Jacht naar Fortuin

Part 15

Chapter 153,964 wordsPublic domain

Renée verliet met tegenzin het venster. Een smachtend, bedwelmend verlangen steeg uit de vage diepte van den boulevard tot haar op. In het verminderd gerol der rijtuigen, in het verdwijnen der heldere schijnsels, klonk een stem die lokte tot wellust en slaap. De fluisterende stemmen die hier en daar vernomen werden, de groepjes die in een donker hoekje bleven staan, maakten het trottoir tot de gang van een groot logement, op het uur waarop de reizigers hun bed opzoeken. Het licht en het leven stierf langzamerhand weg, de stad sliep in, teedere zuchtjes schenen over de daken te strijken.

Toen de jonge vrouw zich omkeerde, deed het licht van de gaskroon haar oogen pijnlijk aan. Zij zag nu een beetje bleek, en had lichte trekkingen om de mondhoeken.

Charles zette het dessert gereed; hij ging de deur uit, kwam weer binnen, opende de deur langzaam en met gedruis, met het flegma van een man, die weet hoe het betaamt.

--Ik heb geen trek meer! riep Renée uit, neem al die borden weg en breng de koffie.

De kellner, gewoon aan de grillen zijner vrouwelijke cliënten, ruimde het dessert op en schonk de koffie in. Al zijn bezigheden verrichtte hij met een voorkomen van gewichtig.

--Stuur hem toch alsjeblieft weg, zei de jonge vrouw met een gevoel van weerzin.

Maxime zond hem heen; maar hij was nauwelijks verdwenen, of hij kwam weer terug om heel bescheiden de overgordijnen zorgvuldig dicht te doen. Toen hij eindelijk heengegaan was, stond de jonge man, die nu ook ongeduldig begon te worden, op en naar de deur gaande:

--Wacht eens, zei hij, ik weet een goed middel om van hem af te zijn.

En hij schoof den grendel er voor.

--Ziezoo, hernam zij, nu zijn we tenminste vrij.

Zij hervatten weer hun vertrouwelijke mededeelingen, hun vriendschappelijk gekeuvel. Maxime had een sigaar opgestoken. Renée slurpte haar koffie langzaam op en schonk zich vervolgens een glaasje chartreuse in. De kamer vulde zich met een blauwachtigen rook; het werd er warm. Zij legde de ellebogen op de tafel en leunde met de kin tegen haar halfgesloten vuisten. Die lichte drukking maakte haar mond kleiner, haar wangen gevulder, en haar oogen smaller en schitterender. Zóó ineengeduwd, was haar gezichtje allerliefst, onder den overvloed van goudgele krulletjes, die nu tot op haar wenkbrauwen afhingen.

Maxime bekeek haar door den rook van zijn sigaar heen. Hij vond haar origineel. Soms begon hij zelfs aan haar sekse te twijfelen; de groote rimpel die door haar voorhoofd liep, de pruilend vooruitstekende lippen, haar weifelende, bijziende blik, deden haar op een grooten jongen lijken; daarbij kwam dat haar lange, zwart satijnen blouse zoo hoog dicht was, dat men ternauwernood een blank, mollig streepje hals onder de kin kon bespeuren. Zij liet zich glimlachend bekijken; zij bewoog haar hoofd niet meer, haar blik had iets onbestemds, haar woorden iets traags.

Toen schudde zij zich plotseling wakker; zij begaf zich naar den spiegel, waarheen haar blikken al een poosje gestaard hadden. Zij ging op de teenen staan, leunde met de handen tegen den schoorsteenmantel, om die opschriften te lezen, die gewaagde uitdrukkingen die haar vóór het souper verlegen hadden gemaakt. Zij spelde de lettergrepen met eenige moeite, las, lachte telkens, als een schooljongen die Piron in zijn lessenaar doorbladert.

--Ernest en Clara, zei zij, en er staat een hart onder dat wel op een trechter lijkt.... Ha, dat is beter: "Ik houd van mannen, omdat ik van truffels houd." Geteekend "Laure." Zeg eens, Maxime, heeft die d'Aurigny dat geschreven?.... O, dat is zeker het wapen van een van die dames: een kip die een groote pijp rookt.... Altijd maar namen, een heele kalender vol: Victor, Amélie, Alexander, Eduard, Margaretha, Paquita, Louise, Renée.... Hé, er is er een bij, die net zoo heet als ik....

Maxime zag haar opgewonden gezichtje in den spiegel. Zij strekte zich nog meer uit, en haar domino spande zich van achteren strakker en deed de ontwikkeling van haar heupen, de slankheid van haar taille goed uitkomen. De jonge man volgde de lijn van het satijn, dat als een hemd om het lichaam sloot.

Hij stond nu ook op en wierp zijn sigaar weg. Hij voelde zich niet op zijn gemak, onrustig. Er ontbrak hem iets, waaraan hij gewoon was.

--Ha, daar is jouw naam, Maxime, riep Renée.... Hoor.... "Ik houd van...."

Maar hij was in een hoekje van de sofa gaan zitten, bijna aan de voeten der jonge vrouw. Met een vlugge beweging slaagde hij er in haar handen te vatten; hij keerde haar van den spiegel af en zei op zonderlingen toon:

--Lees dat alsjeblieft niet.

Zij verweerde zich, zenuwachtig lachend.

--Waarom? Ben ik je vertrouwde dan niet?

Maar hij drong met gesmoorde stem aan:

--Neen, neen, vanavond niet.

Hij hield haar nog altijd vast, en zij gaf lichte rukjes met haar polsen om zich los te maken. Zij keken elkaar met vreemde oogen aan, hun glimlach had iets gedwongens en beschaamds. Zij viel op haar knieën, aan het einde van de sofa. Zij bleven door worstelen, ofschoon zij geen beweging meer maakte om naar den spiegel te gaan en zich al overgaf. En toen de jonge man haar in zijn armen sloot, zei zij met een flauw, verlegen lachje:

--Kom, laat me met rust.... Je doet me zeer.

Dat was alles wat haar lippen fluisterden. In de diepe stilte der kamer, waar het gas hooger scheen op te vlammen, voelde zij den grond trillen en hoorde zij het geraas van den omnibus van Batignolles die den hoek van den boulevard kwam omrijden.

Toen zij weer naast elkander op de sofa zaten, beiden bedremmeld, fluisterde hij:

--Bah, dat moest er toch eens van komen.

Zij zei niets. Zij tuurde als verslagen op de bloemen van het tapijt.

--Had jij aan zoo iets gedacht?.... ging Maxime stamelend voort. Ik in het geheel niet.... Ik had die kamer niet moeten vertrouwen....

Maar uit het diepst van haar hart klonk het, alsof al de burgerlijke braafheid van de Bérauds Du Châtel in deze laatste fout ontwaakte:

--Het is schandelijk, wat we daar gedaan hebben, fluisterde zij, ontnuchterd, met een heel ernstig gezicht.

Zij kreeg het benauwd. Zij ging naar het venster, schoof de gordijnen open en leunde op de vensterbank. Het orkest zweeg al lang; de misdaad was begaan in de laatste trilling der bassen en het verwijderd geluid der violen.

Daar beneden strekten de rijweg en de voetpaden zich uit, eenzaam en verlaten. Al die ratelende rijtuigwielen schenen heengegaan te zijn, het licht en de menigte met zich meevoerende. Onder het venster was het café Riche gesloten, geen enkel lichtstraaltje drong door de ruiten.

Aan de overzijde was alleen de voorgevel van het café Anglais nog verlicht; een der vensters stond half open en liet een flauwen klank van gelach door. En langs die donkere schaduwlijn, van de bocht der rue Drouot tot aan het andere uiteinde, zoover haar gezicht reikte, zag zij niets anders dan de kiosken, die op gelijke afstanden roode en groene plekken in de nachtelijke duisternis vormden, zonder ze te verlichten, als nachtlichtjes, hier en daar in een reusachtig groote slaapzaal geplaatst.

Zij hief het hoofd op. De boomen teekenden hun hooge takken tegen een helderen hemel af, terwijl de onregelmatige lijn der huizen zich onafzienbaar ver uitstrekte, met de afbrokkelingen van een rotsige kust, aan den oever van een blauwe zee.

Maar die strook lucht stemde haar nog droeviger; alleen de duisternis van den boulevard gaf haar eenige vertroosting. Wat daar op die eenzame straat overbleef van de luidruchtigheid in de ondeugd van den avond, strekte haar tot verontschuldiging. Zij meende de warmte van al die mannen- en vrouwenstappen van het afkoelende trottoir te voelen opstijgen.

De schandelijke dingen die daar gebeurd waren, begeerten van een minuut, fluisterend gedane aanbiedingen, vooruit betaalde bruiloftsnachten, zij losten zich op in damp, dreven voort in een zwaren nevel, door den morgenwind weggevaagd.

Voorovergebogen over de duisternis, ademde zij die trillende stilte, die alkooflucht in, als een aanmoediging die van beneden tot haar kwam, als een verzekering dat haar schande door een medeplichtige stad gedeeld en aangenomen werd. En toen haar oogen aan de duisternis gewoon geraakt waren, bemerkte zij de vrouw met haar blauw kostuum, alleen in de grauwe eenzaamheid, nog steeds op dezelfde plaats, wachtende en zich aanbiedende in de ledige stilte van den nacht.

Toen zij zich omkeerde, werd de jonge vrouw Charles gewaar, die snuffelend om zich heen keek. Hij ontdekte eindelijk iets,--het blauwe lint van Renée, dat verfrommeld in een hoek van de sofa lag. Hij haastte zich het haar op zijn beleefde manier te brengen. Toen voelde zij haar geheele vernedering. Voor den spiegel staande, trachtte zij met bevende handen het lint weer vast te strikken. Maar haar chignon was gezakt, de krulletjes waren plat tegen haar slapen gedrukt, zij kon den strik niet vastmaken.

Charles kwam haar te hulp, en alsof hij een doodgewoon iets, een mondwater of een tandenstoker aanbood, vroeg hij:

--Wil mevrouw soms de kam hebben?....

--Wel neen, dat is niet noodig, kwam Maxime tusschenbeide met een ongeduldigen blik op den kellner. Ga maar een rijtuig halen.

Renée besloot eenvoudig de kap van haar domino weer over het hoofd te trekken. En voordat zij zich van den spiegel afwendde, ging zij nog even op haar teenen staan, om de woorden terug te vinden die Maxime's omhelzing haar belet had te lezen. Met groote, afschuwelijk leelijke letters, die schuins omhoog liepen, stond deze verklaring, door Sylvia onderteekend: "Ik bemin Maxime." Zij drukte de lippen stijf opeen en trok de kap wat dieper over haar hoofd.

In het rijtuig voelden zij zich vreeselijk verlegen. Zij waren tegenover elkaar gaan zitten, juist zooals zij uit het park Monceau waren gekomen. Zij wisten elkander niets te zeggen. De vigelante was in een dikke duisternis gehuld, en Maxime's sigaar bracht er zelfs geen flikkerend stipje in. De jonge man die weer onder de rokken bedolven zat, "waarin hij tot over de ooren zat", voelde zich onaangenaam gestemd door die duisternis, die stilte, die zwijgende vrouw, die hij tegenover zich voelde, en wier wijdgeopende oogen hij zich verbeeldde in het donker te zien staren. Om een minder dwaas figuur te maken, zocht hij haar hand, en toen hij die in de zijne hield, voelde hij zich verlicht, vond hij den toestand dragelijker. Die hand gaf zich gewillig over, slap en droomerig.

De vigelante reed de place de la Madeleine over. Renée bedacht dat zij niet schuldig was. Zij had de bloedschande niet gewild. En hoe meer zij zich zelf onderzocht, hoe onschuldiger zij zich vond, in de eerste uren van haar uitstapje, haar heimelijk vertrek uit het park Monceau, bij Blanche Muller, op den boulevard, zelfs in het kabinet van de restauratie.

Waarom was zij eigenlijk aan den rand van de sofa op de knieën gevallen? Dat wist zij zelf niet meer. Zij had stellig geen oogenblik aan zóó iets gedacht. Zij zou boos geweigerd hebben. Het was uit gekheid, zij maakte pret, niets anders. En in het voortrollen der vigelante vond zij het oorverdoovend orkest van den boulevard terug, dat heen een weer geloop van mannen en vrouwen, terwijl haar vermoeide oogen als vuur brandden.

Maxime werd in zijn hoekje ook door onaangename gedachten gekweld. Hij had spijt over het avontuur. Hij wierp de schuld op den zwarten domino.

Had men een vrouw zich ooit zoo zien toetakelen! Haar hals kreeg men zelfs niet te zien. Hij had haar voor een jongen aangezien, had met haar gestoeid, en het was toch zijn schuld niet, dat het spel ernst was geworden. Hij zou haar stellig niet aangeraakt hebben, als zij maar een stukje van haar schouder had laten zien. Hij zou bedacht hebben, dat zij de vrouw van zijn vader was. En, daar hij niet van onaangename gedachten hield, schonk hij zichzelf vergiffenis. 't Was nu eenmaal gebeurd, maar hij zou wel zorgen, dat hij er niet weer mee begon. 't Was een dwaasheid.

De vigelante hield stil en Maxime stapte uit om Renée te helpen. Maar bij het parkdeurtje durfde hij haar geen zoen geven. Zij scheidden met een handdruk, als naar gewoonte. Zij stond al achter het hek, toen zij, om toch iets te zeggen, en daarbij zonder het zelf te willen uiting gevende aan een gedachte die haar al van de restauratie af vervolgde, aan Maxime vroeg:

--Wat beteekent dat toch, die kam, waarvan de kellner sprak?

--Die kam, herhaalde Maxime, verlegen, dat weet ik niet....

Opeens werd haar alles duidelijk. De kam behoorde bij het materiaal van de kamer, evengoed als de gordijnen, de grendel en de sofa. En zonder een uitlegging af te wachten, die toch niet kwam, snelde zij het donkere park Monceau door, alsof zij die schildpadden tanden achter zich zag, waarin Laure d'Aurigny haar blonde en Sylvia haar zwarte haren had achtergelaten. Zij had een hevige koorts. Céleste moest haar te bed brengen en den verderen nacht bij haar waken.

Maxime stond een oogenblik op het trottoir van den boulevard Malesherbes in tweestrijd, of hij het vroolijke troepje in het café Anglais zou opzoeken of naar bed gaan; ten slotte besloot hij bij wijze van straf tot het laatste.

Den volgenden morgen ontwaakte Renée laat, uit een zwaren, droomloozen slaap. Zij liet een flink vuur aanleggen en zei dat zij den heelen dag op haar kamer zou blijven. Dát was haar toevluchtsoord, in haar ernstige uren.

Tegen twaalf uur vroeg haar man, die haar niet aan het ontbijt had zien verschenen, of hij haar een oogenblik kon spreken. Zij was op het punt dat te weigeren, met een zweem van ongerustheid, toen zij zich bedacht. Den vorigen avond had zij Saccard een rekening van Worms ter hand gesteld, die honderd zes en dertig duizend francs bedroeg, een tamelijk hoog bedrag, en nu was hij zeker zoo galant haar de geteekende kwitantie zelf te komen brengen.

Op eens dacht zij aan de krulletjes die zij den vorigen avond in het haar had. Zij keek werktuigelijk in den spiegel naar de dikke vlechten die Céleste gevlochten had. Toen ging zij ineengedoken, als begraven onder de kant van haar morgenjapon, zoo dicht mogelijk bij het vuur zitten. Saccard, wiens kamers zich ook op de eerste verdieping bevonden, tegenover die van zijn vrouw, kwam op zijn pantoffels, als echtgenoot.

Het gebeurde ternauwernood eens in de maand, dat hij een voet in Renée's kamer zette, en dan was het altijd wegens een geldkwestie. Dien morgen had hij roode oogen, en een bleek gelaat als iemand die den heelen nacht niet geslapen heeft. Hij kuste zijn vrouwtje galant de hand.

--Je bent ziek, lieve? zei hij, aan den anderen hoek van den schoorsteen plaats nemende. Een beetje hoofdpijn, nietwaar?.... Neem me niet kwalijk dat ik je lastig kom vallen over zaken, maar het is een ernstig geval.

Hij haalde uit een zak van zijn kamerjapon de rekening van Worms te voorschijn, die Renée aan het gladde papier herkende.

--Gisteren vond ik die rekening op mijn bureau, ging hij voort, en het spijt me, maar ik kan ze op dit oogenblik onmogelijk voldoen.

Hij bespiedde tersluiks de uitwerking van zijn woorden. Zij scheen ietwat verbaasd. Hij hernam glimlachend:

--Je weet, lieve, dat ik niet gewoon ben je uitgaven na te pluizen. Ik kan niet ontkennen dat zekere bijzonderheden van deze rekening me een beetje verrast hebben. Zoo zie ik bijvoorbeeld hier op de tweede bladzijde: "Baljaponstof, 70 fr.; maakloon 600 fr., geleend geld 5000 fr.; water van Dr. Pierre, 6 fr." Dat loopt aardig op voor een japon van zeventig francs.... Maar je weet, ik begrijp alle zwakheden. Je rekening bedraagt honderd zesendertigduizend francs, en je bent bijna verstandig geweest, dat is te zeggen, betrekkelijk verstandig.... Maar, ik zeg het je nog eens, ik kan niet betalen, ik zit zelf in verlegenheid.

Zij strekte de hand uit, met een gebaar van ingehouden spijt.

--'t Is goed, zei zij droogweg, geef me de rekening terug. Ik zal raad zien te schaffen.

--Ik zie dat je me niet gelooft, sprak Saccard, zeer gevleid door de ongeloovigheid van zijn vrouw op het punt van zijn geldverlegenheid. Ik zeg niet dat mijn positie bedreigd wordt, maar de zaken gaan op het oogenblik niet al te best. Laat ik je voor ditmaal eens lastig vallen en je den toestand blootleggen; je hebt me je bruidschat toevertrouwd, en ik ben je volkomen openhartigheid schuldig.

Hij lei de rekening op den schoorsteen neer, nam de tang en begon het vuur op te rakelen. Die hebbelijkheid om in de asch te woelen, terwijl hij over zaken sprak, was bij hem uit berekening voortgekomen. Wanneer hij aan een zeker bedrag kwam, aan een gedachte die hij moeielijk onder woorden kon brengen, porde hij duchtig in het brandhout; de verzakking die daardoor ontstond, bracht hij dan heel netjes in orde, door de blokken bij elkaar te schuiven en de verspreide spaanders samen te rapen en op de blokken te stapelen. Soms verdween hij bijna geheel in den schoorsteen, om een glimmend stukje houtskool op te zoeken.

Zijn stem klonk dan doffer, men werd ongeduldig, men begon belang te stellen in zijn knappe opeenstapeling van gloeiende kooltjes, men luisterde niet meer, en gewoonlijk verliet men hem geslagen en tevreden. Zelfs bij anderen maakte hij zich eigendunkelijk meester van de tang. 's Zomers speelde hij met een pen, een pennemes of een vouwbeen.

--Beste vriendin, zei hij, terwijl hij met een hevigen por het vuur op de vlucht joeg, ik vraag je nogmaals verschooning dat ik in al die bijzonderheden treed.... Ik heb je de rente van de gelden, die je me ter hand hebt, gesteld, stipt uitbetaald. Ik kan zelfs zonder je te kwetsen zeggen, dat ik die rente alleen beschouwd heb als je zakgeld, dat ik je uitgaven betaald heb en nooit van je gevergd heb je aandeel in de gemeenschappelijke kosten van het huishouden te betalen.

Hij zweeg. Renée keek met een pijnlijk hoofd toe, hoe hij een kuil in de asch groef om er een stuk brandhout in te begraven. Hij kwam aan een teere kwestie.

--Je begrijpt wel, dat ik van je geld aanzienlijke intresten heb moeten trekken. De kapitalen zijn in goede handen, wees daar maar gerust op.... En de gelden die je bezittingen in Sologne opbrachten, hebben gedeeltelijk gediend om het huis te betalen, waarin wij wonen; de rest is in een uitstekende zaak gestoken, de Algemeene Maatschappij van de havens van Marokko.... We vragen elkaar nog wel geen rekening en verantwoording, maar ik wil je toch bewijzen dat wij arme mannen dikwijls erg miskend worden.

Het moest wel een krachtig motief zijn, dat hem noopte minder dan gewoonlijk te liegen. In werkelijkheid bestond de bruidschat van Renée sedert lang niet meer; hij was in de kas van Saccard gevloeid, en had daar een fictieve waarde gekregen. Al keerde hij er meer dan twee of driehonderd percent intrest van uit, hij zou toch niet in staat geweest zijn er het kleinste effect van te vertoonen, of ook maar de geringste hoeveelheid specie van het oorspronkelijke kapitaal terug te vinden.

Zooals hij er dan ook half voor uitkwam, had het halve millioen van de bezittingen in Sologne gediend tot afbetaling van den eersten termijn op het hôtel en het ameublement, die samen bijna twee millioen hadden gekost. Hij was nog een millioen aan den behanger en den aannemer schuldig.

--Ik vorder niets van je, zei Renée eindelijk, ik weet dat ik erg bij je in de schuld sta.

--O, lieve, riep hij uit, de hand zijner vrouw grijpende, zonder de tang in den steek te laten, hoe kom je aan die leelijke gedachte!.... Om je in een paar woorden alles te verklaren, luister, ik ben ongelukkig geweest op de Beurs, Toutin-Laroche heeft domheden begaan, Mignon en Charrier zijn vlegels, die me beetgenomen hebben. Daarom kan ik je rekening niet betalen. Je vergeeft het me toch?

Hij scheen werkelijk aangedaan. Hij stak de tang tusschen de houtblokken en deed een vuurwerk van vonken opspatten. Renée herinnerde zich, dat hij er den laatsten tijd ietwat gejaagd had uitgezien. Maar zij kon de verwonderlijke waarheid niet doorgronden.

Saccard was nu zoover gekomen, dat hij dagelijks allerlei kunstgrepen te baat moest nemen. Hij woonde in een huis dat twee millioen gekost had, hij leefde op een voet alsof hij het jaargeld van een prins trok, en op sommige dagen had hij geen duizend francs in kas. Zijn uitgaven schenen niet te verminderen. Hij leefde op krediet, onder een troep schuldeischers die dagelijks de schandalige winsten opstreken, welke hij in zekere zaken maakte.

Terzelfder tijd stortten maatschappijen onder hem ineen, openden zich nieuwe, nog diepere afgronden, waarover hij heen sprong, daar hij geen kans zag ze te dempen. Hij liep dus over een ondermijnden grond, in een gestadige crisis, rekeningen van vijftigduizend francs afdoende en het loon van zijn koetsier niet uitbetalende, steeds voortgaande met een onverstoorbare koelbloedigheid verteringen te maken, nog ijveriger over Parijs zijn leege kas uitstortende, waaruit de gouden stroom met zijn onbekende bronnen voort bleef vloeien.

Het was toen een slechte tijd voor de speculatiën. Saccard was een waardig zoon van het stadhuis. Hij had de snelle gedaanteverwisseling, de koortsachtige zucht naar genietingen, de blinde verkwistingen die Parijs had aangetast, meegemaakt. Op dit oogenblik stond hij, evenals de stad, voor een ontzettend tekort, dat hij heimelijk moest aanvullen; want van verstandige zuinigheid, een kalm burgerlijk leven wilde hij niet hooren. Hij behield liever de onnutte weelde en de werkelijke ellende van die nieuwe wegen waaruit hij zijn kolossaal fortuin geput had, dat 's morgens aangevuld en 's avonds weer verteerd was.

Van de eene avontuurlijke speculatie in de andere gaande, had hij nog slechts den vergulden voorgevel van een afwezig kapitaal. In dezen tijd van krankzinnige dwaasheid, zette zelfs Parijs niet zijn toekomst met meer hartstocht op het spel, of ging halsstarriger voort op den weg van dwaasheden en finantiëele bedriegerijen. De likwidatie dreigde verschrikkelijk te zijn.

De mooiste speculatiën liepen mis in de handen van Saccard. Hij had, zooals hij zei, aanzienlijke verliezen aan de Beurs geleden. Mijnheer Toutin-Laroche had bijna het Wijnbouwcrediet doen duikelen in een speculatie op de rijzing, die hem plotseling tegengeloopen was; gelukkig was de regeering in het geheim tusschenbeide gekomen en had de vermaarde hypothecaire leenbank weer overeind geholpen.

Saccard, door die dubbelen schade aan het wankelen gebracht en danig doorgehaald door zijn broer den minister, wegens het gevaar dat de soliditeit der delegatiebons tegelijk met die van het Wijnbouwcrediet geloopen had, was nog minder gelukkig in zijn speculatiën op huizen.

Mignon en Charrier hadden alle betrekkingen met hem afgebroken. Hij beschuldigde hen uit nijdigheid, omdat hij bedrogen was uitgekomen met de huizen die hij op zijn aandeel in de terreinen had laten zetten, terwijl zij, voorzichtiger, het hunne verkochten.

Terwijl zij een fortuin wonnen, bleef hij met huizen zitten, die hij dikwijls met verlies van de hand moest doen. Onder anderen verkocht hij voor driehonderd duizend francs een hôtel in de rue de Marignan, waarop hij nog driehonderd tachtig duizend schuld had.

Hij had er op zijn manier wel wat op gevonden, hij vroeg namelijk tienduizend francs voor een appartement dat hoogstens acht duizend francs waard was; de verschrikte huurder teekende het contract niet eer, voordat de eigenaar er in toegestemd had hem de eerste twee jaren huur vrij te schelden; op die manier was het appartement tot zijn werkelijken prijs teruggebracht, maar het huurcontract wees een bedrag van tienduizend francs per jaar aan, en wanneer Saccard een kooper vond en de jaarlijksche opbrengst van dit huis kapitaliseerde, kwam hij tot een echte zinsbegoochelende berekening.

Dit bedrog kon hij echter niet op groote schaal toepassen, zijn huizen werden niet verhuurd; hij had ze te vroeg gebouwd; de uitgegraven terreinen, die ze wijd en zijd omringden, vormden 's winters groote modderpoelen, die den toegang bemoeielijkten en ze een groot nadeel deden.