Jacht naar Fortuin

Part 5

Chapter 53,936 wordsPublic domain

En op het oogenblik dat Louise en Maxime harder lachten, in den gelen weerschijn, in den zonsondergang van het kleine salon, nam Renée, die daar stond met een droge prikkeling in de keel, zonder zich recht bewust te zijn van hetgeen zij deed, een tak van de tanghinia, die haar tot aan den mond reikte, tusschen de lippen en beet in een dier bittere bladeren.

II.

Aristide Rougon streek na de gebeurtenissen van den 2en December op Parijs neer, met den fijnen reuk van een roofvogel, die op grooten afstand een slagveld ruikt. Hij kwam uit Plassans, een onder-prefectuur van het Zuiden, waar zijn vader eindelijk uit het troebele water der verwikkelingen een reeds lang begeerde ontvangersplaats had opgevischt. Nadat hij zich in zijn jeugdige onervarenheid als een dwaas had bloot gegeven, zonder dat het hem eer of voordeel had opgeleverd, moest hij zich gelukkig achten dat hij heelshuids uit het slaggewoel ontkomen was. Hij kwam aansnellen, met nijd in het hart, dat hij op een dwaalspoor was geraakt; hij verwenschte zijn provinciestadje, hij sprak over Parijs met de hongerige begeerte van een wolf, hij zwoer "dat hij zoo dom niet meer zou zijn", en de scherpe glimlach waarmee hij deze woorden vergezeld deed gaan, kreeg op zijn dunne lippen een verschrikkelijke beteekenis.

In de eerste dagen van 1852 kwam hij aan. Hij bracht zijn vrouw Angèle mee, een blond, onbeduidend persoontje, dat hij in een kleine woning in de rue Saint-Jacques onder dak bracht, als een lastig meubel waarvan hij zich zoo gauw mogelijk wilde ontdoen. De jonge vrouw had niet willen scheiden van haar dochtertje, de kleine Clotilde, een vierjarig kind, dat de vader graag aan de zorg van de familie had overgelaten. Hij had aan Angèle's wensch slechts toegegeven onder voorwaarde dat hun zoon Maxime, een jongen van elf jaar, voor wien zijn grootmoeder had beloofd te zullen zorgen, op het gymnasium te Plassans zou blijven.

Aristide wilde de handen vrij hebben; een vrouw en een kind waren in zijn oog reeds een drukkende last voor een man, die vastbesloten had alle hindernissen over te springen, al moest hij er de lendenen bij breken of in de modder tuimelen.

Op den eigen avond van hun aankomst, terwijl Angèle de koffers uitpakte, voelde hij een onbedwingbaren lust in zich opkomen Parijs te doorkruisen, met zijn lompe buitenmansschoenen over die brandende steenen te loopen, waaruit hij millioenen hoopte te slaan. Het was een ware inbezitneming. Hij liep met geen ander doel dan om te loopen, het eene trottoir af, het andere op, als in een overwonnen land. Hij maakte zich niets diets omtrent den slag dien hij ging leveren, en het stuitte hem niet tegen de borst zich bij een handigen inbreker te vergelijken, die door list of geweld zijn aandeel in den gemeenschappelijken rijkdom gaat bemachtigen, dat men hem tot dusverre uit kwaadwilligheid geweigerd heeft. Indien hij behoefte aan een verontschuldiging gevoeld had, dan had hij zijn begeerten kunnen aanvoeren, die hij al tien jaar lang had moeten onderdrukken, zijn kommerlijk bestaan in de provincie, zijn misslagen in de eerste plaats, waarvoor hij de geheele maatschappij aansprakelijk stelde.

Maar op dit oogenblik, in die aandoening van een speler, die eindelijk zijn brandende handen op het groene laken legt, ging hij geheel op in de vreugde, in zijn eigenaardige vreugde, waaruit de voldoening van den afgunstige en de hoop van den ongestraften schelm spraken.

De lucht van Parijs bracht hem in een roes, hij meende in het geratel der rijtuigen de stemmen van Macbeth te hooren, die hem toeriepen: Gij zult rijk zijn!

Bijna twee uren liep hij zoo van de eene straat in de andere, met den wellust van een man die zijn kwaden neigingen den vrijen teugel geeft. Het was de eerste maal dat hij Parijs betrad sedert het gelukkige jaar dat hij er als student had doorgebracht.

De avond begon te vallen: in het helle schijnsel dat de koffiehuizen en winkels op de trottoirs uitstraalden nam zijn droombeeld grooter afmetingen aan; hij liep wakend te droomen.

Toen hij de oogen opsloeg, bevond hij zich midden op den faubourg Saint-Honoré. Een van zijn broers, Eugène Rougon, woonde in een aangrenzende straat, rue de Penthièvre. Toen hij naar Parijs ging, had Aristide hoofdzakelijk gerekend op Eugène, die eerst een der krachtigste bevorderaars van den Staatsgreep geweest was en nu nog in het geheim een grooten invloed uitoefende, een kleine advokaat die zich tot een groot staatsman zou ontwikkelen.

Maar met een dier bijgeloovigheden aan spelers eigen, wilde hij nog dien avond niet bij zijn broer aankloppen. Hij drentelde naar de rue Saint-Jacques terug, met een gevoel van afgunst als hij aan Eugène dacht en naar zijn armoedige kleeren keek die nog geheel bestoft van de reis waren; daarop trachtte hij zich te troosten, door zich weer in zijn droomen van rijkdom te verdiepen. Maar die droomen zelfs waren bitter geworden.

Terwijl hij uitgegaan was in een behoefte aan verruiming en door de bedrijvige winkeldrukte van Parijs in een vroolijke stemming was gebracht, keerde hij nu naar huis terug, verbitterd door het geluk dat hij overal op straat meende ontmoet te hebben; nog woester geworden, stelde hij zich in de gedachte een hardnekkigen strijd voor, waarin hij met genoegen die menigte, die hem op de trottoirs terzijde had gedrongen, zou verschalken en verslaan. Nooit had hij zulke groote verlangens in zich voelen opkomen, zulke rechtstreeksche begeerten naar genot.

Den volgenden dag was hij al vroeg bij zijn broer. Eugène bewoonde twee groote, kille, ternauwernood gemeubileerde kamers, die Aristide deden rillen. Hij had gedacht dat zijn broer zich in weelde baadde.

Deze zat aan een zwart tafeltje te werken. Glimlachend zei hij enkel, met zijn langzame manier van spreken:

--O, ben jij het, ik verwachtte je.

Aristide was heel scherp. Hij beschuldigde Eugène dat hij hem in nooddruft had gelaten, dat hij hem zelfs niet bij wijze van aalmoes een goeden raad had gegeven, terwijl hij in de provincie voortploeterde. Hij zou het zich zelf nooit vergeven, dat hij tot den 2en December republikeinsch gezind was gebleven; daar zou hij altijd met ergernis en schaamte aan denken.

Eugène had intusschen kalmpjes zijn pen weer ter hand genomen.

Toen Aristide uitgesproken had, antwoordde hij:

--Kom kom, alle misslagen laten zich goed maken. Je hebt nog een goede toekomst vóór je.

Hij sprak die woorden met zooveel klem en keek Aristide daarbij zoo doordringend aan, dat deze het hoofd boog, wel gevoelende dat zijn broer tot in het diepst van zijn gemoed las. Deze ging op een vriendschappelijk lompen toon voort:

--Je komt hier om een betrekking door mij te krijgen, niet waar? Ik heb wel aan je gedacht, maar ik heb nog niets voor je gevonden. Je begrijpt wel dat ik je niet overal in duwen kan. Jij moet een baantje hebben waar je je zaakjes kan opknappen zonder gevaar voor jou zelf of voor mij.... Houd je maar niet zoo verontwaardigd, we zijn alleen, we mogen elkaar de waarheid wel zeggen.

Aristide koos de wijste partij en lachte.

--O, ik weet wel dat je slim bent, ging Eugène voort, en dat je geen dwaasheden meer zal uithalen, die je niets opleveren. Zoodra er zich een goede gelegenheid voordoet, zal ik je een betrekking bezorgen. Heb je soms voor dien tijd een tientje noodig, kom het me dan maar vragen.

Zij bleven nog een poosje doorpraten over den opstand in het Zuiden, waarbij hun vader zijn ontvangersplaats had verdiend; middelerwijl kleedde Eugène zich aan. Op straat hield hij zijn broer nog even terug, toen deze een anderen kant uitging, en zei zachtjes:

--Je zult me een pleizier doen als je je niet te veel op straat vertoont; wacht liever thuis de betrekking af, die ik je beloof.... Ik zou niet graag zien, dat mijn broer als een baantjesjager bekend zou staan.

Aristide had ontzag voor Eugène, dien hij als een bij uitstek flinken kerel beschouwde. Hij vergaf hem zijn wantrouwen niet en zijn ietwat ruwe openhartigheid evenmin, maar hij ging zich heel gedwee in de rue Saint-Jacques opsluiten. Hij was aangekomen met vijfhonderd francs die zijn schoonvader hem geleend had. Na aftrek van de reiskosten, bleven er driehonderd francs over, waarmee hij een maand kon rondkomen. Angèle was een groote eetster, en bovendien achtte zij het hoognoodig dat haar galatoilet eens met een stel mauve linten opgefrischt werd.

Die maand wachtens scheen Aristide oneindig toe. Hij brandde van ongeduld. Als hij aan het venster ging staan en de reusachtige bedrijvigheid van Parijs onder zich gewaar werd, bekroop hem soms de lust om met één sprong in dien smeltoven terecht te komen, om er het goud met zijn koortsachtige handen als was te kneden. Hij snoof die nog zacht suizende ademtochtjes op, die uit de wereldstad opstegen, die ademtochtjes van het opkomende keizerrijk, die reeds doortrokken waren van de geuren van koppelarijen en zwendelarijen, van de warmten der genietingen. De lichte uitwasemingen die tot hem opstegen, zeiden hem dat hij op het goede spoor was, dat het wild voor hem uit liep, dat de groote keizerlijke jacht, de jacht op avonturen, vrouwen en millioenen, eindelijk begon. Zijn neusvleugels trilden, zijn instinct van uitgehongerd dier rook met een bewonderenswaardig fijnen reuk, welk een kostelijken buit de stad hem zou opleveren.

Tweemaal ging hij naar zijn broer, om hem meer spoed te doen maken. Eugène ontving hem tamelijk norsch, herhaalde zijn verzekering dat hij hem niet vergat, maar dat hij geduld moest oefenen. Eindelijk ontving hij een brief waarin hij verzocht word in de rue de Penthièvre aan te komen. Hij ging er heen met een kloppend hart, als gold het een samenkomst met een geliefde.

Hij vond Eugène als altijd, aan zijn zwart tafeltje, in de groote kille kamer die hem tot kantoor diende. Zoodra hij hem bemerkte, reikte de advokaat hem een papier toe, met de woorden:

--Hier, ik heb gisteren iets voor je gekregen. Je bent benoemd aan het stadhuis, tot adjunct-opzichter over de wegen en straten. Je krijgt een traktement van vier en twintig honderd francs.

Aristide was blijven staan. Hij werd bleek en wilde het papier niet aannemen, denkende dat zijn broer hem voor den gek hield. Hij had minstens op zesduizend francs gerekend. Eugène ried wat in hem omging en met een driftige beweging zijn stoel omkeerende, kruiste hij de armen over de borst en vroeg met ingehouden toorn:

--Je bent toch niet gek?.... Je houdt er zeker van die meisjesdroomen op na? Je zou op mooie kamers willen wonen, dienstboden houden, lekker eten, onder zijden dekens slapen, in de armen van de eerste de beste aan je lusten voldoen, in een boudoir dat in een paar uur gemeubileerd is.... Als we jou en jouwsgelijken lieten begaan, dan zou je de koffers leegmaken voor dat ze nog vol waren. Maar, mijn hemel, heb dan toch een beetje geduld! Zie hoe ik leef, en doe ten minste de moeite te bukken om een fortuin op te rapen.

Hij sprak met diepe minachting over het jongensachtige ongeduld van zijn broer. In zijn ruwe manier van spreken voelde men een hoogere eerzucht, een begeerte naar louter macht; die naïeve zucht naar geld leek hem ongetwijfeld burgerlijk en kinderachtig toe. Ietwat zachter gestemd, ging hij met een fijn glimlachje voort:

--Zeker, je neigingen zijn uitstekend, ik denk er niet aan ze tegen te werken. Menschen zooals jij zijn onschatbaar. We zijn wel degelijk van plan onze vrienden onder de grootste hunkeraars te kiezen. Maak je maar niet ongerust, we zullen voor een ieder opdisschen, en de grootste hongerlijders zullen verzadigd worden. Dat is nog de gemakkelijkste manier om te regeeren.... Maar wacht dan toch in 's hemelsnaam tot de tafel gedekt is, en als ik je een goeden raad mag geven, doe de moeite zelf je bord uit de keuken te halen.

Aristide bleef donker kijken. De vriendelijke vergelijkingen van zijn broer verdreven zijn rimpels niet. Toen kon Eugène zijn kwaadheid niet bedwingen:

--Kijk! riep hij uit, ik kom weer tot mijn eerste opinie terug: je bent gek.... Wat had je dan toch eigenlijk gedacht dat ik met jouw doorluchtige persoontje zou doen? Je hebt niet eens den moed gehad je laatste examen te doen; je hebt je tien jaar lang met het armzalig baantje van klerk bij een onder-prefectuur beholpen, je komt bij me met de allerongunstigste reputatie van een republikein, die eerst na den Staatsgreep van overtuiging veranderd is.... Denk je soms dat jij, met zoo'n conduite-staat, het nog tot minister brengen zal? Ja, éen ding heb je voor, dat weet ik, en dat is je woeste begeerte om er door alle mogelijke middelen bovenop te komen. Dat is een groote deugd, dat geef ik toe, en met het oog daarop heb ik je ook aan het Stadhuis geplaatst zien te krijgen.

En opstaande drong hij Aristide zijn benoeming in de hand.

--Neem aan, ging hij voort, je zult me er eens voor danken. Ik heb zelf de betrekking gekozen, ik weet wat je er uit halen kan.... Houd je oogen en je ooren maar goed open. Met een beetje doorzicht, zal je begrijpen wat je te doen staat.... Maar onthoud goed wat ik je nu nog te zeggen heb. We gaan een tijd tegemoet, waarin men op allerlei wijzen fortuin kan maken. Verdien veel geld, daar heb ik niets op tegen: maar geen domheden, geen opspraak, of ik trek mijn handen van je af.

Deze bedreiging had de uitwerking, die zijn beloften niet teweeg hadden kunnen brengen. Het koortsachtig verlangen van Aristide gloeide weer op bij de gedachte aan dat fortuin waarop zijn broer zinspeelde. Hij kreeg een gewaarwording alsof men hem eindelijk los liet in de kloppartij en hem machtigde de lui te wurgen, maar op een wettige manier, zonder ze al te hard te laten schreeuwen.

Eugène gaf hem tweehonderd francs om er die maand mee toe te komen.

Daarop verzonk hij in gedachten.

--Ik ben van plan een anderen naam aan te nemen, zei hij eindelijk; jij moest dat ook doen.... We zouden elkaar minder hinderen.

--Zooals je wilt, antwoordde Aristide kalmpjes.

--Je hoeft je met niets te bemoeien, ik zal wel voor de formaliteiten zorgen.... Wil je Sicardot heeten, naar je vrouws naam?

Aristide richtte den blik naar de zoldering, sprak den naam eenige keeren achtereen uit, luisterde goed naar den klank van de lettergrepen en zei:

.... Sicardot.... Aristide Sicardot.... Neen, dank je; dat is een goede naam voor een ouden sok, en dat ruikt naar een failliet.

--Zoek dan wat anders, zei Eugène.

--Ik had liever kortweg Sicard, hernam de ander een poosje later; Aristide Sicard,.... niet zoo kwaad.... vind je niet? misschien een beetje vroolijk....

Hij dacht nog een oogenblik na, en met een zegevierend gezicht:

--Ik ben er, ik heb het gevonden, riep hij uit.... Saccard,

Aristide Saccard!.... met twee c's. Hè! er zit geld in dien naam, het lijkt wel of men rijksdaalders telt.

Eugène was wreed als hij schertste. Hij nam lachend afscheid van zijn broer en zei:

--Ja, een naam om er mee naar de galeien te gaan of om er millioenen mee te verdienen.

Een paar dagen later was Aristide Saccard op het stadhuis. Daar hoorde hij dat zijn broer heel wat invloed had moeten aanwenden om hem zonder de gebruikelijke examens geplaatst te krijgen.

Toen begon voor het huishouden het eentonige leven der kleine ambtenaartjes. Aristide en Angèle richtten hun levenswijs weer in zooals in Plassans, met dit verschil echter, dat zij de hoop op een plotseling fortuin moesten laten varen; en hun armelijke levenswijs drukte hen meer, omdat zij haar beschouwden als een proeftijd waarvan zij den duur niet vooruit konden bepalen.

In Parijs arm zijn, is dubbel armoe lijden. Angèle schikte zich in de ellende met het gemis aan veerkracht van een bleekzuchtige vrouw; zij bracht haar dagen in de keuken door, of lag op den grond met haar dochtertje te spelen en klaagde niet voordat zij aan haar laatsten rijksdaalder was.

Maar Aristide beefde van woede om die armoede, om dat bekrompen bestaan, waarin hij rondliep als een wild dier dat opgesloten is in zijn hok. Het was voor hem een tijd van namelooze kwelling; zijn ijdelheid was gekwetst, zijn onbevredigde hartstochten zweepten hem onbarmhartig voort.

Zijn broer slaagde er in als afgevaardigde van het arrondissement Plassans in het Wetgevend lichaam te komen; nu voelde hij zijn lijden nog meer. Hij gevoelde de meerderheid van Eugène te goed om dwaas jaloersch te zijn; hij beschuldigde hem alleen, dat hij niet voor hem deed wat hij kon.

Meer dan eens dreef de noodzakelijkheid hem er toe bij hem aan te kloppen om geld. Eugène leende het hem, maar verweet hem op ruwen toon zijn gebrek aan moed en wilskracht. Dat maakte Aristide nog stijfhoofdiger. Hij zwoer dat hij niemand meer een cent zou vragen, en hij hield woord. De laatste week der maand at Angèle zuchtend droog brood.

Deze leerschool voltooide de vreeselijke opvoeding van Saccard. Zijn lippen werden dunner; hij was zoo dwaas niet meer om van zijn millioenendroomen te spreken, zijn magere persoonlijkheid werd karig met woorden en drukte nog slechts één overheerschend denkbeeld, één streven uit. Wanneer hij zich van de rue Saint-Jacques naar het stadhuis spoedde, klonken zijn afgeloopen hakken driftig op de trottoirs en hij knoopte zich in zijn versleten overjas als in een toevluchtsoord van haat, terwijl zijn speurhondenneus de lucht in de straten opsnoof. Hoekig beeld van de afgunstige armoede die men door de straten van Parijs ziet ronddolen, peinzende over de middelen om tot fortuin te geraken en ongebreidelde hartstochten bot te vieren.

Omstreeks het begin van 1853 werd Aristide Saccard benoemd tot opzichter der wegen. Hij verdiende nu vierduizend vijfhonderd francs. Deze verhooging kwam wel te pas; Angèle kwijnde weg, de kleine Clotilde werd met den dag bleeker. Hij bleef in zijn beknopte woning, bestaande uit een eetkamer met notenhouten en een slaapkamer met mahoniehouten meubelen; hij bleef ook even spaarzaam, en stak zich niet in schulden, daar hij zijn handen eerst dan naar het geld van anderen wou uitsteken, wanneer hij ze er tot de ellebogen in kon dompelen. Zoo verloochende hij zijn natuurlijken aard; met trotsche geringschatting voor de paar stuivers die hij meer kreeg, bleef hij op den loer.

Angèle was volmaakt gelukkig. Zij kocht een paar snuisterijen en deed iederen dag haar broche aan. Zij begreep niets meer van de stomme woede van haar man, van zijn sombere gelaatsuitdrukking, als peinsde hij zich moe op de oplossing van een geducht moeielijk vraagstuk.

Aristide volgde Eugène's raad op: hij luisterde en hij keek toe. Toen hij zijn broer voor zijn bevordering ging bedanken, begreep deze welk een ommekeer in hem had plaats gehad; hij gaf hem een pluimpje over hetgeen hij zijn goed gedrag noemde. De ambtenaar, dien de afgunst innerlijk onbuigzaam maakte, was uiterlijk meegaande en vleiend innemend geworden.

In weinige maanden werd hij een volleerd tooneelspeler. Zijn zuidelijke verbeeldingskracht was geheel in hem ontwaakt, en hij bracht het zoover in de kunst, dat zijn collega's op het stadhuis hem voor een goeden kerel hielden, die door zijn nauwe verwantschap met een afgevaardigde bij voorbaat was aangewezen voor de een of andere hooge betrekking. Om die zelfde reden behandelden zijn chefs hem ook met een bijzondere welwillendheid.

Zoo werd hij meer ontzien dan met zijn betrekking overeen kwam, en daardoor kon hij zekere deuren openen en zijn neus in zekere doozen steken, zonder dat er iets ongeoorloofds in zijn onbescheidenheid gezien werd.

Twee jaren lang zag men hem in alle gangen snuffelen, in alle zalen toeven, twintigmaal op een dag opstaan, om met een collega een praatje te gaan maken, een order over te brengen, een uitstapje door alle bureaux te gaan maken, eeuwigdurende wandelingen die zijn collega's de opmerking in den mond gaven: "Die drommelsche provençaal! Hij kan geen minuut op zijn plaats blijven, hij heeft kwik in zijn beenen."

Zijn vertrouwde kennissen hielden hem voor een luiaard, en de brave man lachte, wanneer zij hem beschuldigden, dat hij er slechts op uit was om een paar minuten aan de administratie te ontstelen.

Nooit beging hij de fout om aan de deuren te staan luisteren; maar hij had zoo'n besliste manier om de deuren te openen, de kamer door te wandelen, met een papier in de hand, een nadenkend gezicht en een zoo langzamen en regelmatigen tred, dat hem geen woord van de gesprekken ontging. Het was een geniale taktiek, men hield eindelijk zijn woorden niet meer in als men dien ijverigen ambtenaar voorbij zag loopen, die zoo verdiept in zijn bezigheden scheen en zoo bescheiden door de bureaux liep.

Hij paste nog een andere methode toe: hij was uiterst gedienstig, hij bood zijn collega's zijn hulp aan, zoodra zij met hun werk ten achteren waren, en dan bestudeerde hij de registers en de documenten die hem onder de oogen kwamen, met een hartelijke belangstelling. Maar een zijner pekelzonden was, dat hij vriendschap aanknoopte met de kantoorknechts. Hij gaf ze zelfs de hand. Uren lang liet hij ze praten op de portalen, met gesmoorde lachjes allerlei verhaaltjes opdisschende en zijn best doende hen uit te hooren. De goede menschen hadden verbazend veel met hem op, en zeiden van hem: "Die is tenminste niet trotsch."

Zoodra er iets bijzonders gebeurde, was hij er het eerst van onderricht. Op die wijze had het Stadhuis voor hem geen geheimen meer. Hij kende het heele personeel, tot zelfs den geringsten lampenopsteker, en al de paperassen, tot zelfs de rekeningen der waschvrouwen.

Op dit tijdstip bood Parijs voor een man als Aristide Saccard een allerbelangwekkendst schouwspel. Het keizerrijk was afgekondigd, na die bekende reis waarop de prins-president er in geslaagd was de geestdrift van enkele bonapartistische departementen te doen ontvlammen. Er was stilte ontstaan op de tribune en in de pers.

De maatschappij, ten tweeden male gered, wenschte zich geluk, ging te rust, sliep eens goed uit, nu een krachtig bestuur haar beschermde en haar zelfs onthief van de zorg om te denken en haar zaken te regelen. Het grootste hoofdbreken van de maatschappij was, te weten met welke vermaken zij den tijd zou dooden. Zooals Eugène Rougon het heel gelukkig uitdrukte, ging Parijs aan tafel en dacht aan de kwinkslagen bij het dessert.

Politiek werd een schrikbeeld, een gevaarlijk goedje. De vermoeide geest zocht de zaken en de genoegens op. Die iets bezaten, groeven hun geld weer op, en die niets bezaten zochten in hoekjes en gaatjes schatten, die mogelijk achtergelaten waren. Op den bodem van al dat gewoel trilde het nauw merkbaar, ontstond er een rammelend geluid van rijksdaalders, hoorde men een helder vrouwengelach, het nog zwakke gerinkel van vaatwerk en het klinken van kussen.

In de diepe stilte der herstelde orde, in den vrede der nieuwe regeering stegen allerlei aangename geluiden op, die hoop gaven op goud en wellust. Het scheen alsof men voorbij een dier kleine huisjes ging, waarvan de zorgvuldig neergelaten gordijnen slechts schaduwen van vrouwen laten doorschemeren en waar men het goud op den schoorsteenmantel hoort klinken.

Het keizerrijk zou Parijs tot de beruchtste plek van Europa maken. Dat handjevol gelukzoekers dat een troon gestolen had, had behoefte aan een regeering vol avonturen, kwade praktijken, verkochte gewetens, betaalde vrouwen, een geweldigen en algemeenen roes van verzadiging.

En in de stad, waar het Decemberbloed ternauwernood was weggewischt, ontwikkelde zich reeds, aanvankelijk nog schroomvallig, die buitensporige zucht naar genietingen, die Frankrijk op de lijst der verdorven en onteerde natiën zou plaatsen.

Aristide Saccard voelde al in de eerste dagen dien opkomenden vloed van de speculatie, die heel Parijs overschuimen zou. Hij gaf nauwlettend acht op de vorderingen die zij maakte. Hij bevond zich midden in den warmen regen van goudstukken die dicht op de daken der stad neerviel.