor dit huldeblijk; hij stond aan gangboord, nam zijn hoed af en maakte een diepe buiging.
Zoodra zij weg waren, liet Mesty grijnzend zijn scherpgepunte tanden blinken en onzen held aanziende zei hij:
"Wacht maar, ik zal ze dat wel betaald zetten, onze beurt komt ook nog."
Jack zei niets, maar dacht des te meer. Na ongeveer een uur keerden de matrozen in de boot terug: zij hadden allerlei dingen vergeten--hout om een vuur aan te leggen en allerlei gereedschap. Zij voorzagen zich onbeschroomd van het noodige en zoodra ze alles bijeen hadden wat ze maar konden bedenken, begaven zij zich weer aan wal.
"Wat een geluk, dat we hun niets gezegd hebben van die dollars," zei Mesty tot Jack, die de beredderingen der matrozen stond gade te slaan. "Dat is 't stellig," antwoordde Jack; "hoewel ze er hier weinig aan zouden hebben."
"O neen, meneer Rustig, maar gesteld dat zij al het geld mochten vinden, dan zouden zij de booten nemen er mee van doorgaan. Nu echter heb ik ze in de val, wacht maar eens."
Er was een klein stukje spek op de loopplank blijven liggen. Jack smeet het zonder erg over boord en daar het zeer vet was, zonk het vrij langzaam weg. Jack keek het na en Mesty ook, en terwijl ze daar zoo in gedachten staan, zien ze een donker voorwerp oprijzen: 't was een haai, die het spek ophapte en weer in de diepte verdween.
"Wat is dat?" riep Jack uit.
"Een haai, Massa Rustig--en wel een van de kwaadaardigste soort; als je ze ziet, hebben ze je meteen beet ook", en Mesty's oogen glinsterden van de pret. "Zoo waar ik leef, die beestjes zullen aan de muiterij een einde maken; nu ben ik er achter."
Jack huiverde en verwijderde zich.
Den ganschen dag zag men de matrozen op het strand druk in de weer met het maken van allerlei toebereidselen eer zij zich overgaven aan onmatigheid. De tent werd opgeslagen, vuur aangelegd, al het van boord meegenomene aan wal gerold en behoorlijk opgeborgen. Later zag men ze zitten middagmalen en toen werd een van de vaatjes wijn aangesproken. Te zelfder tijd had de Spanjaard, die een bedaarde jongen was, voor Rustig en zijn nu eenigen kameraad het middagmaal bereid. De avond viel en nu werd het aan wal een drukte en rumoer van belang; onder zingen en dansen zag men bij het licht van het vuur de wijnkannen zwaaien en toen zij begonnen te razen en te tieren en hoe langer hoe meer beneveld raakten, wendde Mesty zich met een bitteren lach tot Jack en zei enkel; "Wacht maar eens."
Ten laatste begon het rumoer te verflauwen, het vuur stierf uit en langzamerhand werd alles stil. Jack leunde nog over het gangboord, toen Mesty naar hem toe kwam. De nieuwe maan was juist opgekomen en Jack hield er zijn blikken strak op gericht.
"Nu, Massa Rustig, kom nu alsjeblieft eens mee achteruit en laten we de kleine boot strijken; steek uw pistolen bij u, dan gaan we aan wal en brengen den kotter hierheen; ze slapen op het oogenblik allen."
"Maar waarom zouden we hen zonder boot laten, Mesty?" want Jack dacht aan de haaien en aan de waarschijnlijkheid, dat de matrozen naar boord zouden willen zwemmen.
"Ik zeg u, meneer, van nacht zijn ze dronken geworden, morgen gebeurt dat weer, en dronken lui kunnen nooit hun gemak houden. Als er nu maar een het in zijn hoofd krijgt om te zeggen: 'Laten we aan boord gaan en den officier van kant maken, dan kunnen we doen wat we willen,' dan zeggen de anderen ja, en ze komen hier en doen 't. Dus, meneer, we moeten de boot hebben, is het niet om u, dan om mij, voor het behoud van mijn leven, want aan mij hebben ze een grooten hekel en mij zullen ze het eerst dooden. Maar wacht even."
Jack gevoelde de waarheid van Mesty's opmerking; hij ging met hem achteruit, waar ze de kleine boot streken en die langs zij brachten. Vervolgens haaiden zij uit de kajuit hun pistolen. "Kunnen we den Spanjaard alleen aan boord laten, Mesty?"
"Jawel, meneer, wapens heeft hij niet en al kon hij er hier of daar vinden, hij zou er toch niets mee durven doen--ik ken den man al genoeg."
Onze held en Mesty stapten in de boot, duwden af en roeiden behoedzaam naar den wal. De matrozen waren in zulk een staat van beneveling, dat ze ze zich niet verroeren konden, nog veel minder iets hooren. Zij gooiden den kotter, los, sleepten hem naar boord en legden hem met de andere boot aan den achtersteven vast.
"Ziezoo, meneer, nu kunnen we naar bed gaan, morgenochtend zul je grappen beleven."
"Ze hebben aan den wal alles wat ze noodig hebben," antwoordde Rustig; "den kotter zullen ze alleen missen, als ze 't ons soms lastig zouden willen maken."
"Wacht maar," zei Mesty.
Jack en Mesty begaven zich te bed, en, uit vrij overbodige voorzorg tegenover den Spanjaard, sloot Mesty de kajuitsdeur.
Jack sliep dien nacht weinig, hij had aanvallen van zwaarmoedigheid, die hij maar niet van zich af kon zetten. Sedert het verlaten van de Harpij, had Jack veel overdacht en voor veel dingen waren hem de oogen opengegaan. Hij begon in te zien welk een verantwoordelijkheid hij op zich geladen had door toe te geven aan een gril van het oogenblik, en men kon gerust zeggen, dat hij in het korte tijdsbestek van veertien dagen opeens van een jongen tot een man geworden was. Hij voelde zich gekweld en was hoofdzakelijk boos op zichzelven.
Met het krieken van den dag stond Mesty op en Jack volgde hem spoedig; zij keken uit naar het gezelschap aan den wal, dat zich nog niet buiten de tent vertoonde. Eindelijk, toen Jack juist klaar was met zijn ontbijt, kwamen er een paar te voorschijn. Ze keken rond alsof ze ergens naar zochten en liepen vervolgens naar de plek, waar de boot had vastgelegen. Jack keek Mesty eens aan, die met een grijnzend gezicht zijn stopwoord; "Wacht maar!" uitbracht.
De matrozen liepen daarna het strand langs tot ze vlak tegenover het schip gekomen waren.
"Hallo!" riepen ze.
"Hallo!" antwoordde Mesty.
"Breng onmiddelijk den boot aan den wal, met een emmertje water."
"Dat kennen we," juichte Mesty zijn handen wrijvend van plezier. "Gij moet zeggen van neen, Massa Rustig."
"Waarom zouden we hun geen water geven, Mesty?"
"Omdat ze dan de boot nemen."
"Dat is waar," antwoordde Rustig.
"Hoor je niet, daar aan boord?" schreeuwde de onderofficier opnieuw, "onmiddelijk de boot gezonden, of we snijden je den hals af!"
"Ik zal de boot niet zenden," antwoordde Jack, die nu begreep dat Mesty gelijk had gehad.
"Wil je niet?--niet?--dan is je doodvonnis geteekend," hernam de vent en stapte met zijn kameraad naar de tent terug. In een oogwenk kwamen nu al de matrozen opdagen, met vier geweren bij zich, die ze mee naar den wal genomen hadden.
"Goede hemel! ze zullen toch niet op ons schieten, Mesty?"
"Wacht maar."
De kerels kwamen nu tot vlak tegenover het schip en de onderofficier riep weer en vroeg nogmaals of ze de boot aan wal verkozen te brengen.
"Gij moet neen zeggen, meneer," spoorde Mesty aan.
"Ik zie in dat het noodzakelijk is," antwoordde Jack; en hij antwoordde den onderofficier: "Neen."
De slimme neger had het plan der muitelingen voorzien, dat ze namelijk naar de booten aan den achtersteven zwemmen zouden en op hem en Jack schieten, zoodra ze mochten trachten die langs zij te brengen en te verdedigen. Om uit het water in de booten te klimmen, vooral in de kleine, was gemakkelijk genoeg. Een paar matrozen keken naar het kruit op de pan en hielden de geweren gereed, met de trompen op het schip gericht, terwijl de onderofficier en twee anderen zich begonnen te ontkleeden.
"Ga in Godsnaam niet te water?" riep Jack. "De haven zit vol haaien--zoo waar als ik leef!"
"Denk je ons met je haaien bang te maken?" schreeuwde de onderofficier terug; "leg aan, jongens! laat hem eens een blauwe boon proeven, dan kan hij zien dat 't ons ernst is, en telkens als hij of die neger den kop vertoont maar weer schieten, hoor!"
"Om Godswil, probeer toch niet te zwemmen!" riep Jack in doodsangst; "ik zal mijn best doen om je water te bezorgen."
"'t Is nu te laat--je bent gevonnisd," en de onderofficier sprong van de rots in zee, gevolgd door twee anderen; op hetzelfde oogenblik werd er een geweer afgeschoten en de kogel floot onzen held langs het oor.
Mesty trok hem met een ruk van het gangboord terug. Bijna overweldigd door angst over het lot, dat den onvoorzichtigen wachtte, zakte Jack een oogenblik op het dek neer, maar sprong fluks weer op en snelde naar een geschutspoort om naar de mannen in het water te kijken. Hij kwam juist bijtijds om te zien hoe de onderofficier zich met een luiden gil uit zee ophief en daarna in een wieling verdween, die hij met zijn bloed roodverfde.
Mesty, die al eenige geweren geladen had, voor het geval dat de matrozen de booten mochten bereiken, wierp dat, waarmee hij juist bezig was, van zich af, met den uitroep: "Verduiveld! nu is 't niet meer noodig!"
Jack had de handen voor het aangezicht geslagen. Maar het afgrijselijk tooneel was nog niet ten einde: de andere mannen in het water hadden onmiddellijk rechtsomkeert gemaakt en haastten zich om den wal te bereiken; maar eer zij zoover waren, schoten twee andere vraatzuchtige monsters, gelokt door het bloed van den onderofficier toe en vochten om hun prooi.
Mesty, die alles nauwkeurig had gadeslagen, wendde zijn oog naar onzen held, die nog altijd zijn gelaat bedekt hield.
"Ik ben maar blij, dat hij dit ten minste niet gezien heeft," mompelde Mesty.
"Wat gezien?" riep Jack uit.
"Dat de haaien ze allen opgegeten hebben."
"O 't is vreeselijk, 't is gruwelijk!" kreunde onze held.
"Ja zeker vreeselijk," hernam Mesty, "maar die kogel langs uw hoofd was ook vreeselijk. En als de haaien hen niet hadden verslonden, wat dan? Zij zouden dan ons gedood hebben en onze lijken waren een prooi van de haaien geworden. Dat vind ik nog vrij wat verschrikkelijker.
"Mesty," riep Jack uit en greep den neger zenuwachtig bij den arm, "niet de haaien, maar ik heb die mannen vermoord."
Mesty keek met verwondering op.
"Hoe is dat mogelijk?"
"Als ik niet ongehoorzaam was geweest aan de bevelen," hernam onze held naar adem hijgend, "als ik niet het voorbeeld van ongehoorzaamheid gegeven had, zou dit niet gebeurd zijn. Hoe kon ik onderdanigheid van hen verwachten? 't Is alles mijn schuld--dat zie ik nu in, en, o God, wanneer zal dat afgrijselijk gezicht uit mijn geheugen worden gewischt?"
"Massa Rustig, ik begrijp u niet," antwoordde Mesty. "Die redeneering is geheel verkeerd. Op die manier zou ik ook wel kunnen zeggen, dat het kwam van den oorlog der Ashantijnen; want als ze daar niet aan het vechten waren gegaan, zou ik nooit slaaf geworden, nooit weggeloopen, nooit aan boord van de Harpij gekomen, nooit met u in een boot gegaan zijn--ik zou nooit de matrozen belet hebben zich te bedrinken, zij zouden geen muiterij bedreven en de haaien hen niet te pakken gekregen hebben."
Jack antwoordde niet, maar dit tegenbetoog van den neger schonk hem toch eenigen troost.
De afgrijselijke dood van de drie muitelingen scheen een krachtdadige uitwerking te hebben op hun makkers, die met hangende hoofden en loomen tred van het strand terugliepen. Men zag hen nu over het eiland ronddwalen, waarschijnlijk om water te zoeken. Omstreeks den middag keerden ze naar hun tent terug en waren spoedig daarop in een staat van beneveling, waarbij ze even hard schreeuwden en tierden als den vorigen dag. Tegen den avond kwamen ze weer op de hoogte van het schip, ieder met een beker in de hand, en zoodra ze bemerkten, dat ze de aandacht van onzen held en van Mesty getrokken hadden, wierpen zij den inhoud van hun bekers de lucht in, om te toonen dat zij water hadden gevonden, en daarop keerden zij jouwend en spottend, dansend en springend en onder allerlei bokkesprongen terug om hun drinkgelag te hernieuwen, dat tot na middernacht duurde, waarop allen verstomden evenals te voren.
Den volgenden dag was Jack hersteld van den eersten schok door het gruwelijk tooneel op hem teweeggebracht en riep hij Mesty in de kajuit om met hem te beraadslagen.
"Wat zal het einde zijn, Mesty?"
"Hoe bedoelt u, meneer? het einde hier of aan boord van de Harpij?"
"De Harpij--er bestaat weinig kans, dat we die ooit terugzien; we zijn op een onbewoond eiland, of iets wat niet veel minder is. Maar al mogen we blijven hopen, hoe zal die muiterij eindigen?"
"Massa Rustig, als ik wil, kan ik er tamelijk spoedig een eind aan maken, maar niet opeens."
"Hoe bedoel je dat, Mesty, niet opeens?"
"Kijk, Massa Rustig; gij wenscht een tocht te ondernemen en ik evenzeer; en om die muiterij zoudt ge nu wel terug willen--maar denkt gij dat ik, die in mijn eigen land een vorst ben geweest, lust gevoel om opnieuw voor de jongeheeren den pot te gaan koken?"
"Maar hoe wou je dan een eind maken aan de muiterij?" vroeg Jack.
"Door te zorgen dat de wijn opkomt. Als ik eens naar den wal ging, zoodra ze weer allen dronken zijn, en op drie of vier plaatsen een gat in de vaten boorde, dan zou 's morgens al de wijn weggevloeid zijn. Dan worden ze nuchter en vragen om vergiffenis; we nemen hen aan boord, bergen alle wapens weg, behalve de uwe en de mijne, en dan wil ik wel eens zien wat er van de muiterij nog overblijft. Alle donders! ik zal ze wel leeren."
"Een goed denkbeeld, Mesty,--waarom zouden we 't niet in toepassing brengen?"
"Omdat ik geen lust heb mij op den wal aan gevaar bloot te stellen--en waarvoor? om terug te keeren en weer den pot te koken voor de heeren. Ik voel me hier gelukkig, Massa." zei Mesty op onverschilligen toon.
"En ik mij diep ellendig," hernam Jack, "maar ik ben geheel in uw macht, Mesty, en ik zal me moeten onderwerpen."
"Wat is dat nu, Massa Rustig,--onderwerpen aan mij? neen, meneer, als officier aan boord van de Harpij, hebt gij me als een vriend toegesproken en me volstrekt niet als een zwarten knecht behandeld. Massa Rustig, ik voel--ik voel wat ik ben," vervolgde Mesty en sloeg zich op de borst, "hier voel ik 't--voor het eerst sinds ik mijn vaderland verliet, voel ik dat ik iets ben; maar Massa Rustig, ik koester evenveel liefde voor mijn vriend als haat tegenover mijn vijand--en nooit zult gij u aan mij onderwerpen--ik ben te trotsch om dat te dulden, omdat, Massa Rustig,--omdat ik een man ben en eertijds een vorst ben geweest."
Ofschoon Mesty zijn bedoeling niet half zoo duidelijk in zijn woorden uitdrukte als in zijn gebaren, begreep Jack hem toch ten volle en hem de hand toestekende zei hij:
"Dat ge een vorst geweest zijt, Mesty, tel ik weinig, ofschoon ik er niet aan twijfel, omdat gij niet liegen kunt; maar gij zijt een mensch, en ik eerbiedig u, ja, ik heb u lief als een vriend--en als het van mij afhangt, zullen we nooit weer scheiden."
Mesty vatte de aangeboden hand en drukte die zwijgend, want spreken kon hij niet. Toen hij de hand weer losliet, was hij zoo door zijn gevoel overstelpt, dat hij het gesprek niet kon voortzetten en zich in de kajuit afzonderde.
Den volgenden morgen kwam Jack op de muiterij terug en vroeg opnieuw aan Mesty wat hij er van dacht.
We moeten afwachten, meneer, tot zij uit zichzelven vragen om weer aan boord te mogen komen; en daar zij vijf in getal zijn, tegen wij twee, moeten ze eerst al hun proviand opgegeten hebben. Laat ze een beetje hongerlijden, dan komen ze des te makker aan boord."
"In elk geval," hernam Jack, "moeten de eerste aanbiedingen, van welken aard ook, van hun kant komen. Had ik nu maar iets te doen--dat aan boord hangen bevalt me ook niet bijster."
"Wel, meneer, waarom niet wat gepraat met Predo?"
"Omdat ik geen Spaansch ken."
"Dat weet ik en daarom vroeg ik 't ook juist. Bij de ontmoeting met die twee lieve meisjes speet 't u zoo, dat ge niet in staat waart met haar te spreken."
"Ja zeker speet me dat," antwoordde Jack.
"Welnu, Massa Rustig, we zullen nog wel meer Spaansche meisjes ontmoeten. Als ge nu dagelijks met Pedro praat, zult u spoedig genoeg het Spaansch leeren."
"Ik wist niet, Mesty, dat je zoo slim was. Ik zal al mijn best doen om Spaansch te leeren," hernam Jack, blij dat hij eenige bezigheid gevonden had, want van de krijgsartikelen had hij genoeg gekregen.
Twaalfde hoofdstuk.
De muiterij loopt op een eind uit gebrek aan brandstof en aan water. Jack vindt de Harpij terug.
Bij de muitelingen aan den wal ging het dagelijks hetzelfde gangetje, maar toch werd er minder dikwijls een vuur aangelegd, zeker omdat de brandstof opraakte, wat bij het afnemen der warmte--'t was reeds October--slecht gelegen kwam. Een maand lang hield Jack, die in geen geval wilde toegeven, zich zoo goed en zoo kwaad als het ging bezig met Spaansch te leeren van Pedro en te luisteren naar Mesty's verhalen uit zijn vroeger leven.
"Wat is dat?" riep Mesty op zekeren morgen midden in een verhaal uit. "Daar steken me die dronken zwijnen de tent in brand!"
Jack keek om en zag dat de tent aan den wal werkelijk in vlammen stond.
"De koude nachten zullen hun moed wel doen bekoelen," merkte Mesty op. "Je zult eens zien, Massa Rustig, hoe gauw ze zullen soebatten om aan boord te komen."
Dat dacht Jack ook en hij verlangde sterk om weer onder zeil te gaan. In een der laden van de kleine kajuit had hij een kaart van de Middellandsche zee gevonden en die met ijver bestudeerd. "Kijk," zei hij tot Mesty, "hier heb je het eiland waar we ons op dit oogenblik bevinden, de weg naar Gibraltar loopt zóó, en zoodra de muiterij gedaan en de wind gunstig is, zetten we koers daarheen."
Nog eenige dagen verliepen er en toen konden de muitelingen het niet langer uithouden. Vooreerst hadden ze in hun dronkenschap de stop van hun laatste vat er zoo slecht ingeslagen, dat die er weer uitgeschoten en bijna al de wijn verloren gegaan was, bovendien hadden ze geen brandstof meer en daardoor de laatste dagen hun vleesch rauw moeten eten, en tot overmaat van ramp bleef het, nadat ze uit gebrek aan hout hun tent verstookt hadden, vier dagen en nachten aan één stuk regenen. Alles was doornat en zij bibberden van de koude. Ze wilden nog liever gehangen worden dan van gebrek en ellende langzaam wegsterven, en door honger gedreven begaven ze zich naar het strand vlak tegenover het schip en vielen op de knieën.
"Heb ik 't niet gezegd, massa Rustig?" zei Mesty, daar heb je nu die vervloekte kerels, die ons gedurig met het geweer durfden bedreigen."
"Hallo!" riep er een van den wal.
"Wat wou je?" antwoordde Jack.
"Heb medelijden met ons, meneer,--genade!" jammerden de anderen, "we willen tot onzen plicht terugkeeren."
"Wat moet ik zeggen, Mesty?"
"Antwoord eerst van neen, massa Rustig--zeg dat ze maar van honger moeten omkomen."
"Ik kan geen muitelingen aan boord nemen," riep Jack.
"Dan kome ons bloed over uw hoofd, meneer Rustig," hernam de man, die het eerst gesproken had. "Als we toch moeten sterven, dan maar liever spoedig; wilt gij ons niet opnemen, de haaien wel. Wat dunkt je, jongens? Laten we allen te tegelijk in zee loopen. Vaarwel, meneer Rustig, vergeef ons als we dood zijn; 't was enkel die dolleman van een Johnson, die ons bepraat heeft. Komt, jongens, dralen helpt niet, hoe eer hoe liever maar--laten we elkaar de hand geven en dan in zee."
Het scheen dat de arme kerels dit werkelijk van plan waren, als onze held, op aandrijven van Mesty, bleef weigeren hen aan boord te nemen. Allen schudden elkaar de hand, gingen op een rij staan en daarop volgde een sein van een--twee--."
"Halt!" riep Jack, wien het vreeselijke tooneel met de haaien nog niet uit het geheugen was,--"halt?"
De mannen bleven staan.
"Wat wilt ge belooven, als ik jullie weer aan boord neem?"
"Dat we stipt onzen plicht zullen doen, totdat we weer op de Harpij zijn, om daar als een waarschuwend voorbeeld voor alle muitelingen gehangen te worden," antwoordde een der mannen.
"Dat is al heel mooi," zei Mesty; "houdt ze aan hun woord; massa Rustig."
"Heel goed," hernam Jack, "ik neem de voorwaarden aan, en we zullen je komen halen."
Jack en Mesty staken hun pistolen bij zich en roeiden met de boot naar den wal. Bij het instappen sloegen de matrozen eerbiedig voor onzen held aan, maar spraken geen woord. Aan boord gekomen las Jack hun de artikelen betreffende muiterij voor, waardoor hun herinnerd werd "dat zij des doods schuldig waren," en hield vervolgens een toespraak, die den uitgehongerden kerels eindeloos toescheen. Maar aan alles komt een eind en dus ook aan Jack's rede. Mesty gaf hun nu wat beschuit, die zij dankbaar verslonden, tot zij iets beters zouden krijgen. Den volgenden morgen was de wind gunstig; met eenige moeite lichtten zij het anker en verlieten de reede. De afgematte matrozen verrichtten zwijgend hun werk, want hunne vooruitzichten waren alles behalve prettig; maar altijd blijft er eenige hoop leven en ofschoon ieder overtuigd was, dat de overigen zouden gehangen worden, hoopte hij toch zelf met een flink pak slaag er af te komen.
De wind belette hun echter recht op het doel af te sturen en eer de avond viel waren ze al drie streken noordwaarts afgeweken. "We zullen toch wel langs de Spaansche kust komen," merkte Jack op, "en dan moeten we zuidwaarts vanzelf Gibraltar bereiken, daar ben ik niets bang voor, want ik raak al veel beter vertrouwd met de zeevaartkunst." Den volgenden morgen bevonden ze zich met een zwakke bries onder een hooge kaap en toen de zon opkwam, zagen ze onder den wal een groot schip, omstreeks twee mijlen westelijk, en meer zee in een ander op een afstand van een mijl of vier. Mesty nam den kijker en richtte dien op het buitenste schip, dat opeens al zijn zeilen gestreken had en nu met een vaart op den wal aanliep, juist in de richting van de kaap, waaronder Jack's vaartuig lag.
"Massa Rustig,--dat is, geloof ik, de Harpij," zei Mesty terwijl hij den kijker neerlei.
Een der zeelui nam nu den kijker, terwijl de anderen, die er bij stonden, van groote ontsteltenis blijk gaven.