Part 29
Zij glimlachten vol eigenwaan; de vrouwen stelden zich ten toon, blank en vet; de mannen keken vroolijk en opgewekt, als gelukkige minnaars. En zij vond in haar ledig hart slechts afgematheid, stille afgunst. Was zij dan beter dan de anderen, dat zij zoo gebogen ging onder de vermaken? Of waren de anderen gelukkig te prijzen, dat zij sterker lendenen hadden dan zij? Zij wist het niet, zij wenschte nieuwe begeerten om een nieuw leven te beginnen, toen zij, het hoofd omwendende, naast haar op het trottoir langs het hakhout, een schouwspel zag, dat haar gekweld gemoed den laatsten slag toebracht.
Saccard en Maxime liepen drentelend, arm in arm. De vader had den zoon waarschijnlijk een bezoek gebracht, en beiden waren al pratend de avenue de l'Impératrice afgeloopen, tot aan den vijver.
--Begrijp je, herhaalde Saccard, je bent een domoor.... Iemand die zooveel geld heeft als jij, laat het niet renteloos liggen. Er valt honderd percent te verdienen in de zaak die ik bedoel. Je geld is veilig belegd. Je weet toch wel dat ik jou niet wil beetnemen!
Maar de jonge man scheen ontstemd over dat aandringen. Hij keek naar de rijtuigen en glimlachte fatterig.
--Kijk daar eens, dat vrouwtje in het paars, zei hij eensklaps. Dat is een waschvrouw, die door dien vlegel van een Mussy in de mode is gebracht.
Ze keken naar de vrouw in het paars. Daarop haalde Saccard een sigaar uit zijn zak, en zei tot Maxime, die rookte:
--Geef me wat vuur.
Ze bleven een oogenblik stilstaan, de gezichten vlak bij elkaar. Toen de sigaar aan was:
--Zie je, ging de vader voort, den arm van zijn zoon dicht in den zijnen drukkend, je zou een ezel zijn, als je niet naar me luisterde. 't Is toch afgesproken, hè? Breng je me morgen de honderdduizend francs?
--U weet wel dat ik niet meer bij u aan huis kom, antwoordde Maxime, met saamgeknepen lippen.
--Kom, gekheid! Daar moet eens een eind aan komen!
En terwijl zij zwijgend voortliepen en Renée, een onmacht nabij, haar hoofd in de kussens van de coupé begroef om niet gezien te worden, ontstond er eensklaps een rumoer, dat zich steeds duidelijker langs den stoet der rijtuigen vernemen liet. Op de trottoirs bleven de voetgangers stilstaan, zij keerden zich om en keken met open mond naar iets dat in aantocht was.
Een sneller geratel van wielen werd gehoord, de équipages weken eerbiedig ter zijde, er verschenen twee pikeurs in het groen, met ronde mutsjes, waarop gouden eikels dansten. Zij draafden, voorovergebogen, op hun groote bruine paarden. Achter hen een ledige ruimte. En daarop verscheen de keizer. Hij zat in een landauer, alleen op een bank. Hij was in het zwart, de jas tot aan de kin toegeknoopt; hij droeg een hoogen zijden hoed, licht ingebogen en glimmend. Tegenover hem, op het andere bankje, zaten twee heeren, onberispelijk gekleed, zooals dat op de Tuileriën gaarne gezien werd; zij zaten heel ernstig, met de handen op de knieën, met het zwijgende uiterlijk van twee bruiloftsgasten, die door een nieuwsgierige menigte rijden.
Renée vond den keizer verouderd. De mond opende zich slapper onder den grooten, met was opgestreken snorbaard. De oogleden vielen zoo zwaar neer, dat zij de doffe oogen, wier geelgrijs nog troebeler was, half bedekten. De neus alleen teekende zijn been scherp af in het nietszeggende gelaat.
Terwijl de dames in de rijtuigen bescheiden glimlachten, wezen de voetgangers elkander den vorst aan.
Een dikke man beweerde, dat de heer, die links met zijn rug naar den koetsier zat, de keizer was. Eenige handen grepen naar den hoed om te groeten. Maar Saccard, die zijn hoed al afgenomen had nog voordat de pikeurs voorbij waren, wachtte totdat het keizerlijk rijtuig vlak tegenover hem was, en toen riep hij met zijn forsche provençaalsche stem:
--Leve de keizer!
De keizer keerde zich verrast om, herkende ongetwijfeld den enthousiast, beantwoordde glimlachend zijn groet. En alles verdween in de zon, de équipages sloten zich weer aaneen, Renée zag nog slechts boven de manen der paarden, tusschen de ruggen der lakeien, de groene mutsjes van de pikeurs, waarboven de gouden eikels op en neer dansten.
Zij bleef een oogenblik met wijdgeopende oogen voor zich uit staren, vol van die verschijning, die haar aan een ander uur van haar leven herinnerde. Het kwam haar voor, alsof de keizer door zich in de file van rijtuigen te mengen, er den laatsten straal die er nog aan ontbrak, aan gegeven had, of hij een beteekenis had gegeven aan dien zegenpralenden stoet. Nu was het een glorie. Al die wielen, al die gedecoreerde mannen, al die vrouwen die zich daar smachtend ten toon stelden, gingen heen in de schittering en het geratel van den keizerlijken landauer.
Dit gevoel werd zoo scherp en zoo pijnlijk, dat de jonge vrouw een onweerstaanbaren aandrang gevoelde om te ontsnappen aan dien triomf, aan dien kreet van Saccard, die haar nog in het oor klonk, aan dit gezicht van vader en zoon, arm in arm en pratend drentelende. Zij dacht na, met de handen op de borst, als brandde daar een inwendig vuur, en met een plotselinge hoop op verlichting, op heilzame koelte, boog zij zich over naar den koetsier:
--Naar het hôtel Béraud!
De binnenplaats had haar kloosterachtige koelheid. Renée liep de gewelfde gangen door, gelukkig door de vochtige lucht die haar op de schouders viel. Zij naderde den groenbemosten bak, aan de randen glad afgesleten, zij keek naar den half uitgewischten leeuwenkop, met den half geopenden muil, die een waterstraal door een ijzeren buis spoot. Hoe vaak hadden zij en Christine dien kop tusschen hun kinderarmen omvat, om zich vooroverbuigende den ijskouden waterstraal te bereiken, dien zij zoo graag over hun handjes voelden stroomen.
Toen ging zij de groote, stille trap op; zij bemerkte haar vader achter in de reeks groote vertrekken; hij richtte zijn hooge gestalte op, hij verdween langzaam in de schaduw van de oude woning, van die ongenaakbare afzondering waarin hij zich sedert den dood zijner zuster teruggetrokken had; en zij dacht aan de mannen in het Bosch, aan dien anderen grijsaard, aan baron Gouraud, die zijn stoel in de zon liet voortrollen, op kussens gezeten. Zij klom nog hooger, zij ging door de gangen, de dienstboden trap op, zij deed de reis naar de kinderkamer. Toen zij heel boven aankwam, vond zij den sleutel op zijn gewone plaats aan den spijker, een grooten verroesten sleutel, waarom de spinnen hun web gemaakt hadden. Het slot knarste droevig. Wat was de kinderkamer ongezellig. Het ging haar aan het hart, dat zij zoo leeg, zoo somber, zoo stil was. Zij sloot de deur van de volière die open was blijven staan, met de onbestemde gedachte dat de vreugden van haar jeugd zeker door die deur ontvloden waren.
Voor de bloemenbakken, die nog gevuld waren met een harde, gebarsten aarde, als droog slijk, bleef zij stilstaan, brak zij met haar vingers een rhododendronstammetje door: dat geraamte van een plant, uitgemergeld en wit van de stof, was alles wat er overbleef van haar levende bloemen. En de mat, de mat zelfs, verkleurd, afgeknaagd door de ratten, strekte zich uit met de droefgeestigheid van een doodskleed, dat al sinds jaren op de beloofde doode wacht. In een hoek, te midden van die stomme wanhoop, die verlatenheid waarover de stilte weende, vond zij een van haar oude poppen terug; al de zemelen waren er door een opening uitgeloopen, en de porseleinen kop bleef glimlachen met zijn geschilderde lipjes, boven dat slappe lichaam, dat uitgeput scheen door poppendwaasheden.
Renée voelde zich beklemd in die bedorven lucht van haar eerste jeugd. Zij opende het venster, zij genoot van het ruime uitzicht. Daar was niets vuil geworden. Zij vond de eeuwige vreugde, de eeuwige jeugd der frissche lucht weer.
Achter haar ging de zon onder; zij zag de laatste stralen dier ondergaande zon, die met oneindige teederheid dat welbekende stadsgedeelte geel kleurde. Het was als het ware het laatste lied van den dag, een vroolijk refrein, dat langzaam boven alles wegstierf.
Beneden glansde het paalwerk in een vaalrooden gloed, terwijl op de brug van Constantine het zwarte kantwerk van haar ijzeren kabels afstak tegen het wit van de bogen. Verder, rechts, vormde het lommer van de Halle aux vins en van den Plantentuin een groote plas van bemost, stilstaand water, welks groene oppervlakte met den neveligen hemel samensmolt.
Links, stonden nog op de kaden Henri IV en de Râpée dezelfde huizenrijen die de meisjes daar twintig jaren geleden gezien hadden, met dezelfde bruine vlekken van schuren, dezelfde roodachtige fabrieksschoorsteenen. En boven de boomen, verscheen haar plotseling, als een oude vriend, het leien dak van de Salpétrière, blauwgetint door de scheidende zon.
Maar wat haar tot kalmte bracht, haar borst een weldadige koelte schonk, dat waren de lange grijze rivieroevers, dat was vooral de Seine, de reusachtige, die zij van uit het ver verschiet recht op haar zag aankomen, als in die gelukkige tijden, toen zij bang was dat zij haar zou zien zwellen om tot haar venster op te stijgen.
Zij herinnerde zich haar beider teederheid voor de rivier, haar liefde voor dien grooten stroom, haar huivering voor dat ruischende water, dat zich uitbreidde tot een meer aan haar voeten, dat zich achter haar, om haar heen, in twee armen splitste, die zij niet meer zagen, waarvan zij de groote, reine liefkoozing nog voelden.
Zij waren toen al koket, en zij zeiden op heldere, zonnige dagen, dat de Seine haar mooi groen zijden kleed, met witvlammende moesjes had aangedaan, en de stroomingen, waar het water krulde, versierden het kleed met satijnen ruches, terwijl in de verte, over den gordel der bruggen, lichtplekken zonkleurige stoffen uitspreidden.
En Renée hief de oogen op en keek naar het onmetelijke hemelgewelf, waarvan het zachtblauw zich allengs verloor in de avondschemering. Zij dacht aan de medeplichtige stad, aan de schitterend verlichte avonden op de boulevards, aan de warme namiddagen in het Bosch, aan de grauwe dagen van de groote nieuwe hôtels.
Toen zij daarop het hoofd boog, en den vreedzamen horizon van haar kindsheid terugzag, dat burgerlijke, nijvere hoekje der stad, waar zij zich een vredig leven gedroomd had, steeg er een laatste bitterheid naar haar lippen. Met saamgevouwen handen, snikte zij in den vallenden nacht.
Den volgenden winter, toen Renée aan een acute hersenontsteking stierf, betaalde haar vader haar schulden. De rekening van Worms bedroeg tweehonderd zevenenvijftig duizend francs.
EINDE.