Jacht naar Fortuin

Part 8

Chapter 83,882 wordsPublic domain

Het plan van den opzichter der wegen om fortuin te maken was eenvoudig en praktisch. Nu hij meer geld in handen had dan hij ooit had durven hopen om zijn operaties te beginnen, was hij voornemens zijn plannen op groote schaal uit te voeren. Hij kende zijn Parijs door en door, hij wist dat de goudregen die tegen de muren kletterde, met den dag dichter zou neervallen. Handige luidjes behoefden slechts hun zakken open te doen. Hij nu had onder die handigen plaats genomen, toen hij in de toekomst leerde lezen op de bureaux van het stadhuis.

Door den aard van zijn bezigheden was hij er achter gekomen hoeveel men kan stelen bij den aan- en verkoop van huizen en terreinen.

Hij was op de hoogte van alle bestaande knoeierijen, hij wist hoe men voor een millioen verkoopt wat men voor de helft gekocht heeft; hoe men voor geld recht krijgt om de schatkist van den Staat, die het oogluikend en glimlachend toelaat, te plunderen, hoe men, onder de toejuichingen van al degenen, die er het slachtoffer van zijn, met de huizen van zes verdiepingen goochelt, als er een boulevard wordt aangelegd in het hartje van een oude wijk. En wat, in dien nog troebelen tijd, toen de kanker der speculatie nog in haar wordingsperiode was, van hem een verschrikkelijken speler maakte, was de omstandigheid dat hij veel beter dan zijn chefs zelven ried, welk een toekomst in Parijs was weggelegd voor hardsteen en kalk.

Hij had zooveel gesnuffeld, zooveel aanwijzingen opgespoord, dat hij het schouwspel, dat de nieuwe wijken in 1870 zouden aanbieden, had kunnen voorspellen. Soms, als hij op straat liep, keek hij sommige huizen zonderling aan, als waren het kennissen met wier lot hij alleen bekend en innig begaan was.

Twee maanden voor Angèle's dood was hij met haar op een Zondag naar de buttes Montmartre geweest. De arme vrouw vond het verrukkelijk in een restauratie te eten; zij voelde zich gelukkig, als hij haar na een lange wandeling, buiten Parijs, in het een of andere koffiehuis voor een tafeltje plaats liet nemen. Op dien Zondag dineerden zij op den top der hoogte, in een restauratie waarvan de vensters uitzicht gaven op Parijs, op die huizenzee met blauwachtige daken, als dicht opeengedrongen golven die den onmetelijken horizon vulden.

Hun tafeltje stond voor een dier vensters. Saccard geraakte door dat uitzicht in een vroolijke stemming. Bij het dessert bestelde hij een flesch bourgognewijn. Hij lachte de ruimte toe, hij was buitengewoon galant. En met ingenomenheid daalden zijn blikken steeds weder naar die levende wemelende zee, uit wier diepten de stem des volks oprees.

Het was in den herfst, de stad scheen onder den bleeken hemel weg te kwijnen in een teer zachtgrijs, hier en daar met donker groen gestipt, dat in de verte leek op de groote bladeren van waterleliën, ronddrijvend op een meer. De zon ging onder in een rooden wolk, en terwijl een lichte nevel op den achtergrond verrees, daalde een gouden stofregen op den rechteroever der stad, in den omtrek der Madeleine en der Tuileriën.

Het was als het betooverde hoekje van een stad uit de Duizend en éen nacht, met smaragden boomen, saffieren daken en robijnen weerhanen. Eén oogenblik was de straal, die tusschen twee wolken doorgleed, zoo schitterend, dat de huizen in lichte laaie schenen te staan, en te smelten als een staaf goud in een smeltkroes.

--O, zie eens, zei Saccard met een kinderlijken lach, het regent gouden tientjes in Parijs!

Angèle begon nu ook te lachen, en merkte op dat die tientjes niet zoo gemakkelijk op te rapen waren. Maar haar man was opgestaan en met den arm op het kozijn geleund, riep hij uit:

--Dat is de Vendôme-zuil, niet waar, die daar zoo schittert!.... Hier, meer naar rechts, daar heb je de Madeleine.... Een mooie wijk, waar nog veel te doen valt.--O, nu staat alles in brand! Zie je?.... 't is net of de heele wijk in den distilleerketel van een scheikundige kookt.

Zijn stem werd ernstig en bewogen. De vergelijking, die hij onwillekeurig gemaakt had, scheen hem zelfs te treffen. Hij had bourgognewijn gedronken, hij verdiepte zich in zijn onderwerp; hij ging voort, terwijl hij de hand uitstrekte om Parijs te toonen aan Angèle, die naast hem was komen staan:

--Ja, ja, ik heb de waarheid gesproken, meer dan eene wijk zal ineenstorten, en er zal goud achterblijven aan de vingers van hen die de kroes zullen verhitten en omroeren. Dat lummelachtige Parijs! Zie eens hoe onmogelijk groot het is en hoe rustig het inslaapt! 't Is toch een dwaas ding, die groote steden! Het denkt heelemaal niet aan het leger van houweelen, dat het op een mooien morgen zal komen aanvallen, en zekere groote heerenhuizen in de rue d'Anjou zouden niet zoo mooi glinsteren in de ondergaande zon, als zij wisten dat zij nog maar drie of vier jaar te leven hebben.

Angèle dacht dat haar man gekscheerde. Hij had soms een manier van schertsen die schrik aanjoeg. Zij lachte, schoon met een onbestemde vrees, toen zij dat manneke zich zag oprichten boven dien reus die aan zijn voeten lag, om hem met een spotachtig lachen de vuist te toonen.

--Men is reeds begonnen, ging hij voort. Maar dat heeft niet veel te beduiden. Kijk daar ginds, den kant van de Hallen uit, daar heeft men Parijs in vieren gesneden....

En met de uitgestrekte hand, vlak en scherp als een hakmes, maakte hij een gebaar alsof hij de stad in vieren deelde.

--Je bedoelt de rue de Rivoli en den nieuwen boulevard die aangelegd wordt? vroeg zijn vrouw.

--Juist, den grooten kruisweg van Parijs, zooals zij zeggen. Zij maken het Louvre en het stadhuis vrij. Alles kinderspel! Dat is goed om het publiek trek te doen krijgen.... Wanneer het eerste net voltooid is, dan beginnen de poppen eerst goed te dansen. Het tweede net zal de stad aan alle kanten doorsnijden om de voorsteden met het eerste net te verbinden. De afgesneden stukken zullen zieltogen in de kalk.... Kijk maar eens langs mijn hand. Van den boulevard du Temple tot aan de barrière du Trône, éen sneê, verder dezen kant uit weer een sneê, van de Madeleine naar de plaine Monceau, een derde sneê in deze richting, een vierde in die, een sneê hier, een sneê daar, sneden overal, Parijs met sabelhouwen stuk gehakt, de aderen geopend, honderdduizend aardwerkers en metselaars voedsel gevende, door prachtige strategische wegen doorkruist, die de fortificaties in 't hartje van de oude wijken zullen brengen.

De avond viel. Zijn magere, zenuwachtige hand hakte nog altijd in de ruimte. Angèle huiverde even voor dat levende mes, voor die ijzeren vingers die onmeedoogend op die onbegrensde opeenstapeling van donkere daken inhakten.

De nevels van den horizon daalden intusschen langzaam van de hoogte neer, en zij verbeeldde zich, onder de duisternis die zich in de diepten opeenhoopte, een verwijderd gekraak te hooren, alsof de hand van haar man inderdaad de sneden maakte, waarvan hij sprak, alsof zij Parijs midden doorspleet, balken doormidden brak, steenen verbrijzelde en groote, afschuwelijke wonden van ingestorte muren achter zich liet. De nietigheid van die hand, die op een reusachtige prooi aanviel, werd eindelijk verontrustend; en terwijl zij zonder moeite de ingewanden der onmetelijke stad verscheurde, was het alsof zij in de blauwachtige avondschemering flikkerde als staal.

--Er komt nog een derde net, vervolgde Saccard, na een korte stilte, alsof hij in zichzelf sprak; maar dat is nog in de toekomst, ik zie het niet zoo duidelijk. Ik heb nog maar enkele aanwijzingen.... Maar dat zal een echte razernij zijn, een helsche millioenendans, Parijs zal dronken gevoerd en van kant gemaakt worden.

Hij zweeg opnieuw, de oogen hartstochtelijk naar de stad gericht, waar de duisternis in dichtheid toenam. Hij ondervroeg voorzeker die verre toekomst die zich aan zijn blik onttrok. Toen werd het geheel donker, de stad was niet duidelijk kenbaar meer, men hoorde ze zwaar ademhalen, als een zee waarvan men nog slechts de witgetopte golven ziet. Hier en daar zag men nog een witten muur; éen voor éen begonnen de gele gasvlammen in de duisternis te schitteren, als sterren die aan een donkeren hemel opkomen.

Angèle had zich intusschen van haar onaangename gewaarwording hersteld en vatte de grap weer op, die haar man aan het dessert gemaakt had.

--Zoo, zei zij glimlachend, er zijn toch van die tientjes gevallen! Nu gaan de Parijzenaars aan het tellen. Kijk toch eens, wat een mooie stapeltjes men voor onze voeten neerlegt!

Zij wees op de straten die tegenover de buttes Montmartre afhelden, waar de gasvlammen haar gouden vlekken aan weerszijden schenen op te stapelen.

--En kijk daar eens, riep zij, naar een gewemel van flonkerende stippen wijzende, dat is zeker de algemeene kas.

Deze opmerking deed Saccard lachen. Zij bleven nog een oogenblik voor het venster, verrukt over dien stroom van "tientjes" die geheel Parijs deed gloeien.

Toen de opzichter der wegen van Montmartre naar beneden ging, had hij zeker spijt, dat hij zooveel gepraat had. Hij weet het aan den bourgognewijn en verzocht zijn vrouw de "dwaasheden" die hij had uitgekraamd, niet verder te vertellen; hij wou een ernstig man zijn, zei hij.

Saccard had al geruimen tijd te voren zijn studie gemaakt van die drie netwerken van straten en boulevards, waarvan hij in de opwinding van het oogenblik het ontwerp in vrij juiste trekken aan Angèle had medegedeeld. Toen deze stierf, was hij er niet rouwig om dat zij zijn praatjes mee in het graf nam.

Daar lag zijn fortuin, in die groote sneden die zijn hand in het hart van Parijs gemaakt had, en hij was niet van plan zijn idee met iemand te deelen, wel wetende dat als de dag van den buit gekomen was, er roofvogels genoeg zouden vliegen boven de opengereten stad.

Zijn eerste plan was voor weinig geld een huis te koopen, waarvan hij te voren wist dat het onteigend zou worden, en door een ruime schadevergoeding te vragen er flink wat op te verdienen. Hij zou het zaakje misschien gewaagd hebben zonder een cent te bezitten, het huis op krediet te koopen en het verschil in den zak te steken, zooals dat op de Beurs geschiedt, toen hij als premie op zijn huwelijk die twee honderdduizend francs ontving, die hem in staat stelden zijn plan op grooter schaal te volvoeren.

Hij had alles vooruit berekend; hij kocht van zijn vrouw, op naam van een tusschenpersoon, zonder zelf genoemd te worden, het huis in de rue de la Pepinière en verdriedubbelde zijn kapitaal, dank zij de wetenschap die hij had opgedaan in de gangen van het Stadhuis, en zijn goede relatiën met zekere invloedrijke personen. Dat hij zijn ontroering niet had kunnen verbergen, toen tante Elisabeth hem de plek had aangeduid waar het huis stond, kwam omdat het midden op den weg van een ontworpen straat lag, waarover nog slechts in het kabinet van den prefect der Seine gesproken werd. Deze weg, de boulevard Malesherbes, zou het huis heelemaal doen verdwijnen.

Het was een oud plan van Napoleon I, dat men nu wenschte uit te voeren, "om een behoorlijken uitgang te verschaffen, zeiden de deftige heeren, aan wijken die achter een doolhof van nauwe straten verscholen lagen, op de glooiingen der heuvels die Parijs begrensden."

Deze officiëele volzin kwam natuurlijk niet uit voor het belang dat het keizerrijk er bij had de rijksdaalders te laten rollen, de werklieden in één adem aan het afbreken en opbouwen te houden.

Saccard had zich eens de vrijheid veroorloofd bij den prefect dien fameuzen plattegrond van Parijs te raadplegen, waarop "een hooge hand" de voornaamste verkeersaderen van het tweede net met rooden inkt had aangegeven. Die op bloed gelijkende pennestreken maakten nog dieper insnijdingen in Parijs dan de hand van den opzichter der wegen.

De boulevard Malesherbes, die het afbreken van prachtige heerenhuizen in de rues d'Anjou en de la Ville-l'Evêque noodzakelijk maakte, zou een van de eerste zijn.

Toen Saccard het huis in de rue de la Pépinière ging bezichtigen, dacht hij aan dien herfstavond, aan dat diner met Angèle op de hoogte van Montmartre, toen er tegen zonsondergang zoo'n dichte regen van goudstukken op de wijk van de Madeleine was neergevallen. Hij glimlachte; hij bedacht dat de schitterende wolk zich boven zijn binnenplaats had ontlast, en dat hij de "tientjes" ging oprapen.

Terwijl Renée, in haar weelderig ingerichte woning in de rue de Rivoli, midden in dat nieuwe Parijs waarvan zij een der koninginnen zou worden, over haar toekomstige toiletten peinsde en zich in haar leven als dame van de groote wereld trachtte in te denken, werkte haar man ijverig aan zijn eerste groote zaak.

Om te beginnen kocht hij van haar het huis in de rue de la Pépinière, door tusschenkomst van een zekeren Larsonneau, dien hij ontmoet had terwijl deze, evenals hij, in de bureaux van het Stadhuis snuffelde, maar die zoo dom was geweest zich te laten betrappen, toen hij de laadjes van den prefect doorzocht.

Larsonneau had zich als zaakwaarnemer gevestigd, op een donkere, vochtige plaats, aan het lager eind van de rue Saint-Jacques. Hij had het even ver gebracht als Saccard vóór zijn huwelijk; hij beweerde ook dat hij een "rijksdaalder-machine" had uitgevonden, maar dat het hem aan de eerste fondsen ontbrak om van zijn uitvinding partij te trekken.

De vroegere collega's begrepen elkander met een half woord, en Larsonneau deed zoo zijn best, dat hij het huis voor honderd vijftig duizend francs kreeg, want na enkele maanden bevond Renée zich al in groote geldverlegenheid. Saccard machtigde zijn vrouw tot den verkoop van het huis. Toen de koop gesloten was, verzocht zij hem op haar naam honderdduizend francs te beleggen, die zij hem op goed vertrouwen ter hand stelde, zeker opdat hij, door die daad getroffen, de oogen zou sluiten voor het feit, dat zij vijftigduizend francs in haar zak hield.

Hij glimlachte fijntjes; het strookte met zijn berekeningen dat zij het geld bij handenvol verkwistte; die vijftigduizend francs, die aan kant en juweelen zouden weggaan, zouden hem honderd percent opleveren. Hij was zelfs zoo eerlijk, in zijn tevredenheid over zijn eerste zaakje, de hondderdduizend francs van Renée werkelijk te beleggen en haar de stukken ter hand te stellen. Zijn vrouw kon ze niet vervreemden, hij was dus zeker ze in huis te vinden, als hij ze noodig had.

--Dat is voor uw speldegeld, lieve, zei hij heel galant.

Toen hij het huis in eigendom had, was hij zoo slim het tweemaal in één maand aan gefingeerde tusschenpersonen te doen verkoopen, telkens tegen hooger koopprijs. De laatste kooper betaalde niet minder dan drie honderdduizend francs.

Intusschen bewerkte Larsonneau, als vertegenwoordiger van de opeenvolgende eigenaars, de huurders. Hij weigerde onmeedoogend de huurcontracten te vernieuwen, als men niet in een aanzienlijken opslag van de huur wilde toestemmen. De huurders, die de lucht hadden van de aanstaande onteigening, waren wanhopig; zij berustten eindelijk in den opslag, vooral toen Larsonneau er op verzoenenden toon bij voegde, dat die opslag in de eerste vijf jaar maar voor den schijn was.

De huurders die niet goedschiks wilden, werden vervangen door luidjes die voor niets mochten wonen en die alles teekenden wat men verlangde; op die wijze sneed het mes van twee kanten; de huur bracht meer op en de schadevergoeding die den huurder toekwam voor zijn huurcontract, zou in Saccard's zak terechtkomen.

Mevrouw Sidonie wilde haar broer helpen, door in een der winkels van de benedenverdieping een depôt van piano's te vestigen. Bij deze gelegenheid gingen Saccard en Larsonneau, in hun koortsachtig ongeduld, een beetje te ver: zij legden valsche boeken aan, pleegden valschheid in geschriften om den verkoop der piano's tot een kolossaal bedrag op te voeren.

Verscheidene nachten zaten zij samen te knoeien. Met kunst- en vliegwerk werd het huis driemaal meer waard. Dank zij de laatste verkoopacte, den opslag der huur, de gewaande huurders en den handel van mevrouw Sidonie, kon het voor de commissie van onteigening op vijf honderdduizend francs geschat worden.

Het raderwerk van de onteigening, van die machtige machine, die vijftien jaar lang Parijs onderste boven gekeerd en beurtelings fortuin en ondergang gebracht heeft, zit allereenvoudigst in elkander. Zoodra het besluit tot het aanleggen van een nieuwen verkeersweg genomen is, maken de opzichters der wegen een lijst van de perceelen op en schatten de waarde der huizen. Gewoonlijk kapitaliseeren zij, na voorafgaand onderzoek, de geheele opbrengst der huur en kunnen op die wijze het vermoedelijk bedrag der waarde ramen.

De commissie voor de schadevergoeding, uit leden van den raad bestaande, doet altijd een lager bod dan dit bedrag, wel wetende dat de belanghebbenden meer zullen eischen en dat men van beide zijden iets zal moeten toegeven. Wanneer men niet tot een vergelijk kan komen, wordt de zaak voor een jury gebracht, die dan in laatste instantie uitspraak velt over het bod van de stad en den eisch van den eigenaar of den verdreven huurder.

Saccard, die met het oog op het beslissende oogenblik zijn betrekking aan het stadhuis had aangehouden, had een oogenblik de onbeschaamdheid zich in die commissie te willen doen benoemen, toen de werken voor den boulevard Malesherbes begonnen, en zelf zijn huis te willen schatten. Maar hij vreesde daardoor zijn invloed op de leden van de onteigeningscommissie te zullen verliezen.

Hij liet nu een zijner collega's kiezen, een vriendelijk, zachtaardig jongmensch, Michelin genaamd, wiens lieftallig mooi vrouwtje haar man soms kwam excuseeren bij zijn chefs, als hij wegens ongesteldheid thuis moest blijven. Hij was heel vaak ongesteld. Saccard had opgemerkt dat de mooie mevrouw Michelin, die zoo nederig door de half geopende deuren sloop, een alles vermogenden invloed uitoefende; Michelin maakte bij iedere ziekte promotie, hij kwam vooruit door te bed te gaan liggen.

Gedurende een van die afwezigheden, daar hij zijn vrouw bijna iederen morgen naar zijn bureau zond om te laten weten hoe hij het maakte, ontmoette Saccard hem tweemaal op de buitenboulevards, met zijn gewone zachtzinnige, opgeruimde gezicht een sigaar rookend. Die ontmoeting deed hem sympathie opvatten voor dien goeden jongen, voor dat gelukkige, praktische echtpaar. Hij voelde bewondering voor alle "rijksdaaldermachines", als zij handig geëxploiteerd werden.

Toen hij Michelin had doen benoemen, ging hij zijn bekoorlijk vrouwtje een visite maken, wilde haar aan Renée voorstellen, sprak van zijn broer den afgevaardigde, den beroemden redenaar. Madame Michelin begreep er alles van.

Van dien dag af, had haar man zijn liefste glimlachjes voor zijn collega. Deze wilde den braven jongen niet in zijn vertrouwen nemen, maar was als toevallig tegenwoordig toen hij het huis in de rue de la Pépinière moest schatten. Hij hielp hem er bij. Michelin, de onbenulligste man dien men zich denken kon, hield zich trouw aan de instructies van zijn vrouw, die hem op het hart had gedrukt mijnheer Saccard in alles tevreden te stellen. Hij voedde trouwens niet de minste achterdocht; hij dacht dat de opzichter der wegen hem tot spoed wilde aanmanen, om hem mee te nemen naar een koffiehuis.

De huurcontracten, de kwitanties van de huren, de mooie boeken van mevrouw Sidonie werden hem door zijn collega onder de oogen gelegd, zonder dat hij zelfs den tijd had om de bedragen, die deze hardop voorlas, na te gaan. Larsonneau was er ook bij, maar hij deed alsof hij zijn medeplichtige niet kende.

--Kom, zet maar vijfhonderdduizend francs, zei Saccard eindelijk. Het huis is meer waard.... Haast je een beetje, ik geloof dat er promotie op til is voor het personeel op het stadhuis, en ik wou er met je over praten, dan kan je je vrouw waarschuwen.

Zoo haalde Saccard de zaak er door. Maar hij was nog niet gerust. Hij was bang dat een bedrag van vijfhonderdduizend francs een beetje hoog zou toeschijnen aan de commissie voor de schadevergoeding, voor een huis dat blijkbaar slechts tweehonderdduizend francs waard was. De kolossale stijging in de waarde der huizen had nog niet plaats gehad. Een onderzoek had hem aan ernstige onaangenaamheden kunnen blootstellen. Hij herinnerde zich het gezegde van zijn broer: Geen opspraak, of ik trek mijn handen van je af, en hij wist dat Eugène er de man naar was om zijn bedreiging te volvoeren.

Het kwam er dus op aan de heeren van de commissie welwillend te stemmen, zoodat zij een oogje dicht zouden doen. Hij liet daartoe het oog vallen op twee invloedrijke mannen, die hij zich tot vrienden had gemaakt door zijn manier van groeten, wanneer hij ze in de corridors ontmoette. De zes en dertig leden van den gemeenteraad waren op voordracht van den prefect, door de eigen hand des keizers gekozen uit de raadsleden, afgevaardigden, advokaten, dokters en groote industriëelen, die zich het meest voor het gezag verdeemoedigden: boven alle anderen verdienden baron Gouraud en mijnheer Toutin-Laroche de welwillendheid van de Tuileriën door hun verkleefden ijver.

Al wat men van baron Gouraud kon zeggen, was in deze korte biographie samengevat: door Napoleon I met den titel van baron in den adelstand verheven, om hem te beloonen voor de levering van bedorven beschuit aan het groote leger, was hij achtereenvolgens pair geweest onder Lodewijk XVIII, Karel X en Louis-Philippe; onder Napoleon III was hij senator.

Hij was een trouw aanhanger van den troon, namelijk van de vier vergulde, met fluweel bedekte planken; wie er op zat, kon hem weinig schelen. Met zijn dikken buik, zijn dom gezicht en zijn plompen gang, was hij een echte schelm, hij verkocht zich met groote deftigheid en beging de grootste laagheden in naam van den plicht en het geweten. Nog meer deed hij iemand versteld staan door zijn ondeugden.

Er liepen geruchten over hem, die men iemand slechts in het oor kon fluisteren. Op acht en zeventigjarigen leeftijd gaf hij zich aan de monsterachtigste liederlijkheid over. Tot twee malen toe had men zijn liederlijke gedragingen in den doofpot moeten stoppen, om te beletten dat hij met zijn geborduurde senatorsjas op de bank der beschuldigden zou plaats nemen.

Mijnheer Toutin-Laroche, een lange magere man, die indertijd een mengsel van roet en stearine voor de vervaardiging van waskaarsen had uitgevonden, hoopte nog eenmaal in den Senaat te komen. Hij volgde baron Gouraud als zijn schaduw, hij was zijn onafscheidelijke metgezel, in de vage hoop dat hem dit geluk zou aanbrengen. Daarbij was hij heel praktisch; als hij een zetel in den senaat had kunnen koopen, zou hij niet nagelaten hebben zooveel mogelijk op den prijs af te dingen.

Het keizerrijk zou dien begeerigen onbeduidenden man, dat bekrompen verstand, dat zich alleen verstond op industriëele knoeierijen, vooruit helpen. Hij verkocht het eerst zijn naam aan een van die maatschappijen, die als vergiftige paddestoelen op den mesthoop der keizerlijke speculatiën verrezen. Men zag toen ter tijd op de muren groote aanplakbiljetten waarop met groote zwarte letters deze woorden stonden: "Société générale des ports du Maroc", waarbij de naam van mijnheer Toutin-Laroche met zijn titel van raadslid prijkte, boven aan de lijst der leden van toezicht, waarvan de een al onbekender was dan de ander.

Dit middel, waarvan men sedert dien een te druk gebruik heeft gemaakt, werkte uitstekend; de aandeelhouders stroomden toe, ofschoon de kwestie van de havens van Marokko niet heel duidelijk was en de goede luidjes die hun geld kwamen brengen, zelf niet wisten te verklaren waartoe men het zou gebruiken.

De biljetten spraken van de vestiging van handelsstations langs de Middellandsche zee. Sedert twee jaren roemden sommige kranten deze onderneming als iets grootsch, en ieder kwartaal verklaarden zij, dat ze in bloei toenam.