Jacht naar Fortuin

Part 21

Chapter 214,060 wordsPublic domain

Mijnheer de Mareuil kreeg den schrik op het lijf, hij had driehonderdduizend francs in het departement uitgegeven, hij bezat er groote eigendommen, waar hij zich verveelde, en die hij met verlies zou moeten verkoopen. Hij kwam dan ook zijn collega smeeken zijn broer tevreden te stellen, door hem uit zijn naam een verkiezing te beloven, waarop niets aan te merken viel.

Bij die gelegenheid bracht Saccard het huwelijk van de kinderen weer ter sprake, dat nu definitief werd vastgesteld.

Toen Maxime er over gepolst werd, was hij met de zaak verlegen. Louise vond hij aardig, en de bruidschat lokte hem nog meer. Hij zei ja, en vond al de datums goed die Saccard opnoemde, om zich de onaangenaamheden van een discussie te besparen. Maar in zijn binnenste moest hij zich bekennen, dat de zaken ongelukkig genoeg niet zoo gemakkelijk zouden geschikt worden. Renée zou het nooit willen hebben; zij zou huilen, tegen hem uitvaren, zij was in staat een groot schandaal te verwekken om Parijs in verbazing te brengen. 't Was heel onaangenaam. Nu joeg zij hem vrees aan. Zij bewaakte hem met onheilspellende blikken, zij oefende zoo'n despotische macht over hem uit, dat hij meende haar nagels in zijn schouder te voelen dringen, als zij haar blank handje daarop lei. Haar woelige drukte ontaardde in barschen drift, en er klonk een valsche toon, als van een gebroken snaar, in haar lachen. Hij begon zich werkelijk bevreesd te maken, dat zij op een goeden nacht in zijn armen gek zou worden. Bij haar verrieden de wroeging, de vrees voor ontdekking, de wreede genietingen van het overspel, zich niet zooals bij de andere vrouwen, door tranen en neerslachtigheid, maar door een grooter buitensporigheid, door een onwederstaanbaarder behoefte aan luidruchtigheid. En in haar aangroeiende ontsteltenis, begon men een gereutel te hooren, het van streek geraken van het raderwerk van deze wonderschoone machine.

Maxime wachtte lijdelijk op een gelegenheid, die hem van deze hinderlijke maîtresse zou bevrijden. Hij zei weer, dat zij een dwaasheid begaan hadden. Mocht hun vriendschappelijke verhouding eerst aan hun liefdesbetrekking een genot te meer hebben gevoegd, nu verhinderde deze hem met haar te breken, zooals hij zeker met een andere vrouw gedaan zou hebben. Hij zou weggebleven zijn; dat was zijn manier om een einde aan zijn liaisons te maken, om allen last, alle onaangenaamheid te vermijden. Maar hij deinsde terug voor een schandaal, en hij gaf zich zelfs nog gaarne over aan Renée's liefkoozingen; zij was zoo moederlijk zorgzaam, ze betaalde voor hem, zij redde hem uit de verlegenheid, als de een of andere schuldeischer ongeduldig werd. Dan kwam de gedachte aan Louise, met haar bruidschat van een millioen, weer in hem op; zoodat hij zelfs onder de kussen van de jonge vrouw, bij zichzelf zei, dat alles heel goed en mooi was, maar dat hij er niet verder mee kwam, dat er toch een einde aan diende te komen.

Op zekeren avond was Maxime zoo gauw geplunderd bij een dame, waar men dikwijls tot het aanbreken van den dag speelde, dat hij een van die wanhopige buien kreeg van een speler, wiens zakken ledig zijn. Hij had alles ter wereld willen geven om nog een paar goudstukken op de tafel te kunnen werpen. Hij greep zijn hoed en met den werktuigelijken tred van een man, die door een idée fixe wordt voortgedreven, begaf hij zich naar het park Monceau, opende het kleine hek en bevond zich in de serre.

Het was al na twaalven. Renée had hem dien avond verboden te komen. Wanneer zij hem nu weigerde te ontvangen, gaf zij zelfs geen reden meer op en hij dacht er alleen aan hoe hij zich dien vrijen dag ten nutte zou maken.

Hij dacht eerst aan het verbod van de jonge vrouw, toen hij voor de glazen deur van de serre stond, die gesloten was. Gewoonlijk draaide Renée, als zij hem verwachtte, de spanjolet van die deur neer.

--Bah, dacht hij, het venster van de kleedkamer verlicht ziende, ik zal fluiten, dan komt zij naar beneden. Ik zal haar niet lang ophouden; als ze een paar tientjes heeft, ga ik al dadelijk weg.

En hij floot zachtjes. Hij gaf dikwijls zoo'n signaal om zijn komst aan te kondigen. Maar dezen keer floot hij verscheidene keeren te vergeefs. Hij floot wat harder, hij had het nu eenmaal in zijn hoofd gezet om wat te leen te krijgen. Eindelijk zag hij, dat de glazen deur heel behoedzaam geopend werd, ofschoon hij niet het minste geluid van voetstappen gehoord had.

In het schemerlicht van de serre verscheen Renée, met losse vlechten, half gekleed, alsof zij zich juist te bed wou begeven. Zij had bloote voeten. Zij duwde hem naar een der priëelen, de trappen afgaande en over het zand der gangpaden loopende, zonder dat zij, naar het scheen, de koude of de ruwe hardheid van den grond voelde.

--Hoe dom om zoo hard te fluiten, fluisterde zij met ingehouden toorn. Ik had je gezegd dat je niet moest komen. Wat wil je van me hebben?

--Laten we naar boven gaan, zei Maxime verbaasd over die ontvangst. Ik zal het je boven vertellen. Je zult kou vatten.

Maar toen hij een stap vooruit deed, hield zij hem tegen, en toen merkte hij op dat zij vreeselijk bleek zag. Een stomme vertwijfeling boog haar ter neder. Haar onderkleeren, de kanten van haar linnengoed, hingen slap langs haar sidderend lichaam.

Hij keek haar met stijgende verbazing aan.

--Wat scheelt je toch? Ben je ziek?

En instinctmatig hief hij het hoofd op en keek door de ruiten van de serre naar het venster van haar toiletkamer, waar hij licht had zien branden.

--Maar je hebt een man bij je, zei hij eensklaps.

--Neen, neen, 't is niet waar, stotterde zij, smeekend, ontsteld.

--Kom, kom, ik zie zijn schaduw.

Toen bleven zij een oogenblik tegenover elkander staan, niet wetende wat zij elkander zeggen zouden. Renée klappertandde van angst, zij had een gevoel alsof men emmers ijskoud water over haar bloote voeten leeggoot. Maxime was nijdiger dan hij mogelijk geacht had; maar hij bleef zichzelf genoeg meester om na te denken, om bij zichzelf te zeggen, dat het een mooie gelegenheid was om met haar te breken.

--Je wilt me toch niet wijsmaken dat Céleste een jas draagt, ging hij voort. Als de ruiten van de serre niet zoo dik waren, zou ik den man misschien herkennen.

Zij duwde hem nog dieper onder het dichte gebladerte; en met gevouwen handen smeekte zij steeds angstiger:

--Ik bid je, Maxime....

Maar de plaagzucht van den jongen man was ontwaakt, een woeste plaagzucht, die zich zocht te wreken. Hij was te zwak om zijn boosheid door toorn lucht te geven. Van spijt kneep hij de lippen dicht opeen; en in plaats van haar te slaan, zooals hij eerst had willen doen, hernam hij op scherpen, kwetsenden toon:

--Had het me maar gezegd, dan had ik je niet lastig komen vallen.... Dat komt dagelijks voor, dat men niet meer van elkander houdt. Ik begon er zelf ook al genoeg van te krijgen. Kom, word maar niet ongeduldig. Ik zal je naar boven laten gaan, maar niet voordat je me den naam van dien man genoemd hebt....

--Nooit! fluisterde de jonge vrouw, met een door tranen verstikte stem.

--'t Is niet om hem uit te dagen, alleen om te weten.... Zijn naam, zeg ik je, en ik ga heen.

Hij had haar bij de polsen gevat en keek haar aan, met zijn kwaadaardigen lach. En zij verweerde zich, vol ontzetting; zij wilde den mond niet meer openen, opdat de naam waarnaar hij vroeg, haar niet zou ontsnappen.

--We zullen leven maken, daar schiet je niet mee op. Waarom ben je bang? Zijn we geen goede vrienden? Ik wil weten wie mij vervangt, dat is mijn recht.... Wacht, ik zal je te hulp komen. 't Is zeker mijnheer de Mussy, die je door zijn verdriet heeft weten te treffen.

Zij antwoordde niet. Zij boog het hoofd onder zoo'n verhoor.

--Mijnheer de Mussy is 't niet?.... Dan de hertog de Rozan? Ook al niet?.... Misschien de graaf de Chibray? Evenmin?

Hij hield op en dacht na.

--Ik zie niemand.... 't Is mijn vader toch niet, na al wat je me gezegd hebt....

Renée trilde, alsof zij zich brandde, en dof klonk het terug:

--Neen, je weet wel dat hij niet meer komt. Ik zou het niet willen, 't zou laag zijn.

--Wie dan?

En hij drukte haar polsen nog krachtiger. De arme vrouw bood nog eenigen tijd weerstand.

--O, Maxime, als je wist!.... Ik kan je toch niet zeggen....

Daarop, overwonnen, vernietigd, en met schrik naar het verlichte venster ziende;

--'t Is mijnheer de Saffré, fluisterde zij heel zachtjes.

Maxime, die pleizier had in zijn wreed spel, verbleekte voor die bekentenis, die hij met zooveel aandrang had uitgelokt. Hij werd verbitterd door de onverwachte smart, die de naam van dien man hem veroorzaakte. Hij duwde heftig Renée's polsen terug, kwam een stap nader en siste tusschen zijn opeengeklemde tanden.

--Weet je wat je bent, een....!

Hij noemde het woord. En hij keerde zich om, toen zij snikkend op hem toeliep, hem in haar armen nam, teedere woordjes fluisterde, vergiffenis vroeg, hem bezwoer dat zij zielsveel van hem hield, en dat zij hem den volgenden dag alles zou uitleggen.

Maar hij maakte zich los, sloot driftig de serredeur met de woorden:

--Neen, 't is uit, ik heb er meer dan genoeg van.

Zij bleef als verplet staan. Zij zag hem den tuin doorgaan. Het scheen haar alsof de boomen van de serre om haar heen draaiden. Toen sleepte zij langzaam haar bloote voeten over het zand der gangpaden voort, ze ging de trappen weer op, de huid gemarmerd door de koude, nog tragischer in de wanorde van haar kanten.

Boven, antwoordde zij op de vragen van haar man, die op haar wachtte, dat haar op eens de plek te binnen was geschoten waar een notitieboekje kon gevallen zijn, dat zij den heelen dag gemist had. En toen zij te bed lag, kwam de gedachte plotseling bij haar op, en vervulde haar met een groote wanhoop, dat zij aan Maxime had moeten zeggen dat zijn vader, met haar thuis gekomen, haar op haar kamer gevolgd was om haar over een geldkwestie te spreken.

Den volgenden dag besloot Saccard de ontknooping van de zaak Charonne te bespoedigen. Zijn vrouw behoorde hem geheel toe; hij voelde, hoe lijdzaam zij zich aan zijn handen overgaf. Aan den anderen kant zou de richting van den boulevard du Prince-Eugène weldra vastgesteld worden; Renée moest geplunderd worden voordat de aanstaande onteigening bekend gemaakt werd.

Saccard toonde in die heele zaak de toewijding van een kunstenaar; hij zag zijn plan met devotie rijpen, hij spande zijne netten met het fijn overleg van een jager, die er een eer in stelt het wild netjes te vangen. Het was bij hem eenvoudig de voldoening van een behendig speler, van een man die een bijzonder genot in een gestolen winst vindt; hij wou de terreinen voor een appel en een ei hebben, terwijl hij zijn vrouw, in de vreugde over zijn zegepraal, honderdduizend francs aan juweelen gaf. De eenvoudigste operaties werden ingewikkeld, zoodra hij er de hand in had; hij wond zich op, en zou zijn vader geslagen hebben om een geschil over een rijksdaalder. En daarna deelde hij het goud met kwistige hand uit.

Maar voordat hij Renée tot den afstand van haar eigendomsrecht bewoog, was hij zoo voorzichtig Larsonneau te gaan polsen over diens waarschijnlijke plannen om hem geld af te persen. Zijn instinct redde hem bij deze gelegenheid. De onteigeningsagent had van zijn kant gedacht, dat de vrucht rijp genoeg was om ze te plukken. Toen Saccard het kantoor in de rue de Rivoli binnentrad, vond hij zijn compagnon erg ontdaan en teekenen van de grootste wanhoop gevende.

--Ach, beste vriend, zei Larsonneau, zijn handen grijpende, wij zijn verloren. Ik wou juist bij u aanloopen om samen te overleggen, hoe wij uit die ongelegenheid kunnen geraken....

Terwijl hij zijn handen wrong en een snik voor den dag bracht, merkte Saccard op, dat hij bezig was brieven te onderteekenen, en dat de handteekeningen bijzonder vast waren. Hij keek hem kalm aan en zei:

--Bah, wat is er dan gebeurd?

Maar de ander antwoordde niet dadelijk; hij was in zijn armstoel neergevallen, voor zijn bureau, en zat daar, met de ellebogen op het vloeiboek en het voorhoofd in de handen, heftig het hoofd te schudden. Eindelijk zei hij met gesmoorde stem:

--Ze hebben het register gestolen, je weet wel....

En hij vertelde dat een van zijn klerken, een schurk die goed was voor de galeien, hem een aantal papieren ontfutseld had, waaronder ook het bewuste register. Het ergste was, dat de dief begrepen had, welk voordeel hij van dat stuk kon trekken, en dat hij er honderdduizend francs voor wou hebben.

Saccard overlegde bij zichzelf. Het fabeltje leek hem wat al te lomp uitgedacht. Klaarblijkelijk gaf Larsonneau er weinig om, of hij geloofd werd. Hij zocht eenvoudig een voorwendsel om hem te doen begrijpen dat hij honderdduizend francs in de zaak-Charonne verlangde, en op die voorwaarde zou hij zelfs de gevaarlijke papieren, die hij in handen had, teruggeven.

De koop kwam Saccard toch wel wat kostbaar voor. Hij zou zijn oud-collega met plezier zijn aandeel gegund hebben, maar die valstrik, die ijdelheid om hem te willen foppen, maakten hem boos. Toch was hij een beetje ongerust; hij kende den sinjeur en hij achtte hem best in staat de papieren bij zijn broer den minister te brengen, die ongetwijfeld betalen zou om alle opspraak te vermijden.

--Verduiveld! mompelde hij, ook plaats nemende, dat is een leelijke geschiedenis.... En is die schurk ook te spreken?

--Ik zal hem laten halen, zei Larsonneau. Hij woont vlak bij, rue Jean Lantier.

Er waren nog geen tien minuten verloopen, of een klein, loensch jongmensch, met vaalblond haar en een gezicht vol sproeten, trad zacht de kamer binnen. Hij had een vreeselijk kale, zwarte jas aan, die hem veel te groot was. Hij bleef op eerbiedigen afstand staan, Saccard met een schuinschen blik aanziende. Larsonneau, die hem Baptistin noemde, nam hem een verhoor af, waarop hij met ja en neen antwoordde, zonder in het minst van streek te geraken; met de grootste onverschilligheid luisterde hij naar de namen "dief, oplichter, schavuit", waarmee zijn patroon iedere vraag vergezeld liet gaan.

Saccard bewonderde de koelbloedigheid van dien ongelukkige. Op een gegeven oogenblik sprong de onteigeningsagent van zijn zetel op om hem een slag te geven; en hij vergenoegde zich met een stap achteruit te treden, terwijl zijn loensch oog nog onderdaniger keek.

--'t Is goed, laat hem met rust, zei de financier. Dus, mijnheer, u vraagt honderdduizend francs in ruil voor de papieren?

--Ja, honderdduizend francs, antwoordde de jonge man.

En hij ging heen. Larsonneau scheen niet tot bedaren te kunnen komen.

--Wat een schobbejak, hè! stamelde hij. Heb je zijn valsche blikken gezien?.... Die snaken zien er zoo verlegen uit en zij zouden iemand voor twintig francs vermoorden.

Maar Saccard viel hem in de rede met de opmerking:

--Kom, kom, zoo verschrikkelijk is hij niet. Ik geloof dat we wel tot een schikking kunnen komen.... Ik kwam voor een veel leelijker geval.... Je hadt gelijk, dat je mijn vrouw niet vertrouwde, mijn waarde. Verbeeld je, dat ze haar eigendomsrecht aan mijnheer Haffner verkoopen wil. Ze heeft geld noodig, zegt ze. Ze is er zeker toe aangespoord door haar vriendin Suzanne.

De ander hield plotseling op met zijn wanhopige manieren; hij luisterde toe, een beetje bleek, en schikte zijn das recht, die in zijn drift verschoven was.

--Die afstand, ging Saccard voort, slaat onzen verwachtingen den bodem in. Als mijnheer Haffner uw medecompagnon wordt, komen niet alleen onze voordeelen in gevaar, maar ik ben erg bang dat wij ons in een heel onaangename positie zullen bevinden tegenover dien angstvalligen man, die de rekeningen zal willen napluizen.

De onteigeningsagent begon driftig heen en weer te loopen, met zijn krakende verlakte laarzen.

--Zie nu eens, mompelde hij, in welk een toestand men geraakt als men den menschen een dienst bewijst!.... Maar, mijn waarde, in uw plaats zou ik mijn vrouw beletten zoo'n dwaasheid uit te halen. Ik zou haar liever slaan.

--Ach, vriendlief!.... zei de financier met een fijn lachje. Ik heb al even weinig macht over mijn vrouw als gij over dien schavuit van een Baptistin schijnt te hebben.

Larsonneau bleef midden in zijn wandeling voor Saccard staan, die maar steeds glimlachte, en hem veelbeteekenend aankeek. Daarop begon hij weer op en neer te loopen, maar nu met langzamen, afgemeten tred. Hij ging voor een spiegel staan, schikte zijn das recht, hervatte zijn wandeling, met zijn gewone elegantie. En plotseling riep hij:

--Baptistin!

De schele jonge man trad binnen, maar door een andere deur. Hij was nu zonder hoed, en hij draaide een pen tusschen zijn vingers.

--Ga het register halen, gebood Larsonneau hem.

En toen Baptistin weg was, sprak hij over het geld dat hij hebben moest.

--Doet het om mijnentwil, zei hij ten slotte ronduit.

Toen stemde Saccard er in toe dertigduizend francs te geven op de aanstaande winsten van de zaak Charonne. Hij vond dat hij nog goedkoop uit de gehandschoende handen van den woekeraar kwam. Deze liet de promesse op zijn naam stellen; hij speelde zijn komediespel tot het einde toe door en zei dat hij rekening zou houden met de dertig duizend francs voor den jongen man.

Met een lach van verlichting verbrandde Saccard het register blad voor blad in het haardvuur. Toen dat afgeloopen was, nam hij met een krachtigen handdruk afscheid van Larsonneau.

--Ge gaat van avond naar Laure, nietwaar?.... Wacht me daar. Ik zal alles met mijn vrouw in orde brengen, dan kunnen we onze laatste regeling treffen.

Laure d'Aurigny, die dikwijls verhuisde, woonde toen heel ruim op den boulevard Haussmann, tegenover de Chapelle expiatoire. Evenals de dames van de groote wereld hield zij iedere week haar ontvangdag. Op die manier kwamen de mannen, die haar anders éen voor éen bezochten, allen tegelijk bij haar.

Aristide Saccard was Dinsdagsavonds in zijn schik, hij was de erkende minnaar; hij draaide met een lachje het hoofd om, als de gastvrouw hem achter zijn rug verried en een afspraakje voor dien avond met een van de gasten maakte. Wanneer hij tot het laatst gebleven was, stak hij nog een sigaar op, praatte over zaken, maakte een grapje over den heer die in de straat stond te blauwbekken, totdat hij wegging; en daarop met een tikje op Laure's wang en een "lieve kind," ging hij kalmpjes de eene deur uit, terwijl de heer een andere in ging.

Het geheim verbond dat Saccard's crediet versterkt en Laure d'Aurigny twee ameublementen in éen maand verschaft had, amuseerde hen nog kostelijk. Maar Laure wenschte een einde aan de komedie te maken. Die ontknooping, vooruit vastgesteld, zou bestaan in een openlijke breuk, ten gerieve van den een of anderen domoor, die het recht om door geheel Parijs als de officiëele minnaar erkend te worden, duur zou moeten betalen. De domoor was al gevonden. De hertog de Rozan, die het moede werd de vrouwen uit zijn stand te vergeefs te vervelen, kreeg op eens lust den naam van losbol te verwerven, om zoo doende zijn onbeduidende figuur wat meer te doen uitkomen.

Hij kwam geregeld op de Dinsdagen van Laure, die hij bepaald veroverd had door zijn onnoozelheid. Ongelukkig hing hij, ofschoon reeds vijfendertig jaar, nog van zijn moeder af, zoodat hij hoogstens over een tiental goudstukken tegelijk kon beschikken. Als Laure zich des avonds verwaardigde de tien louis van hem af te nemen, met een klagende stem over de honderdduizend francs sprekende die zij noodig zou hebben, zuchtte hij en beloofde haar die som, zoodra hij zijn eigen meester zou zijn.

Toen kwam zij op het denkbeeld hem in kennis te brengen met Larsonneau, een van haar huisvrienden. De twee mannen gingen samen bij Tortoni dejeuneeren; aan het dessert vertelde Larsonneau zijn liefdesavonturen met een bekoorlijke Spaansche en wist er terloops bij uit te doen komen, dat hij geldschieters kende; maar hij raadde Rozan dringend aan uit hun handen te blijven. Ondanks die waarschuwing, wist Rozan zijn goeden vriend de belofte af te persen, dat hij zich met zijn zaakje zou bezig houden. Deze hield er zich zoo goed mee bezig, dat hij den eigen avond, waarop Saccard hem bij Laure bescheiden had, het geld zou meebrengen.

Toen Larsonneau kwam, bevonden zich in het groote wit met goud salon van Laure slechts vijf of zes vrouwen, die zijn handen grepen en hem met onstuimige teederheid om den hals vielen.

Ze noemden hem die "groote Lar!", een liefkoozende afkorting die Laure verzonnen had. En hij, met een lief stemmetje:

--Ho, ho, poesjes, je zult mijn hoed plat duwen.

Ze werden kalmer en gingen dicht om hem heen zitten, terwijl hij ze vertelde, hoe Sylvia zich den vorigen avond, toen hij met haar gesoupeerd had, een indigestie gegeten had. Toen haalde hij een bonbondoos uit zijn zak te voorschijn en bood de dames pralines aan. Maar Laure kwam juist uit haar slaapkamer en voordat een paar binnentredende heeren haar konden groeten, trok zij Larsonneau met zich mee naar een boudoir, dat door een dubbele portière van het salon gescheiden was.

--Heb je het geld? vroeg zij hem, toen zij alleen waren.

Zij was heel vertrouwelijk met hem, bij zulke gelegenheden. Larsonneau antwoordde niet, maar knikte vroolijk van ja, terwijl hij op den binnenzak van zijn jas sloeg.

--O, die groote Lar! fluisterde de jonge vrouw opgetogen.

Zij nam hem om het middel en gaf hem een zoen.

--Wacht even, zei zij, ik wil die lapjes dadelijk hebben.... Rozan is in mijn kamer; ik ga hem halen.

Maar hij hield haar tegen, en op zijn beurt een kus op haar schouders drukkende:

--Je weet toch welk commissieloon ik bedongen heb?

--Natuurlijk, domoor, dat is immers afgesproken.

Zij kwam terug met Rozan. Larsonneau was onberispelijker gekleed dan de hertog, zijn handschoenen pasten beter en zijn das was met meer kunst gestrikt. Zij reikten elkander achteloos de vingertoppen en spraken over de wedrennen van twee dagen geleden, waarbij het paard van een hunner vrienden verloren had. Laure stampvoette van ongeduld.

--Kom, daarover een anderen keer, lieveling, zei zij tot Rozan. De groote Lar heeft het geld, weet je.

Larsonneau hield zich alsof het hem opeens te binnen schoot.

--O ja, dat is waar, zei hij, ik heb het geld.... Maar je hadt beter gedaan naar me te luisteren, mijn waarde! Verbeeld je, dat die afzetters me vijftig percent gevraagd hebben!.... Ik heb het natuurlijk toch aangenomen, je hadt me gezegd dat het er niet op aan kwam....

Laure d'Aurigny had in den loop van den dag gezegeld papier laten halen. Maar toen er sprake was van pen en inkt, keek zij de twee mannen ontsteld aan; zulke dingen waren bij haar niet te vinden. Zij wou naar de keuken gaan, toen Larsonneau uit den zelfden zak, waaruit de bonbondoos te voorschijn was gekomen, twee prachtige voorwerpen voor den dag haalde, een zilveren penhouder, dien hij kon uitschroeven, en een inktkoker, staal met ebbenhout, keurig fijn afgewerkt. En toen Rozan plaats nam, zei hij:

--Zet de schuldbekentenissen maar op mijn naam. Je begrijpt dat ik je niet wou compromiteeren. We zullen het samen wel vinden.... Zes wissels elk van vijf en twintigduizend francs, niet waar?

Laure telde op een hoek van de tafel de "lapjes". Rozan kreeg ze niet eens te zien.

Toen hij geteekend had en het hoofd ophief, waren zij in Laure's zak verdwenen. Maar zij kwam naar hem toe en zoende hem op beide wangen, wat hij heerlijk scheen te vinden. Larsonneau stond heel wijsgierig naar ze te kijken, terwijl hij de zes schuldbekentenissen opvouwde, en inktkoker en penhouder in zijn zak stak.

De jonge vrouw hing nog aan Rozan's hals, toen Aristide Saccard een tip van de portière oplichtte.

--Geneer je niet, zei hij lachend.

De hertog kreeg een kleur. Maar Laure kwam den financier de hand schudden, terwijl zij een oogknipje met hem wisselde. Zij was in de wolken.

--'t Is gebeurd, mijn waarde, zei zij, ik had je gewaarschuwd. Je bent er toch niet boos om?

Saccard haalde met een goedig gezicht de schouders op. Hij schoof de gordijnen terzijde en plaats makende voor Laure en den hertog, riep hij met de krijschende stem van een deurwaarder:

--Mijnheer de hertog, mevrouw de hertogin!