Jacht naar Fortuin

Part 3

Chapter 33,755 wordsPublic domain

En op dit oogenblik inderdaad, midden op het groote donkergetinte Perzische tapijt, dat het geluid der voetstappen dempte, onder het helle schijnsel van de kroonlamp, was die tafel, somber omlijst door de zwarte leuningen met gouden biesjes van de stoelen, die er om heen stonden, als een altaar, als een verlichte kapel, waar op het schitterend wit van het tafellaken de heldere vlammen van het kristal en het zilverwerk flonkerden. Over de gebeeldhouwde rugleuningen achter zich ziende, ontwaarde men ter nauwernood in een halfduister het houten beschot van den muur, een groot laag buffet, banen fluweel die tot op den grond afhingen. Men werd als het ware gedwongen den blik weer op de tafel te richten, hem te verzadigen aan de schitterende pracht.

Een bewonderenswaardige surtout van dof zilver, met glanzend drijfwerk, stond in het midden; hij stelde nimfen voor, die door een troep boschgoden geschaakt werden, en boven de groep daalde uit een grooten hoorn een enorme ruiker levende bloemen in trossen neer. Aan de beide einden stonden vazen die insgelijks losse bloemen bevatten, twee kandelaars, in den stijl van de middelgroep en elk een loopenden sater voorstellende die op een zijner armen een onmachtige vrouw meevoerde en met den anderen een luchter met tien kaarsen droeg, voegden hun schijnsel bij het geschitter van de groote kroonlamp. Tusschen deze groote stukken stonden de groote en kleine komforen met het eerste gerecht beladen netjes gerangschikt, geflankeerd door schelpen die de tusschengerechten bevatten, en afgewisseld door porseleinen mandjes, kristallen vazen, platte schalen en gemonteerde compotiers, die het gedeelte van het dessert bevatten dat reeds op tafel stond.

Langs het cordon der borden, stond het leger van glazen, de water- en de wijnkaraffen, de zoutvaatjes; al het kristal was dun en licht als neteldoek, zonder graveersel, en zoo doorzichtig, dat het geen schaduw op het tafellaken afwierp.

De surtout en de andere groote stukken schenen vuurfonteinen; één geflonker was de spiegelgladde zijkant der komforen; de vorken, lepels en messen met paarlemoeren hechten vormden vlammende strepen, alle kleuren van den regenboog schitterden in de glazen; en te midden van dien vonkenregen, van die gloeiende massa, vormden de wijnkaraffen roode plekken op het witgloeiende tafellaken.

Bij het binnenkomen veranderde de glimlach, waarmede de gasten de dames, die zij aan den arm hadden, aanzagen, in een uitdrukking van stille gelukzaligheid. De bloemen gaven eenige frischheid aan de warme atmosfeer. Lichte dampwolkjes vermengden zich met den geur der rozen. Maar de scherpe geur der kreeften en de zure lucht der citroenen hielden de bovenhand.

Toen iedereen zijn naam op de keerzijde van het menu gevonden had, volgde er een geschuifel van stoelen en een geritsel van zijden japonnen. De ontbloote, van diamanten flonkerende schouders, naast de zwarte jassen, die er de blankheid van deden uitkomen, voegden hun melkwitte kleur bij het geschitter van de tafel.

Het eerste gerecht werd rondgediend, onder enkele glimlachjes tusschen tafelburen gewisseld, in een halve stilte die slechts door het gedempte gerinkel der lepels verbroken werd. Baptiste vervulde zijn plichten als hofmeester met de deftige houding van een diplomaat; behalve de twee huisknechts, had hij vier helpers onder zijn bevelen, die hij alleen voor de groote diners aanwierf. Bij ieder gerecht dat hij meenam om het in een hoek der zaal op een dientafel voor te snijden, gingen drie bedienden langzaam de tafel rond, met een schotel in de hand, en noemden halfluid het gerecht op dat zij aanboden. De anderen schonken wijn of zorgden voor het brood en de karaffen. De tusschengerechten werden aldus weggenomen en de voorgerechten langzaam rondgediend, zonder dat de kristalheldere lach der dames scherper werd.

Het gezelschap was te talrijk om het gesprek algemeen te doen worden. Bij het tweede gerecht echter, toen het gebraad en de tusschengerechten aan de beurt kwamen en de Bourgogne, Pomard en Chambertin op de Léoville en de Château-Lafitte volgden, begonnen de stemmen zich te verheffen, en trilde het dunne kristal door het gelach.

Renée, aan het midden der tafel gezeten, had aan haar rechterzij baron Gouraud, en links mijnheer Toutin-Laroche, gewezen kaarsenfabrikant, toen lid van den gemeenteraad, directeur van het Wijnbouwcrediet, lid van den raad van toezicht der Algemeene Maatschappij van de havens in Marokko, een mager invloedrijk man, dien Saccard, die tegenover hem zat, tusschen mevrouw d'Espanet en mevrouw Haffner, op vleienden toon nu eens, "mijn waarde collega", dan weer, "onze groote administrateur" noemde.

Dan kwamen de mannen die veel aan politiek deden: mijnheer Hupel de la Noue, een prefect die acht maanden van het jaar te Parijs doorbracht, drie afgevaardigden, waaronder mijnheer Haffner zijn breed Elzasser gelaat vertoonde; verder mijnheer de Saffré, een alleraangenaamst jongmensch, secretaris van een minister, mijnheer Michelin, bureauchef van het toezicht over de wegen, en andere hooge ambtenaren.

Mijnheer de Mareuil, eeuwigdurend candidaat naar een zetel van afgevaardigde, troonde tegenover den prefect, dien hij met de oogen vleide. Mijnheer d'Espanet was afwezig, daar hij zijn vrouw nooit op partijen vergezelde. De dames die tot de familie behoorden, waren tusschen de beduidendsten van de genoemde heeren geplaatst, behalve Sidonie, die een plaats aan het lager einde der tafel gekregen had, tusschen de twee aannemers, den heer Charrier ter rechter- en den heer Mignon ter linkerzijde, als een post van vertrouwen, waar het aankwam op de overwinning.

Mevrouw Michelin, de vrouw van den bureauchef, een aardige, poezelige brunette, zat naast mijnheer de Saffré, met wien zij op fluisterenden toon een levendig onderhoud voerde. Aan beide einden der tafel zaten de jongelui, auditeurs in den Staatsraad, zoons van invloedrijke vaders, toekomstige millionnaars, mijnheer de Mussy die wanhopige blikken op Renée richtte, Maxime die rechts Louise de Mareuil naast zich had, en geheel door haar in beslag genomen werd. Langzamerhand waren zij hardop begonnen te lachen. Uit hun hoek kwamen dan ook de eerste losbarstingen van vroolijkheid.

Mijnheer Hupel de la Noue vroeg intusschen beleefd:

--Zullen wij het genoegen hebben Zijn Excellentie vanavond te zien?

--Ik geloof het niet, antwoordde Saccard met een gewichtig voorkomen, dat een geheime teleurstelling verborg. Mijn broer heeft het zo druk!.... Hij heeft zijn secretaris, mijnheer de Saffré, gezonden om ons zijn verontschuldigingen aan te bieden.

De jonge secretaris, die geheel door mevrouw Michelin in beslag werd genomen, hief het hoofd op toen hij zijn naam hoorde uitspreken, en meenende dat men het woord tot hem had gericht, riep hij op goed geluk af:

--Ja, ja, er moet van avond om negen uur minister-vergadering gehouden worden bij den zegelbewaarder.

Intusschen ging mijnheer Toutin-Laroche, dien men in de rede was gevallen, ernstig voort, alsof hij een rede hield voor den aandachtig toeluisterenden gemeenteraad:

--De resultaten zijn prachtig. Die leening van de stad zal altijd genoemd worden als een der mooiste finantiëele operaties van onzen tijd. Ja, mijne heeren.... Maar hier werd hij weer overstemd door een schaterend gelach, dat aan een der uiteinden van de tafel weerklonk. Tusschen al die vroolijkheid door hoorde men de stem van Maxime, die het slot van een anecdote vertelde: "Wacht even, ik ben nog niet aan het eind. De arme amazone werd door een straatwerker opgeholpen. Men zegt dat zij hem een schitterende opvoeding laat geven om later met hem te trouwen. Zij wil niet hebben dat een andere man dan haar echtgenoot zich er op beroemen kan, zeker zwart vlekje boven haar knie te hebben gezien." Het gelach begon op nieuw. Louise lachte ongedwongen, harder nog dan de mannen. En kalmpjes, temidden van die vroolijkheid, stak een lakei, alsof hij doof was, zijn deftig bleek gezicht tusschen de gasten door, en bood op zachten toon reepjes gebraden eendebout aan.

Aristide Saccard werd boos over de weinige aandacht die aan mijnheer Toutin-Laroche geschonken werd. Om hem te toonen dat hij naar hem geluisterd had, hernam hij:

--De leening der stad....

Maar mijnheer Toutin-Laroche was er de man niet naar den draad van zijn gedachten te verliezen:

--Ja, heeren, ging hij voort, toen het gelach een beetje bedaard was, de dag van gisteren is een groote troost geweest voor ons, wier beheer het mikpunt is van zooveel onedele aanvallen. Men beschuldigt den raad dat zij den ondergang van de stad veroorzaakt, en gij ziet het, zoodra de stad een leening wil sluiten, brengt iedereen zijn geld, de schreeuwers niet het laatst.

--Gij hebt wonderen verricht, zei Saccard. Parijs is de hoofdstad van de geheele wereld geworden.

--Ja, het is inderdaad verbazend, viel mijnheer Hupel de la Noue in de rede. Verbeeld u, ik, een oude Parijzenaar, ik herken mijn Parijs niet meer. Gisteren ben ik verdwaald geraakt, toen ik van het stadhuis naar het Luxembourg moest gaan. 't Is verbazend, verbazend!

Een kort stilzwijgen volgde. Alle ernstige mannen luisterden nu toe.

"De gedaanteverwisseling van Parijs, ging mijnheer Toutin-Laroche voort, zal de roem der regeering zijn. Het volk is ondankbaar. Het moest den keizer de voeten kussen. Ik zei het van morgen nog in den raad, toen er sprake was van het groote succès der leening: Heeren, laat die schreeuwers van de oppositie maar praten: Parijs omver halen, is het vruchtbaar maken."

Saccard glimlachte en sloot de oogen, als om de fijnheid van het gezegde beter te genieten. Hij boog zich achter den rug van mevrouw d'Espanet naar mijnheer Hupel de la Noue over, en zei luid genoeg om verstaan te worden:

--'t Is een eenig vernuft!

Terwijl er over de werken van Parijs gesproken werd, had de heer Charrier met gerekten hals zitten toeluisteren, alsof hij zich in het gesprek wilde mengen. Zijn compagnon Mignon had slechts oog en oor voor mevrouw Sidonie, die hem voortdurend bezig hield. Van het begin van het diner af hield Saccard een oogje op de aannemers.

--De administratie, zei hij, heeft zooveel toewijding mogen ondervinden! Iedereen heeft een steentje willen bijdragen aan het groote werk. Zonder de rijke maatschappijen die haar te hulp zijn gekomen, had de stad nooit zoo goed en zoo snel kunnen te werk gaan.

Hij draaide zich om en met een soort van vleiende lompheid ging hij voort:

--De heeren Mignon en Charrier weten er van mee te spreken, zij hebben hun aandeel in de moeite gehad, zij zullen het ook in den roem hebben.

De rijk geworden metselaars ontvingen met een gelukkig gezicht dit onverwachte compliment. Mignon, tot wien Sidonie met een behaagzieke gemaaktheid zei:

--O, mijnheer, u vleit me; neen, rose zou me te jeugdig staan.... liet haar midden in haar volzin zitten om Saccard te antwoorden:

--U is wel vriendelijk, we hebben onze eigen zaken behartigd.

Maar Charrier kende zijn wereld beter. Hij dronk zijn glas Pomard uit en zag kans een frase te uiten:

--De werken van Parijs, zei hij, hebben den werkman brood verschaft.

--Zeg ook, hernam mijnheer Toutin-Laroche, dat zij een prachtigen stoot aan de finantiëele en industrieele ondernemingen hebben gegeven.

--En vergeet de artistieke zijde niet, de nieuwe verkeerswegen zijn grootsch, merkte mijnheer Hupel de la Noue op, die zich op zijn smaak liet voorstaan.

--Ja, ja, 't is een mooi werk, mompelde mijnheer de Mareuil, om toch iets te zeggen.

--En de kosten, verklaarde op ernstigen toon de afgevaardigde Haffner, die slechts bij groote gelegenheden den mond open deed, die zullen onze kinderen betalen, en dat is billijk ook.

En daar hij, zoo sprekende, mijnheer de Saffré aankeek, die sinds een oogenblik de misnoegdheid van de mooie mevrouw Michelin scheen opgewekt te hebben, herhaalde de jonge secretaris, om het te doen voorkomen alsof hij het gesprek gevolgd had:

--Dat is billijk ook, inderdaad.

Iedereen had in dat groepje deftige mannen een woordje meegesproken. Mijnheer Michelin, de bureauchef, glimlachte, en knikte met het hoofd; dat was zijn gewone manier om aan een gesprek deel te nemen, hij had glimlachjes om te groeten, om te antwoorden, om goed te keuren, om te bedanken, om afscheid te nemen, een heele verzameling glimlachjes, die hem er van ontsloegen zich van woorden te bedienen, wat hij ongetwijfeld beleefder en gunstiger voor zijn bevordering achtte.

Nog een ander persoon had het stilzwijgen bewaard, baron Gouraud, die langzaam kauwde als een os, met zware oogleden. Tot nu toe was hij verdiept gebleven in de beschouwing van zijn bord. Renée, die een en al oplettendheid voor hem was, bekwam slechts een licht geknor van tevredenheid voor haar moeite. Men was dan ook zeer verbaasd, toen hij het hoofd oprichtte, zijn vette lippen afveegde en zeide:

--Wanneer ik als eigenaar een huis laat repareeren en opschilderen, dan sla ik mijn huurders op.

De volzin van mijnheer Haffner: "Onze kinderen zullen betalen" had het raadslid wakker gemaakt. Allen klapten zachtjes in de handen en mijnheer de Saffré riep uit:

--Heel aardig, heel aardig, ik zal die uitdrukking morgen naar de kranten opsturen.

--Ge hebt wel gelijk, heeren, wij leven in een goeden tijd, zei de heer Mignon bij wijze van besluit, te midden van de glimlachjes en de bewonderende uitroepen die het gezegde van den baron had uitgelokt. Ik ken er meer dan een, die een aardig fortuin hebben gemaakt. Als men geld verdient, ziet u, is alles mooi.

Deze woorden vielen den deftigen mannen als een stortbad op het lijf. Het gesprek werd opeens gestaakt, en ieder vermeed zijn buurman aan te zien. Het gezegde van den metselaar trof de heeren als de steenworp van den beer. Michelin, die Saccard juist vriendelijk aankeek, hield op met glimlachen, uit vrees dat hij er een oogenblik van verdacht zou kunnen worden de woorden van den aannemer op den heer des huizes toe te passen. Laatstgenoemde gaf een duidelijken oogwenk aan mevrouw Sidonie, die Mignon opnieuw in beslag nam met de woorden: "U houdt dus veel van rose, mijnheer?...." Daarop maakte Saccard zijn buurvrouw, mevrouw d'Espanet, een lang complimentje; zijn donker, slim gezicht raakte bijna de melkwitte schouders van de jonge vrouw, die zich herhaaldelijk lachend achterover boog.

Men was aan het dessert. De lakeien gingen vlugger de tafel rond. Er werd even gepauzeerd, terwijl het tafellaken met vruchten en suikerwerk beladen werd. Aan het eene uiteinde in den hoek van Maxime werd het gelach luider; men hoorde de ietwat scherpe stem van Louise zeggen: "Ik verzeker u dat Sylvia een blauw satijnen japon droeg in haar rol van Dindonnette;" en een andere meisjesstem antwoordde: "Ja, maar de japon was met witte kant gegarneerd." Een warme lucht steeg op. De gezichten waren rooder, als het ware verzacht door een innerlijk welbehagen. Twee lakeien gingen de tafel rond, Alicante en Tokajer inschenkende.

Van den aanvang van het diner af scheen Renée verstoord. Zij vervulde haar plichten als gastvrouw met een werktuigelijken glimlach. Bij iedere uitbarsting van vroolijkheid, die van het einde der tafel kwam waar Maxime en Louise als goede vriendjes met elkander schertsten, flikkerden haar oogen, terwijl zij dien kant uitkeek. Zij verveelde zich. De deftige mannen verveelden haar doodelijk. Mevrouw d'Espanet en mevrouw Haffner keken haar met wanhopige blikken aan.

--En hoe staan de kansen voor de volgende verkiezing? vroeg Saccard eensklaps aan mijnheer Hupel de la Noue.

--Heel goed, antwoordde deze met een glimlach; maar er zijn nog geen candidaten gesteld voor mijn departement. Het ministerie weifelt, naar het schijnt.

Mijnheer de Mareuil, die met een blik Saccard bedankte dat hij dit onderwerp aanroerde, scheen op heete kolen te zitten. Hij kreeg een kleur, knikte verlegen, toen de prefect hem aansprak en zei:

--Ik heb veel over u hooren spreken in mijn streek, mijnheer. Uw groote eigendommen hebben u daar een aantal vrienden bezorgd, en het is bekend hoezeer gij den keizer genegen zijt. Gij hebt alle kansen.

--Papa, verkocht de kleine Sylvia geen cigaretten te Marseille in 1849? riep op dit oogenblik Maxime, van het einde der tafel.

En daar Aristide Saccard zich hield alsof hij niets hoorde, hernam de jonge man een toontje zachter:

--Mijn vader heeft haar heel goed gekend.

Er ontstond een gesmoord gelach. Intusschen had mijnheer Haffner tot den steeds knikkenden mijnheer de Mareuil op schoolmeesterachtigen toon gezegd:

--Toewijding aan den keizer is de eenige deugd, de eenige vaderlandsliefde in deze tijden van baatzuchtige democratie. Wie den keizer liefheeft, heeft Frankrijk lief. Het zou ons een waar genoegen zijn, mijnheer als onzen collega te mogen begroeten.

--Mijnheer zal er wel komen, zei mijnheer Toutin-Laroche op zijn beurt. De groote fortuinen moeten zich om den troon scharen.

Renée kon het niet langer uithouden. Vlak tegenover haar onderdrukte de markiezin ternauwernood een gegeeuw. En toen Saccard weer het woord wilde nemen:

--Heb toch alsjeblieft een beetje medelijden met ons, zei zijn vrouw met een lieftallig lachje, laat uw akelige politiek nu eens rusten.

Toen riep mijnheer Hupel de la Noue met de galantheid van een prefect, dat de dames gelijk hadden. En hij begon een grappig verhaal op te disschen van een gebeurtenis, die in de hoofdplaats van zijn departement was voorgevallen. De markiezin, mevrouw Haffner en de andere dames lachten luidkeels om zekere bijzonderheden. De prefect kruidde zijn verhaal met bedekte toespelingen, opzettelijke weglatingen, stembuigingen, die een guitige beteekenis gaven aan de onschuldigste woorden. Toen kwam het gesprek op den eersten Dinsdag van de hertogin, over een grappig stuk, dat den vorigen avond gespeeld was, over den dood van een dichter en over de laatste herfstwedrennen. Mijnheer Toutin-Laroche, die heel beminnelijk kon zijn als hij dit verkoos, vergeleek de vrouwen bij rozen, en mijnheer de Mareuil, nog aangedaan van de verwachtingen, die ten opzichte der verkiezingen in hem opgewekt waren, vond diepzinnige woorden over den nieuwen vorm der hoeden. Renée bleef afgetrokken.

Intusschen hadden de gasten met eten gedaan. Het leek wel of een warme wind over de tafel gestreken was, de glazen beslagen en het brood verkruimeld had, de vruchtenschillen en de borden zwart gemaakt, en de mooie symmetrie van het servies verbroken had. De bloemen verwelkten in de groote horens van gedreven zilver. En de gasten bleven daar een oogenblik zitten, tegenover de overblijfselen van het dessert, zonder den moed te vinden om op te staan. Met een arm op de tafel, in gebogen houding, hadden zij den wezenloozen blik, dat onbestemde gevoel van verslapping van die gematigde, fatsoenlijke dronkenschap van deftige lieden, die zich met kleine teugjes bedrinken. Het gelach was verstomd, er werd weinig meer gesproken.

Men had veel gegeten en gedronken, wat het troepje gedecoreerde mannen nog ernstiger maakte. In de drukkende atmosfeer der zaal voelden de dames een klamheid opstijgen naar het voorhoofd en den nek. Zij wachtten het oogenblik af dat men zich naar het salon zou begeven, ernstig, een weinig bleek, alsof zij een beetje duizelig waren. Mevrouw d'Espanet was geheel rose, terwijl de schouders van mevrouw Haffner zoo wit als was geworden waren. Mijnheer Hupel de la Noue bekeek intusschen aandachtig het hecht van een mes; mijnheer Toutin-Laroche riep mijnheer Haffner nog enkele zinnen toe, die deze met een hoofdschudden begroette; mijnheer de Mareuil zat in gedachten en keek mijnheer Michelin aan, die fijntjes glimlachte.

Wat de mooie mevrouw Michelin aangaat, zij sprak sedert lang niet meer; met een vuurrood gezicht liet zij onder het tafellaken een hand afhangen die mijnheer de Saffré zeker vasthield, want hij leunde onbeholpen tegen den rand der tafel; hij trok de wenkbrauwen samen en zette een gezicht alsof hij een algebravraagstuk oploste. Mevrouw Sidonie had ook overwonnen; de heeren Mignon en Charrier, beiden op den elleboog naar haar toe geleund, schenen bijster verheugd haar vertrouwelijke mededeelingen te ontvangen; zij bekende dat zij dolveel van melkkost hield en bang was voor spoken.

En Aristide Saccard zelf, zat daar met halfgesloten oogen, in het zalige bewustzijn van een gastheer, die zijn gasten behoorlijk heeft zat gevoerd. Hij dacht er niet aan de tafel te verlaten; hij beschouwde met een eerbiedige toegenegenheid baron Gouraud, die traag, onder de werking der spijsvertering, zijn hand op het witte tafellaken uitstrekte, de hand van een zinnelijken grijsaard, kort, dik, met paarse vlekken en roode haren bedekt.

Renée dronk werktuigelijk de druppeltjes Tokayer uit, die zich nog in haar glas bevonden. Een vurige gloed steeg haar naar het gelaat, de weerbarstige bleeke haartjes van haar voorhoofd en nek raakten uit den krul, als nat geworden door een vochtigen wind. Haar lippen en haar neus waren zenuwachtig vertrokken, zij zag er uit als een kind dat wijn gedronken heeft. Mochten er al ouderwetsch-burgerlijke gedachten in haar zijn opgekomen toen zij tegenover het duistere park Monceaux stond, die gedachten waren op dit oogenblik weggevaagd in de prikkeling der gerechten, wijnen en lichten, van die verbijsterende omgeving van warme adems en opgewonden vroolijkheid.

Zij wisselde geen kalme glimlachjes meer met haar zuster Christine en haar tante Elisabeth, die zich bescheiden op den achtergrond hielden en weinig spraken. Met een hardvochtigen blik had zij den armen mijnheer de Mussy de oogen doen neerslaan. In haar zichtbare verstrooidheid, ofschoon zij nu vermeed zich om te wenden, tegen den rug van haar stoel geleund, die het satijn van haar keurslijf zacht deed kraken, trilde er een onmerkbare huivering door haar schouders, telkens als een nieuwe lachbui uit het hoekje opsteeg waar Maxime en Louise nog altijd druk schertsten, in het wegstervend geluid der gesprekken.

En achter haar, op de grenslijn tusschen licht en schaduw, met zijn hooge gestalte boven die wanordelijke tafel en de aamechtige gasten uitstekende, stond Baptiste, met zijn bleeke gezicht en zijn ernstig uiterlijk, in de minachtende houding van een lakei die zijn meesters verzadigd heeft. Hij alleen, in die atmosfeer vol bedwelming, onder het helle schijnsel van de lichtkroon, bleef correct, met zijn zilveren keten om den hals, zijn koele oogen waarin het zien van de schouders der vrouwen geen gloed bracht, zijn voorkomen van een eunuch, Parijzenaars in een tijd van zedenbederf bedienende en zijn waardigheid behoudende.

Eindelijk stond Renée met een zenuwachtige beweging op. Iedereen volgde haar voorbeeld. Men ging naar het salon, waar koffie werd rondgediend.

Het groote salon van het hôtel was een langwerpig vertrek, een soort van galerij, die den geheelen muur aan den tuinkant besloeg en de twee paviljoenen met elkander verbond. Breede glazen deuren gaven toegang tot het bordes. Deze galerij schitterde van goud. Het licht gewelfde plafond vertoonde grillige spiraalvormige figuren rondom groote vergulde medaillons, die blonken als schilden. Schitterende rozetten en guirlandes vormden den rand van het gewelfde gedeelte; lijsten, die glinsterden als stralen gesmolten metaal, liepen langs de muren en omsloten de paneelen die met roode zijde bespannen waren; takken rozen, met bossen ontloken knoppen bovenaan, vielen langs de spiegels neer.

Op den parketvloer spreidde een tapijt d'Aubusson zijn purperen bloemen ten toon. Het ameublement van rood zijden damast, de portières en gordijnen van dezelfde stof, de kolossale met schelpwerk versierde pendule van den schoorsteen, de Chineesche vazen op de consoles, de pooten der beide lange tafels die met Florentijnsch mozaïekwerk ingelegd waren, tot zelfs de jardinières in de vensternissen, zweetten het goud uit, dropen van goud.