Jacht naar Fortuin

Part 13

Chapter 133,956 wordsPublic domain

Naarmate zij grooter werd, was er niets dat haar verbaasde, zij herinnerde zich alles, of liever zij wist alles, en zij reikte naar de verboden zaken met een zekerheid van hand, die haar deed gelijken op iemand die na een lange ziekte in zijn woning terug komt en slechts den arm hoeft uit te steken om zich op zijn gemak te zetten en zich thuis te voelen.

Dit zonderlinge meisje, wier kwade neigingen met de zijne strookten, maar dat daarenboven zoo onschuldig in haar onbeschaamdheid scheen, en een pikante mengeling vertoonde van kinderlijkheid en vrijpostigheid in dat tweede leven dat zij als maagd doorleefde met haar wetenschap en schande van een volwassen vrouw, moest Maxime ten slotte behagen en hem veel grappiger toeschijnen dan Sylvia, een woekeraarster in haar hart, dochter van een eerzamen papierfabrikant en eigenlijk vreeselijk burgerlijk.

Het huwelijk werd lachend vastgesteld, en men besloot de "kwajongens" te laten opgroeien. De twee gezinnen gingen heel vriendschappelijk met elkander om. Mijnheer de Mareuil deed zijn best voor zijn candidatuur. Saccard loerde op zijn prooi. De afspraak luidde, dat Maxime als bruidsgeschenk zijn benoeming tot auditeur bij den staatsraad zou meebrengen.

Intusschen scheen het fortuin van Saccard zijn toppunt bereikt te hebben. Het straalde midden in Parijs als een groot vreugdevuur. Het uur was gekomen, waarop de honden hun aandeel in den buit kregen, en het door toortsen verlichte bosch weerklonk van hun geblaf en van het klappen der zweepen. De losgelaten begeerten vonden eindelijk bevrediging in den onbeschaamden triomf, bij het geraas der ineengestorte wijken en der snel opgekomen fortuinen.

De stad was niets meer dan een groote zwelgpartij van millioenen en van vrouwen. De ondeugd, van bovenaf gekomen, stroomde in de beken, spreidde zich uit in de vijvers, steeg weer omhoog in de fonteinen der tuinen, om neer te vallen op de daken, in een fijnen doordringenden regen. En als men des nachts de bruggen overging, scheen de Seine, midden in de slapende stad, den afval met zich mee te voeren: van de tafels gevallen kruimels, op de sofa's achtergelaten kanten strikken, in de vigelantes vergeten haartooi, uit de boezems gegleden bankbiljetten, al wat de dierlijkheid der begeerte en de onmiddellijke bevrediging van de aandrift op straat werpen, na het gebroken en bezoedeld te hebben.

Dan, in den koortsachtigen slaap van Parijs, en nog beter dan op die hijgende jacht overdag, voelde men dat alle hoofden op hol waren, dat die stad van niets droomde dan van goud en wellust.

Tot middernacht klonken de violen; dan werden de vensters donker, en daalde de duisternis over de stad.

Het leek een ontzaglijk groote alkoof, waarin met het uitblazen van de laatste kaars ook de laatste schaamte afgelegd werd.

In die diepe duisternis ontwaarde men niets meer dan een groot gereutel van hevigen, afgematten hartstocht, terwijl de Tuileriën, aan den waterkant, hun armen in het donker uitbreidden als tot een ontzaglijke omhelzing.

Saccard had zijn hôtel laten bouwen in het park Monceau, op een terrein dat hij van de stad gestolen had. Hij had daar voor zichzelf op de eerste verdieping een prachtig kabinet laten inrichten, palissanderhout met vergulde ornamenten, met hooge glazen deuren als van een boekenkast, vol dossiers maar met geen enkel boek er in; de brandkast, in een inspringenden hoek van den muur, geleek op een ijzeren alkoof, groot genoeg om tot bed te dienen voor een milliard.

Zijn fortuin groeide daar aan, pronkte er onbeschaamd in. Alles scheen hem mee te loopen. Toen hij de rue de Rivoli verliet, zijn huis op grooter voet inrichte, zijn uitgaven verdubbelde, zei hij tot zijn kennissen dat hij aanzienlijke winsten behaald had. Naar zijn zeggen bracht zijn compagnonschap met de heeren Mignon en Charrier hem ontzaglijke winsten op; zijn speculaties op huizen gingen nog voordeeliger, en het Wijnbouwcrediet was een onuitputtelijke melkkoe.

Hij somde zijn rijkdommen op zoo'n eigenaardige manier op, dat het den toehoorders voor de oogen duizelde. Zijn provençaalsch neusgeluid kwam nog sterker uit: met zijn korte gezegden en zijn zenuwachtige gebaren, stak hij een vuurwerk af, waarin de millioenen als vuurpijlen omhoog stegen, zoodat zelfs de ongeloovigsten verblind werden. Die drukte over zijn rijkdom was voor een groot deel de oorzaak, dat hij den naam van een gelukkig speler had gekregen. In werkelijkheid was er niemand, die een veilig belegd kapitaal van hem kende. Zijn verschillende compagnons, die natuurlijk op de hoogte waren van zijn positie tegenover hen, verklaarden zich zijn kolossaal fortuin door aan te nemen dat hij bijzonder gelukkig was in de andere speculaties, waarvan zij niets afwisten.

Hij maakte grove verteringen; de stroom uit zijn kas vloeide aanhoudend door, zonder dat de bronnen ontdekt konden worden. Het was zuivere waanzin, een razende hartstocht, handen vol goudstukken in het water gesmeten, de brandkast iederen avond tot den laatsten stuiver geledigd om weer op onrustbarende wijze in den nacht gevuld te worden, en nooit grooter geldsommen opleverende dan wanneer Saccard beweerde de sleutels verloren te hebben.

In dat fortuin, met het geloei en de overstroomingen van een winterstorm, werd de bruidschat van Renée geslingerd, meegevoerd en verdronken. De jonge vrouw, die in den eersten tijd nog eenigszins wantrouwend was en haar goederen zelf wou beheeren, had al heel gauw genoeg van de zaken; later voelde zij zich arm tegenover haar man, en onder den last der schulden gebukt, moest zij haar toevlucht bij hem zoeken, geld van hem leenen, zich aan zijn genade overleveren.

Bij iedere nieuwe rekening, die hij betaalde met den glimlach van een man die medelijden heeft met de menschelijke zwakheden, gaf zij zich iets meer aan hem over, vertrouwde zij hem effecten toe of machtigde hem het een of ander te verkoopen.

Toen zij in het park Monceau kwamen wonen, was zij al bijna geheel uitgeplunderd. Hij had zich in de plaats van den Staat gesteld, en betaalde haar de rente van de honderdduizend francs, voortkomende uit haar eigendom in de rue de la Pépinière; bovendien had hij haar overgehaald haar landgoed in Sologne te verkoopen, om het geld in een groote zaak te steken, een uitmuntende belegging, zei hij. Zij had dus nog enkel de terreinen van Charonne over, die zij standvastig weigerde van de hand te doen, om tante Elisabeth geen verdriet te doen. En daar had hij nog een slim plannetje mee beraamd, met behulp van zijn ouden medeplichtige Larsonneau.

Toch bleef zij nog verplichting aan hem houden; hij had wel haar fortuin genomen, maar hij betaalde haar het vijf- of zesvoud der jaarlijksche opbrengst. De rente van de honderdduizend francs, gevoegd bij die van het geld van Sologne, bedroeg ternauwernood negen- of tienduizend francs, juist genoeg om haar linnennaaister en haar schoenmaker mee te betalen. Hij gaf haar of betaalde voor haar vijftien-, ja twintigmaal dat armzalige beetje.

Hij zou acht dagen werken om haar honderd francs te ontstelen, en hij onderhield haar vorstelijk. Zij deelde dan ook in den algemeenen eerbied voor de monumentale brandkast van haar man, zonder de herkomst te doorgronden van dien goudstroom, dien zij zag voorbij stroomen en waarin zij zich elken morgen wierp.

In het park Monceau, was het een razernij, een oogverblindende pracht. De Saccards verdubbelden het aantal hunner rijtuigen en paarden; zij hielden er een leger van bedienden op na, die zij in een donkerblauwe livrei uitdosten, een stopverfkleurige korte broek met zwart en geel gestreept vest, weinig opzichtige kleuren, die de financier opzettelijk gekozen had om hoogst ernstig te schijnen, wat altijd een van zijn liefste droomen was geweest.

Zij spreidden hun weelde aan den voorgevel ten toon en openden de gordijnen, op de dagen dat er groote diners gegeven werden. De windvlaag, die op de eerste verdieping van de rue de Rivoli de deuren had doen slaan, was in het hôtel een ware orkaan geworden, die de binnenmuren dreigde omver te blazen.

Te midden dier vorstelijke vertrekken, langs de vergulde trapleuningen, op de dikke wollen tapijten, in dat tooverpaleis van een parvenu, bleef de geur van Mobille hangen, dansten de wiegelende heupen de in de mode zijnde quadrilles, waarde de tijdgeest rond met zijn dommen, dwazen lach, zijn onleschbaren dorst en zijn eeuwigen honger.

Het was het verdachte huis van het wereldsch vermaak, van het onbeschaamde vermaak, dat de vensters wijd open zet om de voorbijgangers in te wijden in de geheimen der slaapkamer.

Man en vrouw leefden er vrij, onder de oogen van hun dienstboden. Zij hadden het huis met elkaar gedeeld, zij kampeerden er, alsof het hun eigen huis niet was, alsof zij na een drukke, afmattende reis in een prachtig hôtel waren aangeland, waar zij zich even den tijd gegund hadden om hun koffers uit te pakken, ten einde zoo gauw mogelijk de genoegens van een nieuwe stad te kunnen najagen. Zij hielden er hun nachtverblijf; zij bleven alleen thuis voor de groote diners, onophoudelijk door Parijs zwervende, soms voor een uurtje thuiskomende, zooals men in een logement tusschen twee uitstapjes even komt uitrusten.

Renée voelde er zich onrustiger, droomeriger; haar zijden rokken gleden over de dikke tapijten, langs het satijn der causeuses, met het sissend geluid van slangen; zij voelde zich geprikkeld door die dwaze verguldsels om haar heen, door die hooge, ledige plafonds, waaronder na de feestavonden niets overbleef dan het dartel gelach van de jongelui en de mooiklinkende woorden van de oude schelmen; om die weelde aan te vullen, om die schitterende pracht te bewonen, verlangde zij naar een buitengewoon vermaak, dat haar nieuwsgierigheid te vergeefs zocht in alle hoekjes van het hôtel, in het kleine zonkleurige salon, in de serre met haar weelderigen plantengroei.

Saccard daarentegen zag zijn droomen bijna vervuld; hij ontving de groote geldmannen, mijnheer Toutin-Laroche, mijnheer de Lauwerens; hij ontving ook de groote staatslieden, baron Gouraud, den afgevaardigde Haffner; zijn broer, de minister, was zelfs twee- of driemaal bij hem aan huis geweest om door zijn aanwezigheid zijn positie hechter te maken.

Toch had hij, even goed als zijn vrouw, een zenuwachtige, onrustige bezorgdheid, die zijn lach deed klinken als het gerinkel van gebroken vensterglas. Hij kreeg iets zoo gejaagds, zoo overspannens, dat zijn kennissen van hem zeiden: "Die drommelsche Saccard! hij verdient te veel geld, hij wordt nog gek!"

In 1860 had hij een ridderorde gekregen, naar aanleiding van een geheimzinnigen dienst dien hij den prefect had bewezen, door zijn naam te leenen voor een dame bij een verkooping van terreinen.

Het was omstreeks den tijd van hun verhuizing naar het park Monceau, dat er een gebeurtenis plaats greep in Renée's leven, die een onuitwischbaren indruk bij haar achterliet. Tot dusver had de minister weerstand geboden aan de smeekingen zijner schoonzuster, die van begeerte brandde om tot de hofbals uitgenoodigd te worden.

Eindelijk zwichtte hij, in de meening dat het fortuin van zijn broer nu stevig genoeg gegrondvest was. Een maand lang kon Renée er niet van slapen. De groote avond kwam; zij zat te beven in het rijtuig, dat haar naar de Tuileriën bracht.

Haar toilet was een wonder van bevalligheid en oorspronkelijkheid; zij had het zelf in een slapeloozen nacht bedacht, en drie mannen van Worms waren het onder haar oogen bij haar thuis komen maken. Het was een eenvoudige robe van wit gaas, maar gegarneerd met een menigte uitgeschulpte en met zwart fluweel geboorde strookjes. De tuniek van zwart fluweel was aan den hals vierkant uitgesneden, heel laag op den boezem, die omsloten werd door dunne kant, nauwelijks een vinger hoog. Geen enkele bloem, geen enkel lint, om haar polsen gladde armbanden en op haar hoofd een smalle diadeem van goud, die haar als een stralenkrans omgaf.

Toen zij in de salons was en haar man haar verlaten had om met baron Gouraud te spreken, voelde zij zich een oogenblik verlegen. De spiegels echter toonden haar hoe bevallig zij er uitzag en stelden haar spoedig gerust; langzamerhand raakte zij gewend aan de warme atmosfeer, het gefluister van stemmen, de mengeling van zwarte jassen en blanke schouders.

Daar verscheen de keizer. Hij schreed langzaam door het salon, aan den arm van een dikken, kleinen generaal, die hijgde alsof hij aan een moeielijke spijsvertering leed.

De schouders schaarden zich in twee rijen, terwijl de zwarte jassen onwillekeurig bescheidenlijk een stapje achteruit weken. Renée werd naar het einde der rij gedrongen, dicht bij de tweede deur, waarheen de keizer juist zijn moeielijken, wankelenden gang richtte. Zij zag hem zoo, van de eene deur naar de andere, op haar toekomen.

Hij droeg een zwarten rok met het roode lint van het grootkruis. Renée, die de ontroering weer te machtig werd, onderscheidde niet goed wat zij zag; die bloedige vlek scheen haar toe de geheele borst van den vorst te bespatten. Zij vond hem klein, met te korte beenen en een waggelenden gang; maar zij was verrukt, en in haar oog leek hij mooi, met zijn bleeke gelaatskleur, zijn zware oogleden, die over zijn doffe oogen neerhingen. Onder zijn snor opende zijn mond zich slap; alleen zijn beenige neus kwam uit in dat nietszeggende gelaat.

De keizer en de oude generaal gingen stapje voor stapje verder; zij schenen elkander te steunen, met een flauw glimlachje. Zij keken naar de buigende dames, en hun blikken gleden links en rechts in de keurslijven. De generaal boog zich naar zijn meester over, fluisterde hem een woordje toe, drukte hem den arm als een vroolijke kameraad. En de keizer, slap en bleek, nog matter dan gewoonlijk, kwam steeds nader met zijn slependen tred.

Zij waren in het midden van het salon, toen Renée voelde dat hun blikken op haar rustten. De oogen van den generaal werden rond, terwijl de keizer, zijn oogleden half opslaande, een rooden gloed kreeg in de grijze, troebele oogen.

Renée raakte van haar stuk, boog het hoofd en zag niets meer dan de rozen van het tapijt. Maar zij volgde hun schaduw, zij begreep dat zij een paar seconden voor haar stil bleven staan. En zij meende den keizer, dien dubbelzinnige droomer, te hooren fluisteren, terwijl hij haar aankeek, weggedoken in haar mousselinen, met fluweel gestreepte japon:

--Zie eens, generaal, een bloempje om te plukken, een geheimzinnige, wit en zwart gestreepte anjelier.

En de generaal antwoordde op lompen toon:

--Sire, die anjelier zou verduiveld goed in ons knoopsgat staan.

Renée hief het hoofd op. De verschijning was verdwenen, een stroom van menschen versperde de deur. Sedert dien avond kwam zij dikwijls op de Tuileriën, zij genoot zelfs de eer dat Zijne Majesteit haar hardop een complimentje maakte, en dat zij eenigszins zijn vriendin werd; maar zij herinnerde zich altijd den langzamen, loomen tred van den vorst midden door het salon, tusschen de twee rijen van schouders; en wanneer zij wat nieuwe vreugd in het aangroeiend fortuin van haar man vond, zag zij den keizer weer langs de gebogen halzen gaan, naar haar toekomen, haar vergelijkende bij een anjelier, die de oude generaal hem aanried in zijn knoopsgat te steken. Dat was voor haar het beduidendste moment van haar leven.

IV.

De duidelijke, brandende begeerte die in Renée's hart was opgekomen, in de bedwelmende geuren van de serre, terwijl Maxime en Louise lachten op een causeuse van het kleine gele salon, scheen uit haar geheugen gewischt als een benauwde droom, die niets meer dan een lichte huivering achterlaat.

Den ganschen nacht had de jonge vrouw den bitteren smaak van de tanghinia op haar lippen geproefd; terwijl zij het branden van dat vergiftige blad voelde, leek het haar toe alsof een vurige mond zich op den haren plaatste, haar een verterende liefde inblies. Daarop liet die mond haar los, en haar droom loste zich op in donkere golven die over haar heen rolden.

Tegen den morgen viel zij in slaap. Toen zij ontwaakte, dacht zij dat zij ziek was. Zij liet de gordijnen dichtschuiven, klaagde tegen haar dokter over onpasselijkheid en hoofdpijnen, weigerde twee dagen lang uit te gaan. En daar zij de bezoeken te druk vond, sloot zij haar deur. Maxime kwam tevergeefs aankloppen. Hij sliep niet in huis, om vrijer over zijn kamers te kunnen beschikken; hij leidde overigens het afwisselendste leven ter wereld; hij logeerde in de nieuwe huizen van zijn vader, koos de verdieping die hem het best aanstond, verhuisde iedere maand, dikwijls uit grilligheid, een enkele maal om plaats te maken voor de werkelijke huurders. In gezelschap van de een of andere maîtresse betrok hij de nieuwgebouwde huizen, om er gemakkelijker huurders voor te krijgen.

Aan de luimen van zijn stiefmoeder gewoon geraakt, veinsde hij erg met haar begaan te zijn, en kwam viermaal per dag naar boven om naar haar toestand te vernemen, met een wanhopig gezicht, alleen om haar te plagen. Den derden dag vond hij haar in het kleine salon, blozend en lachend, kalm en rustig.

--Wel, heb je je goed geamuseerd met Céleste? vroeg hij haar, met een zinspeling op haar langdurig samenzijn met haar kamenier.

--Ja, antwoordde zij, het is een onbetaalbaar meisje. Zij heeft altijd ijskoude handen, zij lei ze op mijn voorhoofd en dat bracht mijn pijn wat tot bedaren.

--Maar dan is dat meisje een geneesmiddel! riep de jonge man uit. Als ik ooit het ongeluk mocht hebben verliefd te worden, wil je ze zeker wel aan me uitleenen, niet waar? Dan kan ze allebei haar handen op mijn hart leggen.

Zij schertsten, en deden hun gewone rijtoertje naar het Bosch. Een paar weken gingen voorbij. Renée had zich hartstochtelijker dan ooit aan het leven van bezoeken en danspartijen overgegeven; haar hoofd scheen weer op hol, zij klaagde niet meer over verzadiging en walging.

Alleen zou men gezegd hebben, dat zij zich in het geheim aan iets bezondigd had, waarover zij niet sprak, maar dat zij bekende door een duidelijker aan den dag gelegde minachting voor zichzelve en een gewaagder verdorvenheid in haar groote damesgrillen.

Op een avond bekende zij Maxime dat zij dolgraag naar een bal zou gaan, dat Blanche Muller, een gevierde tooneelspeelster, aan de tooneelprinsessen en de voornaamste dames der demi-monde gaf.

Die bekentenis verraste den jongen man en bracht hem, die toch niet over-scrupuleus was, in geen geringe verlegenheid. Hij hield een zedepreek tegen zijn stiefmoeder: heusch, dat was geen gepaste plaats voor haar, zij zou er trouwens niets grappigs zien, bovendien zou het opspraak verwekken als zij herkend werd. Op al die goede redenen antwoordde zij met saamgevouwen handen, smeekend en glimlachend:

--Kom, Maxiempje lief, wees nu eens aardig. Ik wil.... Ik zal een donkere domino aandoen, we zullen maar even door de salons wandelen.

Maxime, die ten slotte altijd toegaf en zijn stiefmoeder op de beruchtste plaatsen van Parijs zou gebracht hebben, als zij er maar op zinspeelde, stemde er eindelijk in toe haar naar het bal van Blanche Muller te geleiden. Zij klapte in de handen als een kind dat een ontspanning krijgt, waarop het niet gerekend had.

--Dat vind ik lief, zei zij. 't Is morgen, niet waar? Kom me vroeg afhalen. Ik wil die dames zien binnenkomen. Je moet me haar namen noemen; wat zullen we een pret hebben....

Zij dacht even na, en ging toen voort:

--Neen, kom niet. Je moet me met een vigelante opwachten, op den boulevard Malesherbes. Ik zal den tuin door komen.

Die geheimzinnigheid zou een bekoring te meer aan haar uitstapje geven, 't was niets dan een verfijning van genot, want al was zij te middernacht de voordeur uitgegaan, dan zou haar man haar niet eens uit het raam nagekeken hebben.

Nadat zij Céleste op het hart had gedrukt op haar te wachten, ging Renée den volgenden avond, met een heerlijk gevoel van vrees, door de duisternis van het park Monceau. Saccard had gebruik gemaakt van zijn vriendschappelijke verhouding tot het stadhuis, en zich een sleutel laten geven van een poortje, dat in het park uitkwam. Renée had er ook een willen hebben. Zij was bijna verdwaald geraakt, zij vond de vigelante alleen door de twee gele lichten der lantarens.

In dien tijd was de boulevard Malesherbes pas voltooid; 's avonds was het er nog heel eenzaam. De jonge vrouw trad vlug het rijtuig in, met een kloppend hart, alsof zij een samenzijn met haar geliefde te gemoet ging. Maxime zat heel wijsgeerig te rooken in een hoekje van het rijtuig. Hij maakte een beweging om zijn sigaar weg te gooien, maar zij belette dit, en terwijl zij in de duisternis zijn arm wilde grijpen, gleed haar hand over zijn gezicht, wat ze beiden heel aardig vonden.

--Ik verzeker je dat ik van tabakslucht houd, riep zij. Houd je sigaar maar aan.... Vanavond gaan we uit zwieren.... Ik ben nu een man.

De boulevard was nog niet verlicht. Terwijl de vigelante den kant van de Madeleine op reed, was het zoo donker in het rijtuig dat zij elkander niet zagen. Nu en dan, als de jonge man zijn sigaar naar den mond bracht, verscheen er een rood vurig stipje in de duisternis. Dat roode stipje nam Renée's aandacht in beslag.

Maxime, half bedolven onder het zwarte satijn van den domino, die het rijtuig bijna geheel vulde, rookte stilzwijgend voort, alsof hij zich verveelde. Inderdaad had de gril van zijn stiefmoeder hem verhinderd zich bij een troepje dames in het café Anglais aan te sluiten, die daar het bal van Blanche Muller wilden houden. Hij was uit zijn humeur, en zij ried het in het donker.

--Voel je je onwel? vroeg zij hem.

--Neen, ik ben koud, antwoordde hij.

--Hé, hoe vreemd, ik heb het heel warm. Ik vind het hier om te stikken. Leg een punt van mijn rokken over je knieën.

--O, je rokken, mompelde hij gramstorig, daar zit ik tot over mijn ooren in.

Hij moest om zijn eigen woorden lachen, en langzamerhand werd hij opgewekter. Zij vertelde hem dat zij zoo bang was geweest in het park Monceau. En toen vertelde zij hem nog iets, dat zij zoo graag wou: zij zou zoo graag op een nacht op den vijver van het park willen varen, in een bootje dat zij van uit haar vensters aan het uiteinde eener laan aan land zag liggen. Hij vond dat zij sentimenteel werd.

De vigelante reed steeds voort, het bleef nog even donker, zij bogen zich naar elkander over om zich verstaanbaar te maken bij het geraas der wielen, zij raakten elkander bij het minste gebaar aan, zij voelden elkanders warmen adem. En van tijd tot tijd trok Maxime aan zijn sigaar, en het roode stipje wierp een bleekrood schijnsel op Renée's gelaat. Bij dat snelle licht gezien was zij bekoorlijk, zoodat het zelfs den jongen man opviel.

--O, o, zei hij, je ziet er van avond heel lief uit, stiefmaatje. Laat ik je eens zien.

Hij hield zijn sigaar naderbij, en deed snel eenige trekjes. Renée werd in haar hoekje door een warm, flikkerend schijnsel verlicht. Zij had haar kap teruggeslagen. Haar bloot hoofd, bedekt met een overvloed van krulletjes, waarover een eenvoudig blauw lint, leek op dat van een jongen, boven de hooge zwart satijnen blouse die alleen haar hals vrij liet. Zij vond het wel aardig, bekeken en bewonderd te worden bij het licht van een sigaar. Zij wierp zich lachend achterover, terwijl hij met een grappig ernstig gezicht opmerkte:

--Drommels, ik zal op je moeten passen, als ik je heelhuids bij papa terug wil brengen.

Intusschen maakte het rijtuig een bocht om de Madeleine en reed de boulevards op. Daar vulde de weerschijn van de schitterend verlichte magazijnen het met een dansend licht. Blanche Muller woonde vlak bij een dier nieuwe huizen, die op de opgehoogde terreinen van de rue Basse-du-Rempart gebouwd zijn.

Er stonden nog slechts enkele rijtuigen voor de deur. Het was nog pas tien uur. Maxime wou een eindje op de boulevards rondrijden, een uurtje wachten; maar Renée, wier nieuwsgierigheid nog meer opgewekt was, verklaarde hem ronduit dat zij alleen ging, als hij haar niet vergezelde. Hij volgde haar, en was blij dat hij er meer gasten vond dan hij gedacht had.