Jacht naar Fortuin

Part 2

Chapter 23,772 wordsPublic domain

Toen kwam, als een blijde verwachting, met een trillend verlangen de gedachte aan dat "iets anders" in haar op, dat haar geest met alle inspanning niet vinden kon. Maar daar raakte haar peinzende geest het spoor bijster. Zij spande zich in, maar telkens ontglipte het gezochte woord in de vallende duisternis, ging verloren in het onafgebroken, rollend geraas der rijtuigen. De zachte schommeling van de kales was een weifeling meer, die haar belette haar begeerte in woorden uit te drukken. En een machtige verlokking steeg op uit dat nevelige, uit dat in schemerduister gehulde houtgewas aan weerszijden der laan, uit dat geratel van wielen en die zachte schommeling die haar in een zoete bedwelming bracht.

Duizenderlei gewaarwordingen bestormden haar: onvoltooide mijmeringen, namelooze wellustige genietingen, onbestemde wenschen, al wat een terugkeer uit het Bosch, bij de invallende schemering, aan uitgezochts en ongehoords in het verzadigde hart eener vrouw kan opwekken.

Zij hield haar beide handen in het berevacht, zij had het heel warm onder haar witlakensch manteltje met opslagen van mauve fluweel.

Terwijl zij haar voet verschoof om zich behagelijk uit te strekken, streek zij met haar enkel langs het warme been van Maxime, die niet eens notitie nam van die aanraking. Een schok wekte haar uit haar halven slaap. Zij hief het hoofd op, met een zonderlingen blik uit haar grijze oogen naar den jongen man, die in alle elegantie achterover lag.

Op dit oogenblik reed de kales het Bosch uit. De avenue de l'Impératrice strekte zich recht uit in de schemering, met de beide groene lijnen van haar houten hekken, die elkander aan den gezichtseinder raakten. Op het ruiterpad daarnaast vormde een wit paard, in de verte, een heldere plek, die scherp afstak tegen het grauwe halfduister. Aan de andere zijde van den straatweg liepen enkele late wandelaars, groepjes donkere stippen, die zich langzaam in de richting van Parijs voortbewogen. En heel omhoog, aan het einde van dat wemelende loopvuur der rijtuigen, teekende het blank van den Triomfboog, dwars voor de laan, zich af tegen een reusachtig stuk roetkleurige lucht.

Terwijl de kales in sneller draf de laan op reed, keek Maxime, bekoord door het engelsche voorkomen van het landschap, beurtelings rechts en links naar de grillig gebouwde hôtels, wier grasvelden tot aan de zijlanen afglooiden. Renée, in haar afgetrokkenheid, schepte er vermaak in naar de gasvlammetjes te kijken, die aan het einde van den weg, éen voor éen op de place de l'Etoile ontstoken werden, en naarmate die lichtjes als gele vlekken op het wegstervende daglicht verschenen, meende zij een heimelijk roepen te hooren, scheen het haar toe dat het op winteravonden schitterend verlichte Parijs voor haar in feestverlichting was, haar het onbekende genot bereidde, waarvan haar verzadigd hart droomde.

De kales reed de avenue de la Reine-Hortense in, en hield stil aan het einde van de rue Monceaux, op eenige passen afstands van den boulevard Malesherbes, voor een groot gebouw dat tusschen plein en tuin in stond. Naast elk der twee hekken, die kwistig met vergulde ornementen versierd waren en zich naar het plein openden, stonden een paar lantarens, in den vorm van urnen, eveneens rijk verguld, waarin groote gasvlammen brandden. Tusschen de twee hekken woonde de portier in een sierlijk tuinhuisje, dat eenigszins deed denken aan een grieksch tempeltje.

Toen het rijtuig het voorplein op zou rijden, sprong Maxime er vlug uit.

--Denk er aan, zei Renée, hem bij de hand terughoudend, we gaan om half acht aan tafel. Je hebt meer dan een uur om je te kleeden. Laat niet op je wachten.

En glimlachend voegde zij er bij:

--We krijgen de Mareuils.... Je vader verlangt dat je heel voorkomend tegen Louise zult zijn.

Maxime haalde de schouders op.

--Een pleizierig baantje! mompelde hij knorrig. Ik wil haar wel trouwen, maar haar het hof maken, dat is al te vervelend.... Hè, Renée, wat zou ik het aardig van je vinden, als je me van avond van Louise verloste.

Hij zette zijn grappig gezicht met de grimas en den toon die hij Lassouche nadeed, telkens als hij een van zijn gewone aardigheden ten beste gaf:

--Doe je het, mooi maatjelief?

Renée schudde hem kameraadschappelijk de hand. En op gekscherenden toon klonk het snel, met zenuwachtige stoutmoedigheid:

--Zeg eens, als ik niet met je vader getrouwd was, zou je me, geloof ik, het hof gaan maken.

De jonge man vond die gedachte zeker heel grappig, want hij lachte nog toen hij den hoek van den boulevard Malesherbes al om was.

De kales reed het plein op en hield voor het bordes stil.

Dit bordes, met breede lage trappen, werd beschut door een groote glazen kap, omrand door uitgesneden lofwerk met vergulde franje en eikels. De beide verdiepingen van het gebouw verhieven zich boven de keukens en provisiekamers, waarvan men bijna gelijkvloers de met matglas voorziene luchtgaten zag. Boven op het bordes was de deur der vestibule uitgebouwd, daarnaast kwamen dunne pilaren half uit den muur te voorschijn, aldus een vooruitspringend gedeelte vormende dat, op iedere verdieping van een rond vensterlicht voorzien, tot aan het dak doorliep, waar het in een driehoek eindigde. Aan beide zijden hadden de verdiepingen vijf vensters, met gelijke tusschenruimten in den voorgevel geplaatst, en in een eenvoudige steenen lijst gevat. Het dak was plat, en stak met vier bijna loodrechte zijden boven den gevel uit.

Aan den tuinkant was de gevel echter heel wat prachtiger. Een ruim bordes leidde naar een smal terras dat langs de geheele onderste verdieping liep; de leuning van dit terras, in den stijl van de hekken van het park Monceaux, was nog meer met verguldsel overladen dan de kap en de lantarens van het voorplein. Het gebouw had aan iederen hoek een paviljoen, bij wijze van een half ingebouwd torentje, dat binnenin een rond vertrek vormde. In het midden bevond zich een ander torentje, dat minder uitstak dan de beide uiterste. De vensters, die hoog en smal waren voor de paviljoens, maar bijna vierkant en met grooter tusschenruimten op de vlakke gedeelten van den gevel, hadden gelijkvloers steenen balustrades en op de hoogere verdiepingen leuningen van verguld smeedijzer.

Het was een vertoon, een overdaad, een overstelping van rijkdom. Het hôtel verdween onder het beeldhouwwerk. Om de vensters, langs de kroonlijsten, liepen kronkelende takken en bloemen; er waren balkons die geleken op bloemenmanden en gestut werden door groote naakte vrouwenbeelden met gebogen heupen en vooruitstekende borsten; hier en daar waren gephantaseerde wapenschilden aangebracht, druiventrossen, rozen, alle mogelijke versieringen van steen en marmer. Naarmate de blik zich hooger wendde, werden de bloemen menigvuldiger. Rondom het dak liep een balustrade, waarop met gelijke tusschenruimten urnen stonden, waarin steenen vlammen glansden. En daar, tusschen de ronde dakvensters, die open gingen in een ongelooflijke mengeling van vruchten en gebladerte, daar kwamen de kapitale stukken van deze verbazende decoratie voor den dag; de frontons der paviljoens, in wier midden de groote naakte vrouwenbeelden weer zichtbaar werden, te midden van bundels riet, met appelen spelende en allerlei houdingen aannemende.

Met al die versieringen overladen, scheen het dak, waarboven zich nog galerijen van uitgetand lood verhieven, benevens twee bliksemafleiders en vier kolossale symmetrische schoorsteenen, eveneens met beeldhouwwerk versierd, het slotstuk van dit bouwkunstig vuurwerk te zijn.

Rechts bevond zich een groote serre, tegen het hôtel aangebouwd, die met de benedenverdieping in verbinding stond door de glazen deuren van een salon. De tuin, die door een laag, achter een haag verborgen hek, van het park Monceaux gescheiden werd, helde vrij sterk. Te klein in verhouding tot de woning, zoo smal dat een grasperk en een paar groepjes groene boomen hem geheel vulden, was hij eigenlijk niets anders dan een heuveltje, een voetstuk van groen, waarop het hôtel in galatoilet prijkte. Van uit het park gezien, boven dat goed onderhouden grasperk, die struiken met hun glinsterende bladeren, had dat groote gebouw met zijn plompen leien hoed, zijn vergulde leuningen, zijn overvloed van beeldhouwwerk, het bleeke uitzicht, de rijke en dwaze gewichtigheid van een parvenu. Het was het nieuwe Louvre op kleiner schaal, een van de kenmerkendste staaltjes van den stijl Napoleon III, dien weelderigen bastaard van alle stijlen.

Op zomeravonden, wanneer de schuine stralen der zon het verguldsel van de leuningen aan den witten gevel deden schitteren, bleven de wandelaars in het park stilstaan en keken naar de roodzijden gordijnen die voor de vensters van de benedenverdieping gedrapeerd waren; en door de ruiten, die zoo breed en zoo helder waren dat zij daar, evenals de spiegelruiten van de groote nieuwerwetsche magazijnen, geplaatst schenen om de inwendige pracht naar buiten te vertoonen, ontwaarden de burgerluidjes hoekjes van meubelen, stukjes stof, gedeelten van prachtig beschilderde plafonds, die hen van bewondering en afgunst midden in de lanen als vastgeworteld deden stilstaan.

Maar nu daalde de duisternis van de boomen, de gevel sliep, Aan de andere zijde, op het voorplein, had de palfrenier Renée eerbiedig helpen uitstijgen. Rechts aan het eind van een met glas bedekte inrij, openden de stallen met hun lijsten van rooden steen, hun breede gepolijste eikenhouten deuren. Links was er bij wijze van pendant tegen den muur van het aangrenzende huis een rijk versierde nis geplaatst, waarin een breede waterstraal onafgebroken voortgutste uit een schelp, die door twee Amors omhoog gehouden werd.

De jonge vrouw toefde een oogenblik aan den voet van het bordes, en tikte even tegen haar rok, die niet wilde zakken.

Het voorplein, voor een oogenblik verlevendigd door het geraas van het rijtuig, hernam zijn deftige stilte, die slechts verbroken werd door het eeuwigdurend geruisch van den waterval. En in de donkere massa van het hôtel, waar ter eere van het eerste groote herfstdiner weldra alle lichten zouden ontstoken worden, zag men nu slechts de benedenvensters verlicht, een helderen gloed afstralend op de kleine steentjes van het voorplein, die regelmatig en zuiver als een dambord in den grond gelegd waren.

De deur van de vestibule openduwend, stond Renée tegenover den kamerdienaar van haar man, die zich met een zilveren waterketel in de hand naar de benedenvertrekken wilde begeven. De man had een statig voorkomen; hij was geheel in het zwart, lang en flink gebouwd, had een bleek gelaat met de onberispelijke bakkebaarden van een engelsch diplomaat, en het ernstige, waardige uiterlijk van een magistraat.

--Baptiste, vroeg de jonge vrouw, is mijnheer al thuis?

--Ja, mevrouw, hij kleedt zich, antwoordde de dienaar met eene hoofdbuiging die hem benijd kon worden door een vorst, die de menigte groet.

Renée ging langzaam de trap op, haar handschoenen onderwijl uittrekkend.

De vestibule was weelderig ingericht. Bij het binnenkomen ontwaarde men een lichte aandoening van beklemdheid. De dikke tapijten die den grond bedekten en de loopers op de trap, de breede roodfluweelen behangsels die de muren en deuren maskeerden, maakten de lucht zwaar, met de stilte, den warmen geur van een kapel. Draperieën hingen van boven neer, en het hooge plafond was versierd met rosetten, die op een netwerk van vergulde staafjes rustten.

De trap, met haar dubbele, witmarmeren balustrade, had een roodfluweelen leuning, en twee lichtgebogen opgangen, waartusschen zich de deur van het groote salon bevond. Op het eerste portaal besloeg een kolossale spiegel den geheelen muur. Beneden, aan den voet der beide opgangen, stonden op marmeren voetstukken twee vergulde bronzen vrouwen, met ontbloot bovenlijf, die groote kronen met vijf lichten droegen, wier helder schijnsel verzacht werd door matglazen ballons. Aan weerszijden stond een rij prachtige bloempotten van majolica, waarin zeldzame planten bloeiden.

Renée ging de trap op, en bij iedere trede zag zij meer van haar beeld in den spiegel; zij vroeg zich af, met dien twijfel dien zelfs de meest gevierde tooneelspeelsters in zich voelen opkomen, of zij er werkelijk zoo verleidelijk uitzag als men zeide.

In haar vertrekken gekomen, die zich op de eerste verdieping bevonden en op het park Monceaux uitzagen, schelde zij Céleste, haar kamenier, en liet zich kleeden voor het diner. Dat duurde bijna anderhalf uur. Toen de laatste speld vastgestoken was, opende zij een venster, want het was heel warm in de kamer, en op haar ellebogen leunend gaf zij zich weer aan haar droomerijen over. Achter haar ruimde Céleste, zoo stil mogelijk, de toiletbenoodigdheden op.

Beneden in het park golfde een zee van duisternis. De inktkleurige massa's van het hooge gebladerte, door rukwinden heftig geschud, schommelden heen en weer als een golfslag, die aanrolt en terugwijkt, met het geruisch van droge bladeren, dat doet denken aan het afdruppelen van de golven op een oever van kiezelsteenen.

Nu en dan vertoonde zich een lichtstreep in die draaikolk van duisternis; de twee gele oogen van een rijtuig verschenen en verdwenen tusschen het dicht geboomte, langs de groote laan die van de avenue de la Reine-Hortense naar den boulevard Malesherbes loopt.

Tegenover al die droefgeestigheid van den herfst, voelde Renée al haar weemoed weer in haar hart opkomen. Zij zag zich terug als kind in het huis haars vaders, in dat stille heerenhuis op het eiland St. Louis, waar de Bérauds Du Châtel meer dan twee eeuwen lang hun sombere deftigheid van magistraatspersonen bewaard hadden. Toen dacht zij aan haar huwelijk, als bij tooverslag opgekomen, aan dien weduwnaar die zich verkocht had om haar te trouwen, die zijn naam Rougon had verwisseld voor dien van Saccard, waarvan de twee harde lettergrepen haar de eerste malen in de ooren hadden geklonken, met de onbeschoftheid van twee harken, die goud naar zich toeschrapen; hij had haar genomen, haar meegesleept in dat buitensporige leven, dat haar arm hoofd iederen dag meer van streek bracht.

Toen dacht zij, met een kinderlijke vreugde, aan de heerlijke raketspelletjes die zij met haar zusje Christine had gespeeld.

En op den een of anderen morgen zou zij ontwaken uit den roes van genot waarin zij sedert tien jaar leefde, krankzinnig, haar goeden naam bevlekt door een der speculaties van haar man; waarin hij zich zelf te gronde zou richten. Het was als een ingeving. De boomen hieven een luider klaaglied aan.

Ontroerd door die gedachte aan schande en straf, gaf Renée gehoor aan de opwelling van ouderwetsche burgerdeugd die in haar binnenste verscholen lag; zij beloofde aan den donkeren nacht zich te zullen beteren, niet meer zooveel geld voor haar toiletten uit te geven, een onschuldig vermaak te zoeken dat haar afleiding kon geven, zooals in de gelukkige dagen van haar kostschoolleven, toen de leerlingen zachtjes onder de platanen ronddansend zongen: Nous n'irons plus au bois.

Op dit oogenblik kwam Céleste, die naar beneden was gegaan, weer binnen en fluisterde haar meesteres in het oor:

--Mijnheer verzoekt mevrouw beneden te komen. Er zijn al verscheidene gasten in het salon.

Renée schrikte op. De scherpe lucht, die haar schouders ijskoud maakte, had zij niet gevoeld. Toen zij voorbij haar spiegel ging, stond zij even stil, en wierp er werktuigelijk een blik in. Zij glimlachte onwillekeurig, en ging naar beneden.

Inderdaad waren bijna alle gasten aanwezig. Zij vond beneden haar zuster Christine, een meisje van twintig jaar, heel eenvoudig gekleed in een wit neteldoeksch japonnetje; haar tante Elisabeth, weduwe van notaris Aubertot, in zwart satijn, een vriendelijk oud vrouwtje van zestig jaar; de zuster van haar man, Sidonie Rougon, een magere zoetsappige vrouw, wier leeftijd moeielijk te bepalen viel, met een wasachtig gelaat, dat door de fletse kleur van haar japon nog kleurloozer scheen; verder de Mareuils,--den vader, mijnheer de Mareuil, die juist uit den rouw was over zijn vrouw, een langen, knappen man, koel en ernstig, die een treffende gelijkenis met den kamerdienaar Baptiste vertoonde,--en de dochter, die arme Louise, zooals zij genoemd werd, een nietig, eenigszins gebocheld meisje van zeventien jaar, dat met een ziekelijke gratie een japon van witte foulardzijde met roode moesjes droeg; dan nog een kring van deftige mannen, met verscheidene ridderorden, officiëele heeren met bleeke, nietszeggende gezichten en verder een andere groep, jonge mannen, met een losbandig uiterlijk en laag uitgesneden vest, die vijf of zes zeer elegante dames omringden, waaronder de beide onafscheidelijken het eerst in het oog vielen, de kleine markiezin d'Espanet in het geel en de blonde mevrouw Haffner, in violetkleurige zijde.

Ook mijnheer de Mussy, de ruiter wiens groet Renée niet beantwoord had, bevond zich daar, met het ongeruste gezicht van een minnaar die voelt dat hij zijn afscheid zal krijgen. En midden tusschen de lange, over het tapijt uitgespreide slepen, stapten twee aannemers, twee rijk geworden metselaars, Mignon en Charrier, met wie Saccard den volgenden dag een zaak te verhandelen had, met hun lompe laarzen heen en weer, de handen op den rug, bijna stikkend in hun zwarte gekleede jas.

Aristide Saccard stond bij de deur, en hield met zijn neusgeluid en zijn zuidelijke levendigheid een hoogdravende rede voor het groepje deftige mannen, terwijl hij daar tusschen de gelegenheid vond om de binnenkomende gasten te begroeten. Hij drukte hun de hand, en had voor ieder een vriendelijk woord. Met zijn kleine gestalte en sluw gezicht boog hij als een marionet, en wat het meest in het oog viel van zijn schrale, listige, donkere persoontje, dat was het roode lint van het Legioen van eer, dat hij heel breed droeg.

Toen Renée binnen trad, verhief zich een gemompel van bewondering. Zij was inderdaad goddelijk schoon. Over een tulle rok, die van achteren met een overvloed van strooken gegarneerd was, droeg zij een tuniek van zacht groen satijn, afgezet met Engelsche kant, opgenomen en vastgehecht met groote toefen viooltjes; een enkele strook garneerde de voorbaan van den rok, waarop bouquetjes van dezelfde bloemen, door guirlandes van klimopbladeren verbonden, een lichte draperie van mousseline vasthechtten. Boven die rokken van een royale wijdte en een beetje overdreven kostbaarheid waren de aanvalligheden van het hoofd en het keurslijf aanbiddelijk. Tot op het midden der borst gedecolleteerd, de armen ontbloot, met toefjes viooltjes op de schouders, scheen de jonge vrouw geheel naakt uit haar foedraal van tulle en satijn te voorschijn te komen, als een dier nimfen wier bovenlijf zich uit de heilige eiken losmaakt; en haar blanke hals, haar lenig lichaam was al zoo gelukkig met zijn halve vrijheid, dat de blik telkens verwachtte het keurslijf en de rokken te zien afglijden, als de kleeding van eene baadster, die ingenomen is met haar eigen lichaam. Haar hooge kapsel, haar fijn geel haar dat als een helm was opgestreken en waartusschen een takje klimop gevlochten was, door een strik van viooltjes vastgehecht, deed haar naaktheid nog meer uitkomen, daar het den nek geheel bloot liet, waarop dunne vlashaartjes, als gouden draden, een lichte schaduw wierpen. Om den hals had zij een snoer hangers van het zuiverste water en boven het voorhoofd een aigrette van zilveren sprietjes met diamanten bezaaid.

Zoo stond zij een oogenblik op den drempel, in haar prachtig toilet, terwijl de flonkerende gloed vlammige tinten op haar schouders tooverde.

Zij hijgde een beetje door het snelle trappen loopen. Haar oogen, nog vol van de duisternis van het park Monceaux, knipten voor die plotselinge zee van licht en gaven haar dat weifelend voorkomen, dat aan bijzienden eigen is en bij haar een bevalligheid te meer was.

Toen de kleine markiezin haar opmerkte, stond zij haastig op, liep op haar toe en vatte haar beide handen, en terwijl zij haar van het hoofd tot de voeten opnam, zei zij zachtjes met haar aangename stem:

--O lieve, wat ben je mooi!

De andere gasten kwamen nu ook met veel beweging naar de mooie mevrouw Saccard toe, zooals Renée in de gezelschappen genoemd werd. Zij bood bijna allen mannen de hand. Vervolgens omhelsde zij Christine en vroeg haar hoe haar vader het maakte, die nooit in het hôtel van het park Monceaux kwam. En glimlachend bleef zij staan, steeds met een hoofdbuiging groetende, voor den kring van dames die nieuwsgierig naar het halssnoer en de aigrette keken.

De blonde mevrouw Haffner kon de verzoeking geen weerstand bieden; zij trad nader, bekeek de edelgesteenten aandachtig en zei op jaloerschen toon:

--Dat is het snoer en de aigrette, niet waar?

Renée knikte toestemmend. Toen putten de dames zich uit in loftuitingen; de steenen waren verrukkelijk, goddelijk; daarop begonnen zij, met een bewondering vol afgunst, over de verkooping van Laure d'Aurigny te spreken, waar Saccard ze voor zijn vrouw gekocht had; zij klaagden dat die soort meisjes de mooiste dingen wisten te krijgen, dat er weldra geen diamanten meer voor fatsoenlijke vrouwen zouden zijn. Maar in die klachten klonk de begeerte door, op haar ontblooten boezem een van die juweelen te voelen die heel Parijs op de schouders van een beroemde maîtresse gezien had, en die haar misschien de intieme alkoofgeheimen in het oor zouden fluisteren, waarbij de gedachten van die groote dames zoo gaarne verwijlden. Zij kenden de hooge prijzen die er besteed waren, zij noemden een kostbare cachemire sjaal, prachtige kanten. De aigrette had vijftienduizend francs gekost, het halssnoer vijftigduizend francs. Mevrouw d'Espanet geraakte in geestdrift door die cijfers. Zij riep Saccard toe:

--Kom toch eens hier, dat wij u feliciteeren kunnen! Dat is eerst een goed echtgenoot!

Aristide Saccard naderde en speelde den bescheidene. Maar zijn grijnzend gezicht verried een levendige voldoening. En hij wierp een schuinschen blik naar de twee aannemers, de rijk geworden metselaars, die een paar passen verder stonden en blijkbaar met eerbied de cijfers vijftienduizend en vijftigduizend francs hoorden klinken.

Op dat oogenblik kwam Maxime, die juist was binnengekomen, keurig gekleed in zijn nauwsluitende zwarte jas, vertrouwelijk op zijns vaders schouders leunen en met een oogwenk naar de metselaars, sprak hij zachtjes tot hem, als tot een kameraad. Saccard vertoonde den bescheiden glimlach van een tooneelspeler, die toegejuicht wordt.

Een paar nieuwe gasten traden binnen. Er waren nu minstens dertig personen in het salon. De gesprekken werden hervat; gedurende de oogenblikken van stilte hoorde men, achter de muren, een licht gerinkel van borden en zilverwerk. Eindelijk opende Baptiste de beide vleugels eener deur, en plechtig klonk de aankondiging:

--Mevrouw, de tafel is gereed.

Toen stelde de stoet zich langzaam in beweging. Saccard gaf een arm aan de kleine markiezin, Renée nam dien van een ouden heer, een raadslid, baron Gouraud, voor wien iedereen onderdanig boog; wat Maxime aangaat, hij zag zich genoodzaakt Louise de Mareuil zijn arm aan te bieden; daarop kwamen de overige gasten, in optocht, en heel aan het eind, de twee aannemers met slingerende armen.

De eetzaal was een groot vierkant vertrek, met een manshooge lambrizeering van zwartgepolitoerd en gevernist perenhout, met een smal verguld lijstje afgezet. De vier groote zijvakken waren zonder twijfel aangebracht teneinde met stillevens beschilderd te worden, maar zij waren leeg gebleven, zeker omdat de eigenaar van het hôtel teruggeschrikt was voor een uitgaaf louter voor de kunst. Men had ze eenvoudig met donkergroen fluweel behangen. De meubels, gordijnen en portières van dezelfde stof, gaven de kamer een sober en ernstig voorkomen, dat er op berekend was om den geheelen glans van het licht op de tafel te doen vallen.