Jacht naar Fortuin

Part 23

Chapter 233,909 wordsPublic domain

--Wat bedoel je toch? vroeg zij.

--Wel, wat drommel, dat mijn vader je aardig beetneemt.... Ik heb met je te doen, heusch; je bent toch nog erg onnoozel!

En hij vertelde haar wat hij bij Laura gehoord had, laf en geniepig als hij was, met een geheime vreugde over al die laagheden uitweidende. Hij had een gevoel alsof hij zich wreekte over een beleediging, hem aangedaan. Zijn meisjesaard deed hem met genot bij die aanklacht verwijlen, bij dat wreede gebabbel, achter een deur afgeluisterd. Hij bespaarde Renée niets, noch het geld dat haar man haar met woekerwinst geleend had, noch dat wat hij van haar dacht te stelen, met belachelijke verzinsels, bakersprookjes.

De jonge vrouw hoorde hem aan, doodsbleek, met opeengeklemde lippen. Voor den schoorsteen staande, liet zij het hoofd een weinig zinken, staarde zij in het vuur. Haar nachtgewaad, dat hemd dat Maxime gewarmd had, ging open en liet haar blanke vormen zien, onbewegelijk als een standbeeld.

--Ik zeg je dat alles, besloot de jonge man, om je niet zoo dwaas te laten schijnen.... Maar je moet er mijn vader geen verwijt van maken. Hij is zoo kwaad niet. Hij heeft zijn gebreken, als iedereen.... Tot morgen, niet waar?

Hij ging naar de deur. Renée hield hem met een heftig gebaar terug.

--Blijf! riep zij gebiedend.

En hem naar zich toe trekkend, hem bijna op haar schoot nemend, voor het vuur, kuste ze hem op de lippen, en zei:

--Neen maar, het zou al te dwaas zijn ons nu nog te geneeren.... Weet je dan niet, dat ik sinds gisteren, sinds het oogenblik dat je hebt willen breken, bijna zinneloos ben. Ik ben heelemaal van streek. Van avond, op het bal, had ik een nevel voor mijn oogen. Dat komt omdat ik niet meer buiten je kan. Als jij weggaat, is het met mij gedaan.... Lach niet, ik zeg wat ik voel.

Zij keek hem met oneindige teederheid aan, alsof zij hem in lang niet gezien had.

--Ja, je hebt het bij het rechte eind, ik was onnoozel, je vader zou me alles wijs gemaakt hebben. Wat wist ik van al die dingen. Terwijl hij me zijn geschiedenis stond te vertellen, hoorde ik niets dan een hevig gegons, en ik was zoo verslagen, dat hij me had kunnen laten neerknielen, als hij gewild had, om me zijn papieren te laten teekenen. En ik verbeeldde me dat ik berouw had!.... Heusch, zoo dom was ik nog!....

Zij barstte in een schaterlach uit, haar oogen glinsterden als die van een krankzinnige. Zij ging voort, terwijl zij haar minnaar dichter tegen zich aandrukte:

--Doen wij dan kwaad! Wij hebben elkaar lief, wij amuseeren ons op onze manier. Dat doet iedereen, niet waar?.... Zie je vader, die geneert zich ook niet. Hij houdt van geld en hij neemt het waar hij het krijgen kan. Hij heeft gelijk, dat maakt het mij gemakkelijk. In de eerste plaats, teeken ik niets, en verder kom jij iederen avond terug. Ik was bang dat je niet meer zou willen, je weet wel, om hetgeen ik je gezegd heb.... Maar nu je dat toch niet schelen kan.... Ik sluit mijn deur trouwens toch voor hem, dat begrijp je nu wel.

Zij stond op en stak het nachtlichtje aan. Maxime weifelde, hij was wanhopig. Hij zag wat een dwaasheid hij begaan had, hij verweet zichzelf dat hij te veel gepraat had. Hoe kon hij nu zijn huwelijk bekend maken! Het was zijn eigen schuld, zij waren van elkander af, hij had niet noodig gehad naar boven te gaan, en vooral niet de bewijzen te komen leveren dat haar man haar plukte. Hij wist zelf niet meer aan welken aandrang hij had toegegeven, en dat maakte hem nog boozer op zichzelf. Maar, al mocht hij een oogenblik het plan gehad hebben om heen te gaan, het zien van Renée die haar pantoffels uitdeed, maakte hem daartoe te laf. Hij werd bang. Hij bleef.

Den volgenden dag kwam Saccard bij zijn vrouw om haar de akte te laten teekenen, maar zij antwoordde bedaard dat daar niets van kwam, dat zij zich bedacht had. Overigens zinspeelde zij nergens op; zij had zich stellig voorgenomen te zwijgen, om zich geen onaangenaamheden op den hals te halen, en haar op nieuw opluikende liefde in vrede te genieten. De zaak Charonne mocht loopen zoo zij wilde, haar weigering om te teekenen was maar een wraakneming; het overige kon haar niets schelen.

Saccard was bijna driftig geworden. Zijn heele droom vervloog. Zijn andere zaken gingen hoe langer hoe slechter. Hij had al zijn middelen uitgeput, als door een wonder hield hij het hoofd nog boven; dien eigen morgen had hij niet eens de rekening van zijn bakker kunnen betalen. Dat verhinderde hem echter niet tegen den Donderdag van halfvasten een schitterend feest voor te bereiden.

Tegenover Renée's weigering voelde hij den woesten toorn van een krachtig man, die door de gril van een kind in zijn werk gestuit wordt. Met het bewijs van afstand in zijn zak, kon hij wel geld los krijgen, in afwachting van de schadeloosstelling. Toen hij vervolgens een beetje tot bedaren kwam en helder na kon denken, verwonderde hem die plotselinge ommekeer van zijn vrouw, zij was ongetwijfeld opgestookt. Hij kreeg er de lucht van, dat er een minnaar in het spel was. Dat voorgevoel was zoo sterk, dat hij naar zijn zuster liep om haar te ondervragen, van haar te hooren of zij niets van Renée's verborgen leven wist.

Sidonie toonde zich zeer bitter. Zij vergaf haar schoonzuster de beleediging niet, die zij haar had aangedaan door haar weigering om mijnheer de Saffré te ontmoeten. Toen zij dan ook uit de vragen van haar broer begreep, dat deze zijn vrouw beschuldigde er een minnaar op na te houden, riep zij uit dat ze er zeker van was. En zij bood zich uit eigen beweging aan om de "duifjes" te bespieden. Dat snibbige nufje zou eens zien met wie zij te doen had.

Het was Saccard's gewoonte niet onaangename waarheden uit te lokken, zijn belang alleen dwong hem de oogen, die hij wijselijk gesloten hield, te openen. Hij nam het aanbod van zijn zuster aan.

--Wees daar maar gerust op, ik kom alles te weten, zei zij op meewarigen toon. Ach, arme broer, Angèle zou je nooit verraden hebben. Zoo'n goede, edelmoedige man! Die Parijsche poppen hebben geen hart.... En ik heb haar nog voortdurend goeden raad gegeven!

VI.

Er was gemaskerd bal bij de Saccards, den Donderdag van halfvasten. De groote aantrekkelijkheid was het dichtstuk "Amours du beau Narcisse et de la Nymphe Echo", in drie tafereelen, dat door de dames opgevoerd zou worden.

De schrijver van dit stuk, mijnheer Hupel de la Noue, reisde al meer dan een maand van zijn prefectuur naar het hôtel in het park Monceau, ten einde de repetities te leiden en zijn raad te geven over de kostuums. Hij had eerst gedacht zijn werk in verzen te schrijven, maar later had hij besloten tot tableaux vivants; dat was edeler, zei hij, dichter bij het antiek mooi.

De dames konden er niet meer van slapen. Er waren er bij, die tot driemaal toe van kostuum veranderden. Er werden eindelooze besprekingen gehouden, met den prefect als voorzitter. Men was het al dadelijk oneens over de rol van Narcissus. Zou zij door een vrouw of door een man voorgesteld worden? Eindelijk werd er op aandringen van Renée beslist, dat die rol aan Maxime zou toevertrouwd worden, maar hij zou de eenige man zijn, en mevrouw de Lauwerens zei bovendien dat zij er nooit in toegestemd had, als "de kleine Maxime niet op een heusch meisje geleek". Renée zou de nimf Echo zijn.

De kwestie van de kostuums bood meer zwarigheid aan. Maxime was een flinke hulp voor den prefect, die doodmoe was, te midden van negen vrouwen, wier dwaze verzinsels de zuivere lijnen van zijn ontwerp ernstig in gevaar brachten. Als hij naar ze geluisterd had, zou zijn Olympia zich geblanket hebben.

Mevrouw d'Espanet wilde met alle geweld een sleepjapon hebben om haar tamelijk groote voeten te verbergen, terwijl mevrouw Haffner zich met een dierenhuid wou tooien. Mijnheer Hupel de la Noue stond op zijn stuk; hij werd zelfs boos; hij zei met overtuiging, dat hij afgezien had van de verzen om zijn dichtstuk te schrijven "met kunstig saamgevoegde stoffen en uitgezochte mooie standen".

--Het ensemble, dames, herhaalde hij bij elken nieuwen eisch, gij vergeet het ensemble!.... Ik kan toch niet het heele werk opofferen aan de strooken die u mij vraagt.

De beraadslagingen werden in het gele salon gehouden. Men bracht er heele namiddagen zoek om den vorm van een rok vast te stellen. Worms werd verscheidene malen ontboden. Eindelijk was alles geregeld, de kostuums waren vastgesteld, de standen geleerd, en mijnheer Hupel de la Noue verklaarde zich voldaan. De verkiezing van mijnheer de Mareuil had hem minder moeite veroorzaakt.

Les Amours du beau Narcisse et de la nymphe Echo zouden om elf uur beginnen. Om half elf was het groote salon al vol, en daar er bal na was, zaten de dames in groot toilet op fauteuils in een halven cirkel voor het geïmproviseerde tooneel, een verhevenheid die door twee breede roodfluweelen gordijnen met gouden franje, langs roeden schuivende, verborgen was. De heeren stonden achter de stoelen of liepen heen en weer. De behangers hadden om tien uur de laatste spijkers ingeslagen.

De estrade verhief zich aan het einde van het salon en besloeg een geheelen zijkant van deze lange galerij. Men kwam op het tooneel door de rookkamer, die als foyer voor de artisten was ingericht. Bovendien hadden de dames op de eerste verdieping de beschikking over verscheidene kamers, waar een stoet van kameniers de toiletten voor de verschillende tableaux in gereedheid brachten.

Het was half twaalf, en de gordijnen bleven gesloten. Een luid gegons van stemmen klonk in het salon. De rijen fauteuils boden het verwonderlijkste mengelmoes van markiezinnen, slotvrouwen, melkmeisjes, Spaansche vrouwen, herderinnen en sultanes; terwijl de dichte massa zwarte jassen een groote zwarte vlek vormde, naast die lichte stofjes en bloote schouders, flonkerend van edelgesteenten. De dames alleen waren verkleed. Het was al warm. De drie gaskronen brachten gloed in den overvloed van goud in het salon.

Eindelijk zag men mijnheer Hupel de la Noue door een opening komen, die links van het tooneel was aangebracht. Van acht uur af was hij al bezig de dames te helpen. Zijn jas had op de linkermouw drie witte strepen van vingers, een dameshandje dat daarop gelegd was, na een greep in de poudre de riz doos. Maar de prefect had wel aan iets anders te denken! Zijn oogen puilden uit, zijn gezicht was bleek en opgezet. Hij scheen niemand te zien. En naar Saccard toegaande, dien hij herkende te midden van een groepje deftige heeren, zei hij halfluid:

--Sakkerloot, uw vrouw is haar bladeren-ceintuur kwijt.... Dat ziet er mooi uit!

Hij vloekte, hij zou de lui hebben kunnen slaan. Vervolgens zonder antwoord af te wachten, zonder naar iets te zien, keerde hij zich om, dook weg onder de draperieën en verdween. De dames glimlachten om die zonderlinge verschijning.

De groep te midden waarvan Saccard zich bevond, had zich achter de laatste rij stoelen gevormd. Men had zelfs een stoel uit die rij gehaald voor baron Gouraud, wiens beenen begonnen te zwellen. Daar bevond zich mijnheer Toutin-Laroche, die door den keizer tot lid van den Senaat benoemd was, mijnheer de Mareuil, wiens tweede verkiezing de Kamer bekrachtigd had; mijnheer Michelin, den vorigen dag gedecoreerd, en een beetje achteraf Mignon en Charrier, van wie de één met een grooten diamant in zijn das prijkte, terwijl de ander er een, nog grooter, aan zijn vinger had.

De heeren praatten. Saccard verliet ze een oogenblik om op fluisterenden toon een woordje te wisselen met zijn zuster, die juist binnengekomen was en tusschen Louise de Mareuil en mevrouw Michelin plaats had genomen.

Mevrouw Sidonie was als toovenares verkleed; Louise droeg heel kranig het kostuum van een page, dat haar nu heelemaal op een jongen deed lijken, de kleine Michelin, als Oostersche danseres, glimlachte lief onder haar met gouddraad gestikten sluier.

--Weet je iets? vroeg Saccard zachtjes aan zijn zuster.

--Neen, nog niets, antwoordde zij. Maar haar minnaar moet hier zijn.... Ik zal ze van avond wel snappen, daar kan je op rekenen.

--Je waarschuwt me toch dadelijk, niet waar?

En Saccard wendde zich naar rechts en naar links, maakte Louise en mevrouw Michelin een complimentje. Hij vergeleek de een bij een houri van Mahomed, de andere bij een lieveling van Henri III. Zijn provençaalsch accent scheen heel zijn schrale persoontje te doen zingen van verrukking.

Toen hij weer bij de groep deftige heeren kwam, nam mijnheer de Mareuil hem ter zijde en sprak hem over het huwelijk van hun kinderen. Er was niets aan veranderd, den volgenden Zondag zou het contract geteekend worden.

--Uitstekend, zei Saccard. Ik ben zelfs van plan het huwelijk van avond aan onze vrienden bekend te maken, als gij er geen bezwaar tegen hebt.... Ik wacht er mee op mijn broer den minister, die nu beloofd heeft te komen.

De nieuwbakken afgevaardigde was verrukt. Intusschen verhief mijnheer Toutin-Laroche zijn stem, alsof hij aan de diepste verontwaardiging ten prooi was.

--Ja, heeren, zei hij tot mijnheer Michelin en de twee aannemers die naderbij kwamen, ik was zoo goedhartig geweest mijn naam aan zoo'n zaak te verbinden.

En toen Saccard en Mareuil zich weer bij hem voegden, ging hij voort:

--Ik vertelde aan de heeren dat ongelukkige geval met de Société générale des ports du Maroc, je weet wel, Saccard?

Deze hield zich goed. De bewuste maatschappij was met een vreeselijk schandaal ineengestort. Al te nieuwsgierige aandeelhouders hadden willen weten hoe het stond met de vestiging van die beroemde handelsstations aan de kust der Middellandsche zee, en een gerechtelijk onderzoek had aangetoond dat de havens van Marokko slechts bestonden op de kaarten van de ingenieurs, heel mooie kaarten, die in de kantoren der Maatschappij aan den muur hingen. Sedert dat oogenblik schreeuwde mijnheer Toutin-Laroche nog harder dan de aandeelhouders; hij was verontwaardigd en eischte dat men hem zijn onbevlekten naam zou teruggeven. En hij maakte zoo'n misbaar, dat het gouvernement, om dien nuttigen man tot bedaren te brengen en hem in de publieke opinie te rehabiliteeren, besloot hem senaatslid te maken. En zoo vischte hij den lang begeerden zetel op, in een zaak die hem bijna op de bank der beschuldigden had gebracht.

--Ge zijt wel vriendelijk u daarover te bekommeren, zei Saccard. Ge kunt wijzen op uw groot werk, het Wijnbouwcrediet, dat zegevierend uit alle moeielijkheden te voorschijn is getreden.

--Ja, mompelde de Mareuil, dat zegt alles.

Het Wijnbouwcrediet was inderdaad in groote moeielijkheden geraakt, die zorgvuldig verborgen gehouden werden. Een minister die erg veel op had met deze finantiëele instelling, die de stad Parijs in haar macht had, had een speculatie op de rijzing uitgevonden, waarvan mijnheer Toutin-Laroche zich uitstekend had weten te bedienen. Niets was hem zoo welgevallig als loftuitingen op den voorspoed van het Wijnbouwcrediet. Hij lokte ze meestal uit. Hij dankte mijnheer de Mareuil met een blik, en zich naar baron Gouraud overbuigende, op wiens fauteuil hij vertrouwelijk leunde, vroeg hij hem:

--Hoe gaat het? Hebt u het niet te warm?

De baron bromde iets onverstaanbaars.

--Hij vermindert met den dag, zei mijnheer Toutin-Laroche zachtjes, zich tot de andere heeren wendend.

Mijnheer Michelin glimlachte, kneep van tijd tot tijd de oogleden halfdicht, om zijn roode lintje te zien. Mignon en Charrier, die stevig op hun groote voeten stonden, schenen zich veel meer thuis te voelen in hun gekleede jas, sinds zij briljanten droegen. Het was intusschen middernacht geworden, de gasten werden ongeduldig; zij durfden wel niet mopperen, maar de waaiers gingen zenuwachtig op en neer, en de gesprekken werden luider.

Eindelijk verscheen mijnheer Hupel de la Noue weer. Hij had al éen schouder door de nauwe opening, toen hij mevrouw d'Espanet eindelijk de verhevenheid op zag komen; de dames, die reeds op haar plaats waren voor het eerste tableau, wachtten alleen nog op haar. De prefect keerde zich om en met zijn rug naar de toeschouwers wisselde hij een paar woorden met de markiezin, die achter de gordijnen stond. Terwijl hij haar met de vingertoppen zijn groeten toezond, zei hij zachtjes:

--Mijn compliment, markiezin. Uw kostuum is prachtig.

--En dat er onder zit is nog veel mooier! antwoordde de jonge vrouw leukweg, terwijl zij hem in zijn gezicht uitlachte, zoo komisch vond zij hem, zooals hij daar in die draperieën gehuld stond.

Het gewaagde van die scherts verblufte den galanten mijnheer Hupel de la Noue een oogenblik, maar hij herstelde zich en hoe meer hij over de aardigheid nadacht, hoe meer hij er van genoot.

--Aardig, alleraardigst! fluisterde hij met een verrukt gezicht.

Hij liet het gordijn weer vallen en kwam zich bij het groepje deftige mannen voegen; hij wilde van zijn werk genieten. Hij was nu niet meer de ontstelde man, die het bladerenceintuur van de nimf Echo zocht. Hij straalde van genot, en veegde zich puffend het voorhoofd af. Hij had nog altijd het witte handje op de mouw van zijn jas, bovendien zat er een roode vlek op den duim van zijn rechterhandschoen; hij had dien vinger zeker in de poederdoos van een der dames gestoken. Hij glimlachte, wuifde zich wat koelte toe, en stotterde:

--Ze is aanbiddelijk, verrukkelijk, verbazend.

--Wie? vroeg Saccard.

--De markiezin. Verbeeld u, zooeven zegt ze....

En hij vertelde den kwinkslag. Men vond hem heel geestig. De heeren vertelden hem verder. Zelfs de waardige mijnheer Haffner, die juist aankwam, schonk er zijn bijval aan. Intusschen begon een piano, die ergens buiten het gezicht stond, een wals te spelen. Nu werd het opeens doodstil. In de eindelooze opeenvolging van grillige loopjes kwam telkens weer een zoetklinkend thema op het klavier omhoog en ging verloren in de trillende tonen van den nachtegaal, dan vielen de basstemmen weer in, langzamer. Het was een wals, die den wellust opwekte.

De dames bogen het hoofd ietwat voorover en luisterden glimlachend toe. Maar de vroolijkheid van mijnheer Hupel de la Noue was plotseling verdwenen. Hij keek bezorgd naar de rood fluweelen gordijnen en zei bij zich zelf dat hij mevrouw d'Espanet haar plaats had moeten aanwijzen, even goed als aan de andere dames.

De gordijnen werden langzaam opengeschoven, de piano hervatte zachtjes den zinnelijken wals. Een gemurmel verhief zich door de heele zaal. De dames bogen zich voorover, de heeren rekten de halzen uit, terwijl de bewondering zich hier en daar uitte in een te hardop gesproken woord, een onwillekeurigen zucht, een onderdrukt gelach. Dat duurde vijf volle minuten, onder de schitterende verlichting van de drie gaskronen.

Gerustgesteld glimlachte mijnheer Hupel de la Noue gelukzalig. Hij kon geen weerstand bieden aan de verzoeking om tot degenen, die hem omringden, te zeggen wat hij al een maand lang zeide:

--Ik had er eerst over gedacht er verzen van te maken.... Maar zoo is het edeler van opvatting, niet waar?

Terwijl de wals in een eindelooze wiegeling voortklonk, gaf hij nadere verklaringen. Mignon en Charrier waren naderbij gekomen en luisterden aandachtig.

--Gij kent het onderwerp, niet waar? De schoone Narcissus, zoon van den stroomgod Cephisos en de nimf Liriope, versmaadt de liefde van de nimf Echo.... Echo behoorde tot het gevolg van Juno, die zij door haar gesprekken bezig hield, terwijl Jupiter de aarde rondwandelde.... Echo, dochter van de lucht en van de aarde, zooals gij weet....

En hij geraakte in verrukking voor de poëzie van de fabel. Toen ging hij op vertrouwelijken toon voort:

--Ik meende mijn verbeelding vrij spel te mogen laten.... De nimf Echo leidt den schoonen Narcissus naar Venus, in een zeegrot, opdat de godin hem in liefde doet ontgloeien. Maar de godin blijft onmachtig. De jonge man toont door zijn houding dat hij niet getroffen is.

De verklaring was niet overbodig, want weinig toeschouwers in het salon begrepen de juiste beteekenis der groepen. Toen de prefect zijn personen halfluid had opgenoemd, werd de bewondering nog grooter. Mignon en Charrier zetten groote oogen op. Zij hadden er niets van begrepen.

Op de estrade, tusschen de roodfluweelen gordijnen, was een grot aangebracht. Het decor bestond uit zijde met groote plooien gevouwen, beschilderd met schelpdieren, visschen en zeeplanten. De golvende vloer, die als een heuveltje oprees, was met dezelfde zijde bedekt, waarop de décorateur een fijn zand had geschilderd, bezaaid met parelen en zilveren lovertjes. Het was een verblijf voor een godin. Op den top van het heuveltje stond mevrouw de Lauwerens, als Venus; eenigszins gezet, haar rose tricot met de waardigheid van een hertogin van den Olymp dragende, had zij haar rol als vorstin der liefde opgevat met groote, gestrenge en verslindende oogen. Achter haar zag men het schalksche gelaat, de vleugels en den pijlkoker van Cupido, die door het glimlachende mevrouwtje Daste werd voorgesteld.

Vervolgens hielden aan de eene zijde van het heuveltje, de drie Gratiën, de dames de Guende, Teissière en de Meinhold, geheel in neteldoek, elkander lachend omstrengeld, als in de beroemde groep van Pradier; terwijl aan de andere zijde de markiezin d'Espanet en mevrouw Haffner, in denzelfden stroom van kant gehuld, met de armen om elkanders middel, en de haren dooreengestrengeld een gewaagd hoekje in het tableau vormden, een herinnering aan Lesbos, die mijnheer Hupel de la Noue een beetje zachter, alleen voor de heeren, verklaarde, zeggende dat hij daarmede de macht van Venus had willen aantoonen.

Onder aan den heuvel, stelde gravin Vanska den Wellust voor; zij strekte zich uit, in een laatste krampachtige trekking, de oogen kwijnend en halfgeopend, als afgemat; zij had haar zwarte haren losgemaakt, en door de met gele vlammen gestreepte tunica zag men stukjes van haar donkere huid.

De kleuren der kostuums, van den sneeuwwitten sluier van Venus tot het donkerrood der tunica van den Wellust, vormden een zachten overgang, de overheerschende kleur was rose en vleeschkleur. En onder den electrischen stralenbundel, die heel vernuftig door een der tuinvensters op het tooneel gericht werd, vloeiden het gaas, de kant, al die lichte, doorzichtige stoffen zoo goed ineen met de schouders en de tricots, dat al dat rose en wit leven kreeg en men zich afvroeg of de dames hun liefde voor de plastische waarheid niet zoover gedreven hadden om zich geheel te ontkleeden.

Dat was slechts de apotheose; het drama werd op den voorgrond vertoond. Links strekte Renée, de nimf Echo, haar armen naar de groote godin uit, het hoofd half naar Narcissus gewend met een smeekenden blik, als om hem uit te noodigen Venus aan te zien, wat op zich zelf al voldoende is om in een hartstochtelijke liefde te ontbranden; maar Narcissus, die ter rechterzijde stond, maakte een weigerend gebaar, hij bedekte de oogen met de hand en bleef even koel.

De kostuums van deze twee personen hadden mijnheer Hupel de la Noue heel wat hoofdbreken gekost. Narcissus, als de halfgod der bosschen, droeg een ideaal jagerskostuum: groenachtig tricot, kort nauwsluitend mouwvest en een eiketakje in het haar. De kleeding van de nimf Echo was alleen reeds een heele allegorie; zij had iets van de groote boomen en van de hooge bergen, van de weergalmende plaatsen waar de stemmen der aarde en der lucht elkaar beantwoorden; zij stelde de rots voor door het witte satijn van den rok, het kreupelhout door de bladeren van het ceintuur, den wolkenloozen hemel door het blauwe gaas van het keurslijf.

En de groepen stonden onbewegelijk stil, de zinnelijke toon van den Olymp klonk in de oogverblinding van den breeden straalbundel, terwijl de piano haar klagenden liefdezang, door diepe zuchten afgebroken, voortzette.