Jacht naar Fortuin

Part 20

Chapter 203,937 wordsPublic domain

--Ziezoo, lieveling, zei zij, terwijl ze Renée een luierstoel toeschoof, nu kunnen we een gezellig praatje houden.... Verbeeld je, dat treft ook toevallig dat je komt. Ik zou juist van avond naar jou toe gekomen zijn.

Renée, die de kamer kende, kreeg er het onaangename gevoel, dat een wandelaar ondervindt die in een geliefde streek een groep boomen geveld ziet.

--Zoo, zei zij eindelijk, je hebt het bed een andere plaats gegeven, niet waar?

--Ja, antwoordde de koopvrouw in kanten bedaard, een van mijn klanten vindt dat het beter tegenover den schoorsteen staat. Ze heeft me ook aangeraden roode gordijnen te nemen.

--Dat dacht ik ook al, de gordijnen hadden een andere kleur.... Erg algemeen, dat rood. Zij nam haar binocle en bekeek de kamer, die de weelde van een hôtel garni vertoonde. Op den schoorsteen zag zij lange haarspelden, die zeker niet van den dunnen chignon van mevrouw Sidonie afkomstig waren. Op de plaats, waar het bed vroeger stond, was het behang afgeschaafd, verkleurd en vuil geworden door de matrassen. De makelaarster had wel getracht die plek te verbergen achter de ruggen van twee leuningstoelen, maar die ruggen waren wat laag, en Renée's oog bleef rusten op die afgesleten streep.

--Had je me iets te vertellen? vroeg zij eindelijk.

--Ja, dat is een heele geschiedenis, zei Mevrouw Sidonie, de handen vouwende, met het gezicht van een smulster die gaat opnoemen wat zij gegeten heeft. Verbeeld je dat mijnheer Saffré op de mooie mevrouw Saccard verliefd is.... Ja, op jou, lieveling.

Zij maakte zelfs geen beweging van koketterie.

--Och kom, zei zij, en je zei dat hij zoo ingenomen was met mevrouw Michelin.

--O, dat is heelemaal uit.... Ik kan je er het bewijs van leveren, als je daarop staat.... je weet dus niet dat de kleine Michelin in den smaak van baron Gouraud is gevallen? 't Is onbegrijpelijk. Ieder die den baron kent, staat er verbaasd over.... En weet je dat ze bezig is het Legioen van eer voor haar man te krijgen?.... Nu, dat is een flinke. Zij durft,.... zij heeft niemand noodig om haar zaakjes op te knappen.

Zij zei dat met een spijtige bewondering.

--Maar om op mijnheer Saffré terug te komen. Hij moet je ontmoet hebben op een tooneelspelers-bal, heelemaal onkenbaar in een domino, en hij beschuldigt zich zelfs dat hij je een beetje al te vrij te soupeeren heeft gevraagd.... is dat waar?

De jonge vrouw keek verrast op.

--Volkomen waar, beaamde ze; maar wie heeft hem verteld....?

--Hij beweert dat hij je later herkende, toen je niet meer in het salon was, en dat hij je aan den arm van Maxime heeft zien weggaan.... Sinds dien tijd is hij smoorlijk op je verliefd. Hij is bij me geweest om me te smeeken, of hij je zijn excuses mocht maken.

--Welnu, zeg hem dat ik het hem vergeef, viel Renée haar achteloos in de rede.

En toen, al haar angst weer voelende opkomen:

--Ach, mijn goede Sidonie, ik ben zoo in verlegenheid. Ik moet morgenochtend noodzakelijk vijftigduizend francs hebben. Ik was gekomen om daarover met je spreken. Je kent immers geldschieters, heb je me gezegd?

De makelaarster, die gekrenkt was door de plotseling afbreking van haar geschiedenis, liet haar een poosje op het antwoord wachten.

--Ja, zeker, maar ik raad je eerst bij je vrienden rond te kijken.... Ik zou wel weten wat ik deed, als ik in jouw plaats was.... Ik zou me doodeenvoudig tot mijnheer de Saffré wenden.

Renée glimlachte pijnlijk.

--Maar, hernam zij, dat zou niet passend zijn, je zegt immers dat hij zoo verliefd is.

De oude vrouw keek haar strak aan; daarop nam haar gezicht allengs een glimlachenden trek van teedere meewarigheid aan.

--Arme lieveling, fluisterde zij, je hebt gehuild; ontken het maar niet, ik zie het aan je oogen. Wees toch flink, neem het leven zooals het is.... Kom, laat mij dat bewuste zaakje maar in orde brengen.

Renée stond op; ze kneep haar vingers ineen, zoodat haar handschoenen kraakten. Zij bleef staan, aan een wreeden, inwendigen strijd, ten prooi. Zij opende den mond, om het aan te nemen wellicht, toen een zacht gebel in de aangrenzende kamer gehoord werd. Mevrouw Sidonie verliet haastig de kamer, en door de half geopende deur werd een dubbele rij piano's zichtbaar. De jonge vrouw hoorde vervolgens den stap van een man en het gedempte geluid van een op fluisterenden toon gevoerd gesprek. Werktuigelijk beschouwde zij de geelachtige streep, die de matrassen tegen den muur gemaakt hadden. Die streep hinderde haar.

Alles vergetende, Maxime, de vijftigduizend francs, mijnheer de Saffré, kwam zij peinzend voor het bed terug: dat bed stond veel beter op zijn vroegere plaats; er waren toch vrouwen, die heelemaal geen smaak hadden; als men te bed lag, moest men het licht in de oogen hebben. En heel vaag doemde weer in haar herinnering het beeld van den onbekende van de kade Saint-Paul op, haar roman in twee rendez-vous, dat toevallige liefdesgenot, dat zij daar, op die andere plaats, gesmaakt had. Er was niets meer van over dan die afgesleten plek op het behangsel. De kamer gaf haar een onbehagelijk gevoel, zij werd ongeduldig door dat gegons van stemmen, dat niet ophield, in de kamer daarnaast.

Toen mevrouw Sidonie terugkwam, de deur behoedzaam openende en weer sluitende, wenkte zij herhaaldelijk met haar vingertoppen, om Renée te beduiden, dat zij zachtjes moest spreken. Toen fluisterde zij haar aan het oor:

--Dat is een heel avontuur, mijnheer de Saffré is daar.

--Je hebt hem toch niet gezegd dat ik hier ben, vroeg de jonge vrouw ongerust.

De makelaarster scheen verbaasd en antwoordde naïef:

--Welzeker. Hij wacht tot dat hij binnen kan komen. Natuurlijk heb ik hem niet over de vijftigduizend francs gesproken.

Renée had zich doodsbleek opgericht, 't was haar of zij een zweepslag ontving. Een onuitsprekelijk gevoel van trots kwam eensklaps in haar boven. Die krakende mannenlaars, die in haar oor hoe langer hoe onbeschaamder klonk, maakte haar wanhopig.

--Ik ga heen, zei zij kortaf. Doe de deur open.

Mevrouw Sidonie trachtte te glimlachen.

--Stel je nu zoo kinderachtig niet aan. Ik kan niet met dien man blijven zitten, nu ik hem eenmaal heb gezegd dat jij hier bent. Je brengt me heusch in ongelegenheid.

Maar de jonge vrouw was de trap reeds af. Zij herhaalde voor de gesloten winkeldeur:

--Doe open, doe open.

De kantenverkoopster had de gewoonte de koperen kruk in haar zak te steken. Ze wou nog onderhandelen. Maar eindelijk zelf boos wordende, en in haar grijze oogen de ongevoelige scherpheid van haar waren aard toonende, riep zij uit:

--Maar wat moet ik dien man dan zeggen?

--Dat ik niet te koop ben, antwoordde Renée, die met den eenen voet al op het trottoir stond. En zij meende mevrouw Sidonie, die met een bons de deur sloot, te hooren mompelen: Loop heen, domme gans! Dat zal ik je betaald zetten.

--Bij God! dacht ze terwijl ze weer insteeg, dan heb ik nog liever mijn man.

Zij keerde regelrecht naar haar hôtel terug. Dien avond zei zij tot Maxime, dat hij niet moest komen; zij was lijdend en had rust noodig. En den volgenden morgen, toen zij hem de vijftien duizend francs voor Sylvia's juwelier ter hand stelde, werd zij verlegen onder zijn verrassing en zijn vragen. Haar man, beweerde zij, had een voordeelig zaakje gedaan. Maar van dien dag aan, werd zij grilliger, zij verzette dikwijls de uren van samenkomst met den jongen man en menigmaal wachtte zij hem in de serre op om hem weg te zenden. Hij bekommerde zich weinig om die wispelturigheid; het lag in zijn aard zich gewillig te schikken naar de luimen der vrouwen. Wat hem meer verveelde, dat waren de zedepreeken waarop haar verliefde buien dikwijls uitliepen. Zij werd heel treurig; soms stonden haar oogen vol tranen. Zij liet hem midden in zijn refrein van "le beau jeune homme" van la Belle-Hélène ophouden, speelde de geestelijke liederen van de kostschool en vroeg haar minnaar of hij niet geloofde dat het kwaad vroeg of laat gestraft wordt.

--Ze wordt bepaald oud, dacht hij. Op zijn hoogst kan ze nog een jaar of twee aardig zijn.

Om de waarheid te zeggen, leed zij vreeselijk. Nu zou ze Maxime liever met mijnheer de Saffré bedrogen hebben. Bij mevrouw Sidonie was haar gevoel in opstand gekomen, had zij toegegeven aan een instinctmatige fierheid, aan een afschuw van dien onkieschen koop. Maar de volgende dagen, toen zij de kwellingen van haar overspel verduurde, gingen al die betere gevoelens in haar ten onder, en ze voelde zich zoo verachtelijk, dat ze zich aan den eersten den besten man, die de deur van de kamer met de piano's had opengeduwd, zou overgegeven hebben. Indien tot dusverre de gedachte aan haar man met een zweem van wellustigen afschuw in dien bloedschendigen omgang bij haar was opgekomen, nu kwam de man zelf, met een lompheid die haar heerlijkste gewaarwordingen in onduldbare smarten veranderde. Zij, die zoo spitsvondig een fijner glimp aan haar misdaad wilde geven, die zoo gaarne droomde van een goddelijk paradijs, waar de goden hun liefde met elkander deelen, zij daalde af tot de gemeene ontucht, tot een liefde door twee mannen gedeeld.

Te vergeefs beproefde zij een genot te vinden in haar eerloosheid. Haar lippen waren nog warm van Saccard's kussen, als zij ze Maxime weer bood. Haar nieuwsgierigheid wilde tot op het diepst van dien verboden wellust doordringen, zij ging zelfs die twee liefkoozingen dooreenmengen, zij trachtte den zoon in de omhelzingen van den vader terug te vinden. En nog meer gekwetst en ontsteld kwam zij terug van die reis naar het onbekende van het kwaad, van die helsche duisternis waarin zij haar dubbelen minnaar dooreenmengde, met een angst die haar genot verstikte.

Zij hield dat lijden voor zich, verdubbelde het door haar koortsachtige verbeelding. Zij was liever gestorven, dan dat zij Maxime de waarheid bekend had. Eensdeels uit vrees, dat de jonge man haar vol walging zou verlaten; maar vooral uit een zoo stellige overtuiging van het monsterachtige van haar zonde en van haar eeuwige verdoemenis, dat zij liever geheel naakt het park van Monceau had doorgeloopen dan haar schande fluisterend te belijden.

Met dat al bleef zij het dwaashoofd, dat Parijs door zijn buitensporigheden in verbazing bracht. Zij werd zenuwachtig vroolijk, zij had grillige invallen, waarover de kranten schreven, haar bij haar voorletters aanduidende. In dien tijd was het ook, dat zij in allen ernst op de pistool wilde duelleeren met hertogin de Sternich, die moedwillig, zei zij, een glas punch over haar japon had gestort; haar schoonbroer, de minister, moest zich boos maken om haar van haar voornemen af te doen zien. Een andermaal, wedde zij met mevrouw de Lauwerens dat zij de baan van Longchamps binnen tien minuten zou rondloopen, en zij werd alleen weerhouden door een moeielijkheid met het kostuum. Zelfs Maxime begon zich ongerust te maken over dat hoofd, waarin steeds grooter dwaasheden opkwamen, en waarin hij 's nachts, op het hoofdkussen, al het rumoer van een op vermaken beluste stad meende te hooren.

Op een avond gingen zij samen naar het Théâtre-Italien. Zij hadden niet eens de aanplakbiljetten gelezen. Ze wilden een groote Italiaansche tragédienne, Ristori, gaan zien, die toen een grooten toeloop had; de mode dwong hen dus notitie van haar te nemen. Men gaf Phèdre. Hij herinnerde zich de geschiedenis uit zijn klassieke studiën, zij kende Italiaansch genoeg om het stuk te volgen. Het drama bracht een bijzondere ontroering bij hen teweeg, in die vreemde taal, waarvan de welluidende klanken hun soms een eenvoudige orkestbegeleiding toeschenen, die het gebarenspel der tooneelspelers moest aanvullen. Hippolyte was een lang, bleek jongmensch, die zeer middelmatig speelde; hij zei zijn rol op een huilerigen toon.

--Wat een sukkel! mompelde Maxime.

Maar Ristori, met haar breede schouders die schokten van het snikken, met haar tragisch gelaat en haar gevulde armen, bracht Renée in groote ontroering. Phèdre was uit het bloed van Pasiphaë en zij vroeg zich af uit welk bloed zij kon gesproten zijn, zij, de bloedschendster van den nieuweren tijd. Van het heele stuk zag zij niets anders dan die groote vrouw, die de misdaad van de oudheid op de planken bracht.

In het eerste bedrijf, als Phèdre aan Oenone haar misdadige liefde belijdt; in het tweede, als zij zich vol hartstocht aan Hippolyte verklaart; en later, in het vierde, als de terugkeer van Thésée haar terneer drukt en zij zich in den hoogsten graad van sombere razernij vervloekt, vulde zij de zaal met zoo'n kreet van woesten hartstocht, met zoo'n begeerte naar bovenmenschelijken wellust, dat de jonge vrouw iedere rilling van haar begeerten en van haar wroeging langs haar lichaam voelde gaan.

--Wacht, fluisterde Maxime haar in het oor, nu komt het verhaal van Théramène. Die oude man is goed gegrimeerd!

En hij sprak op hollen toon:

A peine nous sortions des portes de Trézène, Il était sur son char....

Maar toen de oude sprak, keek en luisterde Renée niet langer. De lichtkroon verblindde haar, een verstikkende warmte kwam tot haar van al die bleeke, naar het tooneel gekeerde gezichten. De monoloog ging voort, zonder einde. Zij was in de serre, onder het heete gebladerte, en zij droomde dat haar man binnentrad, haar verraste in de armen van zijn zoon. Zij leed vreeselijk, zij verloor het bewustzijn, toen het doodsgereutel van Phèdre, berouwvol stervende in de krampachtige stuiptrekkingen van het vergif, haar de oogen weer deed openen.

Het scherm viel. Zou zij eenmaal den moed hebben zich te vergiftigen? Hoe nietig en schandelijk was haar drama, vergeleken bij dien epos der oudheid! En terwijl Maxime haar de sortie onder de kin knoopte, hoorde zij nog die ruwe stem van Ristori achter zich brommen, waarop het zacht gemurmel van Oenone antwoordde.

In de coupé voerde de jonge man alleen het woord; hij vond het treurspel over het algemeen onuitstaanbaar vervelend, hij hoorde liever een kluchtspel. Maar Phèdre, daar had hij belang in gesteld, omdat.... En hij drukte Renée de hand, om zijn gedachte te voltooien. Toen kwam er plotseling een grappig denkbeeld in hem op, en hij kon de verzoeking niet weerstaan een aardigheid te zeggen:

--Ik had toch gelijk, zei hij, dat ik niet te dicht bij de zee wou komen, in Trouville.

Renée, in een smartelijk gepeins verzonken, gaf geen antwoord. Hij moest zijn gezegde herhalen.

--Waarom? vroeg ze verwonderd, niet begrijpende wat hij bedoelde.

--Wel, het monster....

En hij grinnikte. Die aardigheid deed haar van afgrijzen verstijven. Alles begon in haar hoofd dooreen te warrelen. Ristori was nu niets meer dan een groote beweegbare pop, die haar peplum omhoog sloeg en haar tong tegen het publiek uitstak, evenals Blanche Muller, in het derde bedrijf van la Belle Hélène. Théramène danste den cancan en Hippolyte at confiturentaartjes en stak zijn vingers in zijn neus.

Wanneer een heviger wroeging Renée deed huiveren, begon haar trots zich weer te verzetten. Waarin bestond toch eigenlijk haar misdaad en waarom zou zij gebloosd hebben? Bewoog zij zich niet dagelijks te midden van nog grooter schandelijkheden? Kwam zij niet bij de ministers, aan het hof, kortom overal, in nauwe aanraking met ongelukkigen zooals zij, die millioenen op hun bloote lichaam hadden, en die men knielend aanbad? En zij dacht aan de schandelijke vriendschap van Adeline d'Espanet en Suzanne Haffner, waarover soms geglimlacht werd op de receptiedagen van de keizerin. Zij dacht aan den handel van mevrouw de Lauwerens, die door de echtgenooten geprezen werd om haar goed gedrag, haar orde en haar stiptheid in het betalen van haar leveranciers.

Zij noemde bij zichzelve mevrouw Daste, mevrouw Teissière, barones de Meinhold, die schepsels die haar weelde door haar minnaars lieten betalen, en die in de groote wereld genoteerd stonden als de koers der fondsen aan de Beurs.

Mevrouw de Guende was zoo dom en zoo welgevormd, dat zij drie hoofdofficieren tegelijk tot minnaars had, zoodat zij ze door hun uniform niet van elkander onderscheiden kon, wat die duivelsche Louise deed zeggen, dat zij ze dwong om eerst in hun hemd te gaan staan, anders wist ze niet tot wien van de drie ze sprak. Gravin Vanska kon terugdenken aan haar zingen op straat, aan de trottoirs waarop men beweerde haar gezien te hebben, in een katoenen stofje, loerend als een wolvin.

Al die vrouwen hadden haar schande, haar zegevierend ten toon gespreide wondeplek. Maar boven allen troonde hertogin de Sternich, leelijk, oud en afgeleefd, die er op roemen kon een nacht in het keizerlijk bed te hebben doorgebracht; dat was de officiëele ondeugd, het gaf haar als het ware een majesteit van de ontucht en een oppergezag over den troep doorluchtige lichtekooien.

Toen gewende de bloedschendster zich aan haar misdaad, als aan een staatsiekleed, waarvan de stijfheid haar eerst gehinderd had. Zij volgde den tijdgeest, zij kleedde en ontkleedde zich naar het voorbeeld der anderen. Zij begon eindelijk te gelooven dat zij te midden van een wereld leefde, die boven de gewone begrippen van zedelijkheid verheven was, waarin de zinnen zich meer verfijnden en ontwikkelden, waar men zich in zijn naaktheid mocht vertoonen ten genoegen van den geheelen Olympus.

Het kwaad werd een weelde, een in de haren gestoken bloem, een op het voorhoofd gehechte diamant. En voor haar geestesoog verrees weer, als een rechtvaardiging en een verlossing, het beeld van den keizer, aan den arm van den generaal, die daar voortschreed tusschen de beide rijen nijgende schouders.

Er was éen man, die haar ongerustheid gaande hield, dat was Baptiste, de kamerdienaar van haar man. Sedert Saccard zich galant toonde, scheen die bleeke, statige knecht om haar heen te loopen, met de plechtigheid van een zwijgend verwijt. Hij keek haar niet aan, zijn koele blikken gleden over haar heen, met de kuische schaamte van een kerkedienaar, die zijn blik niet wil bezoedelen met het haar van een zondares. Zij verbeeldde zich dat hij alles wist, zij zou zijn stilzwijgen gekocht hebben, als zij gedurfd had.

Toen voelde zij zich niet op haar gemak, zij kreeg een gevoel van eerbied, als zij Baptiste ontmoette; zij zei bij zichzelf dat alle braafheid uit haar omgeving geweken was en zich verborgen had onder de zwarte jas van den lakei.

Eens vroeg zij aan Céleste:

--Maakt Baptiste wel eens grapjes in de dienstbodenkamers? Weet je ook een avontuurtje van hem, houdt hij er geen meisje op na?

--O, neen, antwoordde het kamermeisje.

--Hij heeft je toch zeker wel eens het hof gemaakt?

--Welneen, hij kijkt de vrouwen nooit aan. We zien hem ternauwernood.... Hij is altijd bij mijnheer of in de stallen.... Hij zegt dat hij veel van paarden houdt.

Renée ergerde zich over die braafheid, zij bleef aanhouden, het zou haar liever geweest zijn als zij haar bedienden had kunnen verachten. Ofschoon zij Céleste wel genegen was, zou zij met genoegen vernomen hebben, dat zij er minnaars op nahield.

--Maar jij, Céleste, vind jij Baptiste geen knappen jongen?

--Ik, mevrouw! riep het kamermeisje uit, met een verbaasd gezicht alsof zij iets bovennatuurlijks had gehoord, ik denk over heel wat anders. Ik wil niets van een man weten. Ik heb mijn eigen plan, dat zult u later wel zien. Ik ben zoo dom niet, hoor!

Meer kon Renée niet uit haar krijgen.

Haar zorgen vermeerderden intusschen. Haar rumoerig leven, haar dolzinnige vermaken, ontmoetten talrijke hinderpalen, die zij moest overkomen, en waaraan zij zich soms kwetste. Zoo stelde Louise de Mareuil zich op zekeren dag tusschen haar en Maxime. Zij was niet jaloersch op "de bochel", zooals zij haar minachtend noemde; zij wist dat de dokters haar opgegeven hadden en zij kon niet gelooven dat Maxime ooit zoo'n leelijkerd zou trouwen, al bracht zij een millioen mee. In haar zedelijken val, had zij een burgerlijke naïefheid behouden ten opzichte van de menschen die zij liefhad; terwijl zij zichzelve verachtte, geloofde zij graag dat zij boven haar verheven en zeer achtenswaardig waren. Maar terwijl zij de mogelijkheid van een huwelijk verwierp, dat haar een schandelijke ontuchtigheid en een diefstal zou toegeschenen hebben, leed zij toch onder den vertrouwelijken omgang van de jongelieden. Wanneer zij tot Maxime over Louise sprak, lachte hij genoegelijk, hij vertelde haar de grappen van het meisje en zei:

--Ze noemt me haar mannetje, weet je, die ondeugd.

En hij sprak er zoo luchthartig, zoo onbevangen over, dat zij hem niet aan het verstand durfde brengen, dat die ondeugd zeventien jaar oud was, en dat hun handenspelletjes, hun zucht om in de salons de donkerste hoekjes op te zoeken om de gasten te bespotten, haar verdrietig maakten, haar mooiste avonden bedierven.

Een gebeurtenis gaf den toestand een zonderling karakter. Renée had dikwijls behoefte aan een opzienbarende uiting van haar stoutmoedigheid. Zij trok Maxime met zich achter een gordijn of achter een deur en zoende hem op gevaar af van gezien te worden.

Op een Donderdagavond, toen het gele salon vol gasten was, kwam zij op het idee Maxime van Louise weg te roepen; zij ging hem tegemoet, van uit de serre waar zij stond, en zoende hem plotseling op den mond, tusschen twee heesters in, denkende dat zij niet gezien kon worden. Maar Louise was Maxime gevolgd. Toen de gelieven opkeken, zagen zij haar een paar passen verder staan, met een zonderling lachje naar hen kijken, zonder eenige verlegenheid of verbazing, met het kalme vriendschappelijke uiterlijk van een deelgenoot in de ondeugd, wijs genoeg om zoo'n kus te begrijpen en te smaken.

Dien dag was Maxime werkelijk ontsteld, Renée daarentegen toonde zich onverschillig, zelfs vroolijk. Nu was het uit. De bochel zou haar nu niet meer haar minnaar ontnemen. Zij dacht:

"Ik had het opzettelijk moeten doen. Zij weet nu dat haar "mannetje" mij toebehoort." Maxime werd gerustgesteld toen hij Louise even lachend en grappig terugvond als eerst. Hij vond haar "een flinke, goede meid." En dat was alles.

Renée had wel reden om zich ongerust te maken. Saccard dacht den laatsten tijd ernstig over het huwelijk van zijn zoon met mejuffrouw de Mareuil. Daar zat een millioen aan vast, dat hij niet wilde laten glippen, vast van plan als hij was dat geld later in handen te zien te krijgen. Tegen het begin van den winter was Louise drie weken bedlegerig geweest; hij was zoo bang dat zij zou sterven voordat het huwelijk tot stand was gekomen, dat hij besloot de kinderen dadelijk te laten trouwen. Hij vond ze wel wat jong; maar de dokters vreesden de maand Maart voor de borstlijderes.

Mijnheer de Mareuil bevond zich ook in een netelige positie. Bij de laatste verkiezing was hij er eindelijk in geslaagd zich tot afgevaardigde te doen benoemen. Maar het Wetgevend lichaam had zijn verkiezing, die een schandaal was voor de herziene regeering, nietig verklaard. Die verkiezing was een heel boertig heldendicht, waarvan de dagbladen een maand lang leefden.

Mijnheer Hupel de la Noue, de prefect van het departement, had zoo krachtig geijverd, dat de andere candidaten niet eens met hun verkiezingsprogramma voor den dag konden komen of hun strooibiljetten konden verspreiden. Op zijn raad, overdekte mijnheer de Mareuil het kiesdistrict met tafels, waaraan de boeren een week lang aten en dronken. Hij beloofde bovendien een spoorweg, den bouw van een brug en drie kerken, en zond op den vooravond der verkiezing aan de invloedrijkste kiezers twee groote portretten van den keizer en de keizerin, achter glas en in een vergulde lijst. Dat geschenk had een uitbundig succès, hij werd met een verpletterende meerderheid gekozen.

Maar toen de Kamer, door het schaterend gelach van heel Frankrijk, zich genoodzaakt zag mijnheer de Mareuil naar zijn kiezers terug te zenden, werd de minister vreeselijk boos op den prefect en den ongelukkigen candidaat, die het wel wat al te "kras" hadden aangelegd. Hij zinspeelde er zelfs op, dat hij de officiëele candidatuur op een anderen naam zou stellen.