Jacht naar Fortuin

Part 24

Chapter 243,873 wordsPublic domain

Men vond algemeen dat Maxime prachtig gevormd was. Bij zijn weigerend gebaar, kwam zijn linkerheup fraai uit en trok zeer de aandacht. Maar men was eenstemmig in zijn lof over de gelaatsuitdrukking van Renée. Volgens mijnheer Hupel de la Noue, was zij "de smart over de onbevredigde begeerte". Zij had een scherpen glimlach, die zich nederig trachtte voor te doen, zij beloerde haar prooi, in haar stomme smeekbede lag iets van een uitgehongerde wolvin, die haar tanden maar half verbergt.

Het eerste tableau slaagde goed, behalve dat die dwaze Adeline zich bewoog en ternauwernood een onweerstaanbare lachbui bedwong. De gordijnen werden weer dichtgeschoven en de piano zweeg.

Toen applaudisseerde men bescheiden en de gesprekken werden hervat.

Een ademtocht van liefde, van bedwongen begeerte, was neergedaald van al dat naakt op de estrade, en streek door de zaal, waar de dames nog kwijnender achterover leunden in haar stoelen, terwijl de heeren elkander glimlachend hun opmerkingen toefluisterden.

Het was een gefluister als in een slaapkamer, een halve stilte van een beschaafd gezelschap, een verlangen naar zingenot ternauwernood aangeduid door een trilling der lippen; en in de zwijgende blikken, die elkander te midden van die verrukking ontmoetten, werd met een brutale vrijmoedigheid liefde geboden en met een oogwenk die liefde aanvaard.

Er kwam geen einde aan de loftuitingen op de volmaaktheden der dames. Haar kostuums werden bijna even belangrijk geacht als haar schouders. Toen Mignon en Charrier mijnheer Hupel de la Noue wilden ondervragen, zagen zij hem tot hun verbazing niet meer naast zich; hij was al weer achter de estrade weggedoken.

--Zooals ik u zooeven vertelde, lieve, zei mevrouw Sidonie, haar gesprek vervolgende, dat door het eerste tableau was afgebroken, had ik een brief uit Londen gekregen, over die zaak van de drie milliarden, weet u.... De persoon dien ik met het onderzoek belast heb, schrijft me dat hij het ontvangbewijs van den bankier meent gevonden te hebben. Engeland zou betaald hebben.... Ik ben er den heelen dag door van streek geweest.

Ze was werkelijk geler dan gewoonlijk, in haar met sterren bezaaide toovenareskostuum. En daar mevrouw Michelin niet naar haar luisterde, ging zij op zachter toon voort, mompelende dat Engeland onmogelijk betaald kon hebben, en dat ze bepaald zelf naar Londen moest gaan.

--Het kostuum van Narcissus was mooi, vond u niet? vroeg Louise aan mevrouw Michelin.

Deze glimlachte. Zij keek naar baron Gouraud, die heelemaal opgevroolijkt scheen in zijn fauteuil. Mevrouw Sidonie, de richting van haar blik volgende, boog zich naar haar over en fluisterde haar in het oor, om niet door het meisje gehoord te worden:

--Heb je het nog van hem gedaan gekregen?

--Ja, antwoordde de jonge vrouw, kwijnend, haar rol van Oostersche danseres uitmuntend spelend. Ik heb het huis van Louveciennes gekozen, en de eigendomsbewijzen heb ik van zijn zaakgelastigde gekregen.... Maar we zijn kwaad met elkaar, ik zie hem niet meer.

Louise had een bijzonder fijn gehoor voor de dingen, die zij niet hooren mocht. Zij keek naar baron Gouraud met de vrijpostigheid die bij haar kostuum als page paste, en zei kalmpjes tot mevrouw Michelin:

--Vindt u den baron niet afschuwelijk leelijk?

En met een schaterlach ging zij voort:

--Zeg, hij had de rol van Narcissus moeten hebben. Hij zou kostelijk zijn in een appelgroen tricot!

Het oude senaatslid was inderdaad wat opgefleurd door het zien van Venus en dat wellustige plekje van den Olymp. Hij keek met opgetogen blikken rond en draaide zich half om ten einde Saccard een complimentje te maken.

In de rumoerige drukte van de zaal bleef het groepje ernstige mannen over zaken en over de politiek spreken. Mijnheer Haffner vertelde, dat hij benoemd was tot president van een jury, die belast was met de regeling der schadevergoedingen. Toen kwam het gesprek als van zelf op de werken van Parijs, op den boulevard du Prince-Eugène, waarover men ernstig onder het publiek begon te spreken. Saccard greep deze gelegenheid aan, sprak van iemand dien hij kende, een eigenaar, dien men nu zeker wel zou onteigenen. En hij keek de heeren strak aan. De baron knikte zachtjes met het hoofd; mijnheer Toutin-Laroche ging verder, hij verklaarde dat er niets onaangenamers was dan onteigend te worden; mijnheer Michelin beaamde dit en keek schuins naar zijn decoratie.

De schadevergoedingen kunnen nooit te hoog zijn, besloot mijnheer de Mareuil heel wijs, om Saccard te believen.

Zij hadden elkaar begrepen. Maar Mignon en Charrier droegen hun eigen zaken voor. Zij waren van plan binnen kort uit de zaken te treden en zich in Langres te vestigen, zeiden zij, maar dan toch in Parijs een pied-à-terre te houden. De heeren moesten onwillekeurig lachen, toen zij vertelden, dat zij hun prachtig hôtel op den boulevard Malesherbes zoo mooi gevonden hadden, toen het af was, dat zij den lust niet hadden kunnen weerstaan om het te verkoopen. Zij hadden zich zeker getroost met hun briljanten. Saccard lachte ietwat gedwongen; zijn vroegere compagnons hadden enorme winsten behaald in een zaak, waarbij hij de rol van slachtoffer gespeeld had. En daar de pauze wat lang duurde, werd het gesprek der ernstige mannen afgebroken door loftuitingen op den hals van Venus en de kleeding van de nimf Echo.

Na een groot halfuur kwam mijnheer Hupel de la Noue weer te voorschijn. Hij was geheel verdiept in zijn succès, en de wanorde van zijn kleeding was er niet beter op geworden. Toen hij naar zijn plaats ging, ontmoette hij mijnheer de Mussy. Hij drukte hem in het voorbijgaan de hand, toen keerde hij zich weer om, om hem te vragen:

--Heb je dat aardige gezegde van de markiezin al gehoord?

En hij vertelde het hem, zonder zijn antwoord af te wachten. Hij drong er hoe langer hoe dieper in door, hij gaf er commentaren bij, hij vond het ten slotte heerlijk naïef. En dat er onder zit is nog veel mooier! Die kreet kwam uit het hart voort.

Maar mijnheer de Mussy dacht er anders over. Hij vond de uitdrukking onbetamelijk. Hij was attaché geworden bij het Engelsche gezantschap, en de minister had hem gezegd dat een onberispelijke houding een eerste vereischte was. Hij weigerde den cotillon te leiden, hij werd ernstiger en sprak niet meer over zijn liefde voor Renée, die hij deftig groette wanneer hij haar ontmoette.

Mijnheer Hupel de la Noue voegde zich weer bij het groepje dat zich achter den fauteuil van den baron gevormd had, toen de piano een triomfmarsch aanhief. Krachtig aangeslagen akkoorden leidden een breede melodie in, waarin nu en dan de klank van metaal weerklonk. Na iedere phrase werd de rythmus in hooger tonen hervat. Het klonk krachtig en vroolijk.

--U zult zien, mompelde mijnheer Hupel de la Noue; ik heb de dichterlijke vrijheid misschien wat te ver gedreven; maar ik geloof dat ik het er nog al goed afgebracht heb.... De nimf Echo, ziende dat Venus geen macht heeft over den schoonen Narcissus, brengt hem bij Plutus, den god van den rijkdom en de edele metalen.... Na de verlokking van het vleesch, de verzoeking van het goud.

--Dat is klassiek, antwoordde de heer Toutin-Laroche droogweg, met een vriendelijk lachje. U is op de hoogte van uw tijd, mijnheer de prefect.

De gordijnen gingen open, de piano speelde harder. Het was oogverblindend. Het electrische licht viel op een schitterende pracht, waarin de toeschouwers eerst niets dan een vuurgloed zagen, waarin goudstaven en kostbare steenen schenen te smelten. Een tweede grot werd zichtbaar; ditmaal was het echter niet het frissche verblijf van Venus, bespoeld door een vloed die op een met paarlen bezaaid fijn zand wegvloeide. Deze grot was waarschijnlijk te vinden in het binnenste der aarde, in een diepe, heete aardlaag, een spleet van de hel der oudheid, een scheur in een mijn van smeltende metalen, door Plutus bewoond.

De zijden stof, die de rots voorstelde, vertoonde breede aderen van metaal, beddingen die als het ware de aderen van de oude wereld waren, de onmetelijke rijkdommen en het eeuwige leven van den aardbodem met zich voerende. Op den grond, hier had mijnheer Hupel de la Noue zich aan een anachronisme gewaagd, lag het bezaaid met twintigfrancsstukken, die hier en daar heele stapels vormden.

Boven dien stapel goud, zat mevrouw de Guende als een vrouwelijke Plutus, een Plutus die hals en boezem vertoonde in de groote metaalbladen van zijn kostuum. Om den god groepeerden zich, in staande of halfliggende houding, tot een tros vereenigd, of afzonderlijk bloeiende, de tooverachtige bloemen van deze grot, waar de kalifen der Duizend en een Nacht hun schatkist geledigd hadden.

Het waren mevrouw Haffner als het Goud, met een stijf, schitterend bisschopskleed, mevrouw d'Espanet als het Zilver, glinsterend als het maanlicht; mevrouw de Lauwerens als Saffier, in een warmblauw kostuum, en naast haar de kleine mevrouw Daste, een glimlachende Turkoois, zacht blauwend; daarop kwamen de Smaragd, mevrouw de Meinhold, en de Topaas, mevrouw Teissière; ietwat lager, leende mevrouw Vanska haar donkeren gloed aan het Koraal, uitgestrekt, de armen opgeheven en beladen met roode hangers, als een wonderschoone poliep, die vrouwenvleesch vertoonde in de rose gapingen van een parelmoerschelp.

De dames hadden ieder halskettingen, armbanden, geheele parures, van de edelgesteenten die zij voorstelden. De aandacht viel vooral op de origineele versierselen van de dames d'Espanet en Haffner, uitsluitend van nieuwe goud- en zilverstukjes.

Op den voorgrond bleef het drama eender, de nimf Echo bracht den schoonen Narcissus in verzoeking, doch deze maakte weer een weigerend gebaar. En de oogen der toeschouwers rustten met verrukking op die gapende opening in de gloeiende ingewanden der aarde, dien stapel goud waarop zich de rijkdom der wereld wentelde.

Dit tweede tableau had nog meer bijval dan het eerste. Het bleek een bijzonder vernuftig denkbeeld te zijn. Dat gewaagde anachronisme van de twintigfrancsstukken, die stroom uit een moderne geldkist in een hoekje van de grieksche mythologie uitgegoten, streelde de verbeelding van de dames en de geldmannen die daar aanwezig waren. "Wat een goudstukken! wat een geld!" klonk het met glimlachjes en rillingen van genot door de gansche zaal; en het leed geen twijfel of al die dames en al die heeren koesterden den vurigen wensch om al dat heerlijks voor zich alleen, in een kelder, te hebben.

--Engeland heeft betaald, dat zijn uw milliarden, fluisterde Louise mevrouw Sidonie ondeugend in het oor.

En mevrouw Michelin, die in begeerige verrukking den mond half open hield, schoof haar Oosterschen sluier ter zijde en keek met schitterende oogen naar het goud, terwijl de ernstige heeren een onmacht nabij waren. Mijnheer Toutin-Laroche fluisterde met een opgetogen blik iets tot den baron, die gele vlekken in zijn gezicht vertoonde. Maar Mignon en Charrier, minder bescheiden, zeiden met een lompe naïefheid:

--Sakkerloot! Daar ligt genoeg om Parijs af te breken en weer op te bouwen.

Saccard begreep de diepzinnigheid van dit gezegde; hij begon te gelooven dat Mignon en Charrier de lui voor den gek hielden, met hun voorgewende onnoozelheid.

Toen de gordijnen weer dicht gingen en de piano de triomfmarsch besloot met een groot geweld van op elkander geworpen noten, als de laatste scheppenvol goudstukken, barstten de toejuichingen los, levendiger en aanhoudender dan de eerste maal.

Intusschen was de minister, vergezeld van zijn secretaris, mijnheer de Saffré, aan de deur van het salon verschenen.

Saccard, die al ongeduldig op de komst van zijn broer gewacht had, wilde hem gauw te gemoet gaan. Maar hij wenkte hem toe te blijven waar hij was. En hij kwam zachtjes naar het groepje ernstige mannen toe. Toen de gordijnen dicht waren en men hem bemerkte, liep er een gefluister door de zaal, alle hoofden keerden zich om; de minister woog op tegen het succès van les Amours du beau Narcisse et de la nymphe Echo.

--U is een dichter, mijnheer de prefect, zei hij glimlachend tot mijnheer Hupel de la Noue. U hebt vroeger een dichtbundel uitgegeven, les Volubilis, geloof ik?.... Ik zie dat de beslommeringen der administratie uw verbeelding niet uitgeput hebben.

De prefect gevoelde het stekelige van dit compliment. De plotselinge aanwezigheid van zijn chef bracht hem nog meer van zijn stuk, doordat toen hij een vluchtigen blik op zijn toilet wierp, om te zien of er niets aan ontbrak, hij op de mouw van zijn jas het witte handje ontdekte, dat hij niet durfde afvegen. Hij boog en stotterde een paar woorden.

--Waarlijk, ging de minister voort, tot mijnheer Toutin-Laroche, baron Gouraud en al de andere heeren die daar stonden, al dat goud was een wondermooi schouwspel. We zouden groote dingen doen, als mijnheer Hupel de la Noue geld voor ons sloeg.

Dit was, in de taal van een minister, hetzelfde als wat Mignon en Charrier gezegd hadden. Toen maakten mijnheer Toutin-Laroche en de anderen hem het hof, zij weidden uit over het laatste gezegde van den minister: het keizerrijk had al wonderen gewrocht; aan goud ontbrak het niet, dank het beleid der regeering, nog nooit had Frankrijk zoo'n mooie positie tegenover Europa ingenomen, en de heeren werden eindelijk zoo kruiperig, dat de minister zelf het gesprek op iets anders bracht. Hij hoorde hen aan, met opgericht hoofd, de mondhoeken ietwat opgetrokken, wat zijn dik, bleek, zorgvuldig geschoren gelaat een trek van twijfel en glimlachende minachting gaf.

Saccard deed intusschen zijn best om het gesprek daarheen te leiden, dat hij met de aankondiging van Maxime's huwelijk voor den dag kon komen. Hij deed alsof hij bijzonder vertrouwelijk met zijn broer was, en deze liet het zich aanleunen; hij wilde zijn broer dien dienst wel bewijzen. Hij was werkelijk de meerdere, met zijn helderen blik, zijn zichtbare minachting voor kleinzielige schelmerijen, zijn breede schouders, die met éen beweging al die menschen omver hadden kunnen werpen.

Toen het huwelijk eindelijk ter sprake kwam, betoonde hij zich heel innemend, hij gaf te kennen dat hij zijn huwelijksgeschenk al gereed had. Hij doelde op Maxime's benoeming tot auditeur bij den Raad van State. Hij herhaalde zijn broer zelfs tot tweemaal toe, met een air van goedigheid:

--Zeg vooral aan je zoon, dat ik zijn getuige wil zijn.

Mijnheer de Mareuil kreeg een kleur van blijdschap. Men feliciteerde Saccard. Mijnheer Toutin-Laroche bood zich aan als tweeden getuige. Daarop kwam het gesprek plotseling op de echtscheiding. Een lid van de oppositie had den "treurigen moed" gehad, zei mijnheer Haffner, die schande der maatschappij te verdedigen. En allen protesteerden. Hun zedigheid vond treffende argumenten. Mijnheer Michelin glimlachte bescheiden tegen den minister, terwijl Mignon en Charrier met verwondering opmerkten dat de kraag van zijn jas versleten was.

Al dien tijd bleef mijnheer Hupel de la Noue verlegen tegen den fauteuil van baron Gouraud geleund, die zich vergenoegd had met den minister een stilzwijgenden handdruk te wisselen. De dichter durfde zich niet van zijn plaats bewegen. Een onbeschrijfelijk gevoel, de vrees om belachelijk te schijnen, de angst om bij zijn chef uit de gunst te geraken, hielden hem terug, ofschoon hij van begeerte brandde om de dames haar plaats op de estrade aan te wijzen, voor het laatste tableau. Hij zocht naar een goed gekozen woord om weer in de gunst te komen. Hij was hoe langer hoe meer met zijn figuur verlegen, toen hij mijnheer de Saffré bemerkte; hij nam hem bij den arm en klampte zich aan hem vast. De jonge man trad juist binnen, hij was dus nog een versch slachtoffer.

--Kent u den kwinkslag van de markiezin al? vroeg de prefect hem.

Maar hij was zoo in de war, dat hij de zaak niet eens meer pikant kon voorstellen. Hij raakte in den knoei.

--Ik zei haar: "U hebt een bekoorlijk kostuum" en zij antwoordde:....

--Dat er onder zit is nog veel mooier, voltooide mijnheer de Saffré bedaard. Dat is al oud, mijn waarde, heel oud.

Mijnheer Hupel de la Noue keek hem verslagen aan. Het gezegde was oud, en hij was nog al van plan om het naïeve van dien kreet des harten goed in het licht te stellen.

--Oud, oud als de wereld, herhaalde de secretaris. Mevrouw d'Espanet heeft het al tweemaal op de Tuilerieën gezegd.

Dat was de genadeslag. De prefect bekommerde zich niet meer om den minister, niet om de geheele zaal. Hij begaf zich naar de estrade, toen de piano een treurig voorspel aanhief, met weemoedige trillers; daarop klonken de klagende tonen breeder en voller, en de gordijnen werden opengeschoven.

Mijnheer Hupel de la Noue, die reeds half verdwenen was, kwam het salon weer binnen, toen hij de ringen hoorde schuiven. Hij was bleek, scheen wanhopig, hij moest zich geweld aandoen om de dames geen standje te maken. Zij hadden haar plaats heel alleen ingenomen! Zeker die kleine d'Espanet, die het komplotje gesmeed had om gauw van kostuum te verwisselen en het buiten hem te stellen. Het leek nergens naar, het deugde heelemaal niet!

Hij kwam weer terug, binnensmonds prevelend. Hij keek over de estrade, haalde zijn schouders op en mopperde:

--De nimf Echo komt te dicht bij den kant.... En dat been van den mooien Narcissus, daar zit niets edels in....

Mignon en Charrier, naderbij gekomen om de "verklaring" te hooren, waagden het hem te vragen "wat de jonge man en dat meisje daar op den grond deden." Maar hij gaf geen antwoord, hij weigerde zijn dichtstuk uit te leggen, en toen de aannemers aandrongen, klonk het nijdig:

--Wel, het kan me niets meer schelen, als de dames buiten mij om haar plaatsen innemen!

De piano liet weeke, snikkende tonen hooren. Op het tooneel zag men een open plek in een bosch, die door het electrische licht in een zonnig licht gebaad werd. Het was een ideaal plekje, met blauwe boomen, groote gele en roode bloemen, die bijna even hoog opschoten als de eikeboomen. Daar, op een heuveltje van graszoden zaten Venus en Plutus naast elkaar, omstuwd door nimfen, die uit de naaste struiken waren toegesneld om hen tot escorte te dienen. Daar waren de dochters der boomen, de dochters der bronnen, die der bergen, alle lachende, naakte godinnen van het woud. En de god en de godin zegevierden, zij straften de koelheid van den hoogmoedige die hen geminacht had, terwijl de groep der nimfen nieuwsgierig toezag, met een heilige vrees, naar de wraak van den Olymp, op den voorgrond. Daar vond het drama zijn ontknooping. De schoone Narcissus lag aan den rand van een beek, die van den achtergrond kwam, en bekeek zich in den waterspiegel; men had zelfs de waarheid zoo ver gedreven, dat men werkelijk spiegelglas op den bodem der beek had neergelegd.

Het was echter niet meer de jonge man, die in vrijheid door de bosschen zwierf; de dood verraste hem te midden van de opgetogen bewondering voor zijn eigen beeld; de dood maakte hem machteloos en Venus met haar uitgestrekten vinger, als de godin der apotheose, bracht over hem de noodlottige betoovering. Hij werd een bloem. Zijn ledematen werden groen, rekten zich uit en zijn nauwsluitend kostuum van groen satijn, de buigzame stengel, de lichtgebogen beenen verzonken in de aarde, vatten wortel, terwijl de romp, met breede witsatijnen banen versierd, tot een verwonderlijk fraaie bloemkroon ontlook. Het blonde haar van Maxime verhoogde de illusie, bracht met zijn lange krullen, gele stampers te midden der witte bloembladeren.

En de groote ontluikende bloem, met nog menschelijke vormen, boog het hoofd naar de bron, met omfloersden blik, het gelaat glimlachend in een wellustige verrukking, alsof de schoone Narcissus eindelijk in den dood de begeerten bevredigd had, die hij voor zichzelf gekoesterd had.

Een paar schreden verder, stierf eveneens de nimf Echo; zij stierf aan onbevredigden hartstocht: zij voelde haar brandende leden langzamerhand bevriezen en hard worden als de grond waarop zij lag. Zij werd geen gewone rots, met mos begroeid, maar wit marmer, door haar schouders en haar armen, door haar sneeuwwit kleed, waarvan de bladerengordel en de blauwe sjerp waren afgegleden. Ineengezonken in het satijn van haar rok, die zich in breede plooien vouwde, als een blok marmer, lag zij achterover; het eenige dat nog leefde in dat marmeren beeld, waren haar vrouwenoogen, glinsterende oogen, gericht op de waterbloem, die zich smachtend over den waterspiegel heenboog. En het scheen reeds of alle liefdeklanken uit het bosch, de lang aangehouden stemmen van het kreupelhout, de geheimzinnige trillingen der bladeren, de diepe zuchten der groote eiken, kwamen aangolven tegen het marmeren vleesch van de nimf Echo, wier hart, nog steeds bloedend in het blok, een langen weerklank gaf, de minste klachten van de Aarde en de Lucht in de verte herhalend.

--Wat hebben ze dien armen Maxime toegetakeld, fluisterde Louise. En mevrouw Saccard, die lijkt wel dood.

--Zij is begraven onder de poudre de riz, zei mevrouw Michelin.

Andere weinig welwillende opmerkingen werden gemaakt. Het derde tableau had niet het onbetwiste succès van de beide eerste. Toch had juist die tragische ontknooping mijnheer Hupel de la Noue in geestdrift gebracht voor zijn eigen talent. Hij bewonderde zich daarin, als zijn Narcissus in zijn spiegelglas. Hij had er een aantal dichterlijke en wijsgeerige strekkingen in neergelegd.

Toen de gordijnen voor de laatste maal waren dichtgeschoven en de toeschouwers als welopgevoede lui geapplaudisseerd hadden, had hij een vreeselijke spijt dat hij aan zijn boosheid toegegeven en de laatste bladzijde van zijn dichtstuk niet uitgelegd had. Hij wou toen aan de omstanders de verklaring geven van de bekoorlijke, grootsche of eenvoudigweg guitige dingen, die de schoone Narcissus en de nimf Echo voorstelden, en hij poogde zelfs te zeggen wat Venus en Plutus daar in dat open plekje deden; maar de heeren en dames, wier praktische geest de grot van het vleesch en die van het goud begrepen had, hadden weinig lust om zich te verdiepen in de mythologische complicaties van den prefect. Mignon en Charrier, die bepaald alles wilden begrijpen, waren de eenigen die hem er naar vroegen. Hij maakte zich van hen meester, hij hield ze, in een vensternis, bijna twee uur aan de praat met zijn Metamorphosen van Ovidius.

Intusschen nam de minister afscheid. Hij maakte zijn verontschuldiging dat hij onmogelijk kon wachten op de mooie mevrouw Saccard, om haar zijn compliment te maken over de volmaakte gratie van de nimf Echo. Hij had drie of vier maal de zaal rondgewandeld aan den arm van zijn broer, de dames groetende en enkele handdrukken wisselend. Nog nooit had hij zich zoo voor Saccard gecompromitteerd. Deze straalde van genoegen, toen zijn broer bij het heengaan hardop zei:

--Ik verwacht je morgenochtend. Kom bij me ontbijten.

Het bal zou een aanvang nemen. De bedienden hadden de fauteuils der dames langs de muren geplaatst. Het groote salon spreidde nu, van het gele salonnetje tot aan het tooneel, zijn naakte tapijt uit, welks groote purperen bloemen zich openden, onder het licht van de kristallen kronen. De warmte nam toe, de roode behangsels bruinden met hun weerschijn het goud van de meubels en het plafond. Men wachtte met de opening van het bal totdat de dames, Echo, Venus, Plutus en de anderen, van kostuum verwisseld hadden.

Mevrouw d'Espanet en mevrouw Haffner verschenen het eerst. Zij hadden haar kostuum van het tweede tableau weer aangedaan; de een was het Goud, de andere het Zilver. Men vormde een kring om ze en feliciteerde ze; en zij vertelden haar emoties.

--Ik was bijna in lachen uitgebarsten, zei de markiezin, toen ik van verre den grooten neus van mijnheer Toutin-Laroche zag, die me aankeek!

--Ik geloof dat ik een stijven nek heb, merkte de blonde Suzanna. Als het een minuut langer geduurd had, zou ik mijn hoofd weer gewoon gehouden hebben, zoo'n pijn deed mijn nek.