Jacht naar Fortuin

Part 18

Chapter 183,815 wordsPublic domain

--Hij doet de ronde, zei Maxime.

Renée huiverde onwillekeurig. Baptiste maakte haar altijd ongerust. Zij beweerde soms dat hij de eenige rechtschapen man uit het heele huis was, met zijn koelheid, zijn heldere blikken, die nooit op de schouders der vrouwen bleven rusten. Zij begonnen toen een beetje voorzichtiger te worden. Zij sloten de deuren van het kleine salon en konden zóó rustig genieten van het salon, de serre en de vertrekken van Renée. Dat was een heele wereld. Zij genoten er de eerste maanden de meest verfijnde, de gezochtste genietingen. Zij brachten hun liefde van het groote grijs-roode bed in de slaapkamer naar de rose en witte naaktheid van de toiletkamer en naar de symphonie in geel mineur van het kleine salon over. Iedere kamer, met haar bijzonderen geur, haar behangsel, haar eigen leven, gaf hun een andere teederheid, maakte van Renée een andere minnares: zij was delicaat en lief in haar deftig, gecapitonneerd bed, in die aristocratische kamer, waarin de liefde een zweem van goeden smaak kreeg; onder de vleeschkleurige tent, te midden der geuren en de vochtige lucht van de badkuip, vertoonde zij zich als een grillig, zinnelijk meisje, zich overgevende bij het verlaten van het bad, en zoo had Maxime haar het liefst; en beneden, in den helderen zonsopgang van het kleine salon, te midden van dat morgenlicht dat haar haren goudgeel deed schijnen, werd zij een godin, met haar blonde Diana-hoofd, haar bloote armen die kuische houdingen aannamen, haar zuivergevormd lichaam, dat op de causeuses edele lijnen van een antieke bevalligheid vertoonde.

Maar er was één plaats waarvoor Maxime bijna bang was, waar Renée hem slechts heenbracht in haar booze dagen, wanneer zij behoefte had aan een scherper prikkeling. Dan beminden zij in de serre. Daar genoten zij de bloedschande.

Op zekeren nacht, in een van die buien, had de jonge vrouw verlangd dat haar minnaar een van de zwarte berenhuiden ging halen. Toen waren zij op dien inktkleurigen pels gaan liggen, aan den rand van de waterkom, in het groote ronde gangpad.

Buiten vroor het geducht, bij een helderen maneschijn. Maxime was rillend teruggekomen, met bevroren ooren en vingers. De serre was zoo gloeiend warm, dat hij op de berenhuid zijn bewustzijn verloor. De overgang van de scherpe koude in de hitte van de serre was zoo groot, dat hij een stekende pijn voelde, alsof hij met roeden geslagen werd.

Toen hij weer bijkwam, zag hij Renée, voorovergebogen op de knieën liggen, met starende oogen, een dierlijke houding die hem vrees aanjoeg. Met hangende haren en ontbloote schouders, leunde zij op haar vuisten, met uitgerekten hals, als een groote kat met glimmende oogen. Op den rug liggende, zag de jonge man boven de schouders van dat mooie verliefde dier dat hem aankeek, dien marmeren sphinx, wiens glinsterende dijen door de maan beschenen werden.

Renée had de houding en den glimlach van dat monster met zijn vrouwenhoofd; met haar losgemaakte rokken, scheen zij de witte zuster van dien zwarten god. Maxime bleef lusteloos. De warmte was verstikkend, een drukkende warmte, die niet als een regen van vuur uit de lucht neerdaalde, maar die langs den grond bleef hangen, als een ongezonde uitwaseming, waarvan een nevel opsteeg, als een onweerzwangere wolk. Een warme vochtigheid bedekte de gelieven met een dauw van zweetdroppels.

Geruimen tijd bleven zij onbewegelijk en zwijgend in dat bad van heete lucht, Maxime krachteloos ter aarde, Renée trillend op haar polsen als op buigzame, gespierde kniegewrichten. Door de ruitjes van de serre zag men een stukje van het park Monceau, boomgroepen met hun zwarte, kale takken, grasperken wit als bevroren meren, een geheel dood landschap, waarvan de effen, heldere tinten aan een Japansche gravure deden denken. En dat plekje brandend heete aarde, dat gloeiend bed waarop de gelieven zich uitstrekten, vertoonde een zonderlinge bruising te midden van die stille, koude eenzaamheid.

Het was een nacht van dollen hartstocht. Renée was de man, de vurige, handelende wil; Maxime de lijdende. Dat geslachtlooze wezen, die knappe blonde jongen die al sinds zijn kinderjaren in zijn manbaarheid gekwetst was, werd in de armen van die nieuwsgierige jonge vrouw een groot meisje, met zijn gladde ledematen, zijn bevallige tengerheid als van een romeinschen knaap. Hij scheen geboren en opgegroeid voor een ontaarding van den wellust.

Renée vond genot in haar overheersching, zij boog dat schepsel, wiens geslacht nog altijd weifelde, onder haar hartstocht. Hij was voor haar een voortdurende verbazing, een verrassende prikkeling der zinnen; hij gaf haar een zonderling gevoel van onbehagelijkheid en van sterk genot. Zij wist niet meer wat zij er van denken moest; met een gevoel van twijfel kwam zij telkens weer terug naar zijn fijne huid, zijn gevulden hals, zijn gewillige overgave en zijn bezwijmingen. Dat gaf haar eindelijk een volheid van genot. Maxime, die nieuwe aandoeningen in haar opwekte, vulde haar opzienwekkende toiletten, haar verbazende weelde, haar buitensporige levenswijs aan. Hij schonk haar die overmaat van wellust, die zij onbewust begeerd had. Hij was de minnaar, die bij de dwaasheden van dien tijd paste.

Die knappe jongeman, wiens tengere vormen door zijn kleeding heen uitkwamen, dat mislukte meisje, dat op de boulevards rondwandelde, het haar in het midden gescheiden, met een fatterig lachje, werd in de handen van Renée een van die verslimmeringen van ontucht, die op zekere tijden, in een verrotte maatschappij, het vleesch uitputten en den geest krank maken.

In de serre vooral was Renée de man. De hartstochtelijke nacht, dien zij daar doorbrachten, werd door verscheidene andere gevolgd. De serre beminde, gloeide met hen mee. In de zwoele lucht, bij het zilverwitte schijnsel der maan, zagen zij de zonderlinge plantenwereld die hen omringde, zich verward bewegen, omhelzingen wisselen. De berenhuid besloeg het geheele pad.

Aan hun voeten dampte de waterkom, waar het krioelde van dicht ineengeslingerde wortels, terwijl de zachtroode ster der nymphea's zich aan de oppervlakte opende, als het keurslijf eener maagd, en de tornelia's haar luchtwortels lieten hangen, als het haar van onmachtige Nereïden.

Rondom hen verhieven de palmen, de groote Indische bamboes hun toppen tot aan het boogvormige dak, waar zij zich voorover bogen en hun bladeren dooreen mengden, met de wankelende houding van vermoeide gelieven. Meer omlaag waren de varens, de pteriden en alsophila's, als groene dames, met haar breede rokken met regelmatige strooken gegarneerd, die zwijgend en onbewegelijk aan de kanten van het pad op den geliefde wachtten. Daarnaast vormden de roodgevlekte, omgekrulde bladeren der begonia's, en de lansvormige witte bladeren der Caladiums een reeks van kneuzingen en witte plekken, waaraan de gelieven geen naam wisten te geven, waarin zij soms de rondingen van heupen en knieën meenden te zien, onder ruwe, bloedige liefkoozingen ter aarde geworpen. En de bananen, die bogen onder hun vruchtentrossen, spraken hun van de vruchtbaarheid der vette aarde, terwijl de Abyssinische euphorbia's, wier stekelige kaarsen zij in de schemering ontwaarden, wanstaltig en vol stekelige bulten, hun toeschenen den overvloed van levenssappen uit te zweeten.

Maar naarmate hun blikken dieper in de hoeken der serre doordrongen, vulde de duisternis zich met een woester ongebondenheid van bladeren en stengels; zij konden de fluweelzachte maranta's, de gloxinia's met haar paarse kelken, de dracaena's die op de planken stonden, niet meer onderscheiden; het was een kring van levende planten, die elkander met onverzadelijke liefkoozingen achtervolgden. In de vier hoeken, waar de dichte gordijnen der slingerplanten priëelen afscheidden, waren de buigzame loten der vanillestruiken, Levantsche bessen, quisquallen en bauhinia's de eindelooze armen van onzichtbare verliefden, die hun omhelzing wijd uitstrekten, om al die verspreide genietingen te omvatten. Die eindelooze armen hingen vermoeid neer, strengelden zich krampachtig ineen, zochten elkander, slingerden zich ineen, als om zich te paren. Het was de ontzaglijke paring der serre, van dat stukje maagdelijk woud, waarin de tropische gewassen zoo welig groeiden.

Maxime en Renée voelden zich meegesleept door dien machtigen bruiloft der aarde.

Door de berenhuid heen brandde de grond hen in den rug, en van de hooge palmen drupte de warmte op hen neer. Het sap dat in de planten opsteeg, drong ook in hen door, gaf hun een razende begeerte naar onmiddellijken wasdom, naar reusachtige voortbrenging. Zij werden ook bevangen door de geslachtsdrift der serre.

In het bleeke maanlicht werd hun geest beneveld, kregen zij vizioenen en kwade droomen, waarin zij getuigen waren van het mingenot der palmen en der varens; de bladeren kregen vage, dubbelzinnige vormen, waarin hun begeerten wellustige beelden meenden te zien; uit de boschjes kwamen murmelende, fluisterende geluiden; kwijnende stemmen, zuchten van verrukking, onderdrukte kreten van pijn, verwijderd gelach, al wat hun eigen kussen verklapt hadden en de echo naar hen terugzond. Soms dachten zij dat de grond onder hen trilde, alsof de aarde zelve, in de crisis der verzadiging, in wellustige snikken was uitgebarsten.

Ook al hadden zij de oogen gesloten, al hadden de verstikkende warmte en het bleeke licht hun geest niet verbasterd, dan zouden toch de geuren voldoende zijn geweest om een buitengewone prikkeling op hun zenuwen uit te oefenen. De waterkom verspreidde een vochtigen, scherpen geur, waarin alle geuren der planten en gewassen vermengd waren. Nu en dan zong de vanille met het gekir van een houtduif; dan kwamen de ruwe tonen der stanhopea's wier gestreepte monden de sterke, scherpe lucht van herstellende zieken uitademden. De orchideeën, in haar bloemkorven aan ijzeren kettinkjes, verspreidden haar uitwaseming als levende wierookvaten.

Maar de geur die boven alles merkbaar was, de geur waarin al die vage zuchten samensmolten, was een menschengeur, een geur van liefde, dien Maxime herkende als hij Renée's hals kuste, als hij zijn hoofd in haar losse haren begroef. En zij bleven bedwelmd door dien geur van een minnende vrouw die in de serre bleef hangen, als in een alkoof, waar de aarde vruchten voortbracht.

Gewoonlijk legden de gelieven zich neder onder de tanghinia van Madagascar, onder dien vergiftigen struik, waarvan de jonge vrouw een blad in den mond had genomen. De witschemerende gestalten der beelden in het rond lachten, bij het zien van de enorme paring der gewassen. De stijgende maan verplaatste de groepen, bezielde het tooneel met haar veranderend licht.

En zij waanden zich duizend mijlen van Parijs verwijderd, ver van dat alledaagsche leven van het Bosch en de officiëele salons, in een hoekje van een Indisch woud, van een monsterachtigen tempel, waarvan de zwartmarmeren sphinx de god werd. Zij voelden zich afglijden naar de misdaad, naar de vervloekte liefde, naar een mingenot van wilde dieren. Die voortwoekering die hen overal omringde, dat verwarde gewemel in de kom, die onkuische naaktheid der bladeren, dat alles wierp hen in de Dantische hel van den hartstocht.

In die glazen kooi, waar het gistte en bruiste in een zomersche hitte, in de felle koude der Decembermaand, smaakten zij de bloedschande, als de misdadige vrucht van een sterk verwarmde aarde, met een stille, onuitgesproken vrees voor hun schrikaanjagende ligplaats.

En midden op de zwarte huid vertoonde zich het blanke lichaam van Renée, als een neergehurkte groote kat, met uitgestrekten hals en gespannen polsspieren, als buigzame, gespierde kniegewrichten. Zij was opgezwollen van wellust, en de heldere lijnen van haar schouders en lendenen, staken met eene katachtige scherpte af tegen de inktvlek die het vacht op het gele zand van het gangpad wierp.

Zij beloerde Maxime, die prooi die onder haar lag, die zich overgaf, dien zij geheel bezat. En van tijd tot tijd boog zij zich plotseling neer, en kuste hem onstuimig. Dan opende haar mond zich met den begeerigen, bloedigen glans van den Chineeschen hibiscus, wiens overvloed van groen de geheele muurvlakte besloeg. Zij was niets meer dan een gloeiende dochter der serre. Haar kussen bloeiden en verwelkten, als de roode bloemen van de groote malve, die hoogstens enkele uren duren, en die telkens weer opnieuw verschijnen, als de gekneusde, onverzadelijke lippen van een reusachtige Messalina.

V.

De kus, dien Saccard zijn vrouw op den hals had gedrukt, bleef hem nog lang in de gedachte. Het was al een heele poos geleden, dat hij van zijn rechten als echtgenoot gebruik had gemaakt; de breuk was gaandeweg ontstaan, geen van beiden was gesteld op een band, die hen hinderde. Wanneer hij de slaapkamer van Renée binnentrad, moest die echtelijke teederheid als inleiding voor het een of ander voordeelig zaakje dienst doen.

De speculatie van Charonne ging goed; toch maakte hij zich nog altijd ongerust over den afloop. Larsonneau, met zijn schitterend wit linnengoed, lachte soms op een manier, die hem niet aanstond. Hij was niets meer dan een tusschenpersoon, een naamleener, dien hij voor zijn diensten betaalde met een tiende gedeelte van de te behalen winsten. Maar ofschoon de onteigeningsagent geen stuiver in de zaak gestoken had en Saccard, na het verstrekken van de benoodigde fondsen voor het caféconcert, alle mogelijke voorzorgen genomen had, voelde hij toch een duistere vrees, had hij een voorgevoel van de een of andere verraderlijke streek. Hij begreep dat zijn medeplichtige van plan was hem geld af te persen met dien valschen inventaris, dien hij zoo zorgvuldig bewaarde, waaraan hij het dan ook alleen te danken had, dat hij in deze zaak betrokken werd. De twee handlangers drukten elkander dan ook hartelijk de hand.

Larsonneau noemde Saccard: waarde meester. In den grond van zijn hart gevoelde hij een groote bewondering voor dien acrobaat, wiens oefeningen op het gespannen koord der speculatie hij met den blik van liefhebber volgde. Het denkbeeld om hem te bedotten streelde hem als een buitengewoon, pikant genot. Hij overwoog reeds een plannetje, maar hij wist nog niet welk gebruik hij van het wapen zou maken dat hij in zijn bezit had, waarmee hij vreesde zichzelf te zullen kwetsen. Hij voelde zich bovendien aan de genade van zijn oud-collega overgeleverd. De terreinen en de gebouwen, die volgens slim opgemaakte berekeningen reeds op bijna twee millioen geschat werden, en die nog niet het vierde deel van die som waard waren, moesten ten slotte in een kolossaal failliet verzwolgen worden, indien de goede fee der onteigening ze niet met haar gouden staafje aanraakte.

Volgens de oorspronkelijke plannen die zij hadden kunnen raadplegen, zou de nieuwe boulevard, aangelegd om het artilleriepark van Vincennes met de Prince-Eugène-kazerne te verbinden en dit park in het hartje van Parijs te brengen, een deel van de terreinen wegnemen; maar de mogelijkheid bestond ook dat er slechts een klein hoekje van noodig was, en dat de vernuftige speculatie van het café-concert door haar onvoorzichtigheid zelve mislukken zou. In dat geval zou Larsonneau in een neteligen toestand geraken.

Dat gevaar belette echter niet, dat het hem, ondanks de ondergeschikte rol die hij noodzakelijkerwijs speelde, zeer verdroot dat hij slechts tien percent zou krijgen van een zoo kolossalen millioenen-diefstal. Bij die gedachte jeukten hem de vingers, om zich ook een deel daarvan toe te eigenen.

Saccard had zelfs niet gewild, dat hij geld aan zijn vrouw zou leenen, daar hij er zelf vermaak in vond den draad van dit melodrama, waarin zijn voorliefde voor ingewikkelde zaken behagen schiep, in de hand te houden.

--Neen, neen, vriendlief, zei hij met zijn provençaalsch accent, dat hij nog overdreef als hij een grap wilde kruiden, laten we onze rekeningen niet in de war brengen.... Jij bent de eenige man in Parijs aan wien ik gezworen heb nooit iets schuldig te willen zijn.

Larsonneau gaf hem bedektelijk te verstaan, dat zijn vrouw vreeselijk verkwistend was. Hij ried hem aan haar geen cent meer te geven, dan zou zij hun onmiddellijk haar aandeel afstaan. Hij had liever met Saccard alleen te doen. Hij polste hem soms en ging hij zelfs zoo ver, met zijn matte, onverschillige doordraaiersmanieren te zeggen:

--Ik moet toch een beetje orde in mijn papieren brengen.... Je vrouw maakt me bang, mijn waarde. Ik zou niet graag willen dat zekere stukken bij me thuis verzegeld werden.

Saccard was er de man niet naar dergelijke toespelingen geduldig te verdragen, vooral niet daar hij wist welk een voorbeeldige, angstvallige orde er op het kantoor van het heerschap heerschte. Zijn heele slimme, bedrijvige persoontje kwam in opstand tegen de vrees, die de groote, opgeschikte woekeraar met zijn gele handschoenen hem wilde aanjagen. Het ergste was, dat hij beefde van angst bij de gedachte aan een mogelijk schandaal; hij zag zich al meedoogenloos door zijn broer verstooten, in België van het een of andere geringe beroep leven. Eens werd hij zoo boos, dat hij onbewimpeld voor de zaak uitkwam.

--Hoor eens, vriendje, zei hij, je bent een aardige jongen, maar je zou verstandig doen als je me dat stuk, je weet wel, teruggaf. Je zal zien dat we nog ongenoegen krijgen door dat vod.

De ander hield zich verbaasd, drukte zijn "waarden meester" de handen en gaf hem de verzekering van zijn toewijding. Saccard had spijt over zijn driftige opwelling. Het was juist omtrent dezen tijd, dat hij ernstig over een toenadering met zijn vrouw dacht; hij kon haar noodig hebben tegen zijn handlanger en hij bedacht bovendien dat het oorkussen zich uitstekend leent tot het behandelen van zaken. De zoen in den hals bracht hem op het idee van een geheel nieuwe taktiek.

Hij had trouwens geen haast, hij ging zuinig om met zijn middelen. Hij liet den heelen winter voorbij gaan om zijn plan tot rijpheid te brengen; zijn aandacht werd overigens in beslag genomen door honderderlei zaken, de een al ingewikkelder dan de andere. Het was voor hem een verschrikkelijke winter, vol schokken, een verbazende veldtocht, waarin hij dagelijks een failliet moest overwinnen. In plaats van zijn huishoudelijke uitgaven te bekrimpen, gaf hij het eene feest na het andere. Maar terwijl hij er in slaagde aan alle moeielijkheden het hoofd te bieden, moest hij Renée verwaarloozen; hij bewaarde haar voor zijn laatsten zet; als de operatie van Charonne rijp zou zijn. Hij stelde zich tevreden met de ontknooping voor te bereiden, door haar geen geld meer te geven dan door tusschenkomst van Larsonneau. Wanneer hij over een paar duizend francs kon beschikken en zij haar nood klaagde, bracht hij ze haar met de opmerking, dat de mannen van Larsonneau een schuldbekentenis van het dubbele bedrag eischten.

Dit komediespel amuseerde hem kostelijk, dat voorwendsel van die schuldbekentenissen bracht hem in verrukking door het romantische tintje dat zij aan de zaak gaven. Zelfs in den tijd van zijn grootste verdiensten had hij het jaargeld van zijn vrouw heel ongeregeld uitbetaald; nu eens gaf hij haar vorstelijke geschenken of een handvol bankbiljetten, dan liet hij haar weer weken lang op een kleinigheid wachten.

Nu hij werkelijk in verlegenheid zat, sprak hij over de kosten van de huishouding, en behandelde haar als een schuldeischer, wien men zijn ondergang niet wil bekennen en dien men door allerlei verzinsels tracht te paaien. Zij luisterde nauwelijks naar hem; zij teekende alles wat hij haar voorlegde en klaagde alleen maar, dat zij niet meer kon teekenen.

Hij had intusschen reeds voor tweehonderdduizend francs aan schuldbekentenissen van haar, die hem ternauwernood honderdtienduizend francs kostten. Nadat hij ze door Larsonneau, op wiens naam ze gesteld waren, had laten endosseeren, gaf hij die schuldbekentenissen op een voorzichtige manier af met de bedoeling ze later als een wapen te gebruiken. Hij zou nooit in staat geweest zijn dien verschrikkelijken winter door te komen, geld met woekerwinst aan zijn vrouw te leenen en zijn huishouden op zoo'n weelderigen voet ingericht te houden, als hij zijn terrein aan den boulevard Malesherbes niet aan de heeren Mignon en Charrier verkocht had, tegen contante betaling, maar met een verbazend hooge korting.

Die winter was voor Renée een lang genot. Haar eenige verdriet was haar geldgebrek. Maxime kostte haar veel geld; hij behandelde haar altijd als stiefmama, overal waar het op betalen aankwam. Maar dit verborgen verdriet verhoogde nog haar genot. Zij peinsde op allerlei middelen, om het "haar lieven jongen" aan niets te laten ontbreken, en als zij haar man had weten over te halen haar een paar duizend francs te bezorgen, bracht zij ze met haar minnaar in allerlei kostbare dwaasheden door, als twee scholieren die hun eerste uitstapje maken.

Wanneer hun geld op was, bleven zij thuis en genoten van dat groote, nieuwe gebouw, met zijn dwaze, onbeschaamde weelde. De vader was er nooit. De gelieven bleven meer in het hoekje van den haard dan vroeger. Renée had eindelijk de ijzige leegte van die vergulde plafonds met een warm genot vervuld. Dat verdachte huis van wereldsch vermaak was een kapel geworden, waarin zij op eigen hand een nieuwen godsdienst beoefende.

Maxime was niet alleen de gewenschte afleiding, hij was de minnaar die paste bij dat hôtel met zijn spiegelruiten zoo groot als die van een magazijn, dat van den kelder tot den zolder met beeldhouwwerk overladen was; hij bracht leven in dat pleisterwerk, van de twee bolwangige Amors die op de binnenplaats een waterstraal uit hun schelp lieten vallen, tot op de groote naakte vrouwengestalten, die de balcons ondersteunden en midden op de frontons met halmen en appelen speelden; door hem werd haar de bestemming duidelijk van de te rijke vestibule, den te bekrompen tuin, de schitterend gemeubileerde kamers, waar men te veel gemakstoelen en geen enkel voorwerp van kunst vond.

De jonge vrouw, die zich daar doodelijk verveeld had, vermaakte zich daar eensklaps, deed alsof zij nu pas het gebruik er van leerde kennen. En zij bracht haar liefde niet alleen in haar eigen vertrekken, in het gele salon en in de serre, maar in het geheele hôtel. Zij begon het zelfs prettig te vinden op de sofa van de rookkamer; zij bleef daar soms zitten en zei, dat zij de tabakslucht in die kamer heel aangenaam vond.

Zij hield nu twee receptiedagen in plaats van een. Donderdags kwamen allerlei kennissen, maar de Maandagavond was alleen voor de intieme vriendinnen bestemd. Mannen werden niet toegelaten. Maxime alleen woonde die partijtjes in het klein salon bij. Op een avond kwam Renée op de wonderlijke gedachte hem als vrouw te verkleeden en als een van haar nichtjes voor te stellen. Adeline, Suzanne, barones de Meinhold en de andere vriendinnen die aanwezig waren, stonden op en groetten met een verwonderden blik dat gezichtje, dat zij meenden te kennen. Toen zij het begrepen, lachten zij hartelijk en wilden volstrekt niet dat de jonge man zich zou ontkleeden. Zij hielden hem bij zich met zijn rokken aan, plaagden hem en leenden zich tot allerlei dubbelzinnige aardigheden.

Toen hij de dames door de voordeur uitgelaten had, ging hij het park om en kwam door de serre terug. De goede vriendinnen hadden niet den minsten argwaan. De gelieven konden niet vertrouwelijker met elkander zijn dan zij al waren, toen zij als kameraads met elkaar omgingen. En als een bediende soms zag, dat zij elkander wat al te innig omhelsden, verbaasde hem dat volstrekt niet, gewoon als hij was aan de aardigheden van mevrouw en mijnheer's zoon.

Die onbeperkte vrijheid, die straffeloosheid maakte hen nog stoutmoediger. Al grendelden zij 's nachts de deur, overdag zoenden ze elkander in alle kamers van het hôtel. Zij verzonnen allerlei spelletjes op regenachtige dagen. Maar het grootste genot vond Renée er in, een groot vuur aan te leggen en zich vakerig in den gloed te koesteren.