Jacht naar Fortuin

Part 14

Chapter 143,920 wordsPublic domain

De jonge vrouw had haar masker voorgedaan. Aan den arm van Maxime, wien zij zachtjes bevelen gaf, op een toon die geen tegenspraak duldde, en die haar dan ook gedwee gehoorzaamde, snuffelde zij in alle kamers rond, lichtte de portières op, beschouwde opmerkzaam de meubelen, zou zelfs in de laden gesnuffeld hebben, als zij niet gevreesd had dat men haar zien zou.

Het rijke appartement had hoekjes, waarin men het zigeunerleven van de reizende tooneelspeelster terugvond. Daar vooral trilden de rose neusvleugels van Renée, daar dwong zij haar metgezel zachtjes te loopen, opdat niets haar blik of haar reuk zou ontgaan. Zij vertoefde bijzonder lang in een toiletkamertje, dat wijd open stond, daar Blanche Muller op haar ontvang-avonden tot zelfs haar slaapkamer aan haar gasten overliet, waar het bed op zijde geschoven werd om er speeltafeltjes neer te zetten. Maar het kamertje voldeed haar niet; het leek haar burgerlijk en zelfs een beetje vuil, met zijn tapijt vol brandgaatjes van de sigaretten, zijn blauw zijden behangsel vol pomadevlekken en zeepspatten.

Toen zij de plaatselijke gesteldheid goed had opgenomen, en de minste bijzonderheden der woning in haar geheugen geprent had om ze naderhand aan haar intieme vriendinnen te vertellen, ging zij tot de personen over. De mannen kende zij, het waren meerendeels dezelfde politieke lui, dezelfde jonge losbollen die op haar Donderdagen kwamen.

Zij waande zich soms in haar eigen salons, wanneer zij zich tegenover een groepje glimlachende, zwartgerokte heeren bevond, die den avond te voren bij haar thuis denzelfden glimlach vertoond hadden, als zij het woord richtten tot markiezin d'Espanet of de blonde mevrouw Haffner.

En als zij de vrouwen aankeek, werd die illusie niet geheel verstoord. Laure d'Aurigny was in het geel evenals Suzanne Haffner, en Blanche Muller had evenals Adeline d'Espanet een witte japon, die tot halverwege den rug was uitgesneden.

Maxime smeekte eindelijk om genade, en zij nam naast hem plaats op een causeuse. Daar bleven zij een oogenblik zitten, de jonge man geeuwende, terwijl zij hem de namen van die dames vroeg, ze met haar blikken ontkleedde, de meters kant telde die zij om haar rokken droegen.

Toen hij haar in die ernstige studie verdiept zag, wist hij te ontsnappen, en begaf hij zich naar Laure d'Aurigny, die hem wenkte. Zij plaagde hem met de dame, die hij aan den arm had. Daarop liet zij hem plechtig beloven, dat hij ze tegen één uur in het café Anglais zou komen opzoeken.

Deze was omringd door een groepje hard lachende vrouwen, terwijl mijnheer de Saffré gebruik had gemaakt van het plaatsje dat Maxime had opengelaten, om zich naast haar neer te vlijen en haar op onkiesche wijze het hof te maken. Daarop waren mijnheer de Saffré en de vrouwen, al die lui, begonnen te schreeuwen, zich op de dijen te slaan, zoodat Renée verdoofd door het lawaai, op haar beurt begon te geeuwen, opstond en tot haar metgezel zei:

--Laten we hier vandaan gaan, ze zijn onuitstaanbaar vervelend!

Juist toen zij heengingen, kwam mijnheer de Mussy binnen. Hij scheen zeer blij te zijn dat hij Maxime ontmoette, en zonder acht te slaan op de gemaskerde dame die deze bij zich had, fluisterde hij op kwijnenden toon:

--Ach, mijn waarde, zij doet me den dood aan. Ik weet dat zij beter is, en zij ontzegt me nog altijd haar deur. Zeg haar eens goed dat je de tranen in mijn oogen gezien hebt.

--Wees daaromtrent gerust, je boodschap zal ik overbrengen, zei de jonge man met een zonderlingen glimlach.

En op de trap:

--Wel, stiefma, heeft die arme jongen je hart niet getroffen?

Zij haalde de schouders op en zweeg. Op het trottoir aarzelde zij even, voordat zij in de vigelante steeg die op hen gewacht had. Zij keek weifelend nu eens den kant der Madeleine op, dan weer dien van den boulevard des Italiens. Het was nauwelijks half twaalf, er heerschte nog een groote levendigheid op den boulevard.

--Kom, we gaan naar huis, zei zij met verborgen spijt.

--Als je tenminste de boulevards niet een eindje wil oprijden, antwoordde Maxime.

Zij nam zijn voorstel aan. Haar nieuwsgierigheid was bevredigd, maar zij had er minder pleizier van gehad dan zij zich had voorgesteld; zij vond het erg onaangenaam met een illusie minder en een begin van hoofdpijn naar huis te moeten gaan. Zij had altijd in de meening verkeerd dat een tooneelspeelstersbal het toppunt van grappigheid zou zijn.

De lente scheen weergekomen,--geen ongewoon verschijnsel in de laatste dagen van October; de avond was zoel als in Mei, en de koele windjes die zich nu en dan deden gevoelen, maakten het weer nog opwekkender.

Renée bleef zwijgend voor het portierraam zitten en keek naar de menschenmenigte, de koffiehuizen, de restauraties, die in een eindelooze rij op elkander volgden. Zij was ernstig geworden, haar geest toefde weer te midden der vage wenschen, waarin vrouwen zich gaarne verdiepen.

Dat breede trottoir, waarover de japonnen der meisjes sleepten, en waarop de laarzen der mannen weerklonken, dat grijze asphalt waarop zij de wufte vermaken en het gemakkelijk te verwerven mingenot in galop meende te zien voorbijgaan, wekte haar sluimerende begeerten weer op, deden haar dat idiote bal vergeten om haar andere genoegens van een meer verfijnden smaak te doen zien.

Aan de vensters van Brébant zag zij schaduwen van vrouwen op de witte gordijnen. En Maxime vertelde haar een heel gewaagde geschiedenis, van een bedrogen echtgenoot die aldus, op een gordijn, de schaduw van zijn vrouw op heeterdaad betrapt had met de schaduw van een minnaar. Zij hoorde hem ternauwernood aan. Hij maakte zich vroolijk, vatte haar bij de handen, plaagde haar met dien armen mijnheer de Mussy.

Toen zij bij het terugkeeren weer voorbij Brébant kwamen, zei zij plotseling:

--Weet je dat mijnheer de Saffré me van avond te soupeeren gevraagd heeft?

--Nu, dan zou je slecht gegeten hebben, antwoordde hij lachend. Saffré heeft niet het minste begrip van de kookkunst. Hij is altijd met kreeftensla in de weer.

--Neen, hij sprak van oesters en koude patrijs.... Maar hij werd te vertrouwelijk, en dat weerhield me....

Zij zweeg, keek nog eens langs den boulevard, en na een korte stilte klonk het spijtig:

--Het ergste is, dat ik een vreeselijken honger heb.

--Wat, heb je honger? riep de jonge man uit. Dan gaan we eenvoudig samen soupeeren.... Vind je het goed?

Hij zei het heel bedaard, maar zij weigerde eerst, zeggende dat Céleste een koud souper voor haar had klaar gezet. Daar hij echter toch niet naar het café Anglais ging, had hij het rijtuig stil doen houden op den hoek van de rue Le Peletier, voor de restauratie van het café Riche; hij was al uitgestapt en daar zijn stiefmoeder nog aarzelde, zei hij:

--Wel, als je bang bent dat ik je compromitteer, zeg het dan maar.... Dan ga ik naast den koetsier zitten en breng je weer bij je man terug.

Zij lachte even en steeg uit het rijtuig, als een vogeltje dat bang is zijn pootjes nat te maken. Zij straalde van genot. Dat trottoir dat zij onder haar voelde, maakte haar voeten warm, deed over haar gansche lichaam een heerlijke trilling van vrees en van bevredigde begeerte gaan.

Terwijl het rijtuig nog reed, had zij ternauwernood den lust kunnen bedwingen er op te springen. Zij ging er met kleine stapjes over, steelsgewijs, alsof het haar genoegen grooter maakte, te moeten vreezen, dat men haar zou zien.

Haar uitstapje begon nu werkelijk op een avontuur te gelijken. Zij had er wel geen spijt van, de lompe uitnoodiging van mijnheer de Saffré te hebben afgewezen, maar zij zou toch vreeselijk ontstemd thuisgekomen zijn, als Maxime niet op de gedachte was gekomen haar van de verboden vrucht te laten proeven.

De jonge man ging vlug de trap op, alsof hij daar thuis was. Zij volgde hem ietwat hijgend.

Een lichte geur van visch en wild kwam hen tegen, en de looper, die met koperen roeden op de treden bevestigd was, rook naar stof, wat haar nog zenuwachtiger maakte.

Toen zij op de eerste verdieping waren, ontmoetten zij een deftig uitzienden kellner, die zich tegen den muur drong om hen voorbij te laten gaan.

--Charles, zei Maxime, jij bedient ons, niet waar?....Geef ons het witte salon.

Charles boog, ging een paar trappen op en opende de deur van een kamer. Het gas was neergedraaid; het kwam Renée voor alsof zij in het halfduister van een bekoorlijk, verdacht plekje doordrong.

Door het wijdgeopende venster drong het onafgebroken geratel der rijtuigen, en op de zoldering gleden de vluchtige schaduwen der voorbijgangers door het licht, dat het koffiehuis beneden daarop weerkaatste. Maar de kellner opende het kraantje en het licht brandde hooger op. De schaduwen van de zoldering verdwenen, een helder licht verspreidde zich door de kamer en viel op het hoofd der jonge vrouw.

Zij had haar kap reeds afgeworpen. De krulletjes waren een beetje in de war geraakt, maar het blauwe lint was blijven zitten. Zij begon heen en weer te loopen, gegeneerd door de manier waarop Charles haar aankeek; hij knipte met de oogen en kneep zijn oogleden half dicht, om haar beter te zien; 't was alsof hij zeggen wilde: "Die ken ik nog niet."

--Wat zal mijnheer gebruiken? vroeg hij tamelijk luid. Maxime keerde zich naar Renée.

--Het souper van mijnheer de Saffré, niet waar? zei hij, oesters, een patrijs....

En toen hij den jongen man zag glimlachen, volgde Charles zijn voorbeeld bescheiden na, terwijl hij zachtjes zei:

--Het souper van Woensdag dus, als u het goed vindt?

--Het souper van Woensdag.... herhaalde Maxime. En toen, zich herinnerende:

--Ja, dat is goed, geef ons het souper van Woensdag.

Toen de kellner verdwenen was, nam Renée haar binocle en keek nieuwsgierig in de kamer rond.

Het was een vierkant vertrek, wit met verguld, koket gemeubileerd als een boudoir. Behalve de tafel en de stoelen, was er een laag meubelstuk, een soort van console, waarop men de afgenomen gerechten plaatste, en een breede sofa, een echt bed, die tusschen den schoorsteen en het venster stond. Een pendule en twee candelabres Louis XVI prijkten op den witmarmeren schoorsteen.

Maar het opmerkelijkste in die kamer was de spiegel, een mooie dikke spiegel, die door de diamanten der "dames" bekrast was met namen, datums, verminkte versregels, verwonderlijke gedachten en bekentenissen. Renée meende iets onbetamelijks te zien, maar zij dorst haar nieuwsgierigheid niet bevredigen.

Zij keek naar de sofa, voelde een nieuwe verlegenheid, begon toen, om zich een houding te geven, het plafond en de verguld koperen gaskroon met vijf pitten te bekijken. Maar de verlegenheid die zij voelde, was heerlijk.

Terwijl zij het hoofd ophief, als om de kroonlijst te bestudeeren, met een ernstig gezicht door haar binocle ziende, genoot zij innerlijk van die dubbelzinnige meubelen om haar heen; van dien helderen, cynischen spiegel welks zuiver glas, ternauwernood ontsierd door het vieze gekrabbel, gediend had om zooveel valsche chignons in orde te brengen; van die sofa, die haar stuitte door haar breedte, van de tafel, van het tapijt zelfs, waarin zij de lucht van de trap terug vond, een doordringende lucht van stof. En toen moest zij eindelijk de oogen neerslaan.

--Wat is dat toch voor een souper van Woensdag? vroeg zij Maxime.

--Niets, antwoordde hij, een weddenschap die een van mijn vrienden verloren heeft.

Op iedere andere plaats zou hij zonder aarzelen bekend hebben dat hij dien dag met een dame gesoupeerd had, die hij op den boulevard ontmoet had. Maar sinds hij zich daar met haar op die kamer bevond, behandelde hij haar onwillekeurig als een vrouw, die hij behagen moest en wier jaloerschheid hij moest ontzien.

Zij drong er trouwens niet verder op aan, zij ging voor het open venster staan, waar hij zich bij haar voegde. Achter hen liep Charles in en uit, met een gerinkel van vaat- en zilverwerk.

Het was nog voor middernacht. Daar beneden op den boulevard, duurde het stadsgewoel voort. Parijs rekte zijn bedrijvigen dag, voordat het besloot zich te rusten te begeven. De boomenrijen bakenden met een onduidelijke streep de helder verlichte trottoirs en den halfduisteren rijweg af, waarop de ratelende rijtuigen met hun vurige oogen snel voorbij reden. Aan weerszijden van deze donkere strook stonden de verlichte kiosken der dagbladverkoopers als hooge, grillige bontgeschilderde venetiaansche lantarens, op gelijke afstanden van elkander op den grond geplaatst, voor een kolossale illuminatie. Maar op dit uur werd hun licht geheel verduisterd door de schitterende verlichting der winkelramen. Geen enkel luik was gesloten, de trottoirs strekten zich uit zonder éen schaduwlijn, onder een regen van stralen die ze verlichtte met een gouden stof, met het warme, heldere schijnsel van den dag.

Maxime wees Renée naar het café Anglais, vlak tegenover hen, waarvan de vensters schitterden. De hooge takken der boomen beletten hen echter de huizen en het trottoir aan de overzij goed te zien.

Zij bogen zich voorover en keken naar beneden. Het was een onophoudelijk heen en weer geloop; groepjes wandelaars gingen voorbij, meisjes paarsgewijze, met slepende rokken, die zij van tijd tot tijd opnamen, met een matte beweging, glimlachend met haar vermoeide blikken.

Vlak onder het venster stonden de tafeltjes van het café Riche in het helle licht van de gaskronen die hun schijnsel tot midden op den rijweg wierpen; in dien helderen lichtgloed zagen zij de bleeke gezichten en de flauwe glimlachjes der voorbijgangers.

Om de ronde tafeltjes zaten vrouwen, tusschen de mannen, te drinken. Zij waren opzichtig gekleed en droegen het haar in den hals; zij zaten te schommelen op haar stoelen en voerden luide gesprekken, die het geraas van de straat onverstaanbaar maakte.

Renée's aandacht viel vooral op een vrouw, die alleen aan een tafeltje zat; zij droeg een lichtblauw kostuum, met witte gruipure afgezet; zij dronk met kleine teugjes een glas bier leeg, en leunde dan weer achterover in haar stoel, de handen op den schoot gevouwen, in een houding van trage, berustende afwachting.

Zij die liepen, gingen langzaam in het gewoel verloren, en de jonge vrouw oogde ze met belangstelling na; haar blik gleed over den heelen boulevard, naar de verwijderde drukte van de avenue, waar men niets dan een zwart gewemel van wandelaars onderscheidde, en de lichtschijnsels nog slechts vonken leken.

En met een regelmatigheid die het oog vermoeide, trok die bonte menigte onveranderlijk, onophoudelijk voorbij, te midden der heldere kleuren, in de tooverachtige flikkering van die duizenden dansende lichtschijnsels, die uit de winkels stroomden, de transparanten van de kiosken en de ramen kleurden, in letters, lijsten of vurige teekeningen langs de gevels liepen, de duisternis met sterren bezaaiden, onafgebroken over den rijweg dansten.

Het oorverdoovend geraas, dat omhoog steeg, dreunde na, eentonig, als het gebrom van een orgel, dat den eeuwigdurenden optocht van mechanieke poppetjes begeleidt.

Een oogenblik meende Renée dat er een ongeluk gebeurd was. Een stroom van menschen bewoog zich naar links, even voorbij de passage de l'Opéra. Maar met haar kijker herkende zij het wachthuis der omnibussen; de stoep stond vol wachtenden, die bij de nadering van een omnibus haastig kwamen toesnellen. Zij hoorde de ruwe stem van den controleur de nummers afroepen, daarop klonk het gelui van den teller als een kristalhelder geklep tot haar door.

Zij liet haar blik rusten op de advertenties van een kiosk, met schelle kleuren als kinderprenten; op een vierkant stond in een geel en groenen rand een grijnzende duivelskop met steile haren, een reclameplaat van een hoedenmaker die zij niet begreep.

Om de vijf minuten kwam de omnibus van Batignolles voorbij, met zijn roode lantarens en gele kast; hij draaide den hoek van de rue Le Peletier om en deed het huis trillen door zijn gedreun; zij zag de mannen op de imperiale, vermoeide gezichten die omhoog keken en haar en Maxime nieuwsgierig aanzagen, als uitgehongerden die door een sleutelgat kijken.

--Ach! zei zij, wat zal het nu stil zijn in het park Monceau.

Dat was alles wat zij zei. Zij bleven daar wel twintig minuten staan, zwijgend opgaande in het gewoel en de verlichting. Toen de tafel gereed was, namen zij plaats, en daar de tegenwoordigheid van den kellner haar scheen te hinderen, zond Maxime hem weg.

--Laat ons alleen.... Ik zal om het dessert schellen.

Zij had roode plekjes op de wangen en haar oogen schitterden; zij zag er uit alsof zij hard geloopen had. Zij bracht van het venster een beetje van de drukte en de levendigheid van den boulevard mee. Zij wilde niet dat Maxime het venster sloot.

--Wel, dat is het orkest, zei zij, toen hij over het geraas klaagde. Vind je het geen eigenaardige muziek? Dat is een mooie begeleiding bij onze oesters en patrijs.

't Was of het uitstapje haar jonger maakte. Zij was druk in haar bewegingen, een beetje opgewonden; die kamer, dat samenzijn met een jongen man, het rumoer van de straat, wonden haar op, gaven haar iets meisjesachtigs.

Zij viel met smaak op de oesters aan. Maxime had geen honger, hij keek glimlachend toe, terwijl zij smulde.

--Verduiveld, mompelde hij, je bent een goede om mee uit soupeeren te gaan.

Zij hield op, spijtig omdat zij zoo gauw at.

--Je vindt dat ik honger heb. Wat zal ik je zeggen? Dat onzinnige bal heeft me hongerig gemaakt.... Arme jongen, wat beklaag ik je dat je met zulke menschen omgaat!

--Je weet wel, zei hij, dat ik je beloofd heb Sylvia en Laure d'Aurigny te laten schieten, zoodra je vriendinnen met mij uit soupeeren willen gaan.

Zij maakte een trotsch gebaar.

--Dat geloof ik warempel ook wel. Wij zijn heel wat amusanter dan die dames, dat zal je niet tegen kunnen spreken.... Als een van ons een minnaar zoo verveelde, als jouw Sylvia en je Laure d'Aurigny jou moeten vervelen, wel, het arme vrouwtje hield dien minnaar geen week!.... Je wilt nooit naar me luisteren. Probeer het eerstdaags eens.

Maxime stond op, om den kellner niet te roepen, ruimde de oesterschelpen weg en bracht den patrijs, die op de console stond. De tafel was beladen met de weelde der groote restauraties. Op het damasten tafellaken bevond zich een overvloed van heerlijke spijzen, en met een lichte trilling van genot bewoog Renée haar fijne handen van haar vork naar haar mes, van haar bord naar haar glas. Zij dronk witten, onvermengden wijn, zij die gewoonlijk slechts een scheutje wijn in haar water dronk.

Terwijl Maxime, met het servet over den arm, haar met een schertsende voorkomendheid bediende, hernam hij:

--Wat heeft die mijnheer de Saffré toch tegen je gezegd, dat je zoo woedend bent? Vond hij je leelijk?

--O, hij, antwoordde zij, 't is een gemeen mensch. Ik had nooit kunnen denken dat iemand, die zich bij mij aan huis zoo deftig en zoo beleefd voordeed, zoo'n taal kon uitslaan. Maar dat heb ik hem al vergeven. De vrouwen, die hebben me gehinderd; 't leken wel appelenvrouwen. Er was er een, die klaagde dat zij een steenpuist op haar heup had, en het had weinig gescheeld of zij had haar rok opgetild om haar kwaal aan iedereen te toonen.

Maxime lachte luidkeels.

--Neen, heusch, ging zij met toenemende heftigheid voort, ik begrijp jelui niet, ze zijn vies en dom.... En toen ik je naar je Sylvia zag gaan, stelde ik me nog al wonder wat voor, van die antieke feesten zooals je wel op schilderijen ziet, meisjes met kransen van rozen in het haar, gouden drinkschalen, buitengewone genietingen.... 't Mocht wat! Je hebt me een onzindelijk kleedkamertje laten zien en vrouwen die als voerlui vloekten. Zoo is het de moeite niet waard, om kwaad te doen.

Hij wilde hier iets tegen inbrengen, maar zij legde hem het zwijgen op, en terwijl zij een patrijzeboutje afkloof, dat zij tusschen de vingertoppen hield, ging zij op zachter toon voort:

--Het kwaad moet iets keurigs, iets fijns zijn, jongenlief.... Wanneer ik, een fatsoenlijke vrouw, me verveel en de zonde bega aan iets onmogelijks te denken, weet ik zeker dat ik veel aardiger dingen vind dan Blanche Muller.

En met een ernstig gezicht sprak ze ten slotte de naïeve onbeschaamdheid uit:

--Dat is een kwestie van opvoeding, begrijp je?

Ze lei het beentje kalmpjes op haar bord neer. Het dreunend rollen der rijtuigen ging voort, zonder dat zich daartusschen een levendiger geluid deed hooren. Zij was genoodzaakt haar stem te verheffen om zich verstaanbaar te maken, en haar wangen kleurden zich met een dieper rood. Op de console stonden nog truffels, een zoet tusschengerecht, asperges, een zeldzaamheid in dat jaargetijde.

Hij bracht alles aan, om verder te kunnen blijven zitten, en daar de tafel wat smal was, zette hij tusschen hen in een zilveren ijsemmer, waarin een flesch champagne, op den grond neer. De eetlust der jonge vrouw begon aanstekelijk op hem te werken. Zij lieten geen enkelen schotel onaangeroerd, zij ledigden de flesch, met uitgelaten dartelheid, verdiepten zich in gewaagde bespiegelingen, en leunden op de ellebogen als twee vrienden, die in een roes hun hart voor elkander uitstorten.

Het werd minder druk op de boulevard, toch kwam het haar voor, alsof het integendeel levendiger werd, en al die wielen schenen haar soms in het hoofd te draaien.

Toen hij zei, dat hij om het dessert ging schellen, stond zij op, schudde de kruimels van haar lange satijnen blouse af en zei:

--Dat is goed.... Zeg, je mag wel een sigaar opsteken.

Zij was een beetje bedwelmd. Zij ging naar het venster, aangetrokken door een vreemd geraas, waarvan zij de oorzaak niet begreep. Men was bezig de winkels te sluiten.

--Kijk, zei zij, zich naar Maxime wendende, het orkest gaat naar huis.

Zij boog zich weer voorover. Op den rijweg in het midden, kruisten de gekleurde oogen van de minder talrijke, maar sneller rijdende vigelanten en omnibussen elkander nog steeds. Maar aan de zijkanten, langs de trottoirs, waren er groote donkere plekken ontstaan, voor de gesloten winkels. Alleen de koffiehuizen waren nog hel verlicht, en wierpen hun schijnsel op het asphalt.

Van de rue Drouot tot aan de rue du Helder zag zij een lange reeks heldere en donkere plekken, waarin de late wandelaars op zonderlinge wijze opdoken en verdwenen. Vooral de meisjes, met haar slepende japonnen, beurtelings hel verlicht en in duisternis gehuld, leken wel geestverschijningen, bleeke marionnetten, die zich door den electrisch verlichten kring van het een of andere toover-kluchtspel bewegen. Zij vermaakte zich een oogenblik met dit spel.

Het licht was nu niet meer over den geheelen boulevard verspreid, de gaslichten werden uitgedraaid; de bontkleurige kiosken staken nog harder af tegen de duisternis. Nu en dan ging er een groote menigte, die uit een der schouwburgen kwam, voorbij. Maar weldra werd het lediger, en onder het venster zag men soms groepjes van twee of drie mannen, die door een vrouw werden aangesproken. Zij bleven staan, in druk gesprek. Een enkel woord kon men zelfs verstaan; meestal ging de vrouw aan den arm van een dier mannen weg. Andere meisjes gingen het eene koffiehuis in, het andere uit, liepen de tafeltjes rond, namen de achtergelaten klontjes suiker, lachten met de kellners, keken de late bezoekers vragend en zich stilzwijgend aanbiedend aan.

En nadat Renée de bijna leege imperiale van een omnibus. had nagekeken, herkende zij op den hoek van het trottoir, de vrouw met de blauwe, met witte guipure afgezette japon, die daar rechtop stond, met hoofd naar alle zijden heenwendend, steeds op den uitkijk.

Toen Maxime haar kwam opzoeken aan het venster, waar zij in aanschouwing verdiept was, moest hij onwillekeurig glimlachen, toen hij naar een der halfgeopende vensters van het café Anglais keek; de gedachte, dat zijn vader daar ook soupeerde, scheen hem grappig toe; maar dien avond had hij iets bijzonder schroomvalligs, dat hem belette zijn gewone grappen te verkoopen.