Part 19
Zij spreidde dien winter een bijzondere weelde in haar linnengoed ten toon. Zij droeg ontzettend dure hemden en peignoirs, waarvan de kanten tusschenzetsels en het batist haar nauwelijks met een witte wolk bedekten. En in den rooden gloed van het haardvuur zat zij daar, als naakt, de kant en de huid rose gekleurd door de vlammen, die door de dunne stof heen haar vleesch verwarmden.
Maxime, aan haar voeten neergehurkt, kuste haar op de knieën, zonder zelfs het linnen te voelen, dat de warmte en de kleur van dat heerlijk schoone lichaam had. Het daglicht viel als een schemering in de kamer van grijze zijde, terwijl Céleste met haar kalmen tred achter hen heen en weer ging. Zij was hun medeplichtige geworden als iets dat vanzelf sprak. Op een morgen vond zij ze samen in bed, zonder iets van haar ijskoude dienstboden-kalmte te verliezen. Ze ontzagen zich niet meer voor haar, zij kwam op alle uren van den dag binnen, zonder dat het geluid van hun kussen haar het hoofd deed omwenden. Ze rekenden er op, dat zij hen bij het minste onraad zou waarschuwen. Ze kochten haar stilzwijgen niet; het was een zuinig, oppassend meisje, dat er geen minnaar op nahield, voor zoover men wist.
Intusschen leidde Renée geen kloosterleven. Zij ging veel in gezelschappen en voerde Maxime in haar gevolg mee, als een blonde page in het zwart; zij genoot nu zelfs meer dan vroeger. Het seizoen was voor haar éen lange triomf. Nog nooit was haar verbeeldingskracht zoo vindingrijk geweest in het uitdenken van toiletten en kapsels. Bij deze gelegenheid waagde zij die fameuze struikkleurige satijnen japon te dragen, waarop een heele hertenjacht was geborduurd, met de daarbij behoorende attributen, kruithorens, jachthorens, messen met breede lemmeten. Toen bracht zij ook de antieke kapsels in de mode, die Maxime voor haar moest nateekenen in het pas geopende museum Campana.
Zij begon er jonger uit te zien, ze was nu in de volheid van haar woelige schoonheid. De bloedschande bracht een gloed in haar, die haar oogen deed glanzen en haar lach voller en warmer deed klinken. Haar binocle getuigde van grooten overmoed, op den top van haar neus, en zij keek de andere vrouwen, haar goede vriendinnen, die praalden met afschuwelijke ondeugden, met het voorkomen van een snoever en een glimlach aan, alsof ze zeggen wou: "Ik heb mijn misdaad."
Maxime vond die gezelschappen allervervelendst. Hij vond het "chic" te beweren dat hij zich daar verveelde, want eigenlijk amuseerde hij zich nergens. Op de Tuileriën, bij de ministers, overal verdween hij in Renée's rokken. Maar zoodra het zekere uitstapjes gold, was hij weer nummer één. Renée wenschte het kabinet op den boulevard nog eens te zien, en de breede sofa deed haar glimlachen. Verder bracht hij haar zoowat overal heen, bij de lichte meisjes, naar het Opera-bal, de avant-scènes van kleine theaters, naar alle verdachte plaatsen waar zij in het genot van hun incognito de onbeschaamde ondeugd van nabij konden gadeslaan.
Wanneer zij heimelijk in het hôtel terugkeerden, vielen zij doodmoe in elkanders armen in slaap, den roes van het ontuchtig Parijs uitslapend, terwijl de brokstukken van dartele liedjes hun nog in de ooren gonsden. Den volgenden dag bootste Maxime de acteurs na en Renée trachtte aan de piano van het kleine salon de schorre stem en de losse heupbewegingen van Blanche Muller, in haar rol van la Belle Hélène, na te volgen. De muzieklessen, die zij in het klooster gekregen had, dienden haar nog slechts om de coupletten der nieuwste kluchten te verknoeien. Zij had een afschuw van ernstige liederen. Maxime deelde haar minachting voor de duitsche muziek, en hij meende verplicht te zijn de Tannhäuser uit te fluiten, uit overtuiging, en ook om de dartele liedjes van zijn stiefmoeder te verdedigen.
Een van de grootste genoegens was het schaatsenrijden; dat was dien winter bijzonder in de mode, omdat de keizer een der eersten was geweest die den vijver in het Bois de Bologne geprobeerd had. Renée bestelde bij Worms een compleet Poolsch costuum, van fluweel met bont; Maxime moest slappe laarzen en een muts van vossenbont hebben.
Zij kwamen in het Bosch, bij een vinnige kou die hun neus en ooren prikkelde, alsof de wind hun fijn zand in het gezicht geblazen had. Dat gevoel van kou vonden zij prettig. Het Bosch was geheel grijs, met smalle strookjes sneeuw, die langs de takken op fijne guipure geleken. En onder den bleeken hemel, boven den doffen, bevroren vijver vertoonden alleen de denneboomen van het eiland, aan den rand van den horizon, hun theatrale draperieën, waarin de sneeuw ook lange kantwerken vlocht.
Zij gleden pijlsnel voort in de ijzige lucht, als zwaluwen die in haar snelle vlucht den grond schijnen aan te raken. Eene hand op den rug en de andere op elkanders schouders, reden zij rechtop, met een glimlach op de lippen, zij aan zij, de baan op en af, in de wijde ruimte die door dubbele touwen afgebakend was. Boven in de groote laan, stonden de toeschouwers hen aan te gapen. Nu en dan kwamen zij zich warmen aan de gloeiende vuurpotten aan den kant. En dan reden zij weer voort. Zij sloegen flink uit, met breede slagen, terwijl hun oogen traanden van genot en van kou.
Toen de lente kwam, dacht Renée aan haar oude idylle. Zij verlangde dat Maxime bij maneschijn een wandeling met haar in het park Monceau zou doen. Zij gingen in de grot en vlijden zich neer op het gras, voor de zuilengang. Maar toen zij haar verlangen te kennen gaf een poosje rond te roeien op den vijver, bemerkten zij dat de boot die men van uit het hôtel aan het einde eener laan vastgelegd zag, geen riemen bevatte. Die haalde men zeker 's avonds weg. Dat was een ontgoocheling. Bovendien voelden de gelieven zich niet op hun gemak in die donkere gedeelten van het park. Zij zouden graag gezien hebben dat er een venetiaansch feest gegeven werd, met roode ballons en een muziektent. Zij zagen het liever overdag, op den middag, en dan gingen zij dikwijls aan het raam staan, om de équipages te zien, die de mooie bocht van de groote laan omreden. Zij hadden schik in dat bekoorlijke hoekje van het moderne Parijs, in die liefelijke, nette natuur, die grasperken als banen fluweel, met bloemkorven en uitgelezen heesters bezet, en met prachtige witte rozen omzoomd.
De rijtuigen kruisten elkander daar even talrijk als op de boulevards, de wandelaarsters lieten haar japonnen slepen, alsof zij nog op de tapijten van haar salons liepen. En door het gebladerte heen, critiseerden zij de toiletten, maakten zij elkander opmerkzaam op de mooie paarden, werd hun oog aangenaam gestreeld door de zachte kleuren van dien grooten tuin. Hier en daar schitterde een puntje van het vergulde hek tusschen de boomen, eenden zwommen achter elkander in den vijver voorbij, het nieuwe bruggetje in renaissance-stijl stak wit af tegen het groen, terwijl moeders, op gele stoelen aan weerszijden van de groote laan, al pratende de jongens en meisjes vergaten, die elkaar lief aankeken, hun gezicht vertrekkende als vroegwijze kinderen.
De gelieven hielden van het nieuwe Parijs. Dikwijls reden zij de stad door, of maakten een omweg om sommige boulevards over te rijden, waarvoor zij een persoonlijke voorkeur voelden. Opgetogen staarden zij naar die hooge huizen met hun groote gebeeldhouwde deuren, met balcons er boven, waar uithangborden of de namen der firma's met groote gouden letters schitterden.
Onder het rijden volgde hun blik met welgevallen de grijze randen van de trottoirs, breed en eindeloos, met hun banken, hun bontkleurige zuilen, hun spichtige boomen. Die heldere opening, die tot aan den horizon doorliep, zich steeds vernauwende om ten slotte uit te loopen in het blauwend verschiet, die onafgebroken dubbele reeks van groote magazijnen, waar de bedienden glimlachend de klanten hielpen, die bedrijvige, gonzende menschenmenigte, dat alles gaf hun langzamerhand een gevoel van volkomen bevrediging.
Zij schepten zelfs behagen in de waterstralen der sproeispuiten, die zich als een witte rook voor hun paarden uitspreidden, als een fijne regen onder de wielen van het rijtuig neervielen, waar zij den grond glanzig maakten en lichte stofwolkjes deden opstuiven.
Zij reden voort langs dien rechten, eindeloozen weg, zacht als een tapijt, dien men alleen had aangelegd om hun de donkere steegjes te besparen. Iedere boulevard werd een toegangsweg naar hun hôtel.
De zon scheen lachend op de nieuwe gevels, deed de vensters schitteren, straalde op de schermen der winkels en koffiehuizen en verwarmde het asphalt onder de haastige schreden der menigte. En als zij thuis kwamen, met een vermoeid hoofd van al dat geroezemoes, vermeiden zij zich in het park Monceau, dat als een smal tuinbed om een bloemstuk, het nieuwe Parijs, paste, en nu zijn weelde ten toon spreidde in de eerste zoele lentedagen.
Door de mode gedwongen Parijs te verlaten, gingen zij naar een zeebad, tegen hun zin in en aan het zeestrand nog denkende aan de trottoirs van de boulevards. Hun liefde zelfs begon daar te kwijnen. Het was een kasbloem, die behoefte had aan het groote grijs en rose bed, de vleeschkleurige kleedkamer, het gouden morgenlicht van het kleine salon.
Sedert zij 's avonds alleen waren, tegenover de zee, hadden zij elkander niets meer te zeggen. Zij probeerde haar liedjes van het théâtre des Variétés te zingen bij een oude piano, die in een hoekje van de kamer stond te zieltogen; maar de zeewinden hadden het instrument zoo vochtig gemaakt, dat het niets dan naargeestige geluiden voortbracht. La Belle Hélène klonk er spookachtig somber op.
Om zich te troosten, bracht de jonge vrouw de badgasten in verbazing door haar opzichtige toiletten. Al die dames wachtten daar geeuwend den winter af, wanhopige pogingen doende om een badkostuum te vinden dat haar niet al te leelijk maakte.
Geen enkele maal kon Renée Maxime overhalen, een bad te nemen. Hij was doodsbang voor het water, hij werd al bleek als de opkomende vloed zijn laarzen nat maakte, en hij zou zich voor geen geld ter wereld aan den rand van een steilen oever gewaagd hebben; hij ontweek de kuilen en maakte lange omwegen om een eenigszins steile kust te vermijden.
Saccard kwam een enkelen keer naar de kinderen kijken. Hij zat diep in de zorgen, zei hij.
Eerst tegen October, toen zij alle drie weer in Parijs bijeen waren, dacht hij ernstig over een toenadering na. De zaak van Charonne werd nu rijp. Zijn onbeschaamd plan stond hem klaar voor den geest. Hij wilde Renée met hetzelfde spelletje vangen, dat hij met een lichtekooi gespeeld zou hebben. Haar behoeften werden steeds grooter, en uit een gevoel van trots, deed zij eerst in den uitersten nood een beroep op haar man. Deze nam zich voor om van haar eerste verzoek gebruik te maken om galant te zijn en in haar vreugde over de betaling van een groote schuld betrekkingen, sedert lang verbroken, opnieuw aan te knoopen.
Vreeselijke moeielijkheden wachtten Renée en Maxime te Parijs. Verscheidene schuldbekentenissen aan Larsonneau waren vervallen; maar daar Saccard ze natuurlijk onder de berusting van den deurwaarder liet, bekommerde de jonge vrouw zich daar weinig om. Zij stond heel wat meer angst uit om haar schuld bij Worms, die nu tot bijna tweehonderdduizend francs gestegen was. De kleermaker vorderde een gedeeltelijke afbetaling, met de bedreiging dat hij niets meer op krediet zou leveren. Zij werd huiverig bij de gedachte aan het schandaal van een proces, en vooral aan een conflict met den beroemden kleermaker. Dan had zij ook zakgeld noodig. Zij zouden zich doodelijk vervelen, zij en Maxime, als zij niet dagelijks een paar tientjes te verteren hadden.
Die arme jongen zat op zwart zaad, sinds hij tevergeefs de laadjes van zijn vader doorsnuffelde. Zijn trouw en voorbeeldig gedrag gedurende de laatste zeven of acht maanden, stond in nauw verband met de ledigheid van zijn beurs. Hij had niet altijd twintig francs om de een of andere straatloopster te soupeeren te vragen. Hij ging dan ook maar kalmpjes naar huis.
Bij hun uitstapjes gaf de jonge vrouw hem haar beurs, als hij moest betalen in de restauraties, op de bals of in de kleine theaters. Zij behandelde hem nog altijd moederlijk, en bij den pasteibakker, waar zij bijna iederen middag oesterpasteitjes gingen eten, nam zij met haar gehandschoende vingers het geld zelf uit haar beurs. Dikwijls vond hij 's morgens met blijde verrassing een paar goudstukken in zijn vestzakje, die zij er in gestopt had, als een moeder die den zak van een schooljongen vult.
En dat heerlijke leventje van allerhande pretjes zou een einde moeten nemen! Maar zij werden nog door een ernstiger vrees beangst. Sylvia's juwelier, aan wien Maxime tienduizend francs schuldig was, begon boos te worden en sprak er al van hem te laten gijzelen, naar Clichy te laten brengen. Op de wissels, die hij in handen had, waren zooveel protestkosten gekomen, dat de schuld met drie of vierduizend francs vermeerderd was.
Saccard verklaarde beslist dat hij hem niet helpen kon. Als zijn zoon in Clichy zat, zou dat de aandacht op hem vestigen, en als hij hem loskocht, zou die vaderlijke mildheid druk besproken worden.
Renée was wanhopig, ze zag haar lieven jongen in de gevangenis, maar dan in een vunzig hok, op vochtig stroo liggend. Op een avond deed zij hem in allen ernst het voorstel haar kamer niet meer te verlaten, er buiten iemands weten te blijven wonen, om tegen de handlangers van den deurwaarder beveiligd te zijn. Dan bezwoer zij weer dat zij het geld zou vinden. Zij sprak geen enkele maal over de oorzaak van de schuld, over die Sylvia, die haar liefde aan de spiegels van de restauratiekamers toevertrouwde.
Zij had zoowat vijftigduizend francs noodig: vijftien duizend voor Maxime, dertig duizend voor Worms en vijf duizend francs zakgeld. Daar konden zij twee volle weken gelukkig mee zijn. Zij toog dus aan het werk.
Haar eerste gedachte was, de vijftigduizend francs aan haar man te vragen. Dat besluit nam zij slechts met tegenzin. De laatste malen dat hij haar kamer binnengetreden was om haar geld te brengen, had hij haar opnieuw in den hals gekust, terwijl hij haar handen in de zijne genomen en lieve woordjes gezegd had. Vrouwen hebben een fijn gevoel om de oogmerken der mannen in zulke zaken te raden. Zij hield zich dan ook voorbereid op een eisch van zijn kant, een stilzwijgende voorwaarde, die glimlachend bedongen en toegestaan wordt. Toen zij hem dan ook de vijftig duizend francs vroeg, opperde hij veel bezwaren; hij zei dat Larsonneau die som nooit zou leenen, dat hij zelf nog te slecht bij kas was. Daarop van toon veranderende, alsof hij door een plotselinge aandoening werd bevangen:
--Ik kan je niets weigeren, fluisterde hij. Ik zal de heele stad afloopen, mijn uiterste best doen. Ik wil je tevreden zien, lieve.
En zijn mond bij haar oor buigende, kuste hij haar haren, en zei met trillende stem:
--Ik zal ze je morgen avond brengen, op je kamer.... zonder schuldbekentenis. Maar zij haastte zich te zeggen dat er geen haast bij was, dat zij hem dien last niet wilde bezorgen. Saccard, die zijn heele hart in dat gevaarlijke "zonder schuldbekentenis" gelegd had, dat hem tot zijn spijt uit den mond gevallen was, deed net alsof hij niet bemerkte dat hij een onaangename weigering had gekregen. Hij stond op en zei:
--Nu dan, zooals je wilt.... Ik zal het geld voor je zien te krijgen als het oogenblik gunstig is. Larsonneau heeft er niets mee te maken, begrijp je. Ik wil het je cadeau doen.
Hij glimlachte goedig. Zij bleef in een wanhopige stemming alleen. Zij gevoelde dat zij het beetje zielsrust dat zij overhad zou verliezen, als zij zich aan haar man overgaf. Haar laatste trots stelde zij er in met den vader getrouwd, maar alleen de vrouw van den zoon te zijn. Wanneer Maxime haar wat koel toescheen, trachtte zij dikwijls hem dien toestand met duidelijke toespelingen aan het verstand te brengen; maar de jonge man, dien zij verwacht had na die mededeeling voor haar te zien neerknielen, bleef volmaakt onverschillig; hij dacht zeker dat zij hem wilde geruststellen over de mogelijkheid van een ontmoeting tusschen hem en zijn vader, in de kamer van grijze zijde.
Zoodra Saccard heengegaan was, kleedde zij zich haastig aan en liet inspannen. Onderwijl zij in haar coupé naar l'île Saint-Louis reed, bedacht zij op welke wijze zij haar vader om de vijftigduizend francs zou vragen. Zij ging op dit plotseling opgekomen denkbeeld door, zonder het voor en tegen te overwegen; in haar binnenste voelde zij zich den moed ontzinken, schrikte zij terug voor een dergelijken stap.
Toen zij er aankwam, voelde zij zich beklemd door de ijzige koude van de binnenplaats met haar doodsche, kloosterachtige vochtigheid; de lust bekroop haar weer terug te keeren, terwijl zij de breede steenen trap opging, waarop haar kleine laarsjes met hooge hakken hard weerklonken. In haar haast was zij zoo dwaas geweest een zijden kostuum te kiezen met lange strooken van witte kant, versierd met satijnen strikken; de ceintuur was geplooid als een sjerp. Dat toilet, waarbij zij een toque met groote witte voile had opgezet, vormde zoo'n zonderling contrast met de doodsche eentonigheid van de trap, dat zij zelf begreep welk een vreemde figuur zij maakte. Zij beefde toen zij de groote, stijve kamers doorging, waar de halfverbleekte personen op de behangsels verbaasd schenen over dien vloed van rokken, die daar hun halfduistere eenzaamheid door ruischten.
Zij vond haar vader in een salon dat op de binnenplaats uitzag, waar hij gewoonlijk verblijf hield. Hij zat te lezen in een groot boek, dat op een lezenaar ter hoogte van de armen van zijn leuningstoel lag. Voor een der vensters zat tante Elisabeth op lange houten pennen te breien; de stilte van de kamer werd alleen verstoord door het getiktak dier pennen.
Renée ging verlegen zitten, zij kon zich niet verroeren of ze verstoorde den ernst, die in de hooge kamer heerschte, door het ritselen van haar zijden kostuum. Haar witte kanten vormden een schelle tegenstelling met het zwarte fond van de stoffeering en de oude meubelen.
Mijnheer Béraud du Châtel liet de handen op den rand van den lessenaar rusten en keek haar aan. Tante Elisabeth sprak over het aanstaande huwelijk van Christine, die met den zoon van een schatrijken procureur ging trouwen; het meisje was met een oude dienstbode uit om naar een leverancier te gaan; en de goede tante praatte heel alleen, op haar kalmen toon, zonder haar breiwerk in den steek te laten, over huishoudelijke zaken, terwijl zij Renée boven haar bril uit glimlachend aanzag.
Maar de jonge vrouw geraakte hoe langer hoe meer in verwarring. De stilte van het hôtel drukte haar neer, en zij had er veel voor over gehad als haar kanten zwart geweest waren. De blik van haar vader bracht haar zoo van streek, dat zij het bespottelijk vond dat Worms zulke groote strikken had uitgedacht.
--Wat zie je er mooi uit, kindlief! zei eensklaps tante Elisabeth, die nog niet eens op de strooken van haar nicht gelet had.
Zij liet haar breinaalden rusten, schoof haar bril recht, om beter te kunnen zien. Mijnheer Béraud du Châtel glimlachte effen.
--'t Is een beetje wit, zei hij. 't Moet lastig loopen zijn met zoo'n kostuum op straat.
--Maar vader, men gaat niet te voet uit! riep Renée uit, die aanstonds spijt had over die openhartigheid.
De grijsaard wilde antwoorden, maar hij stond op, richtte zich in zijn volle lengte op en begon langzaam heen en weer te loopen, zonder zijn dochter verder aan te zien.
Deze bleef bleek van aandoening. Telkens als zij zichzelve moed insprak en een aanloopje zocht om over het geld te beginnen, voelde zij een steek in haar hart.
--We zien u niet meer, vader, zei zij zachtjes.
--O, antwoordde de tante, zonder haar broer den tijd te laten om den mond te openen, je vader gaat haast niet uit, een enkelen keer eens naar den Plantentuin. En dan moet ik hem er nog toe aansporen! Hij beweert dat hij verdwaald raakt in Parijs, dat de stad niet meer voor hem geschikt is.... Beknor hem maar eens goed!
--Mijn man zou het zoo prettig vinden als u van tijd tot tijd eens op onze Donderdagen kwam, ging de jonge vrouw voort.
Mijnheer Béraud du Châtel zette zwijgend zijn wandeling voort. Toen zei hij op kalmen toon:
--Je moet je man bedanken. 't Schijnt een ijverig mensch te zijn en ik hoop voor jou dat hij eerlijke zaken drijft. Maar wij hebben niet dezelfde ideeën, en ik voel me niet op mijn gemak in je mooie huis in het park Monceau.
Tante Elisabeth scheen niet voldaan met dit antwoord.
--Wat zijn de mannen toch akelig met hun politiek, zei zij opgeruimd. Wil je de waarheid weten? Je vader is woedend op jelui omdat je naar de Tuilerieën gaat.
Maar de grijsaard haalde de schouders op, als om te kennen te geven dat zijn ontevredenheid uit ernstiger oorzaken voortkwam. Hij hervatte zijn wandeling met een nadenkend gezicht. Renée zweeg een oogenblik stil, terwijl de vraag om de vijftigduizend francs haar op de lippen brandde. Toen overviel haar weer dat lafhartige gevoel, zij omhelsde haar vader en ging heen.
Tante Elisabeth wilde haar tot aan de trap vergezellen. Terwijl zij de kamers doorgingen, praatte zij met haar oude vrouwenstemmetje voort:
--Je bent gelukkig, lief kind. Het doet me genoegen je zoo mooi en welvarend te zien, want als je huwelijk eens verkeerd was uitgevallen, dan zou ik mezelve de schuld gegeven hebben, weet je.... Je man houdt toch van je, je hebt toch immers alles wat je noodig hebt, niet waar?
--Welzeker, antwoordde Renée, die trachtte te glimlachen, ofschoon haar hart brak.
Haar tante hield haar nog even terug, terwijl zij de hand al op de leuning had.
--Zie je, ik ben maar voor één ding bang, en dat is dat je geluk je te zorgeloos maakt. Wees voorzichtig, en verkoop vooral niets.... Als je eens een kind mocht krijgen, dan zou je er een klein fortuin voor gereed hebben liggen.
Toen Renée in haar coupé zat, slaakte zij een zucht van verlichting. De koude zweetdruppels stonden haar op het voorhoofd; zij veegde ze af, en dacht aan de ijzige vochtigheid van het hôtel Béraud. Maar toen de coupé langs de zonnige kade St. Paul reed, dacht zij weer aan de vijftigduizend francs, en al haar verdriet kwam weer terug. Wat was zij lafhartig geweest, zij die voor stoutmoedig doorging. En toch gold het hier Maxime, zijn vrijheid, hun beider vreugde! En te midden van de bittere verwijtingen die zij zich zelf deed, kwam er plotseling een gedachte in haar op, die haar wanhoop ten top voerde: zij had over de vijftigduizend francs moeten spreken met haar tante Elisabeth, op de trap. Waar had zij haar gedachten toch gehad? De goede vrouw zou haar misschien de som geleend hebben, of haar ten minste geholpen hebben. Zij boog zich al voorover om haar koetsier te bevelen naar de rue Saint-Louis en l'Ile terug te keeren, toen de gestalte van haar vader haar weer voor den geest kwam, zooals hij daar langzaam in het plechtige halfduister van het groote salon op een neer liep. Zij zou nooit den moed vinden om die kamer weer binnen te gaan. Wat moest zij zeggen om dat tweede bezoek te verklaren? En eigenlijk gezegd had zij nog niet eens moed genoeg om met tante Elisabeth over die zaak te spreken. Zij beval haar koetsier dan ook haar naar de rue du Faubourg-Poisonnière te rijden.
Mevrouw Sidonie uitte een kreet van blijde verrassing, toen zij haar door de winkeldeur zag binnenkomen. Zij was daar toevallig nog, maar zij stond op het punt naar den kantonrechter te gaan, waar zij een cliënte dagvaardde. Maar zij zou niet verschijnen, een anderen dag gaan; ze was veel te blij dat haar schoonzuster zoo lief was haar eindelijk eens te bezoeken.
Renée glimlachte, een beetje verlegen. Mevrouw Sidonie wilde volstrekt niet dat zij beneden zou blijven; zij moest mee naar boven, langs de kleine trap, nadat de koperen kruk van de winkeldeur was afgenomen. Wel twintigmaal op een dag werd die kruk, die slechts met een spijker vast zat, van de deur genomen.