Part 6
In zijn onophoudelijke tochten door het Stadhuis, was hij achter het groote ontwerp van de gedaanteverwisseling van Parijs gekomen, het plan om geheele huizenrijen af te breken, nieuwe verkeerswegen, nieuwe wijken te scheppen, van die ontzettende speculatie op den verkoop van terreinen en huizen, die in alle hoeken der stad een strijd van tegen elkander indruischende belangen deed ontstaan, en voedsel gaf aan een buitensporige weelde.
Sedert dien tijd had zijn bedrijvige geest een doel gevonden. Van dit oogenblik af begon hij op te vroolijken. Hij begon zelfs minder mager te worden, hij liep niet meer door de straten als een magere kat, die loert op haar prooi. Op zijn bureau was hij onderhoudender en gedienstiger dan ooit. Zijn broer, bij wien hij eenigszins officiëele bezoeken ging afleggen, wenschte hem geluk dat hij zijn raadgevingen zoo getrouw opvolgde.
Tegen den aanvang van het jaar 1854 vertelde Saccard hem in vertrouwen dat hij verscheidene zaken op het oog had, maar daarvoor aanzienlijke voorschotten noodig had.
--Dan zoek je die maar, zei Eugène.
--Je hebt gelijk, ik zal zoeken, antwoordde hij zonder de minste verstoordheid, alsof hij niet bemerkte dat zijn broer weigerde hem de benoodigde fondsen te verschaffen.
Over die eerste fondsen peinsde hij zich dikwijls moe. Zijn plan had hij in het hoofd, iederen dag bracht hij het meer tot rijpheid. Maar de eerste duizend francs kon hij niet vinden. Zijn verlangen werd met den dag grooter; ten slotte keek hij iedereen met een zenuwachtigen, doordringenden blik aan, alsof hij verwachtte dat de eerste de beste voorbijganger hem het geld zou leenen. Thuis bleef Angèle haar vergeten, gelukkig leven leiden. Hij daarentegen loerde op een goede gelegenheid, en zijn gulle lach werd bitterder naarmate die gelegenheid zich langer liet wachten.
Aristide had een zuster in Parijs. Sidonie Rougon was getrouwd met een procureursklerk uit Plassans, die met haar in de rue Saint-Honoré een zaak in zuidvruchten was begonnen.
Toen haar broer haar weervond, was de man verdwenen, en de zaak al lang te niet. Zij woonde in de rue du Faubourg Poissonnière, op een tusschenverdieping die uit drie kamers bestond. Zij had ook den winkel onder haar vertrekken in huur; het was een bekrompen, geheimzinnige winkel, waarin zij voorgaf een zaak in kantwerken te drijven; inderdaad hingen er in de winkelkast eindjes guipure en valencienne op vergulde roedjes; maar als men binnentrad, zou men zich in een voorkamer gewaand hebben met glimmende lambrizeering, zonder een schijn van winkelwaar.
De deur en de uitstalkast waren voorzien van lichte gordijnen, die den nieuwsgierigen blik der voorbijgangers beletten in den winkel te kijken, en hem het stille, halfduistere voorkomen gaven van een wachtkamer, die toegang geeft tot een onbekend heiligdom.
Het gebeurde zelden dat men een klant bij mevrouw Sidonie zag binnenkomen; meestal zelfs was de kruk van de deur afgenomen. In de buurt luidde haar praatje, dat zij haar kanten zelf bij de rijke dames ging aanbieden. De inrichting van haar vertrekken was de eenige oorzaak, zei zij, dat zij den winkel er bij gehuurd had; beiden stonden met elkander in verbinding door een in den muur verborgen trap.
De kantverkoopster was inderdaad altijd buitenshuis; tienmaal op een dag zag men haar met zekere gejaagdheid uit- en ingaan.
Trouwens, haar handel bestond niet enkel uit kant, zij maakte zich de ruimte van haar tusschenverdieping ten nutte en vulde die met allerlei voorraad, hier en daar bijeengegaard. Zij had er caoutchouc artikelen verkocht, mantels, schoenen, bretels enz.; daarna zag men er achtereenvolgens een nieuwe soort haarolie, orthopedische instrumenten, een automatische koffiekan, een gepatenteerde uitvinding, waarvan de verkoop haar zeer veel last bezorgde.
Toen haar broer haar kwam opzoeken, had zij een agentuur in piano's, en waren haar kamers opgepropt met die instrumenten; ze stonden zelfs in haar slaapkamer, een sierlijk ingericht vertrek, dat heel vreemd afstak bij den winkelrommel van de twee andere kamers.
Zij dreef deze twee zaken scherp afgescheiden; de klanten die voor de koopwaren van de tusschenverdieping kwamen, uit en in door een koetspoort, die het huis in de rue Papillon had; men moest in het geheim van de trap ingewijd zijn om te weten dat de kantenverkoopster er twee zaken op nahield.
In haar woning noemde zij zich mevrouw Touche, haar mans naam, terwijl de winkeldeur alleen haar voornaam vermeldde, zoodat zij algemeen mevrouw Sidonie genoemd werd.
Mevrouw Sidonie was vijf en dertig jaar; maar zij kleedde zich met zoo'n achteloosheid, zij had zoo weinig vrouwelijks in haar manieren, dat men haar veel ouder zou geschat hebben. Om de waarheid te zeggen, had zij geen leeftijd. Zij droeg onveranderlijk een zwarte japon, kaal in de plooien, verkreukt en glimmend door het dragen, die aan een advokaten-toga deed denken, versleten tegen het hout van de balie.
Met een zwarten hoed op het hoofd, die haar tot in de oogen zakte en haar kapsel verborg, met groote schoenen aan de voeten, draafde zij door de straten met een mandje aan den arm, waarvan de hengsels met touwtjes versteld waren. Die onafscheidelijke mand bevatte een wereld van zaken. Wanneer zij open ging, kwamen er allerhande stalen uit, agenda's, portefeuilles, en vooral bundels gezegeld papier, wier onleesbaar schrift zij met bijzondere handigheid ontcijferde. Er stak iets van een makelaar en van een deurwaarder in haar. Zij leefde in protesten, assignaties, exploiten; wanneer zij voor tien francs pommade of kant verkocht had, drong zij zich bij haar klant in de gunst, werd haar zaakwaarnemer, liep voor haar de procureurs, advokaten en rechters af. Zij liep aldus weken lang rond met heele dossiers in haar mandje, zich afslovende om Parijs van het eene eind naar het andere te doorkruisen, op haar kippendrafje, zonder ooit een rijtuig te nemen.
Het zou moeielijk geweest zijn te zeggen welk voordeel zij uit een dergelijk beroep trok; zij oefende het in de eerste plaats uit door een instinktmatige voorliefde voor zaken, die niet pluis waren; dan trok zij er een menigte kleine voordeeltjes uit: diners rechts en links, een gulden hier en een gulden daar.
Maar de winst die bij haar het zwaarst woog, haalde zij uit de vertrouwelijke mededeelingen die zij overal ontving en die haar op het spoor brachten van menig zaakje, waar zij voordeel uit kon slaan. Altijd in eens andermans huis, in eens anders zaken, was zij een levend koopmansregister van vraag en aanbod. Zij wist families, waar men er belang bij had de dochter dadelijk te laten trouwen, een familie die drieduizend francs noodig had, een ouden heer die de drieduizend francs wel zou willen leenen, maar op zeker onderpand en tegen hoogen intrest. Zij wist nog teerder geheimen, het verdriet van een blonde dame die door haar man niet begrepen werd, en die verlangde begrepen te worden; den geheimen wensch van een goede moeder die haar dochter voordeelig hoopte te plaatsen, den smaak van een baron voor intieme soupeetjes en heel jonge meisjes.
Al die vragen en aanbiedingen bracht zij met haar flauwen glimlach over; zij liep twee uur achtereen om haar klanten met elkander in aanraking te brengen; zij zond den baron naar de goede moeder, bewoog den ouden heer er toe de drieduizend francs aan de in geldverlegenheid zittende familie te leenen, vond troost voor de blonde dame en een weinig kieskeurigen echtgenoot voor het meisje dat trouwen moest.
Zij had ook groote zaken, zaken waarvoor zij hardop kon uitkomen, en waarvan zij den mond vol had tegenover de lui die met haar in aanraking kwamen; een langdurig proces dat een geruïneerde adellijke familie haar had opgedragen te volgen, en een schuld door Engeland tegenover Frankrijk ten tijde der Stuarts aangegaan, waarvan het bedrag, met intrest op intrest, bijna drie milliard beliep. Die schuld van drie milliard was haar stokpaardje; zij legde de zaak haarfijn uit, hield een heelen cursus in geschiedenis, en een blos van opwinding steeg naar haar wangen, die gewoonlijk slap en geel als was waren.
Soms wist zij tusschen een boodschap bij een deurwaarder en een bezoek bij een vriendin, een koffiekan, een caoutchouc mantel of een stuk kant te verkoopen of een piano te verhuren. Dat was voor haar een kleinigheid. Dan haastte zij zich weer naar haar winkel terug, waar een klant haar verwachtte om een stuk chantilly te zien. De klant kwam, gleed als een schaduw den stillen halfduisteren winkel binnen. En het gebeurde ook vaak, dat een heer die door de koetspoort van de rue Papillon was binnengekomen, op hetzelfde uur de piano's van mevrouw Touche op de bovenkamers kwam zien.
Indien mevrouw Sidonie niet rijk werd, dan kwam dit omdat zij dikwijls uit liefde voor de kunst werkte. Liefhebster als zij was van een rechtsgeding, vergat zij haar eigen zaken voor die van anderen; zij liet zich door de deurwaarders villen, wat haar trouwens genietingen gaf, die alleen pleitzuchtige lieden kennen.
De vrouw stierf in haar weg, zij was nog slechts een zaakwaarnemer, een tusschenpersoon die ieder uur van den dag op straat te zien was, met de onmogelijkste koopwaar in haar onafscheidelijk mandje, van alles verkoopende, van milliarden droomende, en bij den kantonrechter voor een begunstigde klant een vordering van tien francs betwistende. Klein, mager, bleek, gekleed in die dunne zwarte japon die uit de toga van een pleiter geknipt scheen, zag zij er verschrompeld uit, en als men haar langs de huizen zag trippelen, zou men haar voor een als meisje verkleeden boodschappenjongen gehouden hebben.
Haar gelaatskleur had de bleekheid van zegelpapier. Haar lippen glimlachten flauwtjes, terwijl haar oogen den warboel weerspiegelden van de zaken en de menigvuldige beslommeringen waarmee zij haar hersens vol stopte. Bescheiden en beschroomd in haar manieren, met iets dat rook naar den biechtstoel of het vertrek van een verloskundige, deed zij zich zacht en moederlijk voor, als een non die afstand gedaan heeft van de wereldsche neigingen en medelijden heeft met het zieleleed van anderen.
Zij sprak nooit van haar man, en evenmin van haar kindsheid, haar familie of haar belangen. Er was maar één ding dat zij niet verkocht, dat was haar zelve, niet omdat zij gewetensbezwaar daartegen zou hebben, maar omdat de gedachte aan dien koop niet in haar op kon komen. Zij was zoo droog als een factuur, koud als een protest, en als het er op aankwam zoo onverschillig en grof als een deurwaardersgetuige.
Saccard, zoo kersversch uit zijn provincie, kon eerst geen inzicht krijgen in de verscheidenheid van beroepen, die mevrouw Sidonie uitoefende. Daar hij een jaar in de rechten gestudeerd had, sprak zij eens met een ernstig gezicht over de drie milliard, wat hem een geringen dunk van haar verstand gaf. Zij kwam eens snuffelen in zijn woning, had met éen blik Angèle beoordeeld, en verscheen eerst weer als zij toevallig een boodschap in de buurt had of behoefte gevoelde de drie milliard weer eens ter sprake te brengen. Angèle was belang gaan stellen in de geschiedenis van de Engelsche schuld. De makelaarster reed op haar stokpaardje, een uur lang liet zij het goud stroomen.
Dat was de barst in dien schranderen geest; de dwaasheid, waarmee zij haar leven, dat in een armzaligen handel verloren ging, suste; het toovermiddel waarmee zij, met haar, de lichtgeloovigsten van haar klanten in geestdrift bracht.
Met volle overtuiging begon zij eindelijk zelfs over de drie milliard als haar persoonlijk fortuin te spreken, dat de rechters haar vroeg of laat moesten toewijzen. Dit gaf een wonderschoonen stralenkrans om haar armoedig zwart hoedje, waarop een paar verbleekte viooltjes wiegelden op geelkoperen steeltjes, waarvan het omkleedsel afgesleten was.
Angèle zette verbazend groote oogen op. Herhaalde malen sprak zij tegen haar man met ontzag over haar schoonzuster, bewerende dat mevrouw Sidonie hen misschien nog eens rijk zou maken.
Saccard haalde de schouders op; hij was den winkel en de bovenkamers van den Faubourg Poissonnière eens gaan opnemen, en hij voorzag dat die zaak spoedig failliet zou gaan.
Hij wenschte Eugène's opinie over hun zuster te vernemen, maar deze werd ernstig en antwoordde alleen dat hij haar nooit zag, dat hij wist dat zij heel slim was, misschien de familie een beetje in opspraak kon brengen. Maar toen Saccard een poos later in de rue de Penthièvre terugkwam, verbeeldde hij zich, dat hij de zwarte japon van mevrouw Sidonie bij zijn broer uit zag komen en vlug langs de huizen voort zag stappen. Hij liep haar achterna, maar hij kon de zwarte japon niet terugvinden. De makelaarster had een van die nietige gestalten die in de menigte verloren gaan.
Dit stemde hem tot nadenken, en van dat oogenblik bestudeerde hij zijn zuster met meer oplettendheid. Hij ontdekte weldra, welk een onmetelijke werkkracht verscholen lag in dat bleeke wezentje, wier heele gelaat een ondoorgrondelijke uitdrukking droeg. Hij kreeg ontzag voor haar. Zij was wel degelijk een echte Rougon.
Hij herkende dien gelddorst, die behoefte aan intriges, die de familie kenmerkte: maar bij haar was, door de omgeving waarin zij zoo lang had verkeerd, in dat Parijs waar zij 's morgens haar karig brood voor den avond moest ophalen, het gemeenschappelijk temperament afgeweken, om die zonderlinge tweeslachtigheid voort te brengen van een vrouw, die een geslachtloos wezen was geworden, een zaakwaarnemer en koppelaarster tegelijk.
Toen Saccard zijn plan eenmaal vastgesteld had en de eerste fondsen moest zien te bemachtigen, dacht hij natuurlijk aan zijn zuster. Zij schudde het hoofd, en sprak zuchtend over de drie milliard. Maar de ambtenaar gaf haar in die dwaasheid geen voet, hij sprak haar ruw toe, zoo dikwijls zij over de schuld der Stuarts begon; die hersenschim scheen hem onwaardig bij zoo'n praktisch verstand.
Mevrouw Sidonie, die kalm den ruwsten spot verdroeg zonder dat haar overtuiging geschokt werd, bracht hem toen duidelijk aan het verstand, dat hij geen cent zou krijgen, aangezien hij geen enkelen waarborg kon aanbieden.
Dit gesprek werd gevoerd voor de Beurs, waar zij met haar spaarduitjes ging speculeeren. Tegen drie uur kon men haar altijd vinden, leunende tegen het hek, links, naast het postkantoor; daar gaf zij audiëntie aan personen die er even zonderling uitzagen als zij. Haar broer zou juist weggaan, toen hij haar op spijtigen toon hoorde zeggen: "Ja, als je niet getrouwd was!...." Die halve uitlating, waarvan hij de volledige beteekenis niet wilde vragen, stemde Saccard tot nadenken.
Maanden gingen voorbij, de Krimoorlog was uitgebroken. Parijs stoorde zich niet aan een oorlog zoo ver weg, maar wierp zich met te meer drift op de speculaties en de vrouwen. Met verbeten ongeduld woonde Saccard die stijgende woede, die hij voorzien had, bij. In den reuzenoven gaven de hamers die het goud op het aambeeld pletten, hem schokken van toornig ongeduld. Zijn verstand en zijn wilskracht waren zoo strak gespannen, dat hij als in een droom leefde, als een slaapwandelaar die door een idée fixe voortgedreven, in de dakgoot loopt.
Op een avond was hij onaangenaam verrast Angèle ziek te bed te vinden. Zijn huiselijk leven, regelmatig als een uurwerk, geraakte in de war en dat verbitterde hem als een opzettelijke kwaadwilligheid van het noodlot.
De arme Angèle klaagde zacht; zij had kou gevat en rilde. Toen de dokter kwam, trok hij een bedenkelijk gezicht; op het portaal zei hij tot den man, dat zijn vrouw een longontsteking had en dat hij niet voor haar instond.
Van dat oogenblik aan paste Saccard de zieke zonder boosheid op; hij ging niet meer naar zijn bureau, hij bleef bij haar, en keek haar met een onbeschrijfelijke uitdrukking aan, als zij hijgend en rood van koorts lag te slapen.
Mevrouw Sidonie vond ondanks haar overstelpend drukke bezigheden, de gelegenheid om iederen avond het een of andere aftreksel te komen maken, die volgens haar uitstekend hielpen. Bij al haar beroepen voegde zij nog dat van een ziekenverpleegster uit roeping; zij zat gaarne aan een ziekbed, om geneesmiddelen toe te dienen en te luisteren naar de treffende gesprekken die aan een sterfbed gevoerd worden.
Dan scheen zij ook een innige vriendschap voor Angèle opgevat te hebben; zij hield van de vrouwen, met allerlei liefkoozingen, zeker om het genoegen dat zij aan de mannen verschaffen; zij behandelde ze met die zorgzame oplettendheid die koopvrouwen hebben voor de kostbare waar in hun uitstalkast, zij noemde ze: "liefje, schatje," kirde en keek ze met smachtende blikken aan, als een minnaar voor een maîtresse. Ofschoon er van Angèle niets te trekken viel, liefkoosde zij haar evenals de anderen, dat lag zoo in haar aard. Toen de jonge vrouw te bed lag, werd de hartelijkheid van mevrouw Sidonie aandoenlijk, zij vervulde de stille kamer met haar toewijding. Haar broer zag haar met opeengeperste lippen op en neer gaan, alsof zij door smart overstelpt was.
De kwaal verergerde. Op zekeren avond gaf de dokter te kennen, dat de zieke den nacht niet meer door zou halen. Mevrouw Sidonie was vroeg gekomen, zij scheen met éen gedachte vervuld en keek naar Aristide en Angèle met haar betraande oogen, waarin zich nu en dan een korte flikkering vertoonde.
Toen de dokter weg was, draaide zij de lamp neer; een diepe stilte ontstond. De dood trad langzaam in deze warme, vochtige kamer, waarin de onregelmatige ademhaling van de stervende klonk als het getiktak van een klok die van streek is.
Mevrouw Sidonie maakte geen drankjes meer gereed, zij liet de ziekte haar werk voltooien. Zij was voor den schoorsteen gaan zitten, naast haar broer die zenuwachtig het vuur oprakelde, terwijl hij onwillekeurig naar het bed keek. Toen, als van streek gebracht door die drukkende lucht, door dat bedroevend schouwspel, begaf hij zich naar de aangrenzende kamer. Daar had men de kleine Clotilde opgesloten, die heel zoet op het karpet met haar pop speelde. Het kind lachte hem toe, toen mevrouw Sidonie, zachtjes achter hem aankomende, hem in een hoek trok en zacht begon te praten.
De deur was open gebleven. Men hoorde het zachte gereutel van Angèle.
--Je arme vrouw,.... snikte de makelaarster, ik geloof dat het nu gauw gedaan is. Heb je gehoord wat de dokter zei?
Saccard boog somber het hoofd.
--Het was een goed mensch, ging de andere voort, alsof Angèle reeds dood was. Je kunt rijker vrouwen vinden, vrouwen met meer wereldkennis, maar zoo'n hart vind je nooit terug.
En toen zij even zweeg, en haar oogen afdroogde, terwijl zij een overgang scheen te zoeken, vroeg Saccard haar kortaf:
--Heb je me iets te zeggen?
--Ja, ik heb om je gedacht, je weet wel waarvoor, en ik geloof dat ik iets gevonden heb.... Maar op zoo'n oogenblik.... Mijn hart breekt er bij, zie je.
Zij droogde haar oogen nog eens af. Saccard liet haar rustig begaan, zonder iets te zeggen. Toen kwam het hooge woord er uit.
--Het is een jong meisje, dat zoo gauw mogelijk moet trouwen. Het arme kind heeft een ongelukje gehad. Ze heeft een tante die er veel voor over zou hebben....
Zij hield grijnend op, nadat zij al dien tijd op een huilerigen toon gesproken had, alsof zij de arme Angèle nog steeds beklaagde. Dat deed zij opzettelijk om haar broer ongeduldig te maken, hem te nopen haar te ondervragen, om niet de heele verantwoordelijkheid te dragen van het aanbod dat zij hem kwam doen. De ambtenaar werd inderdaad een beetje prikkelbaar.
--Komaan, voor den dag er mee! zei hij. Waarom wil men dat meisje laten trouwen?
--Zij kwam van de kostschool, hernam de makelaarster op klagenden toon, iemand heeft haar verleid, op het buiten van de ouders van een harer vriendinnen.
De vader heeft haar misslag ontdekt. Hij wou haar dooden. De tante heeft het arme kind willen redden, en samen hebben zij den vader op de mouw gespeld, dat de schuldige een brave jongen was, die hoe eer hoe liever zijn onbezonnenheid wou goed maken.
--Dus, zei Saccard op verbaasden toon en bijna boos, dus die buitenman gaat met het meisje trouwen?
--Neen, dat kan hij niet, hij is getrouwd.
Een stilte volgde. Het gereutel van Angèle klonk droeviger in de trillende lucht. De kleine Clotilde had haar spel gestaakt; zij keek mevrouw Sidonie en haar vader aan, met haar groote peinzende kinderoogen, alsof zij hun woorden begrepen had.
Saccard begon korte vragen te doen:
--Hoe oud is het meisje?
--Negentien jaar.
--Hoe lang is zij zwanger?
--Drie maanden. Er volgt zeker een miskraam.
--Is de familie rijk en geacht?
--Oude burgerfamilie. De vader is magistraat geweest. Heel gefortuneerd.
--Wat zou de tante er voor over hebben?
--Honderdduizend francs.
Een tweede pauze volgde. Mevrouw Sidonie huilde niet meer; zij deed nu zaken, haar stem kreeg een metaalklank, als die van een opkoopster die afdingt.
Haar broer keek haar onderzoekend aan en zei ietwat aarzelend:
--En jij, wat beding jij?
--Dat is van later zorg, antwoordde zij. Je zult me op jouw beurt van dienst kunnen zijn.
Zij wachtte eenige seconden, en daar hij zweeg, vroeg zij hem ronduit:
--Nu, wat is je besluit? Die arme vrouwen zijn wanhopig. Ze willen schandaal vermijden. Ze hebben beloofd den naam van den schuldige morgen aan den vader op te geven.... Als je het aanneemt, zal ik ze een van je visitekaartjes door een besteller laten brengen.
Saccard scheen uit een droom te ontwaken; hij huiverde en keerde zich angstig naar de naburige kamer, waar hij een licht gedruis meende te hooren.
Mevrouw Sidonie keek hem strak aan, met een koelen, smadelijken blik.
Het bloed der Rougons, al zijn brandende begeerten stegen hem naar de keel. Hij nam een visitekaartje uit zijn portefeuille en gaf het aan zijn zuster, die het in een envelop stak, nadat zij het adres er zorgvuldig afgekrabd had. Daarop ging zij de trap af. Het was even negen uur.
Alleen gebleven, drukte Saccard zijn voorhoofd tegen de koude ruiten. Hij was zoo in gedachten verdiept, dat hij met de vingertoppen tegen de ruiten trommelde. Maar het was zoo pikdonker, de duisternis daar buiten hoopte zich tot zulke zonderlinge massa's op, dat hij zich onpleizierig begon te voelen en werktuigelijk terugkeerde naar de kamer waar Angèle lag te sterven.
Hij had haar vergeten, het gaf hem een vreeselijken schok toen hij haar overeind tegen haar kussens vond zitten; haar oogen waren wijd geopend, een stroom van leven scheen naar haar wangen en haar lippen te zijn opgestegen.
De kleine Clotilde, nog steeds met een pop in haar handje, zat op den rand van het bed; zoodra haar vader zich omgekeerd had, was zij gauw naar die kamer geslopen, waaruit men haar verwijderd had en waar haar kinderlijke nieuwsgierigheid haar heenlokte.
Saccard, wiens hoofd geheel vervuld was met de geschiedenis van zijn zuster, zag zijn droom ineenstorten. Een afschuwelijke gedachte schitterde zeker in zijn oogen. Vol ontzetting wilde Angèle zich tegen den muur terugwerpen, maar de dood kwam; dat ontwaken uit den doodstrijd was de laatste opflikkering van de uitgaande lamp geweest. De stervende kon zich niet verroeren; zij zakte ineen, zij bleef haar wijdgeopende oogen op haar man gericht houden, als om zijn bewegingen na te gaan.
Saccard, die aan een herleving dacht, met duivelsche kunsten door het noodlot uitgevonden om hem in de ellende te houden, stelde zich gerust toen hij zag dat de ongelukkige geen uur meer te leven had. Hij had alleen nog een onverdragelijk, hinderlijk gevoel.
Angèle's oogen zeiden dat zij het gesprek van haar man met mevrouw Sidonie gehoord had, dat zij vreesde dat hij haar zou verwurgen, als zij niet gauw genoeg stierf. En in die oogen las men nog den verbaasden afschuw van een zachtaardig, onschuldig gemoed, dat te elfder ure de snoodheid dezer wereld bemerkte en huiverde bij de gedachte aan de lange jaren die zij naast een bandiet had doorgebracht.
Langzamerhand werd haar blik zachter; zij was niet bang meer, zij moest dien ongelukkige verontschuldigen, als zij dacht aan den hardnekkigen strijd dien hij reeds zoo lang tegen de fortuin gevoerd had.