Jacht naar Fortuin

Part 22

Chapter 224,143 wordsPublic domain

Die aardigheid had een uitbundig succès. Den volgenden dag stond zij in de bladen, die Laure d'Aurigny zonder plichtplegingen bij haar naam noemden en de twee heeren heel doorzichtig met hun voorletters aanduidden. De breuk tusschen Aristide Saccard en de dikke Laure baarde nog meer opzien dan hun gewaande liefdesbetrekking.

Intusschen had Saccard het gordijn weer laten vallen, te midden van de vroolijkheid, die zijn grap in het salon had teweeg gebracht.

--Wat een moed, hè! zei hij, zich tot Larsonneau wendend. Ze is zoo slim!.... Jij deugniet, hebt er zeker een aardig voordeeltje bij. Wat krijg je er voor?

Maar deze verdedigde zich glimlachend, terwijl hij zijn manchetten, die opgeschoven waren, naar beneden trok. Hij ging dicht bij de deur naast Saccard zitten.

--'t Is maar gekheid, ik wil je de biecht niet afnemen, wat drommel! Maar laten we nu eens ernstig praten. Ik heb van avond een langdurig gesprek met mijn vrouw gehad.... Alles is in orde.

--Zij stemt dus toe om haar aandeel af te staan? vroeg Larsonneau.

--Ja; maar dat heeft moeite gekost.... Vrouwen zijn zoo koppig! Je weet, de mijne had haar oude tante beloofd niets te verkoopen. Dat waren bezwaren zonder eind.... Gelukkig had ik mijn praatje klaar, waardoor alles beslist is.

Hij stond op om een sigaar aan de kaars aan te steken, die Laure op de tafel had laten staan, en zich daarop weer neervlijend op de causeuse, vervolgde hij:

--Ik heb mijn vrouw gezegd, dat je heelemaal geruïneerd bent.... Je hebt op de beurs gespeeld, je geld met meisjes doorgebracht, in allerlei slechte speculaties gescharreld; kortom je bent op het punt om failliet te gaan.... Ik heb haar zelfs te verstaan gegeven, dat ik aan je eerlijkheid twijfelde.... Toen heb ik haar uitgelegd, dat de zaak-Charonne in jouw ondergang meegesleept werd, en dat het maar het verstandigst zou zijn het voorstel aan te nemen, dat je me gedaan hadt om haar vrij te maken, door namelijk haar aandeel te koopen, al was het maar voor een appel en een ei.

--Dat is niet veel bijzonders, mompelde de onteigeningsagent. En denk je soms dat je vrouw zulke leugens gelooven zal?

Saccard glimlachte, hij was in een mededeelzame bui.

--Je bent erg onnoozel, vriendlief, hernam hij. 't Doet er weinig toe, wat je vertelt, maar het hoe, de toon en de gebaren, daar komt het op aan. Roep Rozan eens en ik wed met je, dat ik hem overtuig dat het klaarlichte dag is. En mijn vrouw is al niet veel verstandiger dan Rozan. Ik heb haar afgronden laten zien. Zij heeft zelfs geen vermoeden van de aanstaande onteigening. Toen zij verwonderd was, dat je er in jouw rampzaligen toestand nog aan denken kon zwaardere lasten op je te nemen, heb ik haar gezegd, dat zij je zeker in den weg zat om je schuldeischers een leelijken streek te spelen.... Enfin, ik heb haar de zaak aangeraden als het eenige middel om niet in eindelooze processen gewikkeld te worden, en ten minste nog eenig geld uit de terreinen te trekken.

Larsonneau bleef de geschiedenis een beetje grof vinden. Hij hield er een minder dramatische methode op na; al zijn operaties verwikkelden en ontknoopten zich sierlijk, als een salonstukje.

--Ik zou wat anders verzonnen hebben, zei hij. Enfin, ieder zijn manier.... Er blijft ons dus niets over dan te betalen.

--Daarover, antwoordde Saccard, wou ik me juist met je verstaan....

Morgen zal ik de akte van afstand aan mijn vrouw brengen, dan heeft zij die alleen bij je te laten bezorgen om den overeengekomen prijs te ontvangen. Ik zou liever een onderhoud vermijden.

Hij had inderdaad nooit willen hebben, dat Larsonneau op een vertrouwelijken voet met hen zou verkeeren. Hij inviteerde hem nooit, en bracht hem alleen bij Renée als het hoog noodig was dat de twee compagnons elkaar ontmoetten; dat was drie keeren gebeurd. Bijna altijd handelde hij als gevolmachtigde van zijn vrouw, daar hij het onnoodig vond dat hij alles van zijn zaken zou afweten.

Hij opende zijn portefeuille, en zei:

--Hier zijn tweehonderdduizend francs aan wissels, door mijn vrouw geteekend; die geef je haar in betaling, en dan voeg je er honderdduizend francs bij, die ik je morgen ochtend zal brengen.... 't Is een heele aderlating voor me. Dat zaakje kost me verbazend veel.

--Maar, merkte de onteigeningsagent op, dat maakt pas driehonderdduizend francs.... Is dat het bedrag van de kwitantie?

--Een kwitantie van driehonderdduizend francs! hernam Saccard lachend, dat kan je begrijpen, daar zouden we later mooi mee uitkomen: Volgens onze inventarissen, moet het eigendom nu geschat worden op twee millioen vijfhonderdduizend francs. De kwitantie moet natuurlijk de helft lager zijn.

--Dan zal je vrouw nooit willen teekenen.

--Wel ja! Ik zeg je dat alles in orde is. Wat drommel! ik heb haar gezegd dat dit een eerste voorwaarde is. Je zet ons het mes op de keel met je failliet, begrijp je? En daarbij heb ik net gedaan of ik aan je eerlijkheid twijfelde en je beschuldigd dat je je schuldeischers wou beetnemen.... Denk je dat mijn vrouw iets van al die dingen begrijpt?

Larsonneau schudde het hoofd en mompelde:

--Je had toch iets eenvoudigers kunnen verzinnen.

--Maar mijn verhaal is zoo eenvoudig mogelijk! zei Saccard in de grootste verbazing. Waar zie je toch voor den drommel iets ingewikkelds in?

Hij had zelf geen begrip van het ongeloofelijke aantal kunstgrepen die hij bij de gewoonste zaak gebruikte. Hij was werkelijk in zijn schik met dat sprookje, dat hij Renée op de mouw had gespeld; wat hem het meest verrukte, dat was de onbeschaamdheid van den leugen, de opeenstapeling van onmogelijkheden, de verbazende ingewikkeldheid van de intrige. Hij had de terreinen al lang in zijn bezit gehad, als hij dat heele drama niet verzonnen had; maar het zou hem minder genot verschaft hebben, als hij ze gemakkelijk had kunnen krijgen.

Hij stond op, en Larsonneau bij den arm nemende, ging hij met hem naar het salon.

--Je hebt me begrepen, niet waar? Volg maar getrouw mijn aanwijzingen en je zult me later toejuichen.... Zeg eens, waarde vriend, je moest liever geen gele handschoenen dragen, dat bederft je hand.

De onteigeningsagent glimlachte even en antwoordde:

--O, handschoenen zijn zoo kwaad niet; men kan alles aanraken zonder zich vuil te maken.

Toen zij het salon binnen kwamen, was Saccard verbaasd en ietwat ongerust, toen hij Maxime aan de andere zijde van het portière vond. De jonge man zat op een causeuse naast een blonde dame, die hem met eentonige stem een lange geschiedenis vertelde, de hare zeker.

Hij had inderdaad het gesprek van zijn vader en Larsonneau gehoord. De medeplichtigen schenen hem een paar onverschrokken knapen toe. Nog geërgerd over Renée's verraad, smaakte hij een laffe vreugde bij het hooren van den diefstal, waarvan zij het slachtoffer zou worden. Dat wreekte hem een beetje. Zijn vader kwam hem met een argwanend gezicht de hand drukken; maar Maxime fluisterde hem in het oor, terwijl hij op de blonde dame wees:

--Ze ziet er niet kwaad uit, hè? Ik wil van avond eens "werk van haar maken."

Toen deed Saccard zich heel galant voor. Laure d'Aurigny kwam even bij hen; zij beklaagde zich dat Maxime haar ternauwernood eenmaal per maand bezocht. Maar hij gaf voor dat hij het heel druk had gehad, wat iedereen deed lachen. Hij voegde er bij, dat hij voortaan altijd zou komen.

--Ik heb een treurspel geschreven, zei hij, en ik heb eerst gisteren de vijfde akte gevonden. Ik ben van plan bij alle mooie vrouwen van Parijs te komen uitrusten.

Hij lachte; hij had schik in zijn toespelingen, die hij alleen begrijpen kon.

Intusschen bleef er niemand in het salon over dan Rozan en Larsonneau. De Saccards stonden op, evenals de blonde dame, die in het huis woonde. Toen ging Laure naar den hertog en sprak zachtjes met hem. Hij scheen verbaasd en teleurgesteld. Toen zij zag dat hij geen aanstalten maakte om op te staan, zei zij halfluid:

--Neen, heusch, vanavond niet. Ik heb zoo'n hoofdpijn! Morgen, dat beloof ik je.

Rozan moest gehoorzamen. Laure wachtte totdat hij op het portaal was, om Larsonneau snel in het oor te fluisteren:

--Ik houd mijn woord, hè, groote Lar.... stop hem in zijn rijtuig.

Toen de blonde dame afscheid van de heeren nam, om naar haar kamer op de bovenste verdieping te gaan, was Saccard verwonderd dat Maxime haar niet volgde.

--Nu? vroeg hij.

--Och neen, antwoordde de jonge man. Ik heb me bedacht.

Toen kwam hij op een idee, dat hij heel grappig vond:

--Ik sta je mijn plaats af, als je wilt. Haast je, ze heeft haar deur nog niet gesloten.

Maar de vader haalde zachtjes de schouders op en zei:

--Dank je, ik heb op 't oogenblik wat beters, mijn jongen.

De vier mannen gingen naar beneden. Op straat gekomen, wilde de hertog bepaald dat Larsonneau met hem in het rijtuig mee zou gaan; zijn moeder woonde in het Marais; dan zou hij den onteigeningsagent aan zijn huis in de rue de Rivoli afzetten. Deze weigerde, sloot zelf het portier en riep den koetsier toe dat hij kon wegrijden. En hij bleef op het trottoir van den boulevard Haussmann met de twee anderen staan praten.

--Ach, die arme Rozan! zei Saccard, die op eens alles begreep.

Larsonneau bezwoer van neen, dat hij niets gaf om die dingen, dat hij een praktisch man was. En daar de twee anderen bleven schertsen en het een vinnige koude was, riep hij eindelijk uit:

--Nu, mij wel, ik bel aan!.... Je bent erg indiscrete lui.

--Goeden nacht! riep Maxime hem achterna, toen de deur weer dicht ging.

En zijn vader een arm gevende, liep hij met hem den boulevard op. Het was een van die heldere, vriezende nachten, wanneer het zoo aangenaam is op den harden grond, in de koude lucht te loopen. Saccard zei dat Larsonneau verkeerd deed, dat hij enkel een kameraad voor Laure moest zijn. Dat was zijn uitgangspunt om tot de verklaring te komen dat de liefde voor zulke meisjes werkelijk slecht was. Hij hing den zedenmeester uit, hij vond verwonderlijk wijze uitspraken en raadgevingen.

--Zie je, zei hij tot zijn zoon, dat is goed voor een tijd, mijn jongen. Men boet er zijn gezondheid bij in en het ware geluk smaakt men toch niet. Je weet dat ik niet zulke ouderwetsche ideeën heb. Maar ik heb er toch genoeg van; ik ga kalmer leven.

Maxime grinnikte; hij hield zijn vader staande, beschouwde hem in het maanlicht en verklaarde dat hij er nog goed uitzag.

Maar Saccard werd nog ernstiger.

--Spot zooveel je wilt. Maar ik zeg je nog eens, dat er niets boven het huwelijk gaat om een man te conserveeren en gelukkig te maken.

Toen sprak hij hem over Louise. En hij liep langzamer, om de zaak af te handelen, zei hij, nu zij er toch over praatten. De zaak was al geheel in orde. Hij vertelde hem zelfs dat hij met mijnheer de Mareuil den datum van de onderteekening van het contract had vastgesteld op den Zondag, die volgde op den Donderdag van halfvasten. Dien Donderdag zou er een groote soirée in het hôtel van het park Monceau zijn, en bij die gelegenheid zou het huwelijk openlijk bekend gemaakt worden.

Maxime vond dit alles heel goed. Hij was van Renée bevrijd, hij zag geen enkelen hinderpaal meer, hij gaf zich over aan zijn vader, zooals hij zich aan zijn stiefmoeder had overgegeven.

--Nu goed, dat is afgesproken, zei hij. Maar spreek er niet tegen Renée over. Haar vriendinnen zouden me voor den gek houden, me plagen, en ik heb liever dat ze de zaak pas tegelijk met de anderen te weten komen.

Saccard beloofde hem te zwijgen. Toen zij vervolgens op de hoogte van den boulevard Malesherbes kwamen, gaf hij hem nogmaals een schat van goede raadgevingen. Hij leerde hem hoe hij het moest aanleggen om zijn huis tot een paradijs te maken.

--En vóor alles, breek nooit met je vrouw. Dat is een domheid. Een vrouw met wie je niet meer omgaat, kost je ontzettend veel.... Eerstens, moet je het een of andere meisje betalen, nietwaar? Dan zijn de uitgaven in huis veel grooter: daar heb je het toilet, de bijzondere genoegens van mevrouw, de goede vriendinnen, den duivel en zijn trawanten.

Hij was in een bijzonder deugdzame bui. Het succès van de zaak Charonne stemde hem idyllisch teeder.

--Ik, ging hij voort, was geboren om gelukkig en vergeten in het een of ander dorpje te leven, te midden van mijn gezin.... Men kent me niet, jongenlief.... Ik lijk zoo ongedurig, zoo rusteloos, hè? Niets daarvan, ik zou dolgraag bij mijn vrouw blijven, ik zou graag mijn zaken in den steek laten voor een bescheiden inkomen, waarvan ik in Plassans zou kunnen leven.... Je wordt nu rijk, richt je nu met Louise een gezellige woning in, waar je als twee tortelduifjes kunt leven. Dat is zoo'n genot! Ik kom jelui eens opzoeken. Dat zal me goed doen.

De tranen verstikten op het eind zijn stem. Intusschen waren zij voor het hek van het hôtel gekomen, en zij bleven nog staan praten, op het trottoir.

Op die hoogten van Parijs woei er een stevig windje. Geen enkel geluid verstoorde de stilte van den helderen winternacht. Maxime, verbaasd over de gemoedelijke bui van zijn vader, had al een poosje een vraag op de lippen.

--Maar u, zei hij eindelijk, mij dunkt....

--Wat!

--Met uw vrouw!

Saccard haalde de schouders op.

--Juist. Ik was een dwaas. Daarom kan ik uit ondervinding spreken.... Maar we zijn weer bij elkaar. Al een kleine zes weken. Ik ga 's avonds weer naar haar toe, als ik niet te laat thuis kom. Maar vandaag moet mijn arme schatje het maar buiten me stellen; ik moet den heelen nacht doorwerken. Ze is toch zoo mooi gevormd!....

En hij hield Maxime, die hem de hand toestak, terug en ging zachter, op vertrouwelijken toon voort:

--Je weet, de taille van Blanche Muller, nu, zoo iets, maar tienmaal leniger. En die heupen! die zijn zoo fijn, zoo mooi van lijnen....

En tot afscheid zei hij tot den jongen man die heenging:

--Jij bent net als ik, je bent goedhartig, je vrouw zal gelukkig zijn.... Tot ziens, mijn jongen.

Toen Maxime zich eindelijk van zijn vader bevrijd zag, liep hij met rassche schreden het park om. Wat hij daar vernomen had, verbaasde hem zoozeer, dat hij een onweerstaanbare behoefte gevoelde om Renée te zien. Hij wou haar vergiffenis vragen voor zijn ruw gedrag, van haar weten waarom zij gelogen had door hem mijnheer Saffré te noemen, en hooren hoe haar man zoo verliefd op haar was geraakt. Maar dat alles heel vaag; het eenige stellige was de wensch een sigaar bij haar te komen rooken en hun vriendschappelijke verhouding weer te hernieuwen. Als zij goed gemutst was, wou hij haar zelfs zijn aanstaand huwelijk aankondigen, om haar te doen inzien dat hun liefde voor altijd dood en begraven was. Toen hij het poortje geopend had, waarvan hij gelukkig den sleutel bewaard had, maakte hij bij zichzelf de opmerking, dat zijn bezoek, na alles wat zijn vader hem in vertrouwen verteld had, noodzakelijk en volstrekt niet onbehoorlijk was.

In de serre floot hij, evenals den vorigen avond, maar hij wachtte niet.

Renée kwam de glazen deur van het kleine salon open doen, en ging hem zwijgend voor, naar boven. Ze was juist thuis gekomen van een bal op het Stadhuis. Ze had haar balkostuum nog aan: een witte tullen japon met groote plooien en vol satijnen strikken; de basques van het satijnen lijf waren gegarneerd met een kantwerk van witte gitten, die in het licht der kandelabers blauw en rose geaderd schenen.

Toen Maxime haar boven aanzag, werd hij getroffen door haar bleekheid, door de diepe ontroering die haar het spreken belette. Zij verwachtte hem niet, zij beefde over al haar leden, toen zij hem daar, zooals gewoonlijk, zag komen, kalm, met zijn aanhalige manieren. Céleste kwam uit de kleedkamer terug, waar zij een nachthemd was gaan halen, en de gelieven bleven het stilzwijgen bewaren, totdat het meisje weg zou gaan. Het was anders hun gewoonte niet zich voor haar in te houden; maar zij voelden nu een zekeren schroom, om te uiten wat hun op de lippen lag.

Renée wilde dat Céleste haar in de slaapkamer zou ontkleeden, omdat daar een flink vuur brandde. Het kamermeisje maakte de spelden los, en deed haar kleeren een voor een uit, zonder zich te haasten. En Maxime, dien dit verdroot, nam werktuigelijk het hemd, dat naast hem op een stoel lag, en warmde het voor het vuur, voorover gebogen, de armen wijd uitgestrekt. Hij was gewoon, in hun gelukkige dagen, Renée dien kleinen dienst te bewijzen. Zij werd verteederd, toen zij hem het hemd voorzichtig voor het vuur zag houden. En toen Céleste er geen eind aan scheen te maken, vroeg hij:

--Heb je veel plezier op het bal gehad?

--O neen, je weet, 't is altijd hetzelfde, antwoordde zij. Veel te veel menschen, een echte warboel.

Hij keerde het hemd om, dat aan de eene zij warm was.

--Wat voor kostuum had Adeline?

--Een mauve japon, tamelijk leelijk idee.... Ze is klein, en ze is verzot op strooken.

Ze spraken over de andere vrouwen. Nu brandde Maxime zijn vingers aan het hemd.

--Pas op, het zal schroeien, zei Renée met een moederlijke streeling in haar stem.

Céleste nam het hemd van den jongen man over. Hij stond op, ging het groote grijs-rose bed bekijken, bleef verdiept in de beschouwing van een der bouquetten op het behangsel, om het hoofd af te kunnen wenden, om Renée's ontbloote borsten niet te zien. Dat deed hij instinctmatig. Hij geloofde zich haar minnaar niet meer, hij had het recht niet meer iets te zien. Toen haalde hij een sigaar voor den dag en stak ze aan.

Renée had hem toegestaan bij haar te rooken. Eindelijk ging Céleste heen; zij liet de jonge vrouw bij het haardvuur achter, geheel wit in haar nachtgewaad.

Maxime liep nog een poosje zwijgend heen en weer met een schuinschen blik naar Renée, die weer scheen te beven. En voor den schoorsteen staan blijvende, met zijn sigaar in den mond, vroeg hij op driftigen toon:

--Waarom heb je me niet gezegd dat het mijn vader was, die je gisteren avond bij je had?

Zij hief het hoofd op, de oogen wijd opengesperd, met een blik van naamlooze ontzetting; toen steeg er een purperen gloed naar haar wangen, en door schaamte als vernietigd, verborg zij het gelaat in haar handen en stamelde:

--Weet je dat! Weet je dat?....

Zij herstelde zich, trachtte te liegen.

--'t Is niet waar.... wie heeft het je verteld?

Maxime haalde de schouders op.

--Wel, vader zelf, hij vond je zoo mooi gevormd en hij prees je heupen.

Er klonk eenige spijt uit zijn woorden. Maar hij begon weer op en neer te loopen, terwijl hij tusschen twee trekjes aan zijn sigaar op een vriendelijk beknorrenden toon zei:

--Ik begrijp je waarachtig niet. Je bent een zonderlinge vrouw. 't Is je eigen schuld als ik gisteren wat ruw ben geweest. Had je me gezegd dat mijn vader bij je was, dan was ik bedaard heengegaan, vat je? Ik heb geen recht--Maar nu ga je ons mijnheer de Saffré opnoemen!

Zij snikte, met de handen voor het gelaat. Hij kwam naderbij, knielde voor haar neer, trok haar handen met geweld weg.

--Komaan, zeg me nu eens waarom je mijnheer de Saffré hebt genoemd!

En zij antwoordde zachtjes, tusschen haar tranen in, met afgewend gelaat:

--Ik dacht dat je me verlaten zou, als je wist dat je vader....

Hij stond op, nam zijn sigaar weer van den schoorsteen en mompelde niets dan:

--Jij bent ook een rare!....

Zij huilde niet meer. De vlammen van den schoorsteen en de gloed van haar wangen droogden haar tranen. De verwondering Maxime zoo kalm te zien tegenover een bekentenis die zij meende dat hem ontzetten moest, deed haar haar schaamte vergeten. Zij zag hem loopen, zij hoorde hem spreken, als in een droom. Hij herhaalde haar, zonder zijn sigaar uit den mond te nemen, dat zij onverstandig was, dat het heel natuurlijk was dat zij gemeenschap met haar man had, dat hij er niet aan dacht om zich daarover boos te maken. Maar voor een minnaar uitkomen dien men niet heeft! En daarop kwam hij telkens terug, als iets dat hij niet begrijpen kon, dat hem werkelijk onnatuurlijk voorkwam. Hij sprak van die "dwaze inbeeldingen" van vrouwen.

--Je bent niet goed bij 't hoofd, lieve kind, je mag wel oppassen.

Eindelijk vroeg hij nieuwsgierig:

--Maar waarom juist mijnheer de Saffré en geen ander?

--Hij maakt me het hof, zei Renée.

Maxime hield een onbeschoft antwoord terug; hij wou zeggen dat zij zeker gedacht had dat zij een maand ouder was, toen zij mijnheer de Saffré als haar minnaar noemde. Alleen een onaangename lach verried zijn boos opzet, en zijn sigaar in het vuur werpende, kwam hij aan den anderen kant van den schoorsteen zitten. Daar begon hij te redeneeren, hij gaf Renée als zijn meening te kennen, dat zij goede vrienden moesten blijven. Renée's strakke gezicht maakte hem toch een beetje ongerust; hij durfde haar zijn huwelijk niet aankondigen. Zij beschouwde hem aandachtig, de oogen nog gezwollen van het schreien.

Zij vond hem nietig, bekrompen, verachtelijk, en toch hield zij van hem, met dezelfde liefde die zij voor haar kanten had. Hij zag er knap uit onder het licht van den kandelaar, die naast hem op den rand van den schoorsteen stond. Terwijl hij het hoofd achterover hield, wierp het kaarslicht een gouden glans over zijn haren, gleed langs zijn gelaat, over het lichte dons van zijn wangen, met een bekoorlijke blondheid.

--'t Wordt tijd dat ik heenga, zei hij meer dan eens.

Hij was stellig van plan niet te blijven. Renée zou het trouwens niet gewild hebben.

Alle twee dachten en zeiden het: zij waren nog slechts twee vrienden. En toen hij eindelijk de jonge vrouw de hand gedrukt had en op het punt stond de kamer te verlaten, hield zij hem nog een oogenblik terug en sprak hem over zijn vader. Zij hield een heele lofrede op hem.

--Ik had te veel berouw, zie je. Ik ben blij dat het zoo gegaan is.... Je kent je vader niet; ik stond verbaasd over zijn goedheid, zijn belangeloosheid. De arme man zit op het oogenblik zoo in zorgen.

Maxime keek zwijgend naar de punten van zijn laarzen. Zij praatte voort.

--Zoolang hij niet in deze kamer kwam, was het mij om het even. Maar later.... Toen ik hem hier zag komen, zoo hartelijk, om me wat geld te brengen dat hij met de grootste moeite overal vandaan had moeten halen, zich zonder klagen voor mij ruïneerde, toen werd ik er ziek van.... Als je wist hoe zorgvuldig hij mijn belangen behartigd heeft!

De jonge man kwam langzaam naar den schoorsteen terug en leunde er met den rug tegen. Hij scheen te weifelen; zijn mond nam langzamerhand een lachende uitdrukking aan.

--Ja, mompelde hij, mijn vader is heel knap in het behartigen van iemands belangen.

De toon van dat gezegde verwonderde Renée. Zij keek hem aan, en hij, als om zich te verdedigen:

--O, ik weet niets.... Ik zeg alleen dat mijn vader een knappe man is.

--Je zou er verkeerd aan doen als je kwaad van hem sprak, hernam zij. Je beoordeelt hem naar den schijn.... Als ik je al zijn beslommeringen noemde, als ik je zei wat hij mij vanavond nog in vertrouwen vertelde, dan zou je eens zien hoe men zich in hem vergist, als men denkt dat hij aan geld gehecht was.

Maxime kon een schouderophalen niet bedwingen. Hij viel zijn stiefmoeder in de rede, met een ironisch lachje.

--Nu, ik ken hem, ik ken hem al te goed.... Hij heeft je zeker wat moois verteld. Laat eens hooren.

Die schertsende toon kwetste haar. Toen werd zij nog uitbundiger in haar lof, zij vond haar man nu heelemaal groot, zij sprak over de zaak Charonne, over die knoeierij waarvan zij niets begrepen had, als over een ramp waarin Saccard's schranderheid en goedheid haar voor het eerst duidelijk werden. Zij voegde er bij dat zij de akte van afstand den volgenden dag zou teekenen, en dat zij, als dat werkelijk een ramp was, dien ramp aanvaardde als een straf voor haar misslagen.

Maxime liet haar, met een spotlach en een schuinschen blik, ten einde toe uitpraten, toen zei hij halfluid:

--Ja, ja, zoo is het....

En luider, met de hand op Renée's schouder:

--Lieve kind, ik dank je, maar ik wist er alles van.... Je bent een goede ziel.

Hij maakte weer een beweging om heen te gaan. Hij brandde van begeerte om alles te vertellen. Ze had hem wanhopig gemaakt met haar loftuitingen op haar man, en hij vergat zijn voornemen om niet te spreken, om alle onaangenaamheden te voorkomen.