Part 17
Zij was al aan de deur, toen zij nog eens terugkwam, en in den zachtrooden gloed van het haardvuur, met haar wasachtig gezicht, een lofrede begon te houden over een elastieken ceintuur, een uitvinding die ten doel had het corset te vervangen.
--Daar krijg je een keurig rond middeltje in, een echt wespenmiddeltje, zei zij.... Ik heb het uit een faillieten boedel. Als je komt, kan je de verschillende maten eens aanpassen.--Ik ben al de heele week naar allerlei procureurs geweest. Het dossier zit in mijn zak, en ik ga nu naar mijn deurwaarder om een laatste hinderpaal uit den weg te ruimen. Tot ziens, liefje. Je weet dat ik je verwacht en dat ik geen tranen in je mooie oogen wil zien.
Zij sloop de deur uit. Renée hoorde haar niet eens de deur dicht doen.
Zij bleef zitten, voor het kwijnende vuur, haar droom voortzettende, het hoofd vol dansende cijfers, in de verte de stemmen van Saccard en mevrouw Sidonie hoorende, die haar aanzienlijke sommen boden, op den toon van een taxateur die een ameublement bij opbod verkoopt. Zij voelde in haar hals den ruwen kus van haar man, en als zij zich omkeerde vond zij de makelaarster aan haar voeten, met haar zwarte japon, haar week gezicht, hartstochtelijke redevoeringen houdende, haar volmaaktheden prijzende, liefdes-rendez-vous afsmeekende, in de houding van een minnaar wiens geduld nu uitgeput raakt. Daar moest zij om glimlachen.
De warmte werd hoe langer hoe bedwelmender. En de verdooving van de jonge vrouw, de grillige droomen die zij had, waren slechts een lichte, kunstmatige slaap, waarin zij telkens weer de kamer van den boulevard terugzag, met de breede sofa, waar zij op de knieën gevallen was. Zij leed in het geheel niet meer. Wanneer zij de oogleden opsloeg, zag zij Maxime in den rooden gloed van het haardvuur voorbijgaan.
Den volgenden dag was de mooie mevrouw Saccard op het ministerbal uitermate schoon. Worms had de vijftigduizend francs op afrekening aangenomen, zij kwam uit de geldverlegenheid te voorschijn als een pas herstellende zieke, met een vroolijk lachje.
Toen zij de salons doorschreed, in haar rose satijnen japon met langen sleep Louis XIV, met hooge witte kant afgezet, verhief zich een gemompel van bewondering, de mannen verdrongen zich om haar te zien. En de intieme vrienden bogen, met een bescheiden lachje van verstandhouding, hulde brengend aan die mooie schouders, die het geheele officiëele Parijs zoo goed kende, die de steunpilaren waren van het keizerrijk. Zij had zich met zoo'n minachting voor de onbescheiden blikken gedecolleteerd, zij liep zoo kalm en zoo lieftallig in haar naaktheid, dat het bijna niet meer onbetamelijk was.
Eugène Rougon, de groote staatsman, die voelde dat deze ontbloote boezem nog welsprekender was dan zijn stem in de Kamer, zachter en overredender om al het aangename van de tegenwoordige regeering te doen genieten en de twijfelaars te overtuigen, ging zijn schoonzuster een complimentje maken over haar gelukkige stoutmoedigheid om haar keurslijf twee duim dieper te laten uitsnijden.
Bijna het heele Wetgevende lichaam was aanwezig, en de manier waarop de afgevaardigden de jonge vrouw aanzagen, gaf den minister gegronde hoop op een prachtig succès, als den volgenden dag de netelige kwestie van de leeningen der stad Parijs ter tafel zou komen. Het was in zijn oog een onmogelijkheid te stemmen tegen zijn gezag, dat in de vruchtbare aarde der millioenen een bloem liet groeien als deze Renée, een zoo vreemde bloem die op de zinnen werkte, met haar vleesch zoo glanzend als zijde, haar naaktheid als van een beeld, een levend genot dat een zoeten geur van vermaak achter zich naliet.
Maar wat het heele bal deed fluisteren, dat was het halssnoer met de haarnaald. De mannen herkende die sieraden. De vrouwen maakten er elkander opmerkzaam op, ter sluiks met een blik. Er werd den heelen avond over niets anders gesproken. En de salons, schitterend verlicht door de gaskronen, waren gevuld met een flonkerende menigte, als een hoop sterren, die in een te nauwen hoek gevallen zijn.
Tegen één uur verdween Saccard. Hij had van het succès zijner vrouw genoten als een man, die in een handigen toer geslaagd is. Hij had zijn krediet al weer op hechter grondslagen gevestigd. Een dringende zaak riep hem naar Laure d'Aurigny, hij verzocht Maxime Renée na afloop van het bal naar huis te geleiden.
Maxime bracht den avond heel zedig naast Louise de Mareuil door; zij hielden elkander bezig met allerlei kwaad te spreken van de vrouwen die voorbij gingen. En als zij een dwaasheid gevonden hadden, die de reeds opgenoemde nog overtrof, proestten zij het achter hun zakdoek van lachen uit.
Renée moest den jongen man om zijn geleide komen vragen, toen zij de salons wilde verlaten. In het rijtuig was zij opgewonden vroolijk, zij trilde nog van de bedwelming van het licht, de geuren en de drukte om haar heen. Zij scheen de dwaasheid van den boulevard, zooals Maxime het noemde, geheel vergeten te hebben. Zij vroeg hem op zonderlingen toon:
--Ze is dus erg grappig, die kleine gebochelde Louise?
--O, dolgrappig.... antwoordde de jonge man, nog lachend. Je hebt zeker wel de hertogin de Sternich gezien, met een gelen vogel in het haar?.... Verbeeld je, die Louise beweert, dat het een mechanieke vogel is, die klapwiekt en alle uren koekoek! koekoek! tegen den armen hertog roept.
Renée vond deze grap van het vroegwijze juffertje heel komiek. Toen zij thuis gekomen waren en Maxime afscheid wilde nemen, zei zij:
--Kom je niet boven? Céleste heeft zeker een avondmaal klaargemaakt.
Hij ging naar boven, met zijn gewone achteloosheid. Boven gekomen, vonden zij geen maaltijd gereed, en Céleste was naar bed. Renée moest de kaarsen van een driearmigen kandelaar aansteken. Haar hand beefde een beetje.
--Die malle meid heeft me zeker weer verkeerd begrepen.... Ik zie geen kans me heelemaal alleen uit te kleeden.
Zij ging in haar kleedkamer. Maxime volgde haar heel bedaard, alsof hij wat laat bij een vriend gebleven was; hij zocht zijn sigarenkoker al om een havanna op te steken, en was juist van plan haar een nieuwe grap van Louise te vertellen, die hem net te binnen schoot. Maar nauwelijks had zij den kandelaar neergezet, of zij keerde zich om en liet zich zwijgend in de armen van den jongen man vallen, haar mond op den zijnen drukkend.
De particuliere vertrekken van Renée waren een wonder van kokette weelde, een nestje van zijde en kant. Een heel klein boudoir grensde aan de slaapkamer. De beide kamers vormden er samen slechts een, of wel het boudoir was slechts een voorportaal van de kamer, een groote alkoof, met luierstoelen voorzien, zonder deuren, door een dubbele portière afgesloten. Beide kamers waren behangen met vlaskleurige, doffe zijde, met groote bouquetten rozen, witte seringen en boterbloemen. De gordijnen en portières waren van Venetiaansche guipure, op een zijden voering van beurtelings grijze en rose banen.
In de slaapkamer werd de aandacht al dadelijk getrokken door den witmarmeren schoorsteen, een echt pronkstuk; hij was ingelegd met lazuursteen en kostbaar mozaïekwerk, de rozen, witte seringen en boterbloemen van het behangsel weergevende.
Een groot grijs en rosekleurig bed, welks houtwerk geheel onzichtbaar was door de gecapitonneerde stof, en dat met het hoofdeinde tegen den muur stond, vulde de halve kamer met zijn overvloed van draperieën, guipures en met bouquetten gebrocheerde zijden gordijnen, die van de zoldering tot op het tapijt afhingen. Het leek wel een vrouwenkleed, afgerond, uitgesneden, met doffen, strikken en strooken; en dat groote gordijn, dat bol stond, als een vrouwenrok, deed denken aan een groote minnares, die half in onmacht op de kussens neerzinkt. Onder de gordijnen was het een heiligdom, fijn geplooid linnen, sneeuwwitte kant, allerlei fijne doorschijnende zaken, die in een geheimzinnig halfduister verscholen lagen.
Naast het monumentale bed, welks ruimte deed denken aan een kapel, die voor het een of andere feest versierd is, zonken de andere meubelen in het niet; lage stoeltjes, een psyché van twee meter hoogte, meubelen met een menigte laadjes.
Op den grond lag een blauwgrijs tapijt, met bleeke, half ontbladerde rozen bezaaid. En aan weerszijden van het bed, lagen twee groote, zwarte berevachten, met rose fluweel omzoomd en met zilveren klauwen, wier naar het venster gekeerde koppen met glazen oogen in de ledige ruimte staarden.
In die kamer heerschte een zachte harmonie, een gedempte stilte. Geen te scherpe toon, geen weerschijn van metaal of helder blinkend verguldsel, klonk in den droomerigen zang van het rose en het grijs. Het schoorsteengarnituur, de lijst van den spiegel, de pendule, de kandelaartjes, waren van oud sèvres-porcelein, dat ternauwernood het vergulde koper van het montuur deed zien. Dat garnituur was een prachtstuk, vooral de pendule, met haar krans van bolwangige cupido's, die neerdaalden en zich over de wijzerplaat heen bogen, als een troepje naakte bengels, die spotten met den snellen loop der uren.
Die zachte weelde, die kleuren en voorwerpen, die Renée's oogen streelden door hun teerheid en vroolijkheid, brachten daar een schemerlicht, het halfduister van een alkoof waarvan men de gordijnen heeft dichtgetrokken. Het scheen alsof het bed zich verlengde, of de geheele kamer één groot bed was, met haar kleeden, haar berevachten, haar gecapitonneerde stoelen, haar gevulde behangsels, die de mollige zachtheid van den grond langs de muren tot aan het plafond voortzetten. En evenals in een bed, liet de jonge vrouw daar op al die zaken den indruk, de warmte, den geur van haar lichaam achter. Wanneer men de dubbele portière van het boudoir openschoof, scheen het als of men een zijden sprei oplichtte, of men in een groot, nog klamwarm bed kwam, waar men op de fijne lakens, de verrukkelijke vormen, den sluimer en de droomen van een dertigjarige Parisienne terugvond.
Een aangrenzende kamer, de garderobe, met oud Perzisch sits behangen, stond rondom vol kasten van rozenhout, waarin een onmogelijk aantal japonnen hingen. Céleste ging heel methodisch te werk; zij rangschikte de japonnen naar anciënniteit, nummerde ze, bracht de rekenkunst te midden der gele of blauwe grillen van haar meesteres, hield de garderobe stemmig als een sacristie en zindelijk als een groote paardenstal. Er stond geen enkel meubelstuk in en geen lapje stof slingerde er over den vloer; de paneelen der kasten blonken, koud en netjes, als de gelakte paneelen van een coupé.
Maar het bewonderenswaardigste van alles, de kamer waarvan geheel Parijs den mond vol had, was de toiletkamer. Men zei: "de toiletkamer van de mooie mevrouw Saccard," zooals men zei: "De spiegelgalerij te Versailles." Dit kabinet bevond zich in een van de torentjes van het hôtel, juist boven het goudgele salon. Wanneer men er binnentrad, dacht men aan een groote, ronde tent, een feeëntent, door een verliefde krijgsheldin, midden in haar droomen, opgericht.
In het midden van het plafond hield een geciseleerd zilveren kroon de banen van de tent, die met een bocht naar de muren liepen, vanwaar zij recht tot op den vloer neerdaalden. Die banen, dat rijke behangsel, waren gemaakt van rose zijde, overtrokken met zeer dun neteldoek, met groote plooien op gelijke afstanden; die plooien werden gescheiden door een guipure tusschenzetsel, en kunstig ineengedraaide staafjes liepen van de kroon langs het behangsel, aan weerszijden van ieder tusschenzetsel. Het grijs-rose van de slaapkamer werd hier lichter, een wit-rose, een naakt vleesch. En onder dat priëel van kant, onder die gordijnen die van het heele plafond niets zichtbaar lieten dan een blauwachtige opening in de kroon, waar Chaplin een lachenden Amor geschilderd had, die den pijl tot schieten gereed hield, zou men zich in een prachtige byouteriedoos gewaand hebben, van groote afmetingen, niet meer gemaakt voor den glans van een diamant, maar voor de naaktheid eener vrouw.
Het kleed was sneeuwwit, zonder de minste bloemen. Een spiegelkast, waarvan de twee paneelen met zilver waren ingelegd; een luierstoel, twee poufs, tabouretten van wit satijn, een groote toilettafel met rose marmeren blad, waarvan de pooten onder strooken en neteldoek en guipure verdwenen, meubelden de kamer. Het kristalwerk van de toilettafel, de glazen, de vazen, de waschkom, waren van oud boheemsch glas, rose en wit geaderd. Er was nog een andere tafel, met zilver ingelegd evenals de spiegelkast, waar de toilet-instrumenten lagen, een zonderlinge verzameling, die een aanzienlijk aantal werktuigjes bevatte waarvan men het doel niet begreep, rugkrabbers, vijlen van allerlei grootte en vorm, rechte en gebogen schaartjes, alle soorten van tangetjes en spelden. Ieder van die voorwerpen van zilver en ivoor, droeg Renée's naamcijfer.
Maar de kamer had een heerlijk hoekje, en dat hoekje vooral maakte er den grootsten roem van uit. Tegenover het venster openden zich de banen der tent en lieten in een lange, ondiepe soort van alkoof een badkuip bespeuren, een kom van rose marmer, diep in den vloer, wier uitgeschulpte randen gelijk met het kleed kwamen. Men daalde langs marmeren treden in de badkuip af. Boven de zilveren kraantjes in den vorm van zwanenhalzen, besloeg een spiegel van Venetiaansch glas, aan de randen ingesneden en zonder lijst, met matte teekeningen in het kristal, de achterzijde van de alkoof.
Iederen morgen nam Renée een bad van enkele minuten. Dat bad vulde den geheelen dag de kamer met een vochtige geur van frisch, nat vleesch. Soms kwam daar nog een scherpere geur bij, wanneer een fleschje ontkurkt was gebleven of een stuk zeep niet was opgeborgen.
De jonge vrouw bleef daar gaarne, bijna geheel naakt, tot twaalf uur. Die rose badkuip, die rose tafels en waschkommen, dat neteldoek van de zoldering en de muren, waaronder men een rosekleurig bloed meende te zien stroomen, nam de rondingen van vleesch, rondingen van schouders en boezems aan; en naar gelang van het invallende daglicht, leek het op de sneeuwwitte huid van een kind of op de warme huid van een vrouw. Het was éen groote naaktheid. Wanneer Renée uit het bad kwam, voegde haar blank lichaam slechts een beetje rose bij al dat rose vleesch van de kamer.
Maxime hielp Renée ontkleeden. Hij had verstand van die dingen, en zijn vlugge vingers rieden waar de spelden zaten, liepen met een aangeboren kennis langs haar taille. Hij maakte haar kapsel los, borg haar diamanten op, en kapte haar voor den nacht. En daar hij bij zijn bezigheden als kamenier grappen en liefkoozingen voegde, lachte Renée, terwijl de zijde van haar keurslijf kraakte en haar rokken een voor een afgleden. Toen zij zich ontkleed zag, blies zij de kaarsen van den kandelaar uit, sloeg haar armen om Maxime en droeg hem bijna in haar slaapkamer. Het bad had haar zinnen geheel bedwelmd.
In haar koortsachtige opwinding dacht zij aan den dag van gisteren, dien zij aan het hoekje van den haard had doorgebracht, dien dag van brandende verdooving, van onbestemde, lachende droomen. Zij hoorde nog de droge stemmen van Saccard en mevrouw Sidonie, die met het neusgeluid van een deurwaarder getallen riepen. Die lui verveelden haar, dreven haar tot de misdaad aan. En zelfs nu, terwijl zij zijn lippen zocht, in dat groote donkere bed, zag zij Maxime nog midden in den gloed van het haardvuur, met gloeiende blikken naar haar kijkend.
De jonge man ging eerst om zes uur heen. Zij gaf hem den sleutel van het poortje, dat in het park Monceau uitkwam, en liet hem plechtig belooven dat hij iederen avond terug zou komen. De toiletkamer stond in verbinding met het gele salon door een dienstbodentrap in den muur, die voor al de kamers in het torentje dienst deed. Uit het salon kwam men gemakkelijk in de serre en van daar in het park.
Toen Maxime met het krieken van den dag, buiten in den dichten mist kwam, was hij nog een beetje verbluft door zijn fortuintje. Hij nam het trouwens aan, met zijn inschikkelijkheid van geslachtloos wezen.
--Ik kan het niet helpen, dacht hij, zij wil het.... Ze is verduiveld mooi gevormd, en ze had gelijk, ze is tweemaal zoo aardig in bed als Sylvia.
Zij hadden de eerste schrede op het hellende vlak, dat naar de bloedschande leidde, reeds gezet toen Maxime in zijn versleten schooljongenskiel Renée om den hals was gevallen en daarbij haar soldatenjas gekreukt had. Van dat oogenblik af was hun omgang een lange weg naar het verderf. De zonderlinge opvoeding die de jonge vrouw aan het kind gaf; de vertrouwelijkheden die hen tot twee kameraads maakten; later, de vroolijke gewaagdheid van hun wederzijdsche bekentenissen; dat voortdurende samenzijn vormde eindelijk een zonderlingen band, waarin de genoegens der vriendschap bijna vleeschelijke voldoeningen werden.
Zij hadden zich al jaren lang aan elkander overgegeven, de uiting van dierlijke drift was slechts de crisis van die onbewuste liefdeziekte. In de dwaze wereld waarin zij leefden, was hun misslag gegroeid als op een vette mest van onreine sappen, hij had zich met een zonderlinge verfijning ontwikkeld, te midden van bijzondere toestanden van zedelooze uitspattingen.
Toen de groote kales hen zachtjes door de lanen van het Bosch reed, en zij elkander onkiesche dingen toefluisterden, uit hun kindsheid de onbetamelijkheden ophalende, die zij instinctmatig deden, was dat reeds een afwijking, een onbewuste bevrediging van hun begeerten. Zij voelden zich eenigermate schuldig, alsof zij elkander aangeraakt hadden; en zelfs die erfzonde, dat wellustige, matte gevoel dat hun onbetamelijke gesprekken teweeg bracht, prikkelde haar nog aangenamer dan werkelijke kussen.
Hun vriendschappelijke omgang werd aldus de langzame gang van twee geliefden, die hen noodzakelijkerwijs eenmaal naar het kabinet van het café Riche en het groote grijs-rose bed van Renée moest leiden. Toen zij zich in elkanders armen bevonden, voelden zij den schok van hun misdaad niet. Zij schenen oude gelieven, die in hun kussen de herinnering aan vroegere liefkoozingen terugvonden. En zij hadden zooveel uren in een nauwe aanraking van hun geheele wezen doorgebracht, dat zij onwillekeurig over dat verleden spraken, dat vol was van hun onbewuste liefdesbetuigingen.
--Weet je nog, dien dag dat ik in Parijs kwam, zei Maxime, droeg je een alleraardigst kostuum; en met mijn vinger trok ik een hoek op je borst, en ik ried je aan je zoo te decolleteeren dat het in een punt uitliep. Ik voelde je huid onder het chemiset, en mijn vinger drukte ze een beetje in..... Dat was een heerlijk gevoel.
Renée lachte, en met een kus fluisterde zij:
--Je was al een echte deugniet.... Wat hadden we een schik met je bij Worms, weet je nog wel? We noemden je "ons mannetje". Ik heb altijd gedacht dat de dikke Suzanne alles lijdzaam toegelaten zou hebben, als de markiezin haar niet met woedende blikken had nagekeken.
--Ja, ja, we hebben heel wat pret gehad,.... antwoordde de jonge man. Het portretalbum, niet waar? En dan onze tochtjes door Parijs, onze snoeperijen bij den pasteibakker op den boulevard; weet je nog, die aardbezietaartjes, waarvan je zooveel hield?.... Ik vergeet nooit dien middag, waarop je me dat avontuur van Adeline in het klooster vertelde, toen zij brieven schreef aan Suzanne, die zij als man onderteekende: Arthur d'Espanet, en waarin zij haar voorstelde haar te schaken.
De twee gelieven maakten zich nog vroolijk over die aardige geschiedenis, toen ging Maxime met zijn vleiende stem voort:
--Toen je me aan het gymnasium met je rijtuig kwam afhalen, zullen we er wel grappig uitgezien hebben.... Ik verdween onder je rokken, zoo klein was ik.
--Ja, ja, stamelde zij, met een trilling van genot, den jongen man naar zich toetrekkende, dat was heerlijk, zooals je zegt.... We hielden van elkaar zonder het te weten, niet waar? Ik wist het eerder dan jij. Toen we eens uit het bosch terugkwamen, streek ik met mijn voet langs je been, dat gaf me opeens een schok.... Maar jij merkte niets, hè? je dacht niet aan me?
--Ja, zeker, antwoordde hij een beetje verlegen. Maar ik wist niet, begrijp je.... Ik dorst niet.
Dat was een leugen. De gedachte om Renée te bezitten was nooit duidelijk bij hem opgekomen. Hij had haar met al zijn verdorvenheid aangeroerd, zonder haar werkelijk te begeeren. Hij had te weinig wilskracht voor die poging. Hij nam Renée omdat zij zich aan hem opdroeg, en omdat hij in haar bed gleed, zonder het te willen, zonder het te voorzien. Toen hij er in gerold was, bleef hij er, omdat het er warm was, en omdat hij in alle gaten bleef, waar hij in viel. In den beginne werd zijn eigenliefde zelfs gestreeld. Het was de eerste getrouwde vrouw die hij bezat. Hij dacht er niet aan, dat de echtgenoot zijn vader was.
Maar Renée legde in haar misdaad al den gloed van een verdorven hart. Zij was ook op de helling afgegleden, met dit verschil, dat zij niet als een krachtelooze klomp vleesch tot het einde toe gerold was. De begeerte was te laat in haar ontwaakt om ze nog te bestrijden, toen de val onvermijdelijk werd. Die val verscheen haar plotseling, als een noodzakelijk gevolg van haar verveling, als een zeldzaam, hoogst genot, dat alleen in staat was haar verzadigde zinnen, haar gewond hart te doen herleven.
Gedurende dien herfstrit, in het schemerdonker, toen het Bosch insluimerde, kwam de gedachte aan de bloedschande onbestemd bij haar op, als een kitteling die haar een onbekende rilling over de huid liet gaan, en 's avonds, in den halven roes van het diner, onder den prikkel der jaloerschheid, nam die gedachte duidelijker vormen aan, verhief zich in gloeiende trekken voor haar, te midden der brandendwarme serre, tegenover Maxime en Louise.
Toen wilde zij dat kwaad, dat kwaad dat niemand bedrijft, dat haar ledig bestaan zou opvullen en haar eindelijk in die hel zou brengen, waarvoor zij nog altijd dezelfde vrees had, als toen zij nog een klein meisje was.
Den volgenden morgen wilde zij weer niet meer, onder een vreemde gewaarwording van wroeging en afgematheid. Het leek haar toe of zij reeds gezondigd had, dat het niet zoo heerlijk was als zij gedacht had, dat het toch eigenlijk al te schandelijk was.
De crisis moest noodzakelijk komen, uit zichzelve komen, buiten die twee wezens om, die kameraads die voorbestemd waren zich op een avond te vergissen, zich te paren, terwijl zij dachten elkander de hand te drukken. Maar na dien dwazen val, begon zij weer te mijmeren over een naamloos genoegen, en toen nam zij Maxime weer in haar armen, benieuwd naar hem, benieuwd naar de wreede genietingen van een liefde, die zij als een misdaad beschouwde. Haar wil aanvaardde de bloedschande, eischte ze, was voornemens er ten einde toe van te genieten, tot aan de wroeging, zoo die ooit kwam.
Zij was de handelende, zelfbewuste persoon. Zij beminde met de vervoering van een dame der groote wereld, de ongeruste vooroordeelen eener burgervrouw, met al den strijd, de vreugde en de walging van een vrouw die onder gaat in een minachting voor zichzelve.
Maxime kwam iederen nacht terug. Hij kwam door den tuin, tegen éen uur. Meestal wachtte Renée hem in de serre, die hij moest doorgaan om in het kleine salon te komen. Zij waren overigens uiterst onbeschaamd, zij verborgen zich ternauwernood en vergaten de gewoonste voorzorgen van overspeligen. Het is waar, dat dit hoekje van het huis hun geheel toebehoorde. Baptiste, de kamerdienaar van den echtgenoot, had alleen het recht daar door te dringen, en Baptiste, altijd even deftig, verdween zoodra zijn diensten niet meer noodig waren. Maxime beweerde zelfs lachend, dat hij zich afzonderde om zijn gedenkschriften te schrijven.
Op een avond, toen Maxime juist binnengekomen was, maakte Renée hem er door een blik opmerkzaam op hoe plechtstatig Baptiste door het salon liep, met een blaker in de hand. De groote kamerdienaar, met zijn ministershouding, in het gele licht der waskaars, zette dien avond een strenger, deftiger gezicht dan gewoonlijk. Zich vooroverbuigende, zagen de gelieven hem de kaars uitblazen en zich naar de stallen begeven, waar de paarden en de palfreniers sliepen.