Jacht naar Fortuin

Part 16

Chapter 163,944 wordsPublic domain

Wat hem echter het meest griefde was de geslepenheid van de heeren Mignon en Charrier, die het hôtel waarvan hij den bouw had moeten staken, op den boulevard Malesherbes, van hem kochten. De aannemers hadden eindelijk het verlangen gekregen op hun boulevard te wonen. Daar zij hun aandeel in de terreinen met winst verkocht hadden, en de lucht kregen van de verlegenheid waarin hun vroegere compagnon verkeerde, boden zij hem aan hem af te helpen van het omheinde gedeelte waarbinnen het hôtel tot de eerste verdieping was opgetrokken, en waarvan de ijzeren binten reeds gelegd waren. Minachtend spraken zij over de stevige grondslagen van gehouwen steen, zij noemden het nutteloos metselwerk en zeiden, dat zij liever den kalen grond gehad hadden, om er naar eigen believen op te bouwen.

Saccard moest tot den verkoop overgaan, zonder rekening te kunnen houden met de ruim honderdduizend francs die hij reeds uitgegeven had, en wat hem nog nijdiger maakte, was dat de aannemers het terrein niet voor tweehonderd vijftig francs den vierkanten meter wilden terugnemen, het bedrag dat bij de verdeeling vastgesteld was. Zij dongen vijf en twintig francs op den meter af, evenals koopvrouwen in toiletartikelen, die niet meer dan vier francs geven voor een voorwerp dat zij een dag te voren voor vijf verkocht hebben. Twee dagen later zag Saccard met leede oogen, hoe een heel leger metselaars de omheinde ruimte binnendrong en voortbouwden op dat "nuttelooze" metselwerk.

Hij speelde zijn rol tegenover Renée des te gemakkelijker, omdat zijn zaken werkelijk in de war geraakten. Hij was er de man niet naar uit pure waarheidsliefde zijn toestand bloot te leggen.

--Maar mijnheer, zei Renée op twijfelenden toon, wanneer ge zoo in geldverlegenheid zit, waarom dan voor mij dat halssnoer en die haarnaald gekocht, die u naar ik meen vijf en zestigduizend francs hebben gekost? Ik heb die sieraden niet noodig, ik zal u moeten vragen of ik ze mag verkoopen om de rekening van Worms gedeeltelijk af te betalen.

--Doe dat toch niet! riep hij verschrikt uit. Als ge morgen niet met die sieraden op het ministersbal verschijnt, zou men praatjes gaan maken over mijn positie....

Hij was dien morgen heel goedig. Hij begon zelfs te glimlachen en met een knipoogje zei hij:

--Lieve vriendin, wij speculanten zijn net als de mooie vrouwtjes, we hebben onze listen.... Houd alsjeblieft het snoer en de naald, om mij een pleizier te doen.

Hij kon haar onmogelijk de ware toedracht van de zaak vertellen, die heel aardig, maar wel een beetje gewaagd was.

Na afloop van een souper hadden Saccard en Laure d'Aurigny een verbond gesloten. Laure zat tot over de ooren in de schulden, haar eenige gedachte was een braven jongen te vinden, die haar wou schaken en naar Londen voeren.

Saccard voelde ook den grond onder zijn voeten wegzinken; in de engte gedreven, zocht hij naar een redmiddel, waardoor hij zich in de oogen van het publiek in goud en bankbiljetten kon baden. In den halven roes van het dessert, kwamen het meisje en de speculant tot een overeenkomst. Hij dacht die verkooping van diamanten uit, die geheel Parijs deed toeloopen, en waarop hij, met veel drukte, sieraden voor zijn vrouw kocht.

Met de opbrengst van de verkooping, ongeveer vierhonderdduizend francs, stelde hij Laure's schuldeischers tevreden, ofschoon zij hun bijna het dubbele schuldig was. Niet onwaarschijnlijk wist hij zelfs een deel van zijn vijf en zestigduizend francs terug te krijgen. Toen men zag, dat hij den boel van d'Aurigny vereffende, ging hij voor haar minnaar door; men dacht dat hij al haar schulden betaalde, dat hij dwaasheden voor haar beging. Aller handen strekten zich nu naar hem uit, hij kreeg weer krediet, een kolossaal bedrag. En hij werd op de beurs geplaagd, om zijn hartstocht, met glimlachjes en zinspelingen die hem streelden.

Intusschen bracht Laure d'Aurigny, die door al die drukte de aandacht begon te trekken, en bij wie hij geen enkelen nacht doorbracht, een achttal dommeriken in den waan, dat zij Saccard om hunnentwil bedroog.

De gedachte, dat zij de voorkeur kregen boven een schatrijk man, was voor hen het grootste lokaas. Binnen een maand had zij twee volledige stellen meubels en meer diamanten dan zij verkocht had.

Saccard had de gewoonte aangenomen 's middags na beurstijd zijn sigaar bij haar te komen rooken; dikwijls bespeurde hij dan een slip van een jas, die haastig achter een deur verdween.

Als zij alleen waren konden zij elkander niet zonder lachen aanzien. Hij drukte haar een kus op het voorhoofd, en behandelde haar als een slechte meid, die hem door haar schelmerijen in verrukking bracht. Hij gaf haar geen cent, eens leende zij hem zelfs geld om een speelschuld te betalen. Renée bleef aandringen en wilde de sieraden ten minste verpanden, maar haar man bracht haar aan het verstand dat dit onmogelijk was, dat geheel Parijs verwachtte haar den volgenden dag er mee te zien. De jonge vrouw, die geen raad wist met de rekening van Worms, zocht toen een anderen uitweg.

--Maar, riep zij plotseling, de zaken marcheeren goed in Charonne, niet waar? Onlangs wist ge me nog te vertellen, dat er mooi geld zou verdiend worden.... Misschien wil Larsonneau me de honderd zesendertigduizend francs wel voorschieten?

Een oogenblik had Saccard de tang laten rusten. Hij nam die weer vlug ter hand, bukte, verdween bijna in den schoorsteen, vanwaar de jonge vrouw het zachte antwoord hoorde komen:

--Ja, ja, Larsonneau zou misschien....

Eindelijk kwam zij uit haarzelve op het punt waar hij haar sedert het begin van het gesprek op wenschte te brengen. Al twee jaar lang bereidde hij zijn genialen zet ten opzichte van Charonne voor. In geen geval wilde zijn vrouw de goederen van tante Elisabeth vervreemden, zij had deze plechtig beloofd ze nooit te verkoopen ten einde ze aan haar kind na te laten, als zij moeder werd. Tegenover die stijfhoofdigheid begon de verbeeldingskracht van den speculant te werken en weldra een heel verdichtsel te scheppen.

Hij dacht een kolossaal bedrog uit, waarvan de stad, de staat, zijn vrouw en tot zelfs Larsonneau de slachtoffers moesten worden. Hij sprak niet meer over den verkoop der terreinen, maar hij jammerde iederen dag over de dwaasheid om ze niets op te laten brengen, zich tevreden te stellen met een opbrengst van twee percent.

Renée, die altijd in geldverlegenheid zat, verzoende zich eindelijk met de gedachte van een speculatie. Hij grondde zijn operatie op de zekerheid van een aanstaande onteigening voor het doortrekken van den boulevard du Prince-Eugène, waarvan het ontwerp nog niet nauwkeurig vastgesteld was. Toen bracht hij zijn oude medeplichtige Larsonneau mee, als een compagnon, die met zijn vrouw een overeenkomst sloot op de volgende grondslagen: zij bracht de terreinen aan, ter waarde van vijfhonderdduizend francs; van zijn kant verbond Larsonneau zich op die terreinen voor een gelijke som te bouwen, een café-concertzaal met grooten speeltuin, waarin wippen, schommels, kegel en balspel, enz. De winsten zouden natuurlijk gedeeld worden, even goed als de verliezen. Ingeval een der compagnons zich wenschte terug te trekken, kon hij dat doen met opeisching van zijn aandeel, volgens gedane schatting.

Renée scheen verbaasd over het hooge bedrag van vijfhonderdduizend francs, terwijl de terreinen er hoogstens drie waard waren. Maar hij bracht haar aan het verstand dat het een handige zet was om Larsonneau later de handen te binden, daar zijn gebouwen nooit zoo'n bedrag zouden bereiken.

Larsonneau was een man van de wereld geworden, die nooit zonder handschoenen uitging, onberispelijk wit linnengoed droeg en verbazend mooie dassen. Om zijn zaken na te gaan, had hij een tilbury, zoo fijn als een uurwerk, met hoogen bok, waarop hij zelf mende.

Zijn kantoren in de rue de Rivoli waren een reeks van prachtige vertrekken, waar men niet het minste spoor van kantoorboeken of papieren vond. Zijn klerken schreven op tafels van ingelegd zwartgepolitoerd perenhout, met ornamenten van geciseleerd koper. Hij nam den titel aan van onteigeningsagent, een nieuw beroep dat zijn ontstaan te danken had aan de werken van Parijs. Zijn relatiën met het stadhuis stelden hem in staat den voorgenomen aanleg van nieuwe wegen vooruit te weten.

Wanneer hij zich door een opzichter der wegen op de hoogte had doen brengen welken weg de boulevard zou volgen, ging hij den bedreigden eigenaars zijn diensten aanbieden. Door allerlei middelen wist hij de schadevergoeding te doen verhoogen, voordat er een onteigening ten algemeenen nutte plaats greep. Zoodra een huiseigenaar zijn diensten aanvaardde, nam hij alle kosten voor zijn rekening, maakte een platten grond met de omschrijving van het eigendom, schreef een memorie, volgde de zaak voor de rechtbank, betaalde een advokaat, alles tegen zooveel percent van het verschil tusschen het aanbod der stad en de schadeloosstelling door de jury toegekend.

Maar bij dit baantje, waarvoor hij zich tenminste niet behoefde te schamen, voegde hij verscheidene andere. Hij leende vooral geld uit tegen hoogen intrest. Hij was niet meer de woekeraar van de oude school, haveloos en onzindelijk, met oogen wit en stom als rijksdaalders, en lippen bleek en samengeperst als de koorden eener beurs. Hij glimlachte vriendelijk, was onberispelijk gekleed, en ging bij Brébant dejeuneeren met zijn slachtoffer, dien hij met "Beste jongen" betitelde en havanna's aan het dessert liet rooken. Met dat al was die elegant gekleede Larsonneau een verschrikkelijk heer, die, zonder iets van zijn vriendelijkheid te verliezen, op de voldoening van een accept zou aangedrongen hebben totdat de schuldenaar zich van kant had gemaakt.

Saccard had liever een anderen compagnon gehad, maar hij was nog altijd ongerust over den valschen inventaris, dien Larsonneau zorgvuldig bewaarde. Hij hoopte nu dat de een of andere omstandigheid hem behulpzaam zou zijn om weer in het bezit van dat gevaarlijke stuk te geraken.

Larsonneau bouwde het café-concert, licht en ondicht, van planken en kalk, met blikken torentjes, waarop hij een laagje roode en gele verf liet leggen.

De speeltuinen namen op in de volkrijke buurt van Charonne. Na verloop van twee jaar scheen de onderneming goed te gaan, ofschoon de winsten in werkelijkheid heel gering waren. Saccard had tot dusver tot zijn vrouw nooit anders dan met geestdrift over de toekomst van zoo'n mooi idee gesproken.

Toen Renée zag dat haar man geen aanstalten maakte om uit den schoorsteen te voorschijn te komen, waar zijn stem hoe langer hoe doffer klonk, zei zij:

--Ik zal Larsonneau vandaag eens gaan opzoeken. 't Is de eenige uitweg.

Toen liet hij het blok hout los, waarmee hij het te kwaad had.

--Dat is al in orde, lieve, antwoordde hij glimlachend. Voorkom ik niet al uw wenschen?.... Ik heb Larsonneau gisteren avond gesproken.

--En heeft hij je de honderd zes en dertigduizend francs beloofd? vroeg zij, in spanning.

Tusschen de twee brandende blokken stapelde hij een aantal gloeiende kolen op, heel voorzichtig met de tang de kleinste stukjes houtskool aanvattende, en met voldoening ziende hoe het stapeltje, dat hij zoo kunstig opbouwde, steeds hooger werd.

--O, wat draaft ge door!.... klonk het zachtjes. Honderd zes en dertigduizend francs is een groote som.... Larsonneau is een goede jongen, maar zijn kas is nog zoo gevuld niet. Hij is ten volle bereid je te helpen....

Hij sprak langzamer, knipte met de oogen, bouwde weer een deel van het stapeltje op dat ingestort was. Dat spelletje begon de gedachten der jonge vrouw in de war te brengen. Zij volgde onwillekeurig de bezigheid van haar man, die steeds onhandiger werd. Zij begon hem zelfs raad te geven. Niet meer denkende aan Worms, de rekening, haar geldgebrek, zei zij:

--Maar leg dan toch dat groote stuk onderaan, dan houden de anderen van zelf.

Haar man volgde haar raad getrouw op, en sprak onderwijl:

--Hij kan maar vijftigduizend francs vinden. 't Is altijd wat, op afbetaling.... Maar hij wil de zaak afgescheiden houden van die van Charonne. Hij is maar een tusschenpersoon, dat begrijp je wel. Degeen die het geld leent, vraagt verbazend hoogen intrest. Hij wil een accept van tachtigduizend francs, zes maanden na dato.

En nadat hij een spits stuk houtskool boven op het stapeltje had geplaatst, vouwde hij de handen op de tang samen en keek zijn vrouw strak aan.

--Tachtigduizend francs! riep zij uit, maar dat is diefstal!.... Raadt gij mij zoo'n dwaasheid aan?

--Neen, zei hij beslist. Maar als ge het geld bepaald noodig hebt, verbied ik het je niet.

Hij stond op, alsof hij heen wilde gaan. Maar Renée, in pijnlijke onzekerheid, keek beurtelings naar haar man en naar de rekening, die hij op den schoorsteen had laten liggen. Zij sloeg haar handen tegen haar hoofd en zuchtte:

--Ach, die zaken!.... Mijn hoofd loopt om.... Kom, ik zal dat accept van tachtigduizend francs maar teekenen. Als ik het niet deed, zou ik er heelemaal ziek van worden. Ik weet hoe ik ben, ik zou den heelen dag in een verschrikkelijken tweestrijd zijn.... Ik doe de dwaasheden dan maar liever dadelijk. Dat geeft me verlichting.

En zij zei dat zij zou schellen om zegelpapier te laten halen. Maar hij wilde haar dien dienst zelf bewijzen. Hij had het zegelpapier stellig in zijn zak, want hij bleef hoogstens twee minuten weg. Terwijl zij aan een tafeltje, dat hij dicht bij den haard geschoven had, zat te schrijven, beschouwde hij haar met oogen, die tegelijk verbazing en begeerte uitdrukten.

Het was zeer warm in de kamer, die nog geheel vervuld was met de geuren van het morgentoilet der jonge vrouw. Al pratende had zij de slippen van haar peignoir, waarin zij haar hoofd gewikkeld had, laten afglijden, en de blik van haar man, die voor haar stond, gleed over haar gebogen hoofd, langs haar goudgele haren, heel diep, tot in haar blanken hals en haar borst.

Hij glimlachte zonderling; die vuurgloed die zijn gezicht geblakerd had, die dichte kamer waarin de zwoele lucht een geur van liefde had behouden, die lichtblonde haren en die blanke huid, die hem met een soort van echtelijke minachting tartten, maakten hem nadenkend, deden een heimelijke, wellustige berekening in zijn onbeschaamde schacheraarsnatuur ontstaan.

Toen zijn vrouw hem het accept overreikte, met verzoek de zaak verder af te handelen, nam hij het aan, zonder zijn blikken van haar af te wenden.

--Je bent verrukkelijk mooi,.... fluisterde hij.

En terwijl zij zich voorover boog om de tafel weg te schuiven, kuste hij haar ruw op den hals. Zij stiet een lichten kreet uit. Vervolgens stond zij rillend op, met een poging om te lachen; zij moest denken aan de kussen van den ander, den vorigen avond. Maar hij had al spijt over zijn lompe liefkoozing. Hij verliet haar met een hartelijken handdruk en de belofte, dat zij dien eigen avond de vijftigduizend francs zou hebben.

Renée bleef den heelen dag voor den haard zitten soezen. In moeielijke omstandigheden had zij iets mats, als een creoolsche. Dan veranderde al haar luidruchtigheid in loomheid, kouwelijkheid en slaperigheid. Zij rilde van kou, zij had behoefte aan den gloed van een brandenden haard, een verstikkende hitte die de zweetdruppeltjes op haar voorhoofd deed parelen, die haar in verdooving bracht.

In die brandend heete lucht, in dat bad van vlammen, leed zij bijna niet meer; haar smart werd als een lichte droom, een vage beklemming, maar zoo onbestemd, dat het haar zelfs behagelijk aandeed.

Zoo deed zij tot den avond haar wroeging van den vorigen dag insluimeren, in het roode schijnsel van den haard, vlak voor een verschrikkelijk vuur, dat de meubelen om haar heen deed kraken en haar bijwijlen het bewustzijn van haar bestaan ontnam.

Zij kon denken aan Maxime, als aan een vlammend genot, waarvan de stralen haar brandden; zij had zonderlinge droomen, van liefdegenot te midden van vlammende houtstapels op witgloeiende bedden gesmaakt.

Céleste ging de kamer in en uit, met haar kalme, onverstoorbare dienstbodengezicht. Zij had bevel gekregen niemand binnen te laten; zij zond zelfs de onafscheidelijken weg, Adeline d'Espanet en Suzanne Haffner, die van een ontbijt terugkwamen, dat zij samen gebruikt hadden in een paviljoen dat zij te Saint-Germain gehuurd hadden. Tegen den avond echter kwam Céleste haar meesteres zeggen, dat mevrouw Sidonie, mijnheers zuster, haar wenschte te spreken. Renée gaf bevel haar binnen te laten.

Mevrouw Sidonie kwam gewoonlijk eerst tegen het vallen van den avond. Haar broer had van haar gedaan gekregen, dat zij zijden japonnen droeg. Maar hoe het kwam wist men niet, al kwam de zijde zoo pas uit den winkel, zij scheen nooit nieuw; zij kreukte, verloor haar glans, leek een vod. Zij had er ook in toegestemd haar mand niet bij de Saccards te brengen. Haar zakken daarentegen puilden uit van de papieren. Zij stelde belang in Renée, van wie zij geen redelijke klant kon maken, die berustte in de noodwendigheden des levens. Zij bezocht haar op geregelde tijden, met den bescheiden glimlach van een dokter die den zieke geen schrik wil aanjagen door hem te zeggen wat hij eigenlijk mankeert. Zij sprak met meewarigheid over haar kleine verdrietelijkheden, als over de pijn van kleine kleuters, die zij dadelijk zou genezen, als de jonge vrouw maar wilde.

Deze, die juist behoefte gevoelde om beklaagd te worden, liet haar enkel binnenkomen om haar te zeggen, dat zij ondragelijke hoofdpijn had.

--Zoo, lieve kind, fluisterde mevrouw Sidonie, in de schaduw van de kamer voortglijdende, maar 't is hier om te stikken!.... Altijd die zenuwhoofdpijnen, nietwaar? Dat is het verdriet. Je vat het leven te zwaar op.

--Ja, ik heb heel veel zorgen, antwoordde Renée op kwijnenden toon.

De avond begon te vallen. Zij had niet willen hebben dat Céleste een lamp aanstak. Het haardvuur alleen wierp een rooden gloed af, die haar geheel verlichtte, zooals zij daar achterover lag in haar witte morgenjapon, waarvan de kant rose werd. In de schaduw zag men slechts een tipje van mevrouw Sidonie's zwarte japon en haar gevouwen handen, in grijze katoenen handschoenen gestoken. Haar meewarige stem kwam uit de duisternis.

--Alweer geldzorgen! zei zij, alsof zij gezegd had: zielsverdriet, op een toon vol zachtheid en medelijden.

Renée sloeg de oogen neer en maakte een toestemmend gebaar.

--Ach, als mijn broers naar mij wilden luisteren, zouden we allen rijk zijn. Maar zij halen de schouders op, wanneer ik over die schuld van drie milliard spreek, weet je?.... Toch heb ik goede hoop. Ik ben al tien jaar van plan een reis naar Engeland te maken. Ik heb zoo weinig tijd!.... Eindelijk heb ik besloten naar Londen te schrijven, en ik wacht op antwoord.

En daar de jonge vrouw glimlachte, ging zij voort:

--Ik weet dat je ook al ongeloovig bent. Toch zou je heel blij zijn, als ik je een dezer dagen een aardig millioentje cadeau gaf.... De zaak is doodeenvoudig: een Parijsche bankier heeft het geld aan den zoon van den koning van Engeland geleend, en daar de bankier zonder natuurlijken erfgenaam gestorven is, kan de Staat de terugbetaling van de schuld met intrest op intrest eischen. Ik heb het uitgerekend, het is een bedrag van twee milliard negenhonderd drie en veertig millioen tweehonderd tienduizend francs.... Wees daar gerust op, 't komt stellig los.

--Dan moest je maar alvast, zei de jonge vrouw met een zweem van spot, honderdduizend francs voor me zien te leenen. Ik kon dan mijn kleermaker betalen, die het me heel lastig maakt.

--Honderdduizend francs zijn wel te vinden, antwoordde mevrouw Sidonie kalmpjes. 't Is maar de vraag wat men er voor over heeft.

Het haardvuur flikkerde op; Renée strekte met nog loomer beweging haar beenen uit, zoodat de punt van haar pantoffels onder den zoom van haar japon te voorschijn kwam. De makelaarster sloeg haar meewarigen toon weer aan.

--Arme lieveling, je bent heusch niet verstandig. Ik ken veel vrouwen, maar ik heb er nooit een gezien die zich zoo weinig om haar gezondheid bekommerde. Daar heb je dat vrouwtje van Michelin, die weet hoe ze het moet aanleggen! Ik moet altijd aan jou denken, als ik haar zoo gelukkig en welvarend zie.--Weet je dat mijnheer de Saffré dol verliefd op haar is en dat hij haar al een kleine tienduizend francs aan cadeautjes heeft gegeven? Ik geloof dat het haar ideaal is, een buitenplaats te bezitten.

Zij geraakte in vuur en zocht naar haar zak.

--Daar heb ik nog een brief van een arm jong vrouwtje. Als we licht hadden, zou ik je hem laten lezen.... Verbeeld je dat haar man heelemaal niets om haar geeft. Zij had accepten geteekend, en was genoodzaakt geld te leenen van een heer dien ik ken. Ik heb met heel veel moeite die accepten uit de klauwen der deurwaarders weten te redden... Die arme kinderen, geloof jij, dat zij kwaad doen? Ik ontvang ze bij mij aan huis, alsof het mijn kinderen waren.

--Ken je een geldschieter? vroeg Renée achteloos.

--Ik ken er wel tien.... Je bent te goed. Wij vrouwen, niet waar, kunnen onder elkaar heel wat dingen bepraten, en omdat je man mijn broer is, zal ik hem heusch niet verontschuldigen, dat hij die gemeene meiden naloopt en een allerliefst vrouwtje zooals jij, in een hoekje van den haard laat verkleumen... Die Laure d'Aurigny kost hem schatten van geld. Het zou me niets verwonderen als hij je geld geweigerd had. Hij heeft het je stellig geweigerd, niet?.... O, wat een slechte man!

Renée luisterde met welbehagen naar die zachte stem, die uit de duisternis kwam, als de onbestemde echo van haar eigen gepeinzen. Met halfgesloten oogleden in haar fauteuil liggend, wist zij niet meer dat mevrouw Sidonie daar was; zij meende te droomen, dat slechte gedachten haar met zoeten aandrang kwamen verlokken. De makelaarster sprak lang achtereen, met een zacht, eentonig geluid.

--Die mevrouw de Lauwerens heeft je leven bedorven. Je hebt me nooit willen gelooven. O, als je mij niet gewantrouwd had, dan zou je nu niet in een hoekje van je haard behoeven te schreien.... En ik hou innig veel van je, schatje. Je hebt een verrukkelijk voetje. Je zult om me lachen, maar ik wil je toch vertellen, hoe dwaas ik ben. Wanneer ik je in geen drie dagen heb gezien, moet ik absoluut naar je toe om je te bewonderen; ja, er ontbreekt mij dan iets; ik voel behoefte me te verzadigen aan je mooie haar, je blanke, fijne gezichtje, je dunne middel.... Heusch, nog nooit heb ik zoo'n toilet gezien.

Renée moest eindelijk glimlachen. Zelfs haar minnaars waren niet zoo warm, zoo opgewonden in hun lof, wanneer zij over haar schoonheid spraken. Mevrouw Sidonie zag dien glimlach.

--Dat is dus afgesproken, zei zij, haastig opstaande.... Ik praat maar steeds door, en ik denk er niet aan, dat ik je hoofdpijn erger maak.... Je komt morgen, niet waar? We zullen over het geld praten, een geldschieter zoeken.... Hoor je, ik wil je gelukkig zien.

De jonge vrouw, die daar onbewegelijk, als versuft door de warmte zat, antwoordde na een kort stilzwijgen, alsof het haar veel inspanning kostte te begrijpen wat men om haar heen zeide:

--Ja, ik zal komen, dat is afgesproken, we zullen er over praten; maar morgen niet.... Worms zal wel tevreden zijn met een gedeelte. Als hij me lastig valt, kunnen we verder zien.... Spreek er maar niet meer over. Mijn hoofd doet me zeer van al die zaken.

Mevrouw Sidonie scheen erg teleurgesteld. Eerst wou ze weer gaan zitten, haar vleiend gepraat hervatten, maar de lustelooze houding van Renée deed haar van plan veranderen; zij besloot haar aanval tot later uit te stellen. Zij haalde uit haar zak een handvol papieren, waarin zij na eenig zoeken, een voorwerp vond, dat in een rose doosje zat.

--Ik was eigenlijk gekomen om je een nieuwe zeep aan te bevelen, zei zij met haar makelaarsstem. Ik stel veel belang in den uitvinder, een alleraardigst jongmensch. De zeep is heel zacht en aangenaam voor de huid. Je zult ze, hoop ik, eens probeeren? En ze aan je vriendinnen aanbevelen?.... Ik zal het hier neerleggen, op den schoorsteen.