Jacht naar Fortuin

Part 12

Chapter 123,868 wordsPublic domain

Maar een van mevrouw Sidonie's getrouwen was Maxime. Nauwelijks vijftien jaar oud, kwam hij al bij zijn tante snuffelen en berook hij de achtergelaten handschoenen, die hij op de meubels vond. Zijn tante, die er een hekel aan had om openlijk voor de waarheid uit te komen, leende hem ten slotte de sleutels van haar kamers, onder voorgeven dat zij tot den volgenden dag uitbleef.

Maxime zei iets van vrienden, die hij niet bij hem thuis durfde ontvangen. Op de bovenkamers van de rue du Faubourg-Poissonnière bracht hij verscheidene nachten met dat arme meisje door, dat naar buiten moest gezonden worden.

Mevrouw Sidonie leende geld van haar neef, keek hem smachtend aan, en fluisterde met haar innemende stem dat hij "zoo zacht en zoo blozend was als een meisje."

Intusschen was Maxime grooter worden. Het was nu een slanke, knappe jongeling, die de blozende wangen en blauwe oogen van den knaap behouden had. Zijn krullende haren voltooiden het "meisjesachtige" in zijn uiterlijk, dat de dames zoo aantrok.

Hij geleek op de arme Angèle, hij had haar zachten blik, haar blonde bleekheid. Maar hij was nog minder waard dan die trage, onbeduidende vrouw. Het ras der Rougons was in hem verfijnd, maar tegelijk zwakker en gebrekkig geworden.

Geboren uit een te jonge moeder, een vreemd mengsel, een dooreenhaspeling, meebrengende van de woeste begeerten zijns vaders en de weekelijke lijdzaamheid zijner moeder, was hij een gebrekkig product, waarin de gebreken der ouders elkander aanvulden en verergerden.

Dat geslacht leefde te snel; het stierf reeds uit in dat teere wezen, waarbij de sekse klaarblijkelijk in twijfel gestaan had, waarin niet meer een wilskracht stak, belust op rijkdom en genot, zooals Saccard, maar een laffe zucht om het bijeengegaarde fortuin te verteren; zonderling tweeslachtig wezen, te zijner tijd geboren in een rottende maatschappij.

Wanneer Maxime naar het Bosch ging, ingeregen als een vrouw, op en neer wippende in het zadel bij den zachten draf van zijn paard, was hij de god van de jongelieden van zijn leeftijd, met zijn ontwikkelde heupen, zijn lange smalle handen, zijn teer, guitig voorkomen, zijn onberispelijke elegantie en zijn tooneelspelers-taal.

Toen hij twintig jaar oud was, achtte hij zich verheven boven alle gevoel van verbazing en van walging. Hij had stellig van de minst gebruikelijke vuilheden gedroomd. De ondeugd was bij hem geen grondelooze diepte, zooals bij zekere grijsaards, maar een uitwendige, natuurlijke bloei. Zij krulde in zijn haren, lachte op zijn lippen, kleedde hem met zijn kleeren. Maar het eigenaardigst waren vooral de oogen, twee blauwe, heldere, lachende oogen, spiegels van koketterie, waarachter men de leegte van zijn hersenkas duidelijk bemerkte.

Die veile-deernenoogen sloeg hij nooit neer, zij zochten het vermaak, een vermaak zonder afmatting, dat men aanroept en ontvangt.

De windvlaag, die zonder ophouden de vertrekken van de rue de Rivoli binnendrong en er de deuren deed slaan, blies harder naarmate Maxime grooter werd, naarmate Saccard den kring zijner operaties uitbreidde en Renée met steeds toenemenden koortsachtigen ijver het onbekende genot zocht. Die drie wezens leidden daar een vreemdsoortig leven van vrijheid en dwaasheid. Dat was de rijpe vrucht van een tijdvak.

De straat was met haar geratel van rijtuigen, haar gedrang van wildvreemden, haar ruwe taal, in deze woning binnengedrongen. De vader, de stiefmoeder, de stiefzoon handelden, spraken of maakten het zich gemakkelijk alsof ieder van hen alleen op kamers woonde. Drie vrienden, drie studenten, die met elkander een zitkamer deelden, konden niet met meer ongegeneerdheid over die kamer beschikt hebben om er hun ondeugden, hun liefdesavonturen, hun luidruchtige vreugde van groote kwajongens in te bergen.

Zij aanvaardden elkanders gezelschap met een vriendschappelijken handdruk, schenen geen flauw vermoeden te hebben welke band hen onder hetzelfde dak bijeenbracht, gingen gulhartig en vroolijk met elkander om, en bleven zoodoende volkomen onafhankelijk van elkander.

Het begrip familie was in hun oog iets als een vennootschap, waar de winst gelijkelijk verdeeld wordt, elk nam zijn aandeel van het vermaak in bezit, en het was een stilzwijgende conditie dat ieder van hen dat aandeel kon opmaken zooals hij dit verkoos. Ten slotte smaakten zij hun genoegens voor elkanders oogen, weidden er breedvoerig over uit, zonder iets anders dan een beetje afgunst en nieuwsgierigheid op te weken.

Nu werd Renée door Maxime onderricht. Wanneer hij met haar naar het Bosch ging, vertelde hij haar allerlei dingen over lichte meisjes, die hen erg vroolijk stemden. Hij kon geen nieuwe verschijning aan den oever van het meer opmerken, of hij ging inlichtingen inwinnen omtrent den naam van haar minnaar, het jaargeld dat hij haar gaf, of de manier waarop zij leefde.

Hij was bekend met het huiselijk leven van die dames, wist intieme bijzonderheden, was een levende catalogus, waarin alle publieke meisjes van Parijs genummerd stonden, met een volledige beschrijving er bij.

In het hooren van die nieuwtjes schiep Renée het grootste vermaak. Te Longchamp bij de wedrennen, als zij in haar kales voorbij reed, luisterde zij gretig toe, ofschoon zij haar waardigheid als deftige dame niet aflegde, wanneer Maxime haar vertelde hoe Blanche Muller haar gezantschapsattaché bedroog met haar kapper; of hoe de kleine baron den graaf in zijn onderbroek gevonden had in de alkoof van een magere, roodharige beroemdheid, bijgenaamd de Kreeft.

Iederen dag had hij een ander nieuwtje. Als de zaak te onkiesch was, sprak Maxime wat zachter, maar hij vertelde ze voluit. Renée luisterde met wijdgeopende oogen, als een kind dat een grapje hoort, hield haar lachen in, en proestte het dan uit in haar geborduurden zakdoek, dien zij even tegen de lippen drukte.

Maxime bracht ook de portretten van die dames mee. Hij had portretten van actrices in al zijn zakken: tot zelfs in zijn sigarenkoker. Soms ledigde hij zijn zakken; en deed de dames in het album dat op de meubels van het salon lag te slingeren, bij de portretten van Renée's vriendinnen. Er waren ook portretten van heeren in, de Rozan, Simpson, de Chibray, de Mussy, alsook van acteurs, schrijvers, afgevaardigden, waarvan men niet eens meer wist hoe zij in het album gekomen waren. Vreemdsoortig mengelmoes, dat een denkbeeld gaf van den warboel van ideeën en personen, die het levenspad van Renée en Maxime kruisten.

Dat album gaf heel wat stof tot gesprekken, wanneer het regende of men zich verveelde. Het kwam op de een of andere manier altijd in hun handen. De jonge vrouw sloeg het geeuwend open, misschien wel voor den honderdsten keer. Dan werd haar nieuwsgierigheid opgewekt en de jonge man kwam achter haar leunen.

Dan werd er druk gepraat over het haar van de Kreeft, de dubbele kin van mevrouw de Meinhold, de oogen van mevrouw Lauwerens, den hals van Blanche Muller, den ietwat scheven neus van de markiezin, den mond van de kleine Sylvia, die bekend was om haar dikke lippen. Zij vergeleken de eene vrouw bij de andere.

--Als ik een man was, zei Renée, zou ik Adeline kiezen.

--Omdat je Sylvia niet kent, antwoordde Maxime. Die is toch zoo grappig!.... Ik mag Sylvia liever.

De bladen werden omgeslagen; soms verscheen de hertog de Rozan, of mijnheer Simpson, of de graaf de Chibray, en hij voegde er gekscherend bij:

--Trouwens, jouw smaak is bedorven, dat is bekend.... Heb je ooit dwazer gezichten gezien dan van die heeren! Rozan en Chibray lijken op Gustave, mijn kapper.

Renée haalde de schouders op, als wilde zij te kennen geven dat die spotternij haar niet deerde. Zij bleef zich verdiepen in de beschouwing van die bleeke, glimlachende of stuursche gezichten die het album bevatte; zij bleef wat langer stilstaan bij de meisjesportretten, bestudeerde nieuwsgierig de microscopisch kleine rimpeltjes of haartjes, die daarop zichtbaar waren.

Eens liet zij zich zelfs een sterk vergrootglas brengen, daar zij een haartje op den neus van de Kreeft meende te ontdekken. En inderdaad, de loep toonde een fijn, glinsterend blond haartje dat van de wenkbrauwen naar den top van den neus was verdwaald. Dat haartje vermaakte hen kostelijk. Een week lang, moesten de dames die bij haar kwamen zich met eigen oogen overtuigen van de aanwezigheid van het haartje.

De loep deed van toen af dienst om de gezichten der vrouwen uit te pluizen. Renée deed merkwaardige ontdekkingen; zij vond onbekende rimpels, ruw vel, gaatjes die niet genoeg door het poudre de riz bedekt waren. Eindelijk borg Maxime de loep weg, met de verklaring dat men op die manier een afkeer van het menschelijk gelaat zou krijgen. Maar de eigenlijke reden was, dat zij de dikke lippen van Sylvia, voor wie hij een bijzondere genegenheid koesterde, aan een te streng onderzoek onderwierp.

Zij vonden weer een ander spelletje uit. Zij stelden deze vraag: "Met wien zou ik graag een nacht doorbrengen?" en het album moest die vraag beantwoorden. Dat gaf aanleiding tot vermakelijke paringen. De vriendinnen speelden het verscheidene avonden. Renée werd achtereenvolgens uitgehuwelijkt aan den aartsbisschop van Parijs, aan baron Gouraud, aan mijnheer de Chibray, wat veel stof tot lachen gaf, en aan haar man zelf, wat ze niet aardig vond. Wat Maxime aangaat, hetzij bij toeval, of uit moedwil van Renée die het album opensloeg, hij kreeg steeds de markiezin. Maar nooit werd er meer gelachen dan wanneer het lot twee mannen of twee vrouwen samen paarde.

De vriendschappelijke verhouding tusschen Maxime en Renée werd zoo innig, dat zij hem haar hartsgeheimen toevertrouwde. Hij troostte haar en gaf haar raad. Zijn vader scheen niet te bestaan.

Daarop kwamen de vertrouwelijke mededeelingen uit hun jeugd aan de beurt. Vooral op hun rijtoertjes in het Bosch voelden zij een aandrang, een behoefte om elkander dingen te vertellen, die niet oorbaar zijn. Hetzelfde genot dat kinderen er in vinden zachtjes over verboden dingen te spreken, dezelfde aantrekkelijkheid die er voor een jongen man en een jonge vrouw in gelegen is om samen te zondigen, al is het maar in woorden, bracht hen telkens op onvoegzame onderwerpen.

Zonder eenig zelfverwijt gaven zij zich over aan het wellustig gevoel dat zij smaakten, ieder in hun hoekje op de zachte kussens van het rijtuig uitgestrekt, als makkers die elkander hun eerste kwajongensstreken in herinnering brengen. Zij begonnen ten slotte op de onzedelijkheid te pochen. Renée kwam er voor uit dat de meisjes op de kostschool heel gemeen waren. Maxime wou niet voor haar onder doen en durfde een paar staaltjes vertellen van de schandelijkheden die op het gymnasium te Plassans gebeurden.

--O, ik durf het haast niet zeggen.... fluisterde Renée.

En zij boog zich naar zijn oor, alsof zij zich schaamde over het geluid van haar stem, en zij vertelde hem een van die kloosterhistories, die soms in gemeene liedjes bezongen werden.

En hij had een te grooten voorraad van dergelijke anecdotes, om met den mond vol tanden te blijven zitten. Hij neuriede allerlei gemeene liedjes.

En zoo geraakten zij langzamerhand in een eigenaardigen toestand van welbehagen, gewiegd door al die zinnelijke ideeën die zij oprakelden, geprikkeld door begeerten die niet onder woorden te brengen waren.

Het rijtuig reed zachtjes voort, zij keerden naar huis met een heerlijk gevoel van moeheid, meer afgemat dan na een aan de liefde gewijden nacht. Zij hadden de zonde gepleegd, evenals twee jongens die het pad opgaan zonder liefje, en zich tevreden stellen met hun wederzijdsche herinneringen.

Een nog grooter vertrouwelijkheid bestond er tusschen vader en zoon. Saccard had begrepen dat een groot geldman het niet buiten de vrouwen kan stellen, en dat hij van tijd tot tijd een dwaasheid voor ze moet doen. Hij was lomp in de liefde, hij hield meer van geld; maar zijn programma eischte nu eenmaal, dat hij verschillende slaapkamers bezocht, bankbiljetten op sommige schoorsteenen met kwistige hand neerlei, nu en dan de een of andere beroemdheid onder de lichte meisjes als een verguld uithangbord voor zijn speculaties gebruikte.

Toen Maxime zijn leertijd volbracht had, ontmoetten zij elkander bij dezelfde dames, en dat vonden zij grappig. Zij waren soms wel elkanders medeminnaars.

Het gebeurde wel, dat Maxime, als hij met een luidruchtig troepje in Maison-d'Or dineerde, de stem van Saccard in de naaste kamer hoorde.

--Kijk, pa is hiernaast! riep hij met een grimas, die hij van de toenmaals gevierde tooneelspelers had afgekeken.

Hij klopte aan de deur van het kabinet, nieuwsgierig om te zien welke verovering zijn vader nu weer gemaakt had.

--Zoo, ben jij het, zei deze aangenaam verrast. Kom binnen. Jelui maakt een lawaai dat men zijn eigen woorden niet verstaan kan. Wie zijn daar toch allemaal?

--Wel, Laure d'Aurigny, Sylvia, de Kreeft, en nog twee anderen, geloof ik. 't Is om te proesten van 't lachen: ze steken haar vingers in de schotels en gooien ons handenvol sla naar het hoofd. Mijn jas zit vol olie.

De vader lachte, vond dat heel komiek.

--Die jeugd, die jeugd, mompelde hij. Dan doen wij anders, niet, poesje? Wij hebben heel kalmpjes gegeten en we gaan een dutje doen.

En hij streek de vrouw die naast hem zat onder de kin, hij kirde met zijn zuidelijk neusgeluid, wat een zonderlinge liefdemuziek te weeg bracht.

--Die oude sijs!.... riep de vrouw uit. Bonjour, Maxime. Of ik van je houd hè, om met zoo'n ouden schelm als je vader is, te gaan soupeeren.... Ik zie je niet meer. Kom overmorgen ochtend vroeg.... Neen, heusch, ik heb je iets te zeggen.

Saccard verorberde intusschen met smaak een portie ijs of een paar vruchten. Hij drukte een kus op den schouder der vrouw en zei op zijn innemendsten toon:

--Zeg, kinderen, als ik jelui hinder, ga ik zoolang weg.... Je moet maar schellen als ik terug kan komen.

Dan nam hij de dame mee, of nam soms met haar deel aan het rumoer van de aangrenzende kamer. Maxime en hij deelden dezelfde schouders; hun handen ontmoetten elkander om dezelfde tailles. Zij riepen elkander op de sofa's, vertelden elkaar hardop wat de vrouwen hun in vertrouwen in het oor gefluisterd hadden. En zij dreven de vertrouwelijkheid zoover, dat zij samenspanden om de blondine of brunette, die een van hen had uitverkoren, uit het gezelschap te ontvoeren.

Zij waren goede bekenden op Mabille. Zij kwamen daar na een fijn dineetje gearmd binnen, drentelden den tuin rond, groetten de vrouwen en voegden ze in het voorbijgaan een woordje toe. Zij lachten luidkeels, steeds gearmd, en kwamen elkaar desnoods te hulp bij al te heftige woordenwisselingen. De vader, die heel sterk op dat punt was, bepleitte met succès de liefdesbetrekkingen van zijn zoon. Soms gingen zij zitten en dronken met een troepje van die meisjes. Dan namen zij weer plaats aan een ander tafeltje, of hervatten hun wandeling. En tot middernacht zag men ze, altijd kameraadschappelijk gearmd, de vrouwen achterna loopen, langs de gele lanen, onder het helle schijnsel van de gasvlammen.

Als zij thuiskwamen, brachten zij van buiten, in hun kleeren, iets van de lichte meisjes mee, die zij zoo pas verlaten hadden. Hun slappe houding, enkele gewaagde uitdrukkingen, of gemeene gebaren, brachten een verdachte slaapkamerlucht in de vertrekken van de rue de Rivoli. De weeke, slappe handdruk dien de vader met den zoon wisselde, zei reeds genoeg waar zij vandaan kwamen. In die lucht ademde Renée haar grillen, haar zinnelijk verlangen in. Zij schertste zenuwachtig met hen.

--Waar komen jelui toch vandaan? zei zij. Je ruikt naar tabak en naar muskus.... Daar krijg ik bepaald weer hoofdpijn van.

En de vreemde geur maakte haar werkelijk van streek. Van dien geur was deze zonderlinge huiselijke haard aanhoudend doortrokken.

Intusschen vatte Maxime een werkelijken hartstocht voor de kleine Sylvia op. Hij verveelde zijn stiefmoeder maanden lang met dat meisje. Renée kende haar weldra op een prikje, van haar voetzolen tot haar kruin. Zij had een blauwachtig vlekje op haar heup; er was niets bekoorlijkers dan haar knieën; haar schouders hadden de eigenaardigheid dat er alleen op den linker een kuiltje zat.

Maxime vond er een boosaardig genoegen in zijn stiefmoeder op hun rijtoertjes te vergasten op de beschrijving van de volmaaktheden zijner maîtresse.

Op zekeren avond moesten de rijtuigen van Renée en Sylvia, bij den terugrit uit het Bosch, door een opstopping naast elkander stilhouden in de Champs-Elyséés.

De beide vrouwen keken elkander nieuwsgierig aan, terwijl Maxime, zich verkneukelende over deze kritieke ontmoeting, in zijn vuistje lachte.

Toen de kales weer doorreed, en zijn stiefmoeder een somber stilzwijgen bewaarde, dacht hij dat zij ontstemd was, hij hield zich al voorbereid op een van die moederlijke terechtwijzingen, een van die vreemde sermoenen, waarmee zij soms nog haar verveling verdreef.

--Ken je soms den juwelier van die dame? vroeg zij hem eensklaps, juist toen zij op de place de la Concorde kwamen.

--Helaas ja, antwoordde hij glimlachend; ik moet hem nog tienduizend francs betalen.... waarom vroeg je me dat?

--Zoo maar.

Toen, na een nieuwe stilte:

--Ze had een mooien armband om, ik bedoel dien aan haar linkerhand.... Ik had hem wel eens van nabij willen zien.

Zij kwamen thuis. Zij sprak er niet meer over. Maar den volgenden morgen, toen Maxime en zijn vader samen uit zouden gaan, nam zij den jongen man ter zijde en ietwat verlegen, met een lief lachje, dat vergeving scheen te vragen, fluisterde zij hem iets toe.

Hij scheen verrast en ging met een ondeugend lachje de deur uit. 's Avonds bracht hij Sylvia's armband mee, waarom zijn stiefmoeder hem dringend verzocht had.

--Daar is het ding, zei hij. Voor u zou men uit stelen gaan, mamaatje.

--Ze heeft toch niet gezien dat je het wegnam? vroeg Renée, die het kleinnood met begeerigheid bekeek.

--Ik geloof het niet.... Zij heeft hem gisteren aangehad, dus vandaag zal ze hem zeker niet dragen.

De jonge vrouw was intusschen voor het raam gaan staan. Zij had den armband omgedaan. Zij hield haar pols een beetje omhoog, draaide hem langzaam om, en herhaalde vol verrukking:

--Beeldig, beeldig mooi.... Alleen de smaragden bevallen me niet erg.

Op dit oogenblik trad Saccard binnen, en terwijl zij daar nog stond, met opgeheven arm, in het volle licht van het venster:

--Wat is dat, riep hij verwonderd uit, de armband van Sylvia?

--Ken je hem? zei zij, meer verlegen dan hij, niet meer wetende wat ze met haar arm moest doen.

Hij was al van zijn verbazing bekomen; hij dreigde zijn zoon met den vinger, en zei:

--Die snaak heeft altijd verboden vruchten in zijn zak!.... Op een goeien dag brengt hij ons nog den arm van de dame met den armband mee.

--'t Is mijn schuld niet, antwoordde Maxime met de lafhartigheid van een gluiper. Renée wou hem eens zien.

--Zoo! was alles wat de man zei.

En hij bekeek het kleinood ook eens, en maakte dezelfde opmerking als zijn vrouw:

--Hij is beeldig mooi.

Toen ging hij kalmpjes heen, en Renée beknorde Maxime dat hij haar verraden had. Maar hij verzekerde dat zijn vader daar niets om gaf. Toen gaf zij hem den armband terug en zei:

--Je moet bij den juwelier aangaan en er net zoo een voor me bestellen, maar je moet er saffieren in plaats van smaragden in laten zetten.

Het was Saccard onmogelijk iemand of iets lang om zich heen te hebben, zonder dat de wensch bij hem opkwam dien persoon of dat voorwerp te verkoopen, of tenminste tot zijn voordeel aan te wenden. Zijn zoon was nog geen twintig jaar of hij dacht er al over om partij van hem te trekken. Het kon niet missen of een knappe jongen, neef van een minister en zoon van een grooten financier, zou gemakkelijk een positie krijgen. Hij was wel wat jong, maar men kon al vast een vrouw en een huwelijksgift voor hem zoeken, om dan het huwelijk op de lange baan te schuiven, of te bespoedigen, al naar den toestand zijner financiën.

Hij was erg fortuinlijk. In een raad van toezicht waarvan hij ook deel uitmaakte, vond hij een grooten knappen man, mijnheer de Mareuil, dien hij binnen twee dagen in zijn macht had.

Mijnheer de Mareuil was een gewezen raffinadeur uit Havre; hij heette eigenlijk Bonnet. Nadat hij een groot fortuin bijeengegaard had, huwde hij een adellijk meisje, ook schatrijk, dat een domoor met een knap uiterlijk zocht. Bonnet kreeg vergunning den naam zijner vrouw te voeren, wat voor hem een eerste voldoening van zijn hoogmoed was; maar zijn huwelijk had een dwazen eerzucht in hem opgewekt, hij streefde er naar Hélène's adellijke afkomst te betalen, door het innemen van een hooge politieke positie.

Hij stak geld in de nieuwe dagbladen, hij kocht groote landgoederen in Nièvre, hij wendde alle bekende middelen aan om zich voor het Wetgevend lichaam candidaat te laten stellen. Tot dusver hadden zijn pogingen schipbreuk geleden, zonder dat hij iets van zijn deftigheid verloor. Hij was het ongeloofelijkste leeghoofd, dat men ooit kon aantreffen. Hij had een statig voorkomen, het bleeke, peinzende gelaat van een groot staatsman, en daar hij op een verwonderlijke manier kon toeluisteren, met nadenkende blikken en een plechtige kalmte op het gelaat, zou men kunnen meenen, dat zijn geest zich diep inspande om het gesprokene op te nemen en te verwerken. Het leed echter geen twijfel of hij dacht nergens aan. Maar hij slaagde er in de menschen in de onzekerheid te brengen of zij met een groot man of met een domoor te doen hadden.

Mijnheer de Mareuil klampte zich aan Saccard vast, als een drenkeling aan een toegestoken plank. Hij wist dat een officiëele candidatuur in Nièvre vrij zon komen en hij hoopte vurig dat de minister hem als candidaat zou aanwijzen; het was zijn laatste troef. Hij gaf zich dan ook blindelings aan den broer van den minister over.

Saccard, die de lucht kreeg van een voordeelig zaakje, bracht hem op het idee van een huwelijk tusschen Maxime en zijn dochter Louise. De ander weidde dadelijk uit over zijn ingenomenheid met dit voorstel, hij meende dat hij het eerst aan dat huwelijk gedacht had, en achtte zich zeer gelukkig in de familie van een minister te komen en Louise aan een jongmensch te geven, die de schitterendste vooruitzichten scheen te hebben.

Louise zou, zei haar vader, een millioen mee ten huwelijk krijgen. Mismaakt, leelijk en alleraardigst, was zij veroordeeld om jong te sterven; een borstkwaal ondermijnde haar, maakte haar opgewonden vroolijk, en gaf haar iets innemends. Ziekelijke meisjes verouderen snel, worden vóór den tijd vrouw. Zij had iets zinnelijk naïefs, zij scheen op elfjarigen leeftijd, in volle puberteit, geboren te zijn.

Als haar vader, die gezonde, domme kolossus, haar aankeek, kon hij niet gelooven dat het zijn dochter was. Haar moeder was bij haar leven ook een groote, sterke vrouw, maar haar nagedachtenis wekte de herinnering aan geruchten op, die een verklaring gaven van de wanstaltigheid van dit kind, van haar gedragingen als een schatrijk zigeunermeisje, haar ondeugende, bekoorlijke leelijkheid.

Men zei dat Hélène de Mareuil in de schandelijkste uitspattingen gestorven was. De zinnelijke lusten hadden aan haar geknaagd als een zweer, zonder dat haar man de vlagen van krankzinnigheid opmerkte van zijn vrouw, die hij in een gesticht had moeten opsluiten.

Uit dien zieken schoot geboren, had Louise dun bloed en mismaakte leden, waren haar hersenen aangedaan en was haar geheugen reeds vol van een bezoedeld leven. Soms kwam er een vage herinnering aan een vroeger bestaan in haar op, door een nevel zag zij zonderlinge tooneelen schemeren, mannen en vrouwen die elkander omhelsden, een geheel drama van vleeschelijke lusten waarin haar kinderlijke nieuwsgierigheid zich vermeide. Het was haar moeder, die in haar sprak. In haar kinderjaren bleef haar die ondeugd bij.