Jacht naar Fortuin

Part 11

Chapter 113,833 wordsPublic domain

Hij begon zelfs het mes van twee kanten te laten snijden; hij kocht voor de stad en voor den prefect. Als de zaak al te verleidelijk was, hield hij het huis voor zichzelf. De staat betaalde. Men beloonde zijn gedienstigheid door hem eindjes straat of ontworpen kruispunten toe te staan, die hij alweer verkocht voor dat de nieuwe weg begonnen was. Het was een woest spel; men speelde met wijken die nog gebouwd moesten worden, zooals men met effecten speculeert.

Zekere dames, mooie meisjes, intieme vriendinnen van hooge ambtenaren, deden er ook aan mee; een harer, die beroemd was om haar fraaie tanden, heeft meer dan eens heele straten opgeknabbeld. Saccard werd hongerig, hij voelde zijn begeerten grooter worden, als hij dat ruischende goud tusschen zijn vingers voelde glijden.

Het scheen hem toe dat een zee van goudstukken zich rondom hem uitstrekte, zich tot een oceaan uitbreidde, den onmetelijken horizon vervulde met een gedruis van vreemdsoortige golven, een metaalklank die zijn hart aangenaam aandeed; en hij waagde zich er in, zwom dagelijks met meer stoutmoedigheid, dook, verscheen weer aan de oppervlakte, zwom nu eens op den rug, dan weer op den buik, doorkliefde die onmetelijke vlakte op kalme en op stormachtige dagen, rekende op zijn krachten en zijn behendigheid, dat hij nooit zou verdrinken.

Parijs was toen in een wolk van kalk gehuld. De tijden, die Saccard op de hoogte van Montmartre voorspeld had, waren gekomen. De stad werd met sabelhouwen gekliefd, en hij had een werkzaam aandeel bij al die insnijdingen, al die kwetsuren, hij had puin liggen in de vier hoeken der stad. In de rue de Rome, was hij betrokken bij die zonderlinge geschiedenis van een grooten kuil dien een maatschappij groef, om vijf- of zesduizend kubieke meters aarde te vervoeren, teneinde aan reusachtige werken te doen gelooven, maar die weer volgeworpen moest worden met aarde uit Saint-Ouen, toen de maatschappij failliet was gegaan.

Hij kwam er met een zuiver geweten en volle zakken uit, dank zij zijn broer Eugène, die zoo goed was tusschenbeide te komen.

Te Chaillot hielp hij de hoogte uitgraven en de weggegraven aarde op een laag terrein brengen, om den boulevard, die van den Arc-de-Triomphe naar de pont de l'Alma gaat, door te trekken.

Van hem ging ook het denkbeeld uit om de weggegraven aarde van het Trocadéro op het plateau in den omtrek van Passy te strooien, zoodat men tegenwoordig op twee meters diepte goede aarde aantreft, terwijl in dat puin zelfs geen gras wil groeien.

Hij was op twintig plaatsen tegelijk te vinden, overal waar onoverkomelijke hindernissen waren, uitgegraven aarde waarmee men niets wist aan te vangen, ophoogingen die men niet kon uitvoeren, een groote voorraad aarde en kalkpuin, die den ingenieurs met hun koortsachtige gejaagdheid in den weg lag, en dien hij met zijn nagels doorwroette, om er ten slotte altijd een voordeeltje uit te halen.

Op een en denzelfden dag liep hij van de werken van den Arc-de-Triomphe naar die van den boulevard Saint-Michel, van het uitgegraven gedeelte van den boulevard Malesherbes naar de ophoogingen van Chaillot, en achter zich een leger van werklieden, deurwaarders, aandeelhouders, bedriegers en bedrogenen mee voerende.

Maar zijn grootste roem was het Wijnbouwcrediet, dat hij met Toutin-Laroche opgericht had. Deze was de officiëele directeur; hij verscheen slechts als lid van den raad van toezicht. Eugène had bij deze gelegenheid zijn broer nog eens de behulpzame hand geboden. Door zijn toedoen gaf de regeering toestemming tot de oprichting, en oefende er met een groote goedwilligheid toezicht op uit.

Toen een kwaaddenkend blad de vrijheid nam een operatie van deze maatschappij te critiseeren, ging de Moniteur zelfs zoover, dat zij een nota opnam, waarbij alle discussie over een zoo respectable onderneming, die zelfs onder de bijzondere bescherming van den Staat stond, verboden werd.

Het Wijnbouwcrediet was gebaseerd op een uitstekend finantieel systeem; het leende aan de verbouwers de helft van de geschatte waarde van hun goederen, waarborgde het geleende door een hypotheek, en inde van de leeners de intrest, vermeerderd met een termijn van de aflossing. Er kon niets waardiger ingericht worden dan zoo iets.

Eugène had met een fijn lachje de opmerking gemaakt, dat men aan het hof eerlijkheid verlangde. Mijnheer Toutin-Laroche gaf in zooverre gehoor aan dien wensch, dat hij de leenbank voor de wijnbouwers stilletjes haar gang liet gaan, maar daarnaast richtte hij een bank op, die alle kapitalen tot zich trok en met koortsachtigen ijver speculeerde, allerlei ondernemingen wagende.

Door den krachtigen impuls van den directeur, kreeg het Wijnbouwcrediet weldra den naam van uiterst solide en voorspoedig te zijn.

Om aan de Beurs een menigte nieuwe aandeelen te plaatsen, kwam Saccard op het vernuftige denkbeeld ze het voorkomen van oude te geven, die al lang in omloop geweest waren; hij liet ze daartoe door de loopknechts, met bezems gewapend, een heelen nacht trappen en slaan.

Het leek wel een filiaal van de Bank. Het hôtel, waarin de bureaux gehuisvest waren, met zijn voorplein vol équipages, zijn stemmig hekwerk, zijn breed bordes en monumentale trap, zijn lange reeksen weelderig ingerichte vertrekken, zijn ontelbaar aantal kantoorbedienden en lakeien, scheen een waardige tempel van het geld; niets stemde het publiek eerbiediger dan het heiligdom, de kas, waarheen een gang van heiligen eenvoud leidde, waar men de brandkast bespeurde, den god, neergehurkt, aan den muur geklonken, ineengedoken sluimerend, met zijn drie sloten, zijn dikke zijden, zijn uiterlijk van goddelijke redeloosheid.

Saccard bedisselde een groote zaak met de stad. Gebukt onder haar schuldenlast, meegesleept in dien millioenendans dien zij zelf begonnen was, om den keizer te behagen en zekere zakken te vullen, zag zij zich genoodzaakt haar toevlucht te nemen tot vermomde leeningen, daar zij haar dwaze opwinding, haar houweelenwoede niet wilde bekennen. Zij gaf toen zoogenaamde delegatie-bons uit, echte wissels op langen termijn, teneinde de aannemers te kunnen betalen op den dag waarop de overeenkomsten gesloten werden, en hen aldus aan geld te helpen door dat zij de bons konden verhandelen.

Het Wijnbouwcrediet had dit papier heuschelijk van de aannemers overgenomen. Zoodra de stad geldgebrek had, ging Saccard haar op de proef stellen. Er werd hem een aanzienlijke som gelds voorgeschoten, op een uitgifte van delegatie-bons, die mijnheer Toutin-Laroche verzekerde van concessionnarissen in handen te hebben, en waarmee hij op allerlei wijzen speculeerde. Van dien tijd af was het Wijnbouwcrediet onaantastbaar; het had Parijs onder den duim.

De directeur sprak nog slechts met een glimlach over de vermaarde Société Générale des Ports du Maroc; zij was toch altijd nog in leven, en de bladen gingen geregeld voort ophef te maken over de groote handelsstations. Eens toen mijnheer Toutin-Laroche Saccard wilde overhalen aandeelen in die maatschappij te nemen, lachte deze hem in het gezicht uit en vroeg hem of hij dacht, dat hij dom genoeg zou zijn om zijn geld in de "Algemeene Maatschappij van de Duizend en een Nacht" te steken.

Tot dusver had Saccard gelukkig gespeeld, zonder kans op verlies, valsch spelende, zich verkoopende, voordeel trekkende uit de koopen die hij sloot, kortom uit iedere onderneming die hij op touw zette, geld slaande. Weldra was hem dat opgeld niet meer voldoende; hij achtte het beneden zich het goud, dat een Toutin-Laroche en een baron Gouraud achter zich lieten vallen, saam te lezen en op te rapen.

Hij stak zijn arm tot aan den schouder in den geldzak. Hij werd compagnon van Mignon, Charrier en Cie, die vermaarde aannemers, die toen nog pas in hun opkomst waren, en die later kolossale vermogens verwierven.

De stad had reeds besloten de werken zelf niet meer uit te voeren, maar het aanleggen der boulevards bij aanbesteding te gunnen. De maatschappijen, aan wie de concessie verleend werd, verbonden zich den verkeersweg kant en klaar op te leveren, met boomen, banken en gaslantarens, tegen een vooraf bepaalde vergoeding; soms gaven zij zelfs den weg voor niets: zij werden ruimschoots schadeloos gesteld door de opbrengst der aanliggende terreinen, die zij hielden en waarvan zij de prijzen buitensporig hoog stelden.

Uit dezen tijd dagteekenen de speculatiekoorts met de terreinen en de vreeselijke rijzing in waarde der huizen.

Saccard kreeg door zijn invloedrijke vrienden de concessie van drie stukken boulevard. Hij was de ziel, maar tevens de onruststoker van het deelgenootschap. De heeren Mignon en Charrier, zijn ledepoppen in het begin, waren een paar flinke, slimme snaken, metselaarsbazen die de waarde van het geld kenden. Zij lachten heimelijk om Saccard's equipages, meestal liepen zij in een kiel, ontzagen zich niet een werkman een handje te helpen en kwamen met kalk en stof bedekt thuis. Zij waren allebei uit Langres.

In dat koortsachtige, onverzadigde Parijs brachten zij hun boersche voorzichtigheid mee, hun kalm verstand, dat niet zoo schrander was, maar toch wakker genoeg om van de gelegenheid gebruik te maken om zich de zakken te vullen, al zou het genot later pas volgen.

Wanneer Saccard een zaak op touw zette, er bezieling aan gaf door zijn vuur, zijn woeste begeerten, beletten de heeren Mignon en Charrier, door hun prozaïsche denkwijze, hun gehechtheid aan den ouden, bekrompen sleur van hun beheer, hem wel twintig maal ten onder te gaan in zijn verwonderlijke plannen. Zij gaven nimmer hun toestemming tot de prachtige kantoren, het hôtel dat hij wilde bouwen om Parijs in verbazing te brengen. Zij stemden evenmin toe in de speculaties, die iederen morgen in zijn hoofd opkwamen: het bouwen van concertzalen, groote badinrichtingen op de terreinen langs de boulevards, spoorwegen, die de lijn van de nieuwe boulevards volgden, met glas overdekte galerijen, die het tiendubbele van de gewone winkelhuur zouden opbrengen, waardoor men in Parijs kon rondwandelen zonder nat te worden.

Om een einde te maken aan al die schrikaanjagende plannen, besloten de aannemers dat de terreinen langs de boulevards onder de drie compagnons verdeeld zouden worden, en dat ieder met zijn deel kon doen wat hij verkoos.

Zij gingen wijselijk voort hun aandeel te verkoopen. Hij liet bouwen. Zijn hoofd kookte. Hij zou in staat geweest zijn in allen ernst voor te stellen Parijs onder een kolossale stolp te zetten, om het in een broeikas te veranderen en er ananas en suikerriet in te kweeken.

Weldra bezat Saccard acht huizen op de nieuwe boulevards. Vele waren geheel af, waarvan twee in de rue de Marignan en twee op den boulevard Haussman; de vier andere, op den boulevard Malesherbes, waren nog in aanbouw; een daarvan, een groote afgeschutte ruimte waarop een prachtig hôtel zou verrijzen, vertoonde nog slechts den planken vloer van de eerste verdieping.

In dien tijd kregen zijn zaken zoo'n ingewikkeld karakter, had hij zooveel draden aan iederen vinger bevestigd, zooveel belangen te behartigen, zooveel poppen te doen dansen, dat hij soms maar drie uren op een nacht sliep, en de ingekomen brieven in zijn rijtuig moest lezen.

Het verwonderlijkste daarbij was dat zijn kas onuitputtelijk scheen. Hij was aandeelhouder van alle maatschappijen, bouwde met een grooten hartstocht, nam deel in allerlei handel, dreigde Parijs te overstroomen als een springvloed, zonder dat men hem ooit een duidelijk voordeel zag behalen, een groote som gelds in den zak zag steken.

Die stroom van goud, waarvan men de bronnen niet kende en die in dicht opeengedrongen golven uit zijn kantoor scheen te komen, bracht de lummels in verbazing en maakte hem tot een gezien man, aan wien de dagbladen al de kwinkslagen van de Beurs toeschreven.

Met zoo'n echtgenoot was Renée zoo goed als ongehuwd. Er gingen weken voorbij zonder dat zij hem zag. Overigens viel er niets op hem te zeggen: hij deed voor haar zijn brandkast wijd open. Zij mocht hem dan ook wel, als een toeschietelijk bankier. Wanneer zij naar het hôtel Béraud ging, prees zij hem erg tegenover haar vader, dien het fortuin van zijn schoonzoon streng en koel liet.

Haar minachting was verdwenen; die man scheen zoo overtuigd dat het leven niets anders beteekende dan zaken doen, hij was zoo klaarblijkelijk geboren om geld te slaan uit alles wat hem onder de handen kwam, vrouwen, kinderen, keisteenen, zakken kalk, gewetens, dat zij hem niet verwijten kon met hun huwelijk een koop te hebben gesloten.

Sedert dien koop beschouwde hij haar eenigszins als een van die mooie huizen, die zijn aanzien verhoogden en waaruit hij groote voordeelen hoopte te trekken. Hij had graag dat zij goed gekleed ging, een druk leven leidde, geheel Parijs het hoofd op hol bracht. Dat verschafte hem aanzien, verdubbelde het waarschijnlijke bedrag van zijn fortuin. Hij was jong, mooi, verliefd, dwaas, door zijn vrouw. Zij was een compagnon, een medeplichtige zonder het te weten. Een nieuw span paarden, een toilet van twee duizend daalders, een toeschietelijkheid voor den een of anderen minnaar, vergemakkelijkten, beslisten dikwijls zijn voordeeligste zaakjes.

Dikwijls wendde hij overstelpend drukke bezigheden voor, hij zond haar naar een minister, naar een hooggeplaatst ambtenaar, om een machtiging te verzoeken of een antwoord te halen. Hij zei haar: "En wees verstandig!" op een toon zooals hij alleen kon aanslaan, tegelijk spottend en vleiend. En als zij terugkwam, en geslaagd was, wreef hij zich in de handen, terwijl hij herhaaldelijk zei: "En je bent verstandig geweest!" Renée lachte. Hij was te werkzaam om naar een mevrouw Michelin te verlangen. Hij hield doodeenvoudig van ruwe aardigheden, van onbetamelijke veronderstellingen.

Trouwens, ingeval Renée niet "verstandig" was geweest, zou het hem alleen gespeten hebben, omdat hij dan de vriendelijke hulp van den minister of den ambtenaar werkelijk betaald zou hebben. De luidjes bedriegen, hun minder waar te geven dan hun voor hun geld toekwam, dat was voor hem een genot. Hij zei dikwijls bij zichzelf: "Als ik een vrouw was, zou ik me misschien verkoopen, maar ik zou de koopwaar nooit afleveren; dat zou al te dom zijn."

Die dartele Renée, die op een nacht aan den Parijschen hemel verschenen was als de excentrieke toovergodin der wereldsche genietingen, was de ondoorgrondelijkste van alle vrouwen. Als zij thuis was opgevoed, dan had zij ongetwijfeld de prikkels der begeerten, die haar soms het hoofd op hol brachten, door den godsdienst of eenige andere voldoening der zenuwen afgestompt.

Wat haar hoofd aangaat, was zij echt burgerlijk; zij was hoogst fatsoenlijk, had een voorkeur voor logische zaken, vrees voor den hemel en de hel, een groote dosis vooroordeelen; zij aardde naar haar vader, naar dat bedaarde, voorzichtige geslacht dat de huiselijke deugden eerde. In die natuur ontkiemden en ontloken de verwonderlijkste droombeelden, die telkens weerkeerende nieuwsgierigheid, de onuitbare begeerten.

Bij de dames van de Visitatie in vrijheid opgegroeid, de geest naar willekeur ronddolend in de mystieke genietingen van de kapel en de zinnelijke vriendschap voor haar vriendinnetjes, had zij zich een zonderlinge opvoeding eigen gemaakt; zij leerde de ondeugd kennen, en pleegde die met al de openhartigheid van haar aard; zij bracht haar jong hoofdje zoo van streek, dat zij haar biechtvader eens in niet geringe verlegenheid bracht door de bekentenis, dat zij op zekeren dag, gedurende de mis, een onweerstaanbaren lust gevoeld had om op te staan en hem te kussen.

Dan weer kastijdde zij zich, en verbleekte zij bij de gedachte aan den duivel en zijn hel.

De misslag, die later haar huwelijk met Saccard ten gevolge had, die gewelddadige verkrachting, die zij met een soort van angstige verwachting onderging, maakte dat zij zichzelf ging verachten, en was een der voornaamste oorzaken dat zij zich willoos aan haar kwade neigingen over gaf. Zij dacht dat het tot niets diende tegen het kwaad te strijden, dat het al in haar was, dat de logica haar machtigde tot het einde toe in de kennis van het kwaad door te dringen. Zij was meer nieuwsgierig dan begeerig.

In den maalstroom van het tweede keizerrijk geworpen, overgelaten aan haar verbeelding, steeds van geld voorzien, in haar luidruchtigste buitensporigheden aangemoedigd, gaf zij zich over, had er spijt van en slaagde er eindelijk in het reeds wegstervende gevoel van haar fatsoenlijkheid geheel te dooden, altijd aangedreven en voortgezweept door haar onverzadelijke begeerte om te weten en te gevoelen.

Tot dusver deed zij overigens nog slechts wat alle anderen deden. Zij sprak graag, fluisterend en lachend, over buitengewone gevallen als de teedere vriendschap van Suzanne Haffner en Adeline d'Espanet, over het kiesche beroep van mevrouw de Lauwerens, over de kussen tegen vaste prijzen van gravin Vanska; maar zij beschouwde die dingen nog maar van verre, met de onbestemde gedachte dat zij er misschien ook aan mee zou doen, en die onbepaalde begeerte die te kwader ure bij haar opkwam, verhoogde nog die bedrijvige onrust, dat gejaagde zoeken naar een heerlijk, eenig genot, dat zij enkel smaken zou.

Haar eerste minnaars hadden haar niet verwend; driemaal had zij gemeend hartstochtelijk verliefd te zijn; de liefde ontbrandde in haar hoofd als een vuurpijl, welks vonken haar hart niet raakten. Een maand lang was zij als gek, vertoonde zij zich door heel Parijs met haar minnaar; maar op een morgen, midden in de drukste betuigingen zijner liefde, voelde zij een ontzettende leegte, een verpletterende stilte.

De eerste, de jonge hertog de Rozan, had al spoedig bij haar afgedaan; Renée, die hem om zijn zachtheid en zijn onberispelijke manieren had uitverkoren, vond hem, als zij met hem alleen was, onbeduidend, saai, vervelend.

Mijnheer Simpson, attaché aan het amerikaansch gezantschap, was zijn opvolger; hij had haar bijna geslagen, en daaraan had hij het te danken dat hij meer dan een jaar bij haar bleef.

Toen nam zij graaf de Chibray, adjudant des keizers, een knappen, verwaanden man, die haar erg begon te vervelen, toen hertogin de Sternich op het idee kwam op hem te verlieven en hem van haar af te nemen. Toen treurde zij om hem, en gaf zij haar vriendinnen te kennen, dat haar hart verbrijzeld was, dat zij nooit meer zou beminnen.

Zoo kwam zij aan mijnheer de Mussy, het onbeduidendste wezen ter wereld, een jongmensch dat carrière maakte in de diplomatie, doordat hij met zooveel smaak een cotillon wist te leiden; zij begreep eigenlijk zelf niet hoe zij zich aan hem had kunnen overgeven: toch hield zij hem geruimen tijd, uit gemakzucht; zij vond niets aardigs meer in iets onbekends, dat men in een uur ontdekt, en als zij zich dan toch de moeite van een verandering moest getroosten, wilde zij liever wachten totdat zij iets buitengewoons ontmoette.

Op haar acht en twintigste jaar was zij alles moe. De verveling scheen haar te onverdragelijker, omdat haar burgerlijke deugden gebruik maakten van die uren van verveling, om zich te beklagen en haar te verontrusten. Dan sloot zij haar deur, had hevige hoofdpijnen. En als de deur weer openging, kwam met groote drukte een stroom van zijde en kant te voorschijn, een schepseltje van weelde en vreugd, zonder een rimpel van zorg of een blos van schaamte.

In haar alledaagsch, wereldsch leven had zij toch een roman gehad. Eens, toen zij tusschen licht en donker te voet een bezoek had afgelegd bij haar vader, die niet gesteld was op het geratel van rijtuigen voor zijn deur, bemerkte zij op den terugweg, op de quai Saint-Paul, dat zij door een jongmensch gevolgd werd.

Het was warm; een aangename warmte, die tot minnen opwekte.

Daar zij nooit anders gevolgd werd dan te paard, in de lanen van het Bosch, vond zij het avontuur pikant, zij werd er door gevleid als door een nieuw soort hulde, een beetje onbeschaamd, maar juist die onbeschaamdheid prikkelde haar aangenaam. In plaats van naar huis te gaan, sloeg zij de rue du Temple in, en liet haar aanbidder de boulevards afloopen.

Intusschen werd de man stoutmoediger, hij werd zoo dringend, dat Renée van streek geraakte, de rue du Faubourg-Poissonnière insloeg en den winkel van haar schoonzuster in vluchtte. De man kwam ook naar binnen. Mevrouw Sidonie glimlachte, scheen de zaak te begrijpen en liet ze alleen. En toen Renée haar wilde volgen, hield de onbekende haar tegen, sprak haar met een bewogen stem eenige beleefde woorden toe, en zij vergaf hem zijn vrijpostigheid. Het was een ambtenaar, Georges genaamd; zijn familienaam zei hij haar niet, en zij vroeg er ook niet naar. Zij ontmoette hem daar twee malen; zij ging door den winkel, hij kwam door de rue Papillon.

Deze toevallige liefde, op straat gevonden en aangenomen, verschafte haar het levendigste genoegen. Zij dacht er altijd aan, wel met een beetje schaamte, maar ook met een zonderling lachje van spijt.

Mevrouw Sidonie won dit bij het avontuur, dat zij eindelijk de medeplichtige werd van haar broers tweede vrouw, een rol die zij al sedert den trouwdag had willen spelen.

Die arme mevrouw Sidonie had zich misrekend. Terwijl zij het huwelijk bedisselde, had zij gehoopt ook haar aandeel in dat huwelijk te krijgen, Renée tot klant te krijgen, een menigte voordeelen uit haar te behalen. Zij beoordeelde de vrouwen met een oogopslag, zooals kenners de paarden beoordeelen. Groot was dan ook haar verslagenheid, toen zij na de maand die zij aan het echtpaar gegund had om zich te vestigen, tot de ontdekking kwam dat zij achter het net vischte, toen zij mevrouw de Lauwerens in het midden van het salon zag tronen.

Laatstgenoemde, een mooie zes en twintigjarige vrouw, maakte er haar werk van de nieuwelingen in de groote wereld binnen te leiden.

Zij behoorde tot een zeer oude familie, was gehuwd met een groot financier, die het gebrek bezat dat hij de rekeningen der modistes en kleermakers weigerde te betalen. Mevrouw was schrander genoeg om zichzelf te helpen. Zij had een afschuw van de mannen, zei zij; maar zij verschafte ze aan al haar vriendinnen; er was altijd een compleet stel te vinden in de vertrekken die zij in de rue de Provence, boven het kantoor van haar man, bewoonde. Men hield er voorproefjes. Men ontmoette er elkander heel onverwacht, heel gezellig. Er stak geen kwaad in, dat een jong meisje haar lieve mevrouw de Lauwerens eens ging bezoeken, en het was haar schuld niet als het toeval daar mannen bracht, die zich heel eerbiedig gedroegen, en tot de hoogste kringen behoorden.

De vrouw des huizes zag er lieftallig uit in haar kanten peignoirs. Dikwijls zou een bezoeker haar verkozen hebben boven haar geheele collectie blondines en brunettes. Maar men wist wel, dat zij daartoe te verstandig was. Daarin stak het heele geheim van haar zaak.

Zij hield haar hooge positie in de wereld, alle mannen waren haar vrienden, zij hield haar trots als fatsoenlijke vrouw, genoot heimelijk als zij anderen liet vallen en bovendien voordeel uit haar val trok.

Toen mevrouw Sidonie begreep hoe die nieuwe uitvinding in elkander zat, was zij diep getroffen. Dat was de oude school, de vrouw in een oud zwart japonnetje, die minnebriefjes in haar mandje overbracht, tegenover de moderne school, de groote dame die haar vriendinnen in haar boudoir ontvangt, onder het drinken van een kopje thee. De moderne school zegevierde.

Mevrouw Lauwerens keek minachtend naar het verkreukte toilet van mevrouw Sidonie, in wie zij een mededingster bevroedde. Uit haar hand ontving Renée haar eerste verveling, den jongen hertog de Rozan, dien de mooie bankiersvrouw niet gemakkelijk plaatsen kon.

De nieuwe school zou eerst later het onderspit delven, toen mevrouw Sidonie haar kamers afstond voor de gril van haar schoonzuster, voor den onbekende van de quai Saint-Paul. Zij bleef van toen af haar vertrouwde.