Part 27
Nu wist zij het. Die lieden hadden haar naakt gemaakt. Saccard had het keurslijf losgehaakt en Maxime had den rok laten afglijden. En met hun beiden hadden zij het hemd afgerukt. Nu had ze niets meer om het lijf, dan een paar gouden banden, als een slavin. Ze keken haar zooeven aan, ze zeiden niet: "Je bent naakt".
De zoon beefde als een lafaard, rilde bij de gedachte zijn misdaad tot het einde toe te volvoeren, weigerde haar te volgen in haar hartstocht. De vader, in plaats van haar te dooden, had haar bestolen; die man strafte de lui door hun zakken te plunderen; een handteekening viel als een zonnestraal op zijn woeste drift en uit wraak nam hij de handteekening mee. Toen had zij hun schouders in de duisternis zien verdwijnen. Geen bloed op het tapijt, geen kreet, geen klacht. Het waren laaghartigen. Zij hadden haar uitgekleed.
En ze zei bij zichzelf dat zij één enkele maal de toekomst voorzien had, dien dag waarop, voor de fluisterende schaduwen van het park Monceau, de gedachte dat haar man haar, met schande overdekt, eens krankzinnig zou maken, als een schrikbeeld tusschen haar onstuimige begeerten was opgerezen. Ach! wat deed dat arme hoofd haar zeer! Hoe diep gevoelde zij, in dit oogenblik, de valschheid van dien waan, die haar deed gelooven dat zij in gelukzalige gewesten van goddelijke, straffelooze genietingen leefde! Zij had geleefd in het land der schande, en zij was gekastijd door de uitputting van haar geheele lichaam, door den dood van haar reeds zieltogenden geest. Zij schreide, dat zij niet geluisterd had naar die luide stemmen der boomen.
Haar naaktheid verbitterde haar. Zij wendde het hoofd om, keek om zich heen. In de kleedkamer heerschte nog steeds die muskuslucht, die warme stilte, waarin de walsdeuntjes doordrongen als de wegstervende kringen op een watervlak. Dat gedempte gelach van verwijderd genot kwam tot haar als een ondragelijke spotternij. Zij stopte zich de ooren toe om niets meer te hooren. Toen viel haar oog op de weelde van de kamer. Zij keek omhoog naar de rose tent, naar de zilveren kroon die een bolwangigen Amor liet zien, met den pijl op den boog; zij beschouwde de meubels, het marmer van de toilettafel, vol potjes en gereedschappen, die zij niet herkende; zij ging naar de badkuip, nog vol water; zij stiet met den voet tegen de stoffen, die op het wit satijn der fauteuils waren neergeworpen, het kostuum der nimf Echo, de rokken, de handschoenen die waren blijven liggen. En al die dingen spraken haar van schande: het kleed van de nimf Echo sprak haar van dat spel, dat zij had willen spelen, om het eigenaardige genot zich openlijk aan Maxime te kunnen aanbieden; de badkuip wasemde den geur van haar lichaam uit; het water waarin zij zich gebaad had, verspreidde door de kamer haar koorts van zieke vrouw; de tafel met hare zeepen en oliën, de meubels, met hun zachte rondingen als bedden, spraken haar lompweg over haar vleesch, over haar liefde, over al die onreinheden die zij wilde vergeten. Zij kwam weer terug naar het midden van de kamer, purperrood, niet meer wetende waar zij dien alkoofgeur zou ontvluchten, die weelde die zich met de schaamteloosheid van een lichtekooi ten toon stelde, al dat rose liet zien. De kamer was naakt, evenals zijzelf; de rose badkuip, de rose huid der behangsels, het rose marmer van de twee tafels kregen leven, rekten zich uit, rolden zich ineen, omringden haar met zoo'n bandeloosheid van levende wellustigheden, dat zij de oogen sloot, het hoofd deemoedig boog onder het kantwerk van het plafond en de muren, dat haar verpletterde.
Maar, door haar gesloten oogleden heen, zag zij weer de vleeschkleur van de kleedkamer, en zij zag bovendien het zachte grijs van de slaapkamer, het zachte geel van het kleine salon, het harde groen van de serre, al die medeplichtige weelde. Daar hadden haar voeten de slechte sappen in zich opgenomen. Op een matras, in een zolderkamertje, zou zij met Maxime niet geslapen hebben. Dat zou al te onwaardig geweest zijn. De zijde had haar misdaad koket gemaakt. En de verzoeking kwam in haar op die kanten af te rukken, op die zijde te spuwen, haar groot bed stuk te trappen, haar weelde in een goot te sleepen, waar ze even versleten en bezoedeld uit zou komen als zij zelf.
Toen zij de oogen weer opende, trad zij op den spiegel toe, bekeek zich nog eens nauwlettend. Ze was uitgeleefd. Zij zag zich reeds dood. Haar geheele gelaat zei haar, dat de stoornis in haar brein nu volkomen was. Maxime, die laatste verdorvenheid van haar zinnen, had zijn werk voltooid, haar lichaam uitgeput, haar geest van streek gebracht. Zij zou geen vreugde meer smaken, voor haar geen hoop op een beter ontwaken. Bij die gedachte ontstak zij weer in een woesten toorn. En in een laatste crisis van begeerte, kwam het denkbeeld in haar op haar prooi weer te omvatten, te zieltogen in de armen van Maxime, hem met zich mee te voeren. Louise kon niet met hem trouwen; Louise wist wel dat hij niet van haar was; zij had immers gezien hoe zij elkander de lippen boden. Toen wierp zij een bonten kraag over haar schouders, om niet geheel ontkleed de balzaal door te gaan. Zij ging naar beneden.
In het kleine salon stond zij eensklaps voor mevrouw Sidonie. Deze had zich, om van het drama te genieten, weer op de stoep van de serre geposteerd. Maar zij begreep er niets meer van, toen Saccard weer met Maxime te voorschijn kwam, en ruw op haar fluisterende vragen antwoordde, dat zij droomde, dat er volstrekt niets was. Toen vermoedde zij de waarheid. Haar geel gezicht werd bleek, dàt vond zij al heel sterk. En zachtjes kwam zij haar oor tegen de trapdeur leggen, in de hoop dat zij Renée boven zou hooren schreien. Toen de jonge vrouw de deur opende, sloeg deze haast tegen haar schoonzuster aan.
--Je bespiedt me! zei Renée toornig.
Maar mevrouw Sidonie antwoordde met een fiere minachting:
--Denk je dat ik me met jouw vuiligheden bemoei?
En haar toovenarescostuum weer opnemende, ging zij statig heen, met de opmerking:
--'t Is mijn schuld niet, kleine, als je in de klem geraakt.... Maar ik ben niet haatdragend, hoor! En weet wel, dat je in mij een tweede moeder zou gevonden hebben en nog kan vinden. Je kan bij me komen, zoodra je maar wil.
Renée hoorde haar niet eens aan. Zij trad het groote salon binnen, ging midden door een ingewikkeld cotillon-figuur, zonder te letten op de verbazing die haar bonten kraag teweeg bracht. In het midden der zaal waren groepjes dames en heeren, die met vaandeltjes wuifden, terwijl de aangename stem van mijnheer de Saffré zei:
--Komaan, dames "la Guerre du Mexique".... De dames die het struikgewas voorstellen, moeten haar rokken wijd uitspreiden en op den grond blijven zitten.... Nu draaien de heeren om het struikgewas heen.... Wanneer ik vervolgens in de handen klap, danst iedere heer met zijn heester.
Hij klapte in de handen. De trompetten schalden, de wals liet weer zijn paren door de zaal zweven. De figuur had weinig succès gehad. Twee dames waren in haar rokken verward op den grond blijven zitten. Mevrouw Daste verklaarde dat zij de "Guerre du Mexique" daarom alleen vermakelijk vond, omdat zij bij het neerhurken haar japon kon laten opbollen, evenals toen zij op de kostschool was.
In de vestibule vond Renée Louise en haar vader, die door Saccard en Maxime uitgeleide werden gedaan. Baron Gouraud was vertrokken. Mevrouw Sidonie ging heen met Mignon en Charrier, terwijl mijnheer Hupel de la Noue mevrouw Michelin begeleidde, bescheidenlijk gevolgd door haar man.
De prefect had het overige van den avond besteed met het hof te maken aan de mooie brunette. Hij had haar juist weten over te halen een van de zomermaanden in zijn standplaats te komen doorbrengen, waar men oudheden zag, "die de moeite waard waren."
Louise, die stilletjes de noga opknabbelde die zij in haar zak had, kreeg een hoestbui toen zij juist afscheid namen.
--Stop je maar goed in, zei de vader.
En Maxime haastte zich den band van haar capuchon dichter toe te halen. Zij hief de kin op en liet zich warm instoppen. Maar toen mevrouw Saccard verscheen, kwam mijnheer de Mareuil terug, om afscheid van haar te nemen.
Zij bleven allen nog een oogenblikje praten. Zij gaf een verklaring van haar bleekheid en haar huiveringen, zij had zich koud gevoeld en was naar boven gegaan om dien kraag om te slaan. En zij loerde op het oogenblik dat zij zachtjes met Louise kon spreken, die haar met haar kalme nieuwsgierigheid aankeek. Terwijl de mannen elkander de hand drukten, fluisterde zij:
--Je trouwt toch niet met hem, hè? 't Is niet mogelijk. Je weet wel....
Maar het meisje liet haar niet uitspreken, en zich uitrekkende, fluisterde zij haar in het oor:
--Wees maar niet bang, ik neem hem mee.... 't Hindert niets, hoor, we gaan immers toch naar Italië.
En zij glimlachte, met haar flauwen glimlach van verdorven sphinx. Renée kon geen antwoord vinden. Zij begreep er niets van, ze dacht dat de bochel haar voor den gek hield. Toen de Mareuils eindelijk heengingen, onder een herhaald: "Tot Zondag!", keek zij haar man aan, en zij keek Maxime aan, met haar oogen vol ontzetting, en ze zoo kalm en bedaard ziende, sloeg zij de handen voor het gelaat en vluchtte heen, achter in de serre.
De gangpaden waren verlaten. Het was stil onder het dichte gebladerte; op de loome watervlakte van de kom ontloken langzaam twee knoppen van de nymphea. Renée had willen huilen; maar die vochtige warmte, die sterke geur dien zij herkende, kneep haar de keel dicht, verstikte haar wanhoop. Zij keek omlaag naar den rand van de kom, naar dat plekje geel zand, waar zij den vorigen winter de berenhuid uitspreidde. En toen zij het hoofd ophief, zag zij nog een figuur van den cotillon, achter in de zaal, door de twee opengelaten deuren.
Het was een oorverdoovend geraas, een verwarde mengeling waarin zij eerst niets anders onderscheidde dan fladderende japonnen en zwarte beenen, die trappelden en draaiden. De stem van mijnheer de Saffré riep: "Changement de dames! Changement de dames!" En de paren gingen in een fijne gele stofwolk voorbij; iedere heer, na drie of vier malen rondgewalst te hebben, wierp zijn dame in de armen van zijn buurman, die hem de zijne toewierp. Barones de Meinhold, in haar Smaragdkostuum, viel uit de handen van graaf de Chibray in die van mijnheer Simpson; hij ving haar op goed geluk op, bij een schouder, terwijl de toppen van zijn handschoen onder haar keurslijf gleden. Gravin Vanska, vuurrood, haar koralen hangers doende klinken, sprong uit de armen van mijnheer de Saffré in die van den hertog de Rozan, dien zij omklemd hield en noodzaakte vijf maten met haar rond te springen, om vervolgens aan de heup van mijnheer Simpson te hangen, die de Smaragd aan den leider van den cotillon had toegeworpen. En mevrouw Teissière, mevrouw Daste, mevrouw de Lauwerens, glinsterden als levende edelgesteenten, met het bleeke blond van den Topaas, het zachte blauw van den Turkoois, het diepe blauw van den Saffier; zij gaven zich een oogenblik over, bogen zich onder den gestrekten pols van een danser, dansten dan weer voort, kwamen in een nieuwe omhelzing terecht, werden achtereenvolgens door al de mannen in het salon in de armen gedrukt. Intusschen had mevrouw d'Espanet, voor het orkest staande, mevrouw Haffner in het voorbijgaan opgevangen, walste met haar, en wilde haar niet loslaten. Het Goud en het Zilver dansten verliefd samen.
Renée begreep toen dat gefladder van rokken, dat geschuifel van voeten. Zij bevond zich op een lager standpunt, zij zag die razernij van de voeten, die mengeling van verlakte laarzen en witte enkels. Soms scheen het haar toe of een windvlaag al die rokken weg zou voeren. Die naakte schouders, die bloote armen, de fladderende losse haren, opgevangen, toegeworpen en weer opgevangen, aan het eind van die galerij, waar de wals van het orkest als razend werd, waar het roode behangsel bezwijmde in de laatste koortsige opgewondenheid van het bal, schenen haar toe als het woelig beeld van haar eigen leven, haar naaktheden, haar uitspattingen.
En zij voelde zoo'n vlijmende smart, bij de gedachte dat Maxime, om de bochel in zijn armen te nemen, haar daar geworpen had, op die plek waar zij elkander bemind hadden, dat zij lust gevoelde om een tak van de tanghinia die haar langs de wang streek, af te rukken en tot op het hout toe op te kauwen. Maar zij was lafhartig, zij bleef voor den struik, rillend onder haar bonten kraag, dien haar armen dicht over haar schouders trokken, met een gebaar van angstige schaamte.
VII.
Drie maanden later, op een van die triestige lentemorgens die het duistere licht en de morsige vochtigheid van den winter in Parijs terugbrengen, stapte Aristide Saccard op het plein du Château-d'Eau uit een rijtuig, en begaf zich met vier andere heeren naar de gaping van afgebroken huizen, waar de toekomstige boulevard du Prince-Eugène doorheen zou loopen. Het was een commissie van onderzoek, die door de jury voor de schadeloosstellingen was uitgezonden om zekere perceelen te schatten, wier eigenaars zich niet tot een minnelijke schikking met de stad lieten vinden.
Saccard speelde weer zijn spelletje van de rue de la Pépinière. Om den naam van zijn vrouw geheel te doen verdwijnen, bedacht hij een verkoop van de terreinen en het café-concert. Larsonneau gaf alles over aan een zoogenaamden schuldeischer. De verkoopakte wees het kolossale bedrag van drie millioen aan. Dat bedrag was zoo buitensporig hoog, dat de commissie van het stadhuis, toen de onteigeningsagent uit naam van den denkbeeldigen eigenaar den koopprijs als schadevergoeding eischte, niet meer dan twee millioen vijfhonderdduizend francs wilde geven, niettegenstaande mijnheer Michelin in het geheim gewerkt had en mijnheer Toutin-Laroche en baron Gouraud er voor gepleit hadden.
Saccard was op die weigering voorbereid; hij sloeg het aanbod af, en liet de zaak voor de jury komen, waarvan hij juist deel uitmaakte met mijnheer de Mareuil, door een toeval dat hij zeker wel in de hand gewerkt had. Zoo kwam het, dat hij met vier van zijn kollega's een onderzoek moest instellen op zijn eigen terreinen.
Mijnheer de Mareuil vergezelde hem. Van de drie andere juryleden was de éen een dokter, die zijn sigaar rookte zonder zich eenigszins te bekommeren om het puin waarover hij heen stapte, en de beide anderen waren industriëelen, waarvan de een, nu fabrikant van chirurgische instrumenten, vroeger als scharenslijper langs de straten had geloopen.
De weg, dien de heeren insloegen, was vreeselijk morsig. Het had den heelen nacht geregend. De doorweekte grond werd een modderpoel, tusschen de omvergehaalde huizen, op dien weg die in de weeke aarde getrokken was, waar de wipkarren tot aan de naven inzakten. Aan weerszijden waren stukken half geslechte muren blijven staan; hooge gebouwen vertoonden hun bleeke ingewanden, leege trapmantels en gapende kamers, die als gebroken laden van een leelijk, oud meubelstuk boven elkander hingen. Niets was zoo treurig om aan te zien als de behangsels van die kamers, gele of blauwe vierkante stukken, die in flarden neerhingen, vijf en zes verdiepingen hoog, tot onder de daken, armoedige kamertjes aanduidende, nauwe hokjes, binnen wier grenzen misschien een geheel menschelijk bestaan was beperkt gebleven.
Langs de kale muren stegen de doodsche zwarte strepen van de schoorsteenen omhoog, twee naast elkander, met hoekige ombuigingen. Een vergeten weerhaan knarste boven een dak, terwijl half losgeraakte goten als lompen neerhingen. En de weg ging midden door die puinhoopen, als een bres door een kanon geschoten; hij was nog bijna niet te herkennen, zooals hij daar nog half onder puin, aardhoopen en diepe waterplassen bedolven, zich uitstrekte onder den grauwen hemel, in het sombere grijs van de opstuivende kalk, en als met rouwranden omgeven door de zwarte strepen der schoorsteenen.
Die heeren, met hun glimmende laarzen, hun overjassen en hooge hoeden, maakten een zonderling figuur in dien vuilgelen modderpoel, waar slechts vaalbleeke werklui, tot op den rug bespatte paarden voorbijgingen, voor karren waarvan het hout onder een dikke korst van stof verdween.
Zij liepen achter elkander, sprongen van steen tot steen, vermeden de modderpoelen, zakten er ook soms tot aan de enkels in en schudden dan met een vloek het slijk van hun laarzen. Saccard had hun voorgesteld de rue de Charonne te nemen, wat hun die wandeling door den drassigen grond bespaard zou hebben; maar zij hadden ongelukkig verscheidene huizen op de lange lijn van den boulevard te bezichtigen; daarbij kwam een beetje nieuwsgierigheid, zoodat zij maar besloten midden door de in gang zijnde werken te gaan.
Zij vonden het trouwens erg belangwekkend. Soms hielden zij zich een oogenblik in evenwicht op een brok kalk, diep in een wagenspoor, hieven het hoofd op, riepen elkander toe om de aandacht te vestigen op een gapenden vloer, een schoorsteenpijp hoog in de lucht, een bint die op een naburig dak gevallen was. Dat stukje verwoeste stad, zoo vlak bij de rue du Temple, vonden zij bijzonder grappig.
--'t Is inderdaad opmerkelijk, zei mijnheer de Mareuil. Kijk eens, Saccard, die keuken daar, omhoog; er hangt nog een oude pan boven het fornuis.... Ik zie haar duidelijk.
Maar de dokter stond met zijn sigaar in den mond, voor een afgebroken huis, waarvan alleen de kamers gelijkvloers overbleven, gevuld met het puin van de bovenverdiepingen. Een enkel stuk muur stond nog overeind in dien puinhoop; om hem met één ruk omver te halen, had men er een touw om gebonden, waaraan een dertigtal werklieden trokken.
--Ze krijgen hem niet om, mompelde de dokter. Ze trekken te veel naar links.
De vier anderen waren op hun schreden teruggekeerd om den muur te zien vallen. En alle vijf wachtten met een rilling van genot het oogenblik af, dat hij zou vallen. De werklieden, het touw vierende en dan plotseling eenparig rukkende, riepen: Ohé! hisse!
--Ze krijgen hem niet om, herhaalde de dokter.
En na een paar seconden van spanning:
--Hij beweegt, hij beweegt, riep een der industriëelen vroolijk.
En toen de muur eindelijk bezweek, met een donderend geraas neerplofte, een wolk van kalkstof omhoog jagende, keken de heeren elkander glimlachend aan. Ze waren verrukt. Hun jassen werden met een fijn stof bedekt, dat hun armen en schouders wit maakte.
Nu kwam het gesprek op de werklieden, terwijl zij behoedzaam tusschen de plassen doorstapten. Er waren er niet veel, die deugden. Het waren allemaal luiaards, verkwisters, en nog koppig bovendien, op niets anders uit dan op den ondergang van de patroons. Mijnheer de Mareuil, die met een huivering naar twee arme drommels keek, die schrijlings op een dakpunt gezeten, een muur met houweelslagen sloopten, gaf als zijn opinie te kennen, dat die lui toch heel wat moed toonden. De anderen bleven op nieuw stilstaan en hieven de oogen op naar die sloopers, die zich in evenwicht hielden en intusschen uit alle macht er op los hamerden; zij stieten de steenen met den voet weg en zagen ze kalmpjes beneden in stukken vallen; als hun houweel uitgegleden was, zou de kracht van hun armbeweging reeds in staat geweest zijn hen van hun plaats te doen aftuimelen.
--Bah, zei de dokter, zijn sigaar weer naar den mond brengende. Niets dan gewoonte. 't Is vee.
Intusschen waren zij aan een der huizen genaderd, die zij zien moesten. Ze deden hun werk in een kwartier af en hervatten hun wandeling. Langzamerhand waren zij minder bang voor de modder geworden; zij hadden nu de hoop opgegeven hun schoenen droog te houden en stapten nu midden door de plassen. Toen zij de rue Ménilmontant voorbij waren, werd een der industriëelen, de gewezen scharenslijper, onrustig. Hij keek aandachtig naar de bouwvallen om hem heen, hij herkende de wijk niet meer. Hij zei dat hij dertig jaar geleden, toen hij pas in Parijs kwam, dien kant uit gewoond had en dat hij het plekje graag terug zou vinden. Hij liet zijn oogen overal gaan, toen hij midden op den weg bleef stilstaan voor een huis, dat door het houweel der sloopers reeds in tweeën gehakt was. Hij beschouwde aandachtig de deur, de vensters. Toen wees hij naar een hoekje van dat huis, hoog in de lucht:
--Daar is het, riep hij, ik herken het!
--Wat dan? vroeg de dokter.
--Wel, mijn kamer! Daar is ze.
Het was op de vijfde verdieping, een kamertje dat vroeger op de binnenplaats moest uitgezien hebben. Een geopende muur vertoonde het, naakt en kaal, reeds aan éen zijde doorgetrokken, met zijn behangsel met groote gele takken waarvan een halfafgescheurd stuk in den wind klapperde. Men zag er nog de holte van een kast die met blauw papier beplakt was. En daarnaast het gat van een kachel, waarin nog een eind pijp stak.
De oude werkman werd aangedaan.
--Ik heb er vijf jaren doorgebracht, sprak hij bewogen, 't ging niet voorspoedig in dien tijd, maar ik was nog jong.... Ge ziet die kast, daar heb ik driehonderd francs in opgespaard, stuiver bij stuiver. En dat gat van de kachel, ik herinner me nog den dag waarop ik het gemaakt heb. De kamer had geen schoorsteen, het was er bitter koud, te meer daar we niet dikwijls met ons tweeën waren.
--Komaan, viel de dokter hem schertsend in de rede, wij vragen u geen vertrouwelijke mededeelingen. Ge hebt natuurlijk evengoed dwaasheden uitgehaald als ieder ander.
--Ja, dat 's waar, ging de brave man goedsmoeds voort. Ik herinner me nog een strijkster van den overkant.... Ziet u, het bed was rechts, dicht bij het raam.... Ach! mijn arme kamertje, wat hebben ze het vernield.
Hij was werkelijk zeer bedroefd.
--Kom, kom, zei Saccard, dat kan geen kwaad dat men die oude barakken omverhaalt. Men bouwt er mooie hardsteenen huizen voor in de plaats.... Zoudt ge nog in zoo'n krot willen kruipen? Terwijl ge heel goed op den nieuwen boulevard zoudt kunnen wonen.
--Dat is waar, antwoordde de fabrikant opnieuw, geheel getroost.
De commissie van onderzoek bezichtigde nog twee huizen. De dokter bleef aan de deur staan, met de sigaar in den mond in de lucht kijkende.
Toen zij in de rue des Amandiers kwamen, werden de huizen zeldzamer; zij liepen nu meestal langs open stukken grond, waarop hier en daar een half ingestort huis. Saccard scheen vroolijk gestemd door die wandeling tusschen puinhoopen. Hij herinnerde zich het diner, dat hij lang geleden met zijn eerste vrouw op de buttes Montmartre had gebruikt, en het stond hem nog levendig voor den geest hoe hij met het scherp van zijn hand de sneê gemaakt had, die Parijs kerfde van de place du Château d'Eau naar de Barrière du Trône. De vervulling van die profetie bracht hem in verrukking. Hij volgde de insnijding met de heimelijke vreugde van een ontwerper, alsof hijzelf de eerste houweelslagen had gegeven, met zijn ijzeren vingers. En hij sprong over de plassen, met de gedachte dat daar drie millioen onder het puin op hem wachtten, aan het eind van dien stroom van vette modder.
Intusschen kregen de heeren den indruk, dat zij buiten op het land waren. De weg liep midden door tuinen, waarvan de muren waren neergehaald. Er waren groote boschjes seringen in den knop. Het groen was jong en frisch. Elk tuintje was als een priëel omspannen door het gebladerte van de heesters, met een vijvertje, een miniatuur waterval, stukjes muur waarop oogbedriegers waren geschilderd, priëeltjes of het blauwachtige verschiet van een landschap. De woningen die afzonderlijk stonden en niet dadelijk in het oog vielen, geleken op Italiaansche paviljoens, of op Grieksche tempeltjes, het mos knaagde aan den voet der gepleisterde pilaren, terwijl het onkruid de kalk der frontons losgemaakt had.
--Dat zijn de kleine huisjes, zei de dokter, met een hoofdknikje.
Maar daar hij zag dat de heeren hem niet begrepen, legde hij hun uit dat de markiezen onder Lodewijk XV schuilplaatsen hadden voor hun fijne partijtjes. Dat was zoo de mode. En hij hernam:
--Men noemde dat de kleine huisjes. Deze wijk was er vol van. Daar zijn fraaie dingen gebeurd, daar kunt ge op aan!