Part 25
Mijnheer Hupel de la Noue, die nog steeds in de vensternis stond, wierp ongeruste blikken op het groepje dat zich om de twee vrouwen geschaard had; hij was bang dat men hem zou uitlachen. De andere nimfen kwamen achtereenvolgens binnen; allen hadden haar kostuum met de edelgesteenten; gravin Vanska had een uitbundig succès als Koraal, toen men de vernuftige bijzonderheden van haar kostuum van nabij kon zien.
Daarop kwam Maxime binnen, onberispelijk in zijn zwarte jas met een glimlach op het gezicht; dadelijk werd hij door een heelen stoet dames omringd, waarvan hij het middelpunt uitmaakte; men plaagde hem met zijn rol van bloem, zijn voorliefde voor spiegels; hij, zonder eenige verlegenheid, ging voort met glimlachen, antwoordde op de plagerijen, bekende dat hij zich zelf aanbiddelijk vond en dat hij genoeg ondervinding van de vrouwen had, om zichzelf boven haar te verkiezen. Men lachte nog harder, het troepje groeide aan, besloeg het geheele midden van het salon, terwijl de jonge man, als verzonken tusschen die menigte van schouders, dien chaos van schitterende kostuums, zijn geur van monsterachtige liefde, zijn verdorven zachtheid van blanke bloem behield.
Maar toen Renée eindelijk beneden kwam, ontstond er eenige stilte. Zij had een nieuw kostuum aangedaan, van zoo'n origineele bevalligheid en zoo'n vrijmoedigheid, dat de heeren en dames, die toch gewoon waren aan de buitensporige luimen van de jonge vrouw, een beweging van verrassing niet konden onderdrukken.
Zij was gekleed als een inboorlinge van Otaheite. Dat kostuum schijnt zoo primitief mogelijk te zijn; een zachtgekleurd tricot omsloot haar van de voeten tot de borst, haar schouders en armen bloot latende; en over dat tricot een eenvoudige neteldoeksche blouse, kort en met twee strooken voorzien om de heupen een beetje te verbergen. In het haar, een krans veldbloemen; om de enkels en de polsen, gouden ringen. Anders niets. Zij was naakt.
Het tricot had de lenigheid van vleesch, onder de dunne blouse; de zuivere lijn van die naaktheid liet zich volgen, van de knieën tot de oksels een weinig uitgewischt door de strooken, maar bij de minste beweging weer verschijnende, en zich scherper afteekenende tusschen de openingen der kanten. Het was een aanbiddelijke wilde, een woest zinnelijk meisje, ternauwernood verborgen in een witte wolk, een dichten nevel, waarin haar geheele lichaam zich liet raden.
Renée naderde met vluggen tred, en roodgekleurde wangen. Céleste had het eerste tricot laten bersten; gelukkig had de jonge vrouw, dat geval voorziende, haar voorzorgen genomen.
Dat gescheurde tricot had haar opgehouden. Zij scheen zich weinig om haar triomf te bekommeren. Haar handen brandden, haar oogen schitterden van koorts. Toch glimlachte zij nog en beantwoordde zij met een enkel woord de heeren, die haar staande hielden en haar een complimentje maakten over haar edele houdingen in de tableaux vivants.
Verbaasd en verrukt over de doorschijnendheid van haar neteldoeksche blouse, bleven de heeren haar nastaren. Toen zij aan de groep vrouwen gekomen was, die Maxime omringden, wekte haar verschijning uitroepen van verrassing; de markiezin bekeek haar van het hoofd tot de voeten en fluisterde met een teederen blik:
--Ze is heerlijk gevormd.
Mevrouw Michelin, wier Oostersch kostuum vreeselijk stijf werd naast dezen eenvoudigen sluier, beet zich op de lippen, terwijl mevrouw Sidonie, in haar zwarte japon van toovenares, haar in het oor fluisterde:
--Onbetamelijker kan het al niet, vind je wel, lieve?
--Neen maar, zei de mooie brunette, wat zou mijnheer Michelin boos worden, als ik me zoo ontkleedde!
--En hij zou gelijk hebben ook, besloot de makelaarster.
Het groepje ernstige mannen scheen die meening niet toegedaan. Zij genoten van verre. Mijnheer Michelin, dien zijn vrouw er zoo te onpas bij noemde, geraakte in extase, om den heer Toutin-Laroche en baron Gouraud te believen, die Renée's kostuum verrukkelijk vonden.
Saccard ontving heel wat complimentjes over de prachtige vormen van zijn vrouw. Hij boog en toonde zich zeer getroffen. De soirée had hem redenen tot groote tevredenheid gegeven, en zonder een bezorgdheid die nu en dan in zijn oogen te lezen was, als hij een snellen blik op zijn zuster richtte, zou hij volmaakt gelukkig geschenen zijn.
--Zeg, ze had ons nog nooit zooveel laten zien, zei Louise gekscherend aan Maxime's oor, met een oogknipje naar Renée.
Onmiddellijk daarop verbeterde zij haar gezegde, met een onbeschrijfelijken glimlach:
--Aan mij, ten minste.
De jonge man keek haar aan, ongerust, maar zij lachte grappig, als een schooljongen die schik heeft in een ietwat ongepaste grap.
Het bal werd geopend. Men had op het tooneel van de tableaux vivants een klein orkest geplaatst, waarin de koperen instrumenten de overhand hadden, en de trompetten en horens galmden er lustig op los in het ideale woud met zijn blauwe boomen. Men begon met een quadrille: Ah! il a des bottes, il a des bottes, Bastien!, die toen op geen enkel bal mocht ontbreken. De dames dansten. Polka's, walsen, mazurka's wisselden de quadrilles af. De draaiende paren dansten de lange galerij op en af, springende bij de stooten van het koper, zich wiegelend op de maat der violen. De kostuums der vrouwen, uit alle landen en alle tijden, krioelden dooreen als een mengelmoes van levende stoffen. Na al die kleuren in een schijnbaar ordelooze mengeling te hebben meegevoerd, bracht de rythmus bij zekere streken van den strijkstok dezelfde satijnen tunica, hetzelfde blauwfluweelen keurslijf naast dezelfde zwarte jas terug. Dan weer een streek op de viool, een horengeschal, en de paren werden weer voortgedreven, trokken achtereenvolgens de zaal rond, met de schommelende beweging van een bootje dat stroomaf drijft, onder een windvlaag die het van den wal heeft losgerukt.
Steeds door, zonder einde, uren lang. Somtijds, tusschen twee dansen, naderde een dame een venster, om wat frissche lucht in te ademen, een paartje rustte uit op een causeuse van het kleine gele salon, of daalde in de serre af, langzaam de paden rondwandelend. Onder de lianenpriëelen, in de zoele duisternis, waarheen de forto's van de horens nog hun weg vonden, in de quadrilles Ohé! les p'tits agneaux, en J'ai un pied qui r'mue, waar men niets zag dan den rand van een vrouwenrok, hoorde men kwijnende lachjes.
Toen men de deur van de eetzaal opende, die in een buffet herschapen was, met aanrechttafels langs de muren en een lange tafel met koude vleeschspijzen beladen, in het midden, ontstond er een ontzettend gedrang. Een lange knappe man, die zoo beschroomd was geweest om zijn hoed in de hand te houden, werd zoo krachtig tegen den muur geduwd, dat de ongelukkige hoed met een doffen knal barstte. Dat gaf gelach. Men wierp zich op de pasteitjes en het getruffeerde gevogelte, terwijl men elkander lompweg met de ellebogen in de zijden stiet.
Het leek wel een plundering; de handen ontmoetten elkaar tusschen de vleeschspijzen, en de bedienden wisten niet wien zij het eerst zouden bedienen, te midden van dien troep welopgevoede menschen, wier uitgestrekte armen slechts de vrees uitdrukten, dat zij te laat zouden komen en de schotels leeg zouden vinden. Een oude heer werd boos, omdat er geen bordeaux was en de champagne hem belette in te slapen.
--Kalm, heeren, kalm, zei Baptiste met zijn deftige stem. Er is voor iedereen.
Maar men luisterde niet naar hem. De eetzaal was vol, en buiten de deur rekten de zwartgerokte heeren ongerust den hals uit. Voor de aanrechttafels hielden groepjes stand, snel etende, elkander verdringende. Velen verslonden zonder te drinken, daar zij geen glas konden bemachtigen. Anderen daarentegen dronken, en maakten vergeefsche jacht op een stuk brood.
--Hoor eens, zei mijnheer Hupel de la Noue, door Mignon en Charrier, die genoeg van de mythologie hadden, naar het buffet meegetroond, we krijgen niets, als we mekaar niet een handje helpen.... Op de Tuileriën is het nog erger, ik heb daar eenige ondervinding opgedaan.... Belast gij u met den wijn, ik zal voor het vleesch zorgen.
De prefect loerde op een bout. Hij strekte juist bijtijds den arm uit, door een gaping tusschen de schouders, en nam hem bedaard weg, nadat hij zijn zakken met broodjes had volgestopt. De aannemers kwamen op hun beurt, Mignon met een flesch en Charrier met twee flesschen champagne. Zij hadden echter slechts twee glazen kunnen vinden; zij zeiden dat het niet hinderde, dat zij uit éen glas zouden drinken. En de heeren soupeerden aan een hoekje van een bloementafel, aan het einde der zaal. Zij trokken niet eens hun handschoenen uit, terwijl zij de sneedjes vleesch tusschen hun broodjes legden en de flesschen onder hun arm hielden. Met vollen mond stonden zij te praten, de kin van hun vest afhoudend, opdat de sap op het kleed zou vallen.
Charrier, die zijn wijn eerder op had dan zijn brood, vroeg aan een bediende of hij geen glas champagne kon krijgen.
--U moet wachten, mijnheer, antwoordde de bediende toornig, door de drukte overstuur, vergetende dat hij niet in de keuken was. Er zijn al driehonderd flesschen leeg gedronken.
Intusschen hoorde men bij vlagen de tonen van de muziek. Men danste een polka, de Baisers, zeer gewild op de publieke bals, waarbij ieder danser den rythmus moest aangeven door zijn dame te kussen.
Mevrouw d'Espanet verscheen aan de deur der eetzaal, hoog blozend, het kapsel een weinig verward; zij liet met een bevallige matheid haar lang zilveren kleed slepen. Men ging ternauwernood op zij; met de ellebogen moest zij zich een weg banen. Zij liep de tafel rond, aarzelend, met een pruilenden trek om den mond. Toen kwam zij regelrecht op mijnheer Hupel de la Noue aan, die juist gedaan had en zijn mond met zijn zakdoek afveegde.
--Mijnheer, zoudt u zoo vriendelijk willen zijn, zei ze met haar beminnelijksten glimlach, naar een stoel voor mij om te zien? Ik ben al te vergeefs de heele tafel om geweest....
De prefect koesterde een wrok tegen de markiezin, maar in zijn voorkomendheid voor de dames aarzelde hij niet; hij zocht en vond een stoel, liet mevrouw d'Espanet daarop plaats nemen en bleef achter haar staan om haar te bedienen. Zij wilde niet anders dan garnalen met wat boter en een half glaasje champagne. Zij at met kieskeurigheid, te midden van de gulzigheid der mannen.
De tafel en de stoelen waren uitsluitend voor de dames bestemd. Maar men maakte altijd een uitzondering ten gunste van baron Gouraud. Daar zat hij vierkant op zijn stoel, voor een stuk pastei, waarvan hij de korst langzaam tusschen zijn kaken fijn maalde.
De markiezin wist den prefect weer voor zich in te nemen door de opmerking, dat zij nooit de aandoening zou vergeten, die zij in het artistieke les Amours des beau Narcisse et de la nymphe Echo gevoeld had. Zij legde hem ook uit waarom men niet op hem gewacht had, op een manier die hem volkomen troostte: toen de dames vernamen dat de minister er was, hadden zij het gepast gevonden om de pauze te bekorten. Zij verzocht hem daarop naar mevrouw Haffner te gaan, die met mijnheer Simpson danste, een lomp mensch, zei zij, op wien zij het niet begrepen had. En toen Suzanne er was, keek zij mijnheer Hupel de la Noue niet meer aan.
Saccard, gevolgd door de heeren Toutin-Laroche, de Mareuil en Haffner, had bezit genomen van een aanrechttafel. Daar de middelste tafel vol was en mijnheer de Saffré voorbijging met mevrouw Michelin aan den arm, hield hij ze staande en wilde hij, dat de mooie brunette met hen zou meeëten. Zij knabbelde lachend een paar pasteitjes op, haar heldere oogen naar de vijf mannen om haar heen opslaande. Zij bogen zich naar haar over, raakten haar met goud geborduurden sluier aan, drongen haar tusschen de aanrechttafels, waartegen zij ten slotte ging aanleunen, gebakjes aannemend uit ieders handen, heel lief en heel vleiend, met de verliefde gedweeheid van een slavin tusschen haar meesters. Mijnheer Michelin stond heel alleen, aan het andere eind der kamer, een schaaltje ganzenleverpastei te verorberen, dat hij had weten te bemachtigen.
Intusschen trad mevrouw Sidonie, die al bij de eerste streken op de viool in de balzaal rondloerde, de eetzaal binnen en riep Saccard met een oogwenk.
--Ze danst niet, zei zij zachtjes. Ze schijnt ongerust. Ik geloof dat zij wat in haar schild voert.... Maar ik heb den jonker nog niet kunnen ontdekken.... Ik ga even wat gebruiken en dan ga ik dadelijk weer op mijn post.
En zij nuttigde staande, als een man, een eendeboutje, dat zij zich liet brengen door mijnheer Michelin, die zijn schaaltje leeg had. Zij schonk zich een champagneglas vol malaga in, en na zich de lippen met de vingers te hebben afgeveegd, keerde zij naar de balzaal terug. Het leek wel of de sleep van haar toovenaressenkleed reeds al het stof van de kleeden opgegaard had.
In de zaal was de animo niet groot meer, het orkest hijgde naar adem, toen een geroep: "de cotillon! de cotillon!" de dansers en het koper weer deed opleven. Er kwamen paren uit alle boschjes van de serre; de groote zaal werd even vol als bij de eerste quadrille, en in de opgewekte menigte werden levendige gesprekken gevoerd. Het was de laatste opflikkering van het bal. De mannen die niet dansten, keken van uit hun plaats aan de vensters naar het babbelend groepje, dat steeds aangroeide in het midden der zaal, terwijl de eters aan het buffet, zonder een beet te verliezen, het hoofd vooruit staken om te zien.
--Mijnheer de Mussy wil niet, zei een dame. Hij verzekert, dat hij den cotillon niet meer leiden wil.... Kom, mijnheer de Mussy, nog maar één keertje. Doe het om onzentwil.
Maar de jonge attaché bleef in zijn stijve houding volharden. Het was werkelijk onmogelijk, hij had het zich stellig voorgenomen. Dat gaf een teleurstelling. Maxime weigerde ook, hij zei dat hij doodmoe was. Mijnheer Hupel de la Noue durfde zich niet aanbieden: hij daalde slechts tot de dichtkunst af. Daar een dame van mijnheer Simpson gesproken had, legde men haar het zwijgen op: mijnheer Simpson was de zonderlingste leider van een cotillon dien men bedenken kon; hij had allerlei fantastische en ondeugende invallen; in een salon waar men de onvoorzichtigheid begaan had hem te kiezen, vertelde men dat hij de dames genoodzaakt had over stoelen te springen, en dat een van zijn liefste figuren was, iedereen op handen en voeten de kamer rond te laten loopen.
--Is mijnheer de Saffré al weg? vroeg een kinderstem.
Hij stond juist op het punt te vertrekken; hij nam afscheid van mevrouw Saccard, met wie hij op den besten voet stond, sinds zij niets van hem wilde weten. Die beminnelijke scepticus had een bewondering voor de grillen van anderen. Men bracht hem in zegepraal uit de vestibule terug. Hij verweerde zich, zei glimlachend dat men hem compromitteerde, dat hij een ernstig man was. Eindelijk, voor al die witte handjes, die zich smeekend naar hem uitstrekten:
--Nu dan, zei hij, neemt uw plaatsen in.... Maar ik zeg u vooruit, dat ik een slaafsche navolger van de oude school ben. Ik heb voor geen oortje verbeeldingskracht.
De paren namen rondom in de zaal op alle stoelen plaats die men bijeen kon brengen; jongelui gingen zelfs de ijzeren stoelen uit de serre halen.
Het was een monstercotillon. Mijnheer de Saffré, die het peinzende uiterlijk van een dienstdoend priester had, koos tot dame barones Vanska, met wier Koraal-kostuum hij ingenomen scheen. Toen iedereen op zijn plaats was, wierp hij een onderzoekenden blik op dien kring van rokken, ieder door een zwarte japon geflankeerd. Hij gaf het orkest een wenk en de trompetten schalden.
Renée had geweigerd aan den cotillon deel te nemen. Zij was opgewonden vroolijk, al van den aanvang van het bal af; zij danste bijna niet, stond dan bij dit groepje, dan weer bij dat, en kon nergens rust vinden. Haar vriendinnen merkten haar zonderling gedrag op. In den loop van den avond had zij zelfs van haar voornemen gesproken om een luchtreisje te maken met een beroemden luchtreiziger, over wien geheel Parijs sprak.
Toen de cotillon begon, vond zij het vervelend dat zij niet meer ongehinderd rond kon wandelen; zij bleef aan de deur der vestibule staan, wisselde een handdruk met verschillende heeren en praatte met de intieme vrienden van haar man. Baron Gouraud, die in zijn bonte pelsjas door een bediende werd weggeleid, vond nog een laatste complimentje over haar Otaheitekostuum.
Intusschen drukte mijnheer Toutin-Laroche zijn vriend Saccard de hand.
--Maxime rekent op u, zei laatstgenoemde.
--Zeker, zeker, antwoordde de nieuwbakken senator.
En zich tot Renée wendende:
--Mevrouw, ik heb u nog niet gefeliciteerd.... Die beste jongen is dus geborgen.
En daar zij verbaasd glimlachte, merkte Saccard op:
--Mijn vrouw weet het nog niet.... Wij hebben van avond het huwelijk van mejuffrouw de Mareuil en Maxime vastgesteld.
Zij bleef glimlachen, maakte een nijging voor mijnheer Toutin-Laroche, die bij het afscheid nemen zeide:
--Ge teekent het contract Zondag, niet waar? Ik ga naar Nevers voor een mijnzaak, maar ik ben voor dien tijd terug.
Zij bleef een oogenblik alleen, midden in de vestibule. Zij glimlachte niet meer, en hoe meer zij nadacht over hetgeen zij zooeven gehoord had, des te huiveriger werd zij. Zij keek naar de rood fluweelen behangsels, de zeldzame planten, de majolicapotten, met een starenden blik. Vervolgens zei zij hardop:
--Ik moet hem spreken.
En zij keerde in het salon terug. Maar zij moest aan den ingang blijven staan. Een figuur van den cotillon versperde den doortocht. Het orkest speelde zachtjes een wals. De dames hielden elkander bij de hand en vormden een kring, een van die rondedansen van kleine meisjes, die Giroflé girofla zingen; zij draaiden zoo snel mogelijk rond, elkander bij den arm trekkend, lachend en glijdend.
In het midden had een cavalier--dat was de ondeugende heer Simpson--een lange rose sjerp in de hand; hij hief ze omhoog als een visscher, die een kruisnet uitwerpt; maar hij haastte zich niet, hij vond het bepaald aardig de dames te laten ronddraaien, ze moe te maken. Zij hijgden en smeekten om genade. Toen wierp hij de sjerp zóo behendig, dat zij zich om de schouders van mevrouw d'Espanet en mevrouw Haffner slingerde, die naast elkander draaiden.
Dat was een aardigheid van den Amerikaan. Hij wilde toen met de twee dames tegelijk dansen, en hij had ze al beide om de taille gevat, de eene links en de andere rechts, toen mijnheer de Saffré met zijn gestrenge stem als koning van den cotillon zei:
--Men danst niet met twee dames.
Maar mijnheer Simpson wilde de beide tailles niet loslaten. Adeline en Suzanne wierpen zich lachend in zijn armen achterover. Men sprak zijn oordeel uit, de dames werden boos, het werd een heel tumult, en de heeren aan de vensternissen vroegen zich af hoe mijnheer de Saffré zich uit dat netelige geval zou redden. Hij scheen inderdaad een oogenblik in verlegenheid; hij zocht een geestigheid om de lachers op zijn hand te krijgen. Plotseling kreeg hij een inval; glimlachend nam hij mevrouw d'Espanet en mevrouw Haffner ieder bij een hand, fluisterde ze een vraag in het oor, ontving beider antwoord en zich vervolgens tot mijnheer Simpson wendende:
--Plukt u de verbena of plukt u de maagdepalm?
Mijnheer Simpson, wat dwaas, zei, dat hij de verbena plukte. Toen gaf mijnheer de Saffré hem de markiezin, met de woorden:
--Hier is de verbena.
Men applaudisseerde bescheiden. Het werd heel aardig gevonden. Mijnheer de Saffré was een leider van een cotillon "die overal raad op wist," verklaarden de dames. Intusschen had het orkest den wals hervat en mijnheer Simpson leidde zijn dame, na met haar de zaal rond te hebben gewalst, naar haar plaats terug.
Renée kon doorgaan. Zij had zich tot bloedens toe op de lippen gebeten, voor al die "dwaasheden". Ze vond die mannen en vrouwen onnoozel, om sjerpen te slingeren en bloemennamen aan te nemen. Haar ooren suisden, een driftig ongeduld gaf haar plotseling den lust om zich met het hoofd vooruit een weg te banen. Zij doorliep haastig het salon, de paren die zich naar hun zitplaatsen begaven, tegen het lijf loopend. Zij ging regelrecht naar de serre. Zij had noch Louise noch Maxime onder de dansers gezien; zij zei tot zichzelf dat ze daar moesten zijn, in het een of andere hoekje onder het gebladerte, gedreven door dat instinct van guitigheid en grappigheid, dat hun de verborgen hoekjes deed opzoeken, zoodra zij zich ergens samen bevonden. Maar zij doorzocht tevergeefs de halfduistere serre. Alleen zag zij diep in een der priëelen een lang jongmensch, dat eerbiedig de handen van de kleine mevrouw Daste kuste en fluisterde:
--Mevrouw de Lauwerens had het me wel gezegd: u is een engel!
Die verklaring in haar eigen huis, in haar serre, stuitte haar. Mevrouw de Lauwerens had haar handel wel ergens anders kunnen drijven! Het zou Renée verlichting gegeven hebben, als zij al die luidruchtige menschen uit haar kamers had kunnen jagen. Voor het bassin staande, keek zij naar het water, zich afvragende waar Louise en Maxime zich konden verbergen.
Het orkest speelde nog steeds den wals, welks langzame wiegeling haar het hart deed draaien. 't Was onuitstaanbaar, men kon niet eens in zijn eigen huis nadenken. Zij was geheel de kluts kwijt. Zij vergat dat de jongelui nog niet getrouwd waren, en zij zei bij zichzelf dat het heel eenvoudig was, dat zij naar bed waren gegaan. Toen dacht zij aan de eetzaal, zij ging haastig de trap van de serre op. Maar aan de deur van het groote salon, werd ze weer tegengehouden door een figuur van den cotillon.
--Het zijn de "zwarte stippen," dames, zei mijnheer de Saffré galant. Dat is een uitvinding van mezelf en u hebt er de primeur van.
Men lachte hartelijk. De mannen verklaarden de toespeling aan de jonge vrouwen. De keizer had een rede gehouden, waarin hij aan den politieken gezichtseinder de aanwezigheid van zekere "zwarte stippen" geconstateerd had. Die zwarte stippen hadden opgang gemaakt, men wist eigenlijk niet waarom. Het Parijsch vernuft had zich van die uitdrukking meester gemaakt; al een week lang werden die zwarte stippen overal bij te pas gebracht.
Mijnheer de Saffré plaatste de heeren aan het eene einde van het salon, met den rug naar de dames, die aan het andere einde stonden. Toen kommandeerde hij de heeren de panden van hun jassen over het hoofd te slaan. Dit bevel werd opgevolgd te midden van een uitgelaten vroolijkheid. Gebocheld, de schouders samengedrongen, de jas niet verder dan tot de heupen reikend, waren de heeren inderdaad afschuwelijk.
--Lacht niet, dames, riep mijnheer de Saffré met komischen ernst; of ik laat u uw kanten op het hoofd leggen.
De vroolijkheid verdubbelde. En hij maakte een krachtig gebruik van zijn gezag tegenover enkele heeren, die hun nek niet wilden verbergen.
--Gij zijt de "zwarte stippen," zei hij; verbergt uw hoofd, laat niets dan uw rug zien, de dames moeten enkel zwart zien.... En nu moet gij loopen en u dooreen mengen, zoodat men u niet uit elkander kennen kan.
De vroolijkheid steeg ten top. De "zwarte stippen" liepen heen en weer, op hun spichtige beenen, wiegelend als raven zonder kop. Men zag het hemd van een der heeren, met een stukje van de bretel. De dames stikten bijna van het lachen; mijnheer de Saffré beval haar toen de "zwarte stippen" te gaan zoeken. Zij schoten voort als een vlucht jonge patrijzen, met een groot geruisch van japonnen. En aan het einde van haar loop greep ieder den cavalier die onder haar bereik kwam. Het was een onbeschrijfelijke verwarring. En de geïmproviseerde paren walsten achtereenvolgens de zaal rond, met de volle muziek van het orkest.