Jacht naar Fortuin

Part 9

Chapter 93,932 wordsPublic domain

In den gemeenteraad ging mijnheer Toutin-Laroche voor een bijzonder verdienstelijk administrateur door, hij werd daar onder de knappe koppen gerekend, en zijn onaangename heerschzucht over zijn collega's werd slechts geëvenaard door zijn kruipende onderdanigheid aan den prefect. Hij werkte reeds aan de oprichting van een groote finantiëele maatschappij, het Wijnbouwcrediet, een leenkas voor de wijngaardeniers, waarover hij met een deftige geheimzinnigheid sprak, die de begeerigheid van de domooren om hem heen opwekte.

Saccard wist zich de bescherming van deze twee personen te verzekeren, door hun diensten te bewijzen, waarvan hij het gewicht niet begreep, zoo hield hij zich althans. Hij bracht zijn zuster met den baron in kennis, die juist in een alles behalve net zaakje betrokken was. Hij bracht haar bij hem, onder voorwendsel dat hij zijn steun kwam vragen voor dat goede mensch, dat al zoo lang gerekwesteerd had om de leverantie van gordijnen voor de Tuileriën te krijgen.

Maar toen de opzichter der wegen die twee samen had gelaten, beloofde mevrouw Sidonie den baron dat zij onderhandelingen zou aanknoopen met zekere lieden, die lomp genoeg waren om zich niet vereerd te voelen door de vriendschap, die een senator wel had willen betuigen aan hun kind, een meisje van tien jaar.

Met mijnheer Toutin-Laroche handelde Saccard zelf de zaak af, hij wist hem te spreken te krijgen in een der gangen van het stadhuis en bracht toen het gesprek op het fameuze wijnbouwcrediet. Geen vijf minuten later nam de groote administrateur, versteld over de wonderlijke zaken die hij hoorde, den ambtenaar zonder plichtplegingen bij den arm en hield hem een uur lang in de gang aan de praat.

Saccard fluisterde hem vindingrijke finantiëele kunstgrepen in het oor.

Toen mijnheer Toutin-Laroche hem verliet, drukte hij hem beteekenisvol de hand, met een vrijmetselaars-knipoogje.

Saccard overtrof zichzelven in deze aangelegenheid. Hij was zelfs zoo voorzichtig baron Gouraud en mijnheer Toutin-Laroche niets van elkander te doen afweten. Hij bezocht ze afzonderlijk, fluisterde hun een woordje toe ten gunste van een zijner vrienden, wiens huis in de rue de la Pépinière onteigend zou worden, hij zorgde er wel voor aan elk zijner medeplichtigen te zeggen dat hij met geen ander commissielid over die zaak zou spreken, dat de zaak nog in de lucht hing, maar dat hij op hun volkomen welwillendheid rekende.

De opzichter der wegen had niet ten onrechte zijn voorzorgsmaatregelen genomen. Toen het dossier betreffende zijn huis voor de commissie der schadevergoedingen kwam, trof het toevallig dat een der leden in de rue d'Astorg woonde en het huis kende. Dit lid protesteerde tegen het bedrag van vijfhonderdduizend francs, dat volgens hem op de helft moest gebracht worden.

Aristide had de onbeschaamdheid gehad zevenhonderdduizend francs te vragen.

Dien dag was mijnheer Toutin-Laroche, gewoonlijk reeds heel onaangenaam voor zijn collega's, nog ongenietbaarder dan gewoonlijk. Hij werd boos en begon de huiseigenaars te verdedigen.

--Wij zijn allen eigenaars, heeren, riep hij.... De keizer wil groote dingen tot stand brengen, laten wij nu niet op zulke kleinigheden beknibbelen.... Dit huis moet vijfhonderdduizend francs waard zijn; een van onze menschen, een stedelijk ambtenaar, heeft dat bedrag bepaald.... 't Lijkt inderdaad wel of wij in het bosch van Bondy leven; gij zult zien dat wij elkander ten slotte gaan wantrouwen.

Baron Gouraud, op zijn gemak in een armstoel gezeten, wierp met een verbaasd gezicht een schuinschen blik naar mijnheer Toutin-Laroche, die hemel en aarde bewoog ten gunste van den eigenaar uit de rue de la Pépinière. Hij kreeg achterdocht. Maar daar die hevige uitval hem, per slot van rekening, van de moeite ontsloeg een woord in het midden te brengen, begon hij zachtjes met het hoofd te knikken, ten teeken zijner volle instemming.

Het lid van de rue d'Astorg gaf niet toe; hij wilde niet buigen voor de twee dwingelanden der commissie, in een kwestie waarin hij meer bevoegd tot oordeelen was dan die heeren.

Toen maakte mijnheer Toutin-Laroche, die de goedkeurende knikjes van den baron had opgemerkt, zich driftig van het dossier meester en zei op drogen toon:

--'t Is goed. We zullen uw twijfel oplossen.... Met uw verlof, ik belast mij met de zaak, en baron Gouraud zal het onderzoek met mij verrichten.

--Ja, ja, zei de baron deftig, er mag niets duisters in onze beslissingen zijn.

Het dossier was al in de diepe zakken van mijnheer Toutin-Laroche verdwenen. De commissie moest buigen.

Bij het heengaan keken de twee slimmerds elkander met een strak gezicht aan. Zij voelden dat zij medeplichtigen waren, en dat maakte hen nog brutaler.

Twee gewone lui zouden een verklaring uitgelokt hebben; zij gingen voort de zaak der eigenaars te bepleiten, alsof men ze nog had kunnen hooren, en den geest van wantrouwen te betreuren, die overal begon door te dringen. Op het oogenblik dat zij elkander zouden verlaten, zei de baron met een glimlach:

--O ja, ik heb vergeten te zeggen, waarde collega, dat ik straks naar mijn buitengoed ga. Ge zult zeker wel zoo vriendelijk willen zijn dat onderzoek zonder mij te doen.... Verklap me vooral niet, de heeren klagen toch al dat ik te veel vrijaf neem.

--Maak u volstrekt niet ongerust, antwoordde mijnheer Toutin-Laroche, ik ga dadelijk naar de rue de la Pépinière.

Hij ging kalmpjes naar huis, met een gevoel van bewondering voor den baron, die zich zoo kiesch uit netelige gevallen wist te redden. Hij hield het dossier in zijn zak, en in de volgende zitting verklaarde hij op stelligen toon, zoowel uit eigen naam als uit dien van den baron, dat tusschen het bod van vijfhonderdduizend francs en den eisch van zevenhonderdduizend francs het verschil moest gedeeld en zeshonderdduizend francs moest toegestaan worden. Niemand had er iets tegen. Het lid van de rue d'Astorg, die er zeker nog eens over nagedacht had, zei gulweg dat hij zich vergist had; hij had gedacht dat het huis daarnaast bedoeld werd.

Op die manier behaalde Aristide Saccard zijn eerste overwinning. Hij kreeg het viervoud van zijn kapitaal terug en won er twee medeplichtigen bij. Eén ding maakte hem ongerust; toen hij de bewuste boeken van mevrouw Sidonie wilde vernietigen, vond hij ze niet meer. Hij begaf zich in allerijl naar Larsonneau, die hem ronduit bekende dat hij ze had en dat hij ze hield.

Saccard maakte zich niet boos; hij hield zich alsof hij bezorgd was geweest over dien besten vriend, die veel meer door die papieren gecompromitteerd was dan hij zelf, omdat ze bijna geheel door hem geschreven waren, maar dat hij volkomen gerust was, nu hij ze in zijn bezit had.

Eigenlijk had hij dien "besten vriend" wel willen wurgen; hij herinnerde zich een heel compromitteerend stuk, een valschen inventaris, dien hij, dom genoeg, had opgemaakt, en die in een van de registers was blijven liggen.

Larsonneau, die ruim betaald werd, begon een zaakwaarnemerskantoor in de rue de Rivoli, waar hij zich zoo weelderig inrichtte, dat het de kamers van een cocote leken.

Saccard had intusschen zijn ontslag aan het Stadhuis genomen, en daar hij nu de beschikking had over aanzienlijke fondsen, ging hij uit alle macht aan het speculeeren, terwijl Renée, in dartelen overmoed, geheel Parijs deed spreken over haar fraaie équipages, haar schitterende diamanten en haar drukke levenswijs.

Een enkele maal gingen man en vrouw, die twee hartstochtelijke minnaars van geld en van pleizier, naar de mistige koude van l'Île-Saint-Louis. Het kwam hun voor alsof zij in een uitgestorven stad kwamen.

Het hôtel Béraud, tegen het begin der zeventiende eeuw gebouwd, was een van die vierkante, sombere en deftige gebouwen, met hooge smalle vensters, zooals men er zooveel in het Marais aantreft, en die verhuurd worden aan kostschoolhouders, fabrikanten van Seltzerwater of als opslagplaatsen van wijn en alcoholische dranken. Maar het was prachtig onderhouden.

In de benedenverdieping, die niet zoo hoog was, waren de met dikke ijzeren spijlen voorziene vensters diep in den somberen muur gebouwd; daar bevond zich ook een donkergroen geschilderde boogvormige deur, bijna even hoog als breed, met een ijzeren klopper, en met zware spijkers versierd, die in den vorm van sterren en ruiten op de beide vleugels waren aangebracht.

Die deur was typisch, met de schuinstaande steenen palen aan weerszijden, die door ijzeren ringen omsloten waren. Het was nog duidelijk merkbaar dat men oudtijds de bedding van een beekje, in het midden van de poort, tusschen de lichte hellingen van het heiwerk van den ingang, ongerept had gelaten, maar mijnheer Béraud had die beek verstopt door den ingang met asphalt te laten beleggen; dat was trouwens de eenige concessie die hij aan de moderne architecten deed.

De vensters der verdiepingen waren voorzien van smalle leuningen van smeedijzer, waarboven de in stevige bruine lijsten gevatte ramen met hun groenachtige ruitjes uitkwamen. Boven, voor de zolderkamertjes, hield het dak op en liep de goot alleen door, om het hemelwater naar de afvoerpijpen te brengen.

De kale stijfheid van den gevel werd nog verhoogd door de totale afwezigheid van zonneblinden en jalouziën, immers de zon bescheen in geen enkel jaargetijde die bleeke, sombere steenen. Die gevel met zijn eerwaardig voorkomen, zijn burgerlijke strengheid, rustte statig in de eenzame wijk, in die stille straat die bijna nooit bereden werd.

Binnen in het hôtel bevond zich een vierkante plaats, door overwelfde gangen met boogvormige openingen omgeven, een miniatuur-place Royale, met kolossale steenen bevloerd, wat aan dit doodsche huis nog meer het aanzien van een klooster gaf.

Tegenover den ingang wierp een fontein, een nog half zichtbare leeuwenkop, waarvan men nog slechts den geopenden muil kon onderscheiden, door een ijzeren buis, een zwaar en eentonig water in een groenbemosten bak, waarvan de randen glad gesleten waren. Dat water was ijskoud.

Het gras groeide tusschen de steenen. 's Zomers kwam er een beetje zon op de plaats, en dat zeldzame bezoek had een der muren, tegen het zuiden, verbleekt, terwijl de drie andere, somber en grauw, met schimmel gemarmerd waren.

Op die binnenplaats, koel en stil als een put, in het kalme licht van een winterdag, zou men zich duizend mijlen verwijderd gewaand hebben van dat nieuwe Parijs, waar al die warme genietingen gloeiden, bij het geraas en getier der millioenen.

De vertrekken van het hôtel waren even triestig en kalm, even koud en plechtig als de binnenplaats. Een breede trap met ijzeren leuning, waarop de stap en de kuch der bezoekers als onder een kerkgewelf klonken, leidde naar een lange reeks groote, hooge kamers, waarin donkere, ouderwetsche meubels de ledige ruimten nog lang niet vulden; het gedempte licht liet slechts even de groote, bleeke gestalten onderscheiden van de personen, die op de behangsels waren voorgesteld. Daar trof men de weelde aan van een Parijsche burgergeslacht van den ouden stempel, een weelde die onverslijtbaar en zonder gemakken was, stoelen waarvan het eikenhout ternauwernood met eenig haarpluis bedekt was, bedden met stijf neerhangende gordijnen, linnenkisten wier ruwe planken het broze bestaan der nieuwerwetsche japonnen in groot gevaar zouden gebracht hebben.

Mijnheer Béraud Du Châtel had zijn eigen vertrekken in het somberste gedeelte van het hôtel gekozen, tusschen de straat en de binnenplaats, op de eerste verdieping. Zij waren daar in een omgeving, die er met haar stilte en donkerheid wonderwel bij paste. Als hij de deuren openduwde, en de plechtige stilte der kamers van zijn langzamen, deftigen tred weerklonk, zou men hem aangezien hebben voor een van die oude parlementsleden, wier portretten men aan de muren zag hangen, die peinzend van een zitting thuiskomen waar zij, na deelgenomen te hebben aan de discussie over een koninklijk besluit, geweigerd hebben dit te teekenen.

Maar er was toch in dit doodsche huis, in dit klooster, een nestje trillend van warmte, een zonnig, vroolijk plekje, een hoekje van jeugd, licht en lucht. Men moest een menigte trapjes bestijgen, langs tien of twaalf gangen gaan, weer op en afdalen, een heele reis maken, om eindelijk in een ruim vertrek te komen, een soort van belvedère op het dak gebouwd, achter het hôtel, boven de quai de Béthune.

Het lag vlak op het zuiden. Het venster ging zoo wijd open, dat de hemel er met al zijn stralen, al zijn blauw, scheen binnen te komen. Er stonden groote bakken met bloemen, een kolossale volière en geen enkel meubelstuk. Er lag enkel een mat op den vloer uitgespreid.

Dat was de "kinderkamer." In het heele hôtel kende en noemde men de kamer bij dien naam. Het huis was zoo kil, de binnenplaats zoo vochtig, dat tante Elisabeth bang was dat de koude wind, die over de muren neerstreek, Christine en Renée ziek zou maken; menigmaal had zij de kleine ondeugden beknord, als zij onder de bogen liepen of er pret in hadden haar armpjes in het ijskoude water van de fontein te dompelen.

Toen was zij op het denkbeeld gekomen, dit verloren zolderhoekje voor haar in te laten richten, het eenige hoekje waar de zon binnendrong en zich sedert bijna twee eeuwen, alleen verlustigde te midden der spinnewebben. Zij gaf den kinderen een mat, vogels en bloemen. De kleinen waren in de wolken. In de vacantie was Renée daar den heelen dag te vinden, in het goudgele bad van die goede zon, die zich scheen te verheugen dat men haar verblijf zoo opgeknapt en haar twee blonde kopjes gezonden had.

De kamer werd een paradijs, waarin het gezang der vogels en het gebabbel der kinderen weerklonk. Zij mochten het als hun eigendom beschouwen. Zij zeiden "onze kamer", zij waren er thuis, zij sloten er zich zelfs in op, om duidelijker het besef te hebben dat zij er de eenige bezitsters van waren. Wat een gelukkig plekje!

Op de mat lag allerlei gebroken speelgoed in den zonneschijn.

En het prettigste van de kinderkamer was het ruime uitzicht. Uit de andere vensters van het hôtel zag men een paar voeten voor zich uit niets dan zwarte muren. Maar uit dit venster zag men een heel eind van de Seine, het heele gedeelte van Parijs dat tusschen de Cité en de brug de Bercy ligt, vlak zoover het oog reikt, veel gelijkende op een dier eigenaardige Hollandsche steden.

Beneden, op de kade, stonden half ineengezakte loodsen, een opeenstapeling van balken en gebroken daken, waartusschen de kinderen dikwijls ratten zagen loopen, met de heimelijke vrees dat zij tegen de hooge muren zouden opklimmen. Maar verderop begon het verrukkelijk schouwspel.

Het paalwerk langs de rivier, dat met zijn dikke planken en stutten als van een gothische kathedraal, trapsgewijze omhoog rees, en de brug van Constantine, die licht als kant onder de voeten der voorbijgangers scheen te zweven, sneden elkander rechthoekig, schenen de enorme watermassa te versperren en tegen te houden.

Recht vooruit strekte het lommer van de boomen van de Halle aux vins en nog verder het dichte groen van den Plantentuin zich tot den gezichtseinder uit; terwijl aan de andere zijde van het water de kade Henri IV en de kade de la Râpée haar lage, onregelmatige huizen vertoonden; van uit de hoogte gezien, geleken zij op de houten en bordpapieren huisjes uit de speelgoeddoozen der kleinen.

Rechts, in de verte, stak het blauwachtige leiendak van de Salpétrière boven de boomen uit. In het midden daalden de hooge, geplaveide oevers tot aan de Seine en vormden twee lange grijze wegen, waarop hier en daar een rij tonnen, een bespannen wagen, een geloste schuitlading hout of steenkool donkere plekken vormden.

Maar de ziel van dat alles, de ziel van het heele landschap, was de Seine, de levende rivier, zij kwam van verre, van dien vagen, trillenden horizon, zij kwam van daar ginds, uit het droomland, om recht op de kinderen aan te stroomen, in haar rustige majesteit, in haar machtige zwelling, die zich tot een meer verbreedde aan hun voeten, aan de spits van het eiland.

De twee bruggen die haar sneden, de pont de Bercy en de pont d'Austerlitz, schenen noodzakelijke beletsels, die haar moesten tegenhouden, haar verhinderen tot in de kamer te stroomen.

De kinderen hielden van den reus, zij staarden zich moe op dat altijd stroomende, loeiende water dat naar hen toe rolde als om ze te bereiken, en dat zij links en rechts vertakt zagen verdwijnen in het onbekende, met de zachtheid van een getemden Titan.

Op mooie dagen, als de hemel blauw was, waren zij verrukt over de mooie kleedjes van de Seine; het waren kleedjes wier weerschijn van blauw tot groen overging, met duizenderlei fijne schakeeringen; soms leek het zijde met schitterend witte moesjes, met satijnen ruches; en de booten die aan de beide oevers lagen, omzoomden haar met een zwart fluweelen lint.

In de verte vooral werd de stof prachtig en kostbaar, als het toovergaas van een feeënkleedje; na den band van donkergroen satijn, waarmee de schaduw der bruggen de Seine omsloot, waren er gouden borststukken, zonkleurige lapjes geplisseerde stof. De onmetelijke hemel welfde zich boven dit water, die lage huizenrijen, dat groen der beide parken.

Soms gebeurde het dat Renée, dien onbegrensden horizon moede, als groot meisje reeds zinnelijke nieuwsgierigheid van de kostschool meebrengende, een blik wierp in de zwemschool, waarvan het bootje aan de spits van het eiland vastgelegd is. Tusschen de linnen doeken die aan touwtjes hingen, bij wijze van plafond, gluurde zij naar de mannen in hun zwembroek, wier blooten buik men zien kon.

III.

Maxime bleef tot de vacantie van 1854 op het gymnasium van Plassans. Hij was dertien jaar en enkele maanden en had de vijfde klasse doorloopen. Toen besloot zijn vader hem naar Parijs te laten komen. Hij dacht dat een zoon van dien leeftijd hem iets geposeerds zou geven, hem zou bevestigen in zijn rol van hertrouwden, rijken en ernstigen weduwnaar.

Toen hij zijn voornemen te kennen gaf aan Renée, jegens wie hij altijd uiterst galant was, gaf zij op achteloozen toon ten antwoord:

--Dat is goed, laat den jongen komen.... Hij zal ons een beetje opvroolijken. 's Morgens is het hier doodelijk vervelend.

De jongen kwam een week later. Het was een lange, tengere jongen, met een vrijpostig meisjesgezicht; lichtblond en fijn gebouwd. Maar, goede hemel, hoe was hij toegetakeld! Zijn haar was zoo kort geknipt, dat de huid ternauwernood met een lichte schaduw bedekt was; hij droeg een te korte broek, schoenen als een vrachtrijder, een vreeselijk afgesleten kiel, die zoo wijd was dat hij een bult leek te hebben.

Zoo uitgedost keek hij verbaasd over al het nieuws dat hij zag, om zich heen, zonder eenige beschroomdheid, met het schuwe, slimme voorkomen van een vroegrijp kind, dat in beraad staat of het zich wel dadelijk zal overgeven.

Een knecht had hem van het station gehaald, en hij stond in het groote salon, verrukt over het verguldsel van de meubelen en het plafond, erg in zijn schik met die weelde waarin hij voortaan zou leven, toen Renée, die van haar kleermaker kwam, als een wervelwind binnenstormde. Zij wierp haar hoed neer, op den witten mantel, dien zij omgeslagen had om zich tegen de scherpe koude te beschutten. Zij stond daar eensklaps voor Maxime, die in stomme bewondering toekeek, in al den glans van haar prachtig kostuum.

De knaap dacht, dat zij verkleed was. Zij droeg een prachtigen blauwen rok, met breede strooken, daarover had zij een soort soldatenjas van lichtgrijze zijde aangedaan. De panden der jas, die met satijn van een donkerder blauw dan de stof der japon gevoerd was, waren sierlijk opgenomen en vastgehouden door strikken van lint; de opslagen der gladde mouwen, de groote omslagen van het keurslijf liepen breed uit en waren met hetzelfde satijn gegarneerd. En om de kroon op dit alles te zetten, had zij iets heel origineels gewaagd; groote knoopen, imitatie van safier, in azuurblauwe rozetten gevat, liepen in twee rijen langs de geheele jas. Het was leelijk, en toch verrukkelijk.

Toen Renée Maxime opmerkte, was zij verbaasd dat hij even groot was als zij.

--Dat is de kleine, niet waar? vroeg zij den knecht.

De knaap verslond haar met zijn blikken. Die dame met haar blanke huid, wier borst men zien kon door de gaping van een geplisseerd chemisette; die plotselinge, bekoorlijke verschijning met haar hooge kapsel, haar fijne geganteerde handen, haar kleine heerenlaarsjes, waarvan de spitse hakken in het tapijt verzonken, bracht hem in verrukking, scheen hem de goede fee toe van dit warme, schitterende vertrek. Hij glimlachte even en was juist linksch genoeg om zijn jongensachtige bevalligheid te behouden.

--Wel, hij is heel aardig! riep Renée uit.... Maar hoe afschuwelijk! Wat is zijn haar kort geknipt!.... Luister eens, beste jongen, je vader zal zeker pas tegen etenstijd thuis komen, dus ik zal je van alles op de hoogte moeten brengen.... Ik ben je stiefmama, jongmensch. Wil je me een zoen geven?

--Wat graag, antwoordde Maxime ronduit.

En hij zoende de jonge vrouw op beide wangen, terwijl hij haar bij de schouders vatte, waardoor haar soldatenjas een beetje gekreukt werd. Zij maakte zich lachend los en zei:

--Goede hemel, wat een grappige jongen is die kleine kaalkop!....

Zij kwam weer naar hem toe, met meer ernst.

--We zullen vrienden zijn, niet waar ?.... Ik wil een moeder voor je zijn. Ik dacht er over, terwijl ik op mijn kleermaker wachtte, die met een ander in gesprek was, en ik nam mij voor heel goed voor je te zijn en je een goede opvoeding te geven.... Dat zal prettig zijn!

Maxime bleef haar aankijken, met zijn blauwe, vrijpostige meisjesoogen, en plotseling vroeg hij:

--Hoe oud bent u?

--Maar dat vraagt men nooit! riep zij uit, de handen in elkaar slaande.

Hij weet dat nog niet, die arme jongen! Ik zal hem alles moeten leeren.... Gelukkig kan ik nog voor mijn leeftijd uitkomen. Ik ben een en twintig.

--Ik ben gauw veertien.... U zou mijn zuster kunnen zijn.

Hij sprak niet verder, maar zijn blik voegde er bij dat hij zich de tweede vrouw van zijn vader veel ouder voorgesteld had. Hij stond vlak naast haar, hij keek met zooveel aandacht naar haar hals, dat zij bijna begon te blozen. Haar dwaas hoofd kon zich echter niet lang bij hetzelfde onderwerp bepalen; zij liep heen en weer en begon over haar kleermaker te praten, er niet aan denkende dat zij tot een kind sprak.

--Ik was wel graag thuis gebleven om je te ontvangen. Maar verbeeld je, Worms brengt me van morgen dit kostuum.... Ik pas het en ik vind het nog al goed uitgevallen. Hij heeft veel smaak, vind je niet?

Zij was voor een spiegel gaan staan. Maxime draaide om haar heen, om haar van alle kanten te bekijken.

--Maar, ging zij voort, toen ik de jas aantrok, merkte ik dat er daar op den linker schouder, zie je, een diepe plooi viel.... Die plooi staat heel leelijk, 't is net of mijn ééne schouder hooger is dan de ander.

Hij was naderbij gekomen, hij streek met den vinger over de plooi als om haar plat te maken, en zijn kwajongenshand scheen met een zeker welgevallen op dat plekje te blijven rusten.

--Ik kon het niet langer uitstaan. Ik heb in laten spannen en ik ben aan Worms gaan zeggen wat ik van zoo'n onbegrijpelijke lichtzinnigheid dacht.... Hij beloofde me het te laten veranderen.

Daarop bleef zij voor den spiegel staan, zichzelve bekijkende, en begon toen plotseling over iets na te denken. Eindelijk legde zij een vinger op den mond, met een air van peinzend ongeduld. En heel zachtjes, alsof zij in zichzelve sprak:

--Er mankeert iets aan.... er mankeert stellig iets aan....

En toen keerde zij zich snel om, plaatste zich voor Maxime en vroeg hem:

--Vind je het zoo heusch goed?.... Vind je niet dat er iets aan mankeert, een kleinigheidje, een strik bijvoorbeeld?

De schooljongen, geheel op zijn gemak gebracht door de kameraadschappelijkheid van de jonge vrouw, had al de onverstoorbare kalmte van zijn onbeschaamden aard teruggekregen. Hij deed een paar stappen terug, kwam weer naderbij, knipte met de oogen en sprak binnensmonds: