Jacht naar Fortuin

Part 7

Chapter 73,840 wordsPublic domain

Saccard, achtervolgd door dien blik eener stervende, waarin hij zoo'n lang verwijt las, zocht een steun tegen de meubels, en ging opzettelijk in de donkerste hoekjes.

Maar toen ook dit niet baatte, wilde hij dat schrikbeeld verjagen dat hem krankzinnig maakte, en hij trad in het volle schijnsel der lamp. Maar Angèle wenkte hem toe dat hij zwijgen zou. En zij keek hem voortdurend aan met die oogen vol nameloozen angst, waarin zich nu een belofte van vergiffenis mengde. Toen boog hij zich voorover om Clotilde uit haar armen weg te nemen en naar een andere kamer te dragen. Zij verbood het hem weer, met een beweging van haar lippen. Zij verlangde dat hij daar zou blijven. Zij stierf zachtjes weg, zonder haar blik van hem af te wenden, en naarmate hij verflauwde, kreeg die blik meer zachtheid. Zij schonk vergiffenis in haar laatsten zucht.

Zij stierf zooals zij geleefd had, zachtzinnig, zij vergat zichzelf in den dood, zooals zij zich in het leven vergeten had.

Saccard bleef huiverend staan voor die open oogen der doode, die hem met hun onbewegelijkheid bleven achtervolgen. De kleine Clotilde wiegde haar pop op een slip van het beddelaken, zachtjes, om haar moeder niet wakker te maken.

Toen mevrouw Sidonie weer boven kwam, was alles afgeloopen. Als iemand die met dat werk vertrouwd is, sloot zij met een vingerdruk Angèle's oogen, hetgeen Saccard een bijzondere verlichting gaf. Nadat zij vervolgens de kleine te bed had gelegd, bracht zij in een ommezien de sterfkamer in orde. Toen zij twee waskaarsen op de latafel had aangestoken en het laken zorgvuldig tot aan de kin der doode had opgetrokken, wierp zij een blik van voldoening om zich heen en strekte zich uit in een armstoel, waar zij tot het aanbreken van den dag insliep.

Saccard bracht den nacht in een naburige kamer door met het schrijven van de bekendmakingen. Bijwijlen hield hij op, verzonk in gepeins of schreef rijen getallen op stukjes papier.

's Avonds na de begrafenis, nam mevrouw Sidonie Saccard mee naar haar woning. Daar werden groote besluiten genomen. De ambtenaar besloot dat hij de kleine Clotilde naar een zijner broers zou zenden, Pascal Rougon, een dokter te Plassans, die niet getrouwd was en enkel voor de wetenschap leefde, en die hem meer dan eens had aangeboden zijn nicht bij zich te nemen, om zijn stille huis wat op te vroolijken.

Mevrouw Sidonie bracht hem vervolgens aan het verstand, dat hij niet langer in de rue Saint-Jacques kon blijven wonen. Zij zou voor een maand keurig gemeubileerde kamers voor hem huren, in den omtrek van het stadhuis; zij zou moeite doen om die kamers in een burgerwoning te huren, dat het den schijn zou hebben alsof die meubels zijn eigendom waren. Wat het ameublement van de rue Saint-Jacques betrof, dat zou verkocht worden, om aldus de laatste sporen van het verledene uit te wisschen. De opbrengst zou hij besteden voor een uitzet en behoorlijke kleederen.

Drie dagen daarna, werd Clotilde toevertrouwd aan de zorgen van een oude dame, die toevallig juist naar het Zuiden ging.

En Aristide Saccard, opgeruimd en blozend, zelfs iets dikker geworden in die drie dagen door de eerste lonkjes der fortuin, bewoonde nu in de rue Payenne, een deftig huis, uit vijf keurig ingerichte kamers bestaande, waarin hij op geborduurde pantoffels rondliep. Het was de woning van een jongen geestelijke, die onverwachts naar Italië was afgereisd, en zijn dienstmaagd bevolen had een huurder te zoeken. Deze dienstmaagd was een vriendin van mevrouw Sidonie, die nog al met de geestelijkheid op had; zij hield van priesters op dezelfde manier als zij van vrouwen hield, instinctmatig misschien vond zij eenige overeenkomst in den priesterrok met de zijden rokken der vrouwen.

Nu was Saccard klaar, hij stelde met een bijzondere handigheid zijn gedragslijn vast: hij wachtte onvervaard de moeielijkheden en de neteligheden van den toestand af, dien hij zelf aanvaard had.

Mevrouw Sidonie had in dien afschuwelijken nacht van Angèle's doodstrijd, het geval van de familie Béraud in weinig woorden getrouw weergegeven. Het hoofd dier familie, mijnheer Béraud Du Châtel, een groote grijsaard van zestig jaar, was de laatste vertegenwoordiger van een oud burgergeslacht, welks oorkonden van veel vroeger tijden dagteekenden dan die van sommige adellijke familiën. Een zijner voorouders was de metgezel van Etienne Marcel geweest.

In 1793 stierf zijn vader op het schavot, nadat hij de republiek begroet had met al de geestdrift van een Parijsch burger, in wiens aderen het revolutionaire bloed der oude stad vloeide. Hij zelf was een dier Spartaansche republikeinen, die droomen van een regeering van louter rechtvaardigheid en wijsheid.

Vergrijsd in het magistraatsleven, waarin hij die stijfheid en strengheid had opgedaan die aan dat beroep verbonden zijn, nam hij zijn ontslag als President der Kamer in 1851, vlak na den Staatsgreep, nadat hij geweigerd had deel uit te maken van een dier gemengde commissies, die de Fransche gerechtigheid tot oneer waren.

Sinds dien tijd leefde hij eenzaam en verlaten in zijn huis, dat op de spits van het eiland Saint-Louis stond, schuins tegenover het hôtel Lambert.

Zijn vrouw was jong gestorven. Een geheim familiedrama, waarvan de herinnering nog altijd in hem voortleefde, was oorzaak dat hij steeds somber gestemd was. Hij had al een meisje van acht jaar, toen zijn vrouw stierf bij de geboorte van een tweede dochter. Laatstgenoemde, Christine geheeten, werd in huis genomen door een zuster van mijnheer Béraud Du Châtel, die met notaris Aubertot getrouwd was. Renée ging naar het klooster.

Mevrouw Aubertot, die geen kinderen had, vatte een moederlijke genegenheid op voor Christine, die zij zelf opvoedde.

Toen haar man gestorven was, nam zij de kleine mee naar haar vader, en bleef daar tusschen dien stroeven grijsaard en net lachende blondinnetje.

Renée werd op de kostschool vergeten. In de vacantie vervulde zij het huis met zoo'n rumoer, dat haar tante een diepen zucht van verlichting slaakte, als zij haar eindelijk weer terugbracht naar de zusters der orde van de Visitatie, waar zij al sedert haar achtste jaar op school was.

Zij kwam eerst op negentienjarigen leeftijd uit het klooster, en bracht al dadelijk een paar zomermaanden bij de ouders van haar vriendin Adeline door, die in de omstreken van Nevers een prachtig buitengoed hadden.

Toen zij in October terug kwam, was tante Elisabeth verwonderd haar zoo ernstig, zelfs treurig te zien. Op een avond verrastte zij haar in haar bed, half waanzinnig van smart en haar snikken in haar kussen smorende. In de eerste opwelling van haar wanhoop vertelde het meisje haar een aandoenlijke geschiedenis; een veertigjarige, rijke gehuwde man, die daar met zijn jonge bekoorlijke vrouw buiten woonde, had haar onteerd, zonder dat zij zich kon of durfde verdedigen.

Deze bekentenis deed tante Christine hevig ontstellen; zij beschuldigde zich zelfs alsof zij zich medeplichtig voelde, haar voorliefde voor Christine speet haar nu, en zij bedacht, dat als zij Renée ook bij haar had gehouden, het arme kind niet bezweken zou zijn. Om toen dat knagend zelfverwijt te verdrijven, dat haar door haar teergevoeligen aard nog meer deed lijden, hielp zij de schuldige; zij kalmeerde den toorn van den vader, die door de overmaat van haar voorzorgen achter de verschrikkelijke waarheid kwam; in haar vertwijfeling bedacht zij dat vreemde huwelijksplan, dat in haar oog alle moeielijkheden uit den weg ruimde, den vader tevreden stelde, Renée weer haar plaats als fatsoenlijke vrouw in de wereld terug gaf, en waarvan zij opzettelijk noch de schandelijke zijde noch de noodlottige gevolgen wilde zien.

Het is nooit uitgelekt hoe mevrouw Sidonie de lucht kreeg van dit goede zaakje. De eer der Bérauds had met de protesten van alle lichte meisjes uit Parijs in haar mandje gelegen.

Toen zij de geschiedenis vernam, drong zij bijna haar broer op, wiens vrouw op sterven lag. Tante Elisabeth kwam ten slotte in den waan dat zij verplichting had aan die zachtzinnige, bescheiden dame, die zich zooveel aan de ongelukkige Renée gelegen liet zijn, dat zij zelfs een man voor haar koos uit haar eigen familie.

De eerste samenkomst van de tante en Saccard had plaats in de bovenwoning van de rue du Faubourg-Poisonnière.

De ambtenaar, die door de koetspoort van de rue Papillon was binnen gekomen, en mevrouw Aubertot door den winkel het kleine trapje op zag komen, begreep op eens het vernuftige samenstel van de twee ingangen.

Hij was heel hoffelijk en legde bij deze gelegenheid veel takt aan den dag. Hij sprak over het huwelijk als over een zaak, maar als een man van de wereld die zijn speelschulden afdoet. Tante Elisabeth was veel minder op haar gemak dan hij; zij stotterde soms en zij durfde niet eens over de honderdduizend francs spreken, die zij beloofd had.

Hij was de eerste die de geldkwestie aanroerde, met het voorkomen van een procureur, die voor de belangen van een cliënt optreedt. Volgens hem, was het een bespottelijk lage inbreng voor den man van mejuffrouw Renée. Hij drukte even op dat "mejuffrouw." Mijnheer Béraud Du Châtel zou een armen schoonzoon nog meer minachten; hij zou hem beschuldigen dat hij zijn dochter om haar geld verleid had, misschien zou hij zelfs op de gedachte komen om heimelijk een onderzoek in te stellen.

Mevrouw Aubertot verschrok en door de kalme, beleefde woorden van Saccard van de wijs gebracht, stemde zij er in toe de som te verdubbelen, toen hij verklaard had dat hij Renée nooit zou durven vragen voor minder dan twee honderdduizend francs, daar hij niet wilde aangezien worden voor een schandelijken bruidschatjager.

Het goede mensch ging heen, geheel van streek, niet meer wetende wat zij moest denken van een man, die zich zoo verontwaardigd toonde en toch zoo'n koop aanging.

Dit eerste onderhoud werd gevolgd door een officieel bezoek dat tante Elisabeth aan Aristide Saccard bracht, in zijn woning rue Payenne. Ditmaal kwam zij uit naam van mijnheer Béraud.

De oude magistraat had geweigerd "dien man" te zien, zooals hij den verleider zijner dochter noemde, zoolang hij niet met Renée getrouwd was, aan wie hij trouwens ook de deur gewezen had.

Mevrouw Aubertot had de opdracht naar goedvinden te handelen. Zij scheen heel ingenomen met de weelde van den ambtenaar; zij was bang geweest dat de broer van die mevrouw Sidonie met haar verkreukte japon, een arme slobber zou zijn. Hij ontving haar in een keurige kamerjapon. De tijd was eindelijk daar, waarop de gelukzoekers van den 2en December, na hun schulden betaald te hebben, hun afgedragen schoenen en hun versleten jassen op den vuilnishoop wierpen, hun baardstoppels afschoren en nette menschen werden.

Saccard kon nu ook meedoen, hij maakte zijn nagels schoon en gebruikte bij het wasschen de duurste poeders en reukwaters. Hij werd galant; hij veranderde van taktiek, toonde zich ongeloofelijk belangeloos. Toen de oude dame van het contract sprak, maakte hij een gebaar alsof hem dat niets kon schelen. Al acht dagen lang bladerde hij het Wetboek door, hij bestudeerde die ernstige kwestie, waarvan in de toekomst zijn vrijheid afhing om zwendelzaken te doen.

--Laat die onaangename geldkwestie in 's hemelsnaam rusten, zei hij. Mij dunkt dat mejuffrouw Renée de beschikking over haar fortuin en ik die over het mijne moet houden. De notaris zal dat wel in orde brengen.

Tante Elisabeth keurde deze zienswijze goed; zij beefde bij de gedachte, dat die man, van wiens onbuigzame hardheid zij een vaag vermoeden kreeg, de vingers zou uitsteken naar den bruidschat van haar nicht. Zij bracht toen dien bruidschat ter sprake.

--Het fortuin van mijn broer, zei zij, bestaat hoofdzakelijk uit landgoederen en huizen. Hij is er de man niet naar om zijn dochter tot straf het haar toegedachte aandeel te beknibbelen. Hij geeft haar een landgoed in Sologne, dat op drie honderdduizend francs geschat wordt, en een huis in Parijs, dat ongeveer twee honderdduizend francs waard is.

Het schemerde Saccard voor de oogen; zoo'n bedrag had hij niet verwacht, hij wendde zich half om, ten einde den blos te verbergen die hem naar het gelaat steeg.

--Dat maakt vijf honderdduizend francs, ging de tante voort; maar ik mag u niet verhelen dat het landgoed in Sologne slechts twee percent opbrengt.

Hij glimlachte en gaf weer door een gebaar zijn belangeloosheid te kennen, als wilde hij zeggen dat hem dat niet deerde, omdat hij toch niet van plan was zich in de zaken van zijn vrouw te mengen.

In zijn armstoel gezeten, zijn pantoffels met den voet op en neer doende dansen, nam hij een houding van allerinnemendste onverschilligheid aan en scheen enkel uit beleefdheid toe te luisteren. Mevrouw Aubertot, met haar gewone goedhartigheid, deed moeite om de minst kwetsende woorden te kiezen. Zij hernam:

--Eindelijk wil ik Renée nog iets schenken. Ik ben kinderloos, mijn nichtjes zullen eens van mij erven, maar nu een van haar in zulke droevige omstandigheden is, wil ik mijn beurs niet gesloten houden. Voor beiden lagen de huwelijksgeschenken gereed. Dat van Renée bestaat uit terreinen in den omtrek van Charonne, die ik veilig op twee honderdduizend francs kan schatten. Maar....

Bij het woord "terreinen" kon Saccard zijn ontroering niet verbergen. Onder zijn voorgewende onverschilligheid luisterde hij met de grootste aandacht. Tante Elisabeth werd verlegen; zij zocht zeker naar een passende uitdrukking, en met een kleur op het gelaat ging zij voort:

--Maar ik verlang dat de eigendom van die terreinen op het eerste kind van Renée wordt overgebracht. U zult mijn bedoeling wel begrepen, ik wil niet dat dit kind u eens tot last zal zijn. Ingeval het mocht sterven, zou Renée alleen eigenares blijven.

Hij bewoog zich niet, maar zijn gefronste wenkbrauwen toonden, dat zijn geest met één denkbeeld vervuld was. De terreinen van Charonne wekten een wereld van gedachten in hem op. Mevrouw Aubertot dacht dat de zinspeling op Renée's kind hem pijnlijk was geweest, en niet wetende hoe zij het gesprek weer zou hervatten, bleef zij bedremmeld zwijgen.

--U hebt mij niet gezegd in welke straat het huis van twee honderdduizend francs staat? vroeg hij op zijn ouden gullen toon.

--Rue de la Pépinière, antwoordde zij, bijna op den hoek van de rue d'Astorg.

Dit eenvoudige gezegde had een beslissende uitwerking. Hij was zijn verrukking niet meer meester, hij schoof zijn stoel dichter bij en met zijn provençaalsche radheid van tong, zei hij op vleienden toon:

--Beste mevrouw, is het nu heusch uit, of moeten wij nog langer over dat verwenschte geld spreken?.... Zie eens, ik wil open kaart met u spelen, want ik zou wanhopig zijn als ik uw achting niet verdiende. Ik heb mijn vrouw onlangs verloren, ik heb twee kinderen tot mijn last, ik ben een nuchter man van zaken. Door uw nicht te trouwen, doe ik een voordeelige zaak in het oog van de wereld. Als u nog eenig vooroordeel tegen mij hebt, zult u het mij later vergeven, wanneer ik ieders tranen gedroogd en zelfs mijn naneven verrijkt zal hebben. Het succès is een gouden vlam die alles loutert. Ik wil dat zelfs mijnheer Béraud mij de hand toesteekt en mij bedankt....

Zoo sprak hij een tijd lang voort met een spottend cynisme, dat nu en dan onder zijn goedige gulheid voor den dag kwam. Hij liet goed uitkomen, dat zijn broer afgevaardigde en zijn vader ontvanger te Plassans was. Ten slotte had hij tante Elisabeth geheel ingepalmd; onwillekeurig zag zij met vreugde hoe het drama waaronder zij al een maand lang leed, onder de handen van dien behendigen man in een bijna vroolijke komedie eindigde. Zij besloten den volgenden dag naar den notaris te gaan.

Zoodra mevrouw Aubertot was heengegaan, begaf hij zich naar het stadhuis, en bracht daar den ganschen dag door met het snuffelen in zekere hem welbekende documenten.

Bij den notaris opperde hij een zwarigheid; hij zei dat de bruidschat van Renée slechts bestond uit vaste goederen, dat hij bijgevolg veel gehaspel voor haar voorzag, en dat hij het verstandig zou vinden, als tenminste het huis in de rue de la Pépinière verkocht werd om haar een inschrijving op het Grootboek te verzekeren.

Mevrouw Aubertot wenschte dit aan het oordeel van mijnheer Béraud Du Châtel te onderwerpen, die nog steeds voor iedereen onzichtbaar bleef.

Saccard bleef tot den avond op straat. Hij ging naar de rue de la Pépinière, en doorkruiste Parijs met het peinzend voorkomen van een veldheer op den vooravond van een beslissenden slag.

Den volgenden dag zei mevrouw Aubertot, dat mijnheer Béraud Du Châtel haar volkomen vrij liet. Het contract werd opgesteld op de reeds besproken grondslagen. Saccard's aanbreng was tweehonderdduizend francs. Renée had als huwelijksgift het landgoed in Sologne en het huis in de rue de la Pépinière, dat zij zich verbond te verkoopen; bovendien bleef zij, in geval haar eerste kind kwam te overlijden, alleen eigenares van de terreinen van Charonne, die haar tante haar gaf.

Het contract werd opgemaakt met uitsluiting der gemeenschap van goederen, zoodat elk der echtgenooten het beheer over zijn eigen fortuin behield.

Tante Elisabeth luisterde aandachtig toe en scheen zeer voldaan over deze bepaling, die de onafhankelijkheid van haar nicht scheen te waarborgen en haar fortuin tegen alle vervreemding beschermen zou.

Saccard glimlachte even toen hij de goede dame bij iedere clausule een goedkeurend knikje zag geven. Het huwelijk werd op den kortst mogelijken termijn vastgesteld.

Toen alles geregeld was, ging Saccard naar zijn broer Eugène om hem heel plechtstatig zijn aanstaand huwelijk met mejuffrouw Renée Béraud Du Châtel aan te kondigen. Dit meesterstuk verbaasde den afgevaardigde.

Saccard, zijn verbazing ziende, zei:

--Je hebt me gezegd, dat ik moest zoeken, welnu, ik heb gezocht en gevonden.

Eugène, die er eerst niets van begreep, vermoedde toen de waarheid. En op innemenden toon antwoordde hij:

-- Komaan, je bent een handig man.... Je komt me zeker vragen om te getuigen? Je kunt op me rekenen. Als het noodig is, breng ik de heele rechterzij van het Wetgevend lichaam op de bruiloft mee; dat zou je al dadelijk heel wat aanzien verschaffen.... En terwijl hij de deur open deed, zei hij op zachter toon:

--Zeg, ik wil me op dit oogenblik niet al te erg compromitteeren, we hebben juist een wetsontwerp dat we er heel moeielijk door zullen krijgen.... De zwangerschap is toch, hoop ik, niet te ver gevorderd?

Saccard wierp hem zoo'n venijnigen blik toe, dat Eugène bij zichzelf zei, toen hij de deur achter hem sloot: Dat grapje zou me duur te staan zijn gekomen, als ik geen Rougon was.

Het huwelijk had plaats in de kerk Saint-Louis-en-l'Ile. Saccard en Renée ontmoetten elkander voor het eerst op den avond voor den grooten dag, in een benedenzaal van het hôtel Béraud. Zij keken elkander nieuwsgierig aan.

Sedert men over haar huwelijk aan het onderhandelen was gegaan, had Renée haar vroolijke onbezonnenheid teruggevonden. Het was een groot meisje, heel mooi en heel bewegelijk, dat vrij was opgegroeid met al de grillen van een kostschoolmeisje.

Zij vond Saccard klein en leelijk, maar zijn leelijkheid had iets belangwekkends en schranders, dat haar niet mishaagde; er viel overigens niets op zijn toon en manieren aan te merken.

Hij vertrok even zijn gezicht, toen hij haar zag; zij leek hem ongetwijfeld te groot toe, grooter dan hij zelf. Zonder eenige verlegenheid wisselden zij enkele woorden. Indien de vader tegenwoordig was geweest, zou hij inderdaad hebben kunnen meenen, dat zij elkander sinds lang kenden, dat zij samen een misslag begaan hadden. Tante Elisabeth, die bij het onderhoud tegenwoordig was, schaamde zich voor hen.

Op den dag na het huwelijk, waaraan de tegenwoordigheid van Eugène Rougon, die kort geleden de aandacht op zich gevestigd had door een belangwekkende redevoering, een grooten luister bijzette, werden de jonggehuwden eindelijk tot mijnheer Béraud Du Châtel toegelaten.

Renée huilde toen zij haar vader verouderd, ernstiger en stiller terugvond. Saccard, die zich tot dusver door niets van zijn stuk had laten brengen, huiverde bij de kilheid en het schemerlicht van de kamer, den droevigen ernst van dien grooten grijsaard, wiens doordringende blik zijn ziel tot op den bodem scheen te doorzoeken.

De oude magistraat drukte langzaam een kus op het voorhoofd zijner dochter, als om haar te zeggen dat hij haar vergiffenis schonk, en zich tot zijn schoonzoon wendende, zei hij niets anders dan:

--Mijnheer, wij hebben veel geleden. Ik reken er op dat gij ons uw onrecht zult doen vergeten.

Hij reikte hem de hand. Maar Saccard bleef huiverig. Hij dacht bij zichzelf, als mijnheer Béraud Du Châtel niet gebukt had gegaan onder de tragische smart van Renée's schande, dan zou hij met één blik, met één gebaar de kunstgrepen van mevrouw Sidonie te niet gedaan hebben.

Nadat deze haar broer een onderhoud met tante Elisabeth verschaft had, had zij zich voorzichtig achteraf gehouden. Zij was zelfs niet bij de huwelijksplechtigheid verschenen.

Saccard deed zich zeer innemend voor bij den ouden man, in wiens blik hij een groote verbazing gezien had, den verleider zijner dochter zoo klein, leelijk en oud te vinden.

De jonggehuwden waren genoodzaakt de eerste nachten in het hôtel Béraud door te brengen. Al vóór twee maanden had men Christine verwijderd, opdat het veertienjarige meisje niets zou vermoeden van het drama, dat in dat kalme, stille huis werd afgespeeld. Toen zij terugkwam, keek zij verbluft naar den man van haar zuster, dien zij ook oud en leelijk vond.

Renée was de eenige die niet scheen te letten op den leeftijd of het onoogelijke uiterlijk van haar man. Zij behandelde hem zonder minachting, maar ook zonder liefde, met een onverstoorbare kalmte, waarin soms een zweempje spottende geringschatting merkbaar was.

Saccard zette een hooge borst, deed alsof hij thuis was, en wist werkelijk door zijn gulle levendigheid ieders vriendschap te verwerven.

Toen zij vertrokken om een prachtig nieuw huis in de rue de Rivoli te gaan betrekken, was er al geen verwondering meer in den blik van mijnheer Béraud Du Châtel te lezen en de kleine Christine speelde heel kameraadschappelijk met haar zwager.

Renée was toen vier maanden zwanger; haar man was juist voornemens haar naar buiten te zenden, om later met den leeftijd van het kind te kunnen smokkelen, toen zij, zooals mevrouw Sidonie voorzien had, een miskraam kreeg.

Zij had zich zoo ingeregen om haar zwangerschap te verbergen, die trouwens niet zeer merkbaar was onder haar ruime japon, dat zij gedurende eenige weken te bed moest blijven.

Hij was dolblij met dit buitenkansje; eindelijk was de fortuin hem gunstig; hij had een prachtigen koop gesloten, een royale huwelijksgift, een vrouw die zoo mooi was dat hij wel binnen het halfjaar gedecoreerd zou worden en niet den minsten last.

Men had voor twee honderdduizend francs zijn naam van hem gekocht voor een foetus, dat de moeder niet eens verlangde te zien. Nu verkneukelde hij zich al bij de gedachte aan de terreinen van Charonne. Maar voor het oogenblik moest hij al zijn aandacht wijden aan een speculatie die den grondslag van zijn fortuin zou uitmaken.

Ofschoon de familie van zijn vrouw tot zoo'n deftigen stand behoorde, nam hij niet dadelijk ontslag als opzichter der wegen. Hij wendde voor, dat hij eenige aangevangen bezigheden moest afmaken, en nieuwe moest zoeken.

In werkelijkheid wilde hij tot het laatste oogenblik op het slagveld blijven, waar hij zijn eerste troeven uitgespeeld had. Hij was daar thuis, hij kon zijn valsch spel daar meer op zijn gemak spelen.