Part 10
--Neen, neen, er mankeert niets aan, 't is heel mooi, heel mooi.... Ik vind eer, dat er iets te veel is.
Hij bloosde even, ondanks zijn stoutmoedigheid, kwam nog wat nader, en met den vingertop een scherpen hoek op Renée's hals makende, merkte hij op:
--Ziet u, ik zou die kant zoo uitsnijden, en dan zou ik een collier aandoen met een groot kruis.
Zij klapte vroolijk in de handen.
--Juist, juist, riep zij uit....
Zij verwijderde het chemiset, ging even de kamer uit en kwam met het collier en het kruis terug. En terwijl zij met een zegevierenden blik voor den spiegel ging staan:
--Heel goed, 't staat heel goed, zei zij zachtjes.... Maar die kleine kaalkop is nog zoo dom niet! Kleedde je soms de dames aan in je provincie? We zullen bepaald goede vrienden worden. Maar je moet doen wat ik je zeg. In de eerste plaats, moet je je haar laten groeien, en die afschuwelijke kiel niet meer dragen. Verder moet je mijn lessen in de wellevendheid trouw opvolgen. Ik verlang dat je een aardig jongmensch zal worden.
--Dat spreekt van zelf, antwoordde de jongen naïef, nu papa immers rijk is en u zijn vrouw bent.
Zij glimlachte even en met haar gewone levendigheid:
--Laten wij dan beginnen met jij en jou tegen elkaar te zeggen. 't Eene oogenblik zeg ik u, 't andere jij. Dat klinkt dwaas.... Zal je veel van me houden?
--Ik zal je van harte liefhebben, antwoordde hij met de geestdrift van een lang opgeschoten jongen, die een fortuintje denkt te hebben.
Zoo was de eerste kennismaking van Maxime en Renée. De knaap ging eerst een maand later naar het gymnasium. Zijn stiefmoeder speelde de eerste dagen met hem als met een pop; zij ontbolsterde hem een beetje en het moet gezegd worden, dat hij er zich gewillig toe leende.
Toen hij te voorschijn kwam, geheel in het nieuw gekleed door den kleermaker van zijn vader, slaakte zij een uitroep van blijde verrassing: hij zag er uit om te stelen, verzekerde zij. Zijn haar alleen groeide wanhopig langzaam aan. De jonge vrouw was gewoon te zeggen, dat de uitdrukking van het heele gelaat van het haar afhangt. Zij droeg de grootste zorg voor haar eigen haar. Lang was zij wanhopig geweest over de bijzondere kleur, die aan fijne boter deed denken. Maar toen het geelblonde haar in de mode kwam, vond zij het prettig, en om te doen gelooven dat zij de mode niet dwaas navolgde, betuigde zij plechtig dat zij het iedere maand verfde.
Maxime was al vreeselijk wijs voor zijn dertien jaar. Het was een van die teere, vroegrijpe naturen, waarin de zinnelijke begeerten vroeg ontwaken. De ondeugd verscheen zelfs bij hem voordat de zinnen ontwaakt waren. Tot tweemaal toe was hij bijna van het gymnasium verwijderd geworden.
Indien Renée oog gehad had voor hetgeen in de kleinere provinciesteden voor bevallig doorgaat, zou zij opgemerkt hebben dat, hoe smakeloos ook gekleed, de kleine kaalkop, zooals zij hem noemde, glimlachte, het hoofd draaide, de armen uitstak op een aardige manier, zooals oudere schoolmeisjes wel eens doen.
Hij verzorgde zijn lange, smalle handen uitstekend, en al moest zijn haar kort blijven, op bevel van den directeur, een oud-kolonel der genie, hij bezat toch een zakspiegeltje dat hij onder schooltijd voor den dag haalde en tusschen de bladen van zijn boek lei; daarin bekeek hij zich dan uren lang, beschouwde aandachtig zijn oogen, zijn tanden, lachte zichzelf toe en bestudeerde allerlei behaagzieke manieren.
Zijn makkers hingen aan zijn kiel, als aan een vrouwenrok; hij reeg zich zoo in, dat hij een smal middel had, en wiegelende heupen als een volwassen vrouw.
Toch kreeg hij evenveel slaag als liefkoozingen. Het gymnasium van Plassans, een toevluchtsoord van kleine bandieten, zooals de meeste plattelands-gymnasiums, was dus een middelpunt van besmetting, waarin dit halfslachtige temperament, dit kind, dat de overgeërfde kiem van het kwaad al in zich meebracht, zich bijzonder snel ontwikkelde. Gelukkig zou de leeftijd hier gaandeweg verbetering in brengen. Maar het merkteeken van zijn slechte gedrag als kind, die verwijfdheid van zijn geheele wezen, dat uur waarop hij zich meisje gewaand had, zou hem bijblijven, hem voor altijd in zijn manbaarheid treffen.
Renée noemde hem "jongejuffrouw", zonder te vermoeden dat zij hem een half jaar geleden bij zijn juisten naam zou genoemd hebben. Hij maakte op haar den indruk van zeer gehoorzaam en liefhebbend te zijn; soms werd zij een weinig verlegen onder zijn liefkoozingen. Hij had een manier van omhelzen, die de huid verwarmde. Maar zij was verrukt over zijn guitigheid, hij was allergrappigst ondernemend, hij sprak al over de vrouwen met glimlachjes, geen kamp gevende aan de vriendinnen van Renée, de lieve Adeline die pas met mijnheer d'Espanet getrouwd was, en de dikke Suzanne, onlangs de vrouw geworden van den grooten industriëel Haffner. Voor laatstgenoemde had de veertienjarige knaap zelfs een zekeren hartstocht opgevat. Hij had zijn stiefmoeder in zijn vertrouwen genomen, en deze had veel schik in het geval.
--Ik zou de voorkeur aan Adeline gegeven hebben, zei zij, zij is mooier.
--'t Kan zijn, antwoordde de jongen, maar Susanne is veel dikker.... Ik houd toch zooveel van mooie vrouwen.... Als je heel lief was, zou je een goed woordje voor me doen.
Renée lachte. Haar pop, die groote jongen met zijn meisjes-manieren, scheen haar onbetaalbaar, sinds hij verliefd was. Het kwam zelfs zoover dat mevrouw Haffner zich in allen ernst moest verdedigen.
Trouwens, de dames moedigden Maxime zelf aan door haar onderdrukte lachjes, haar halve woordjes, de behaagzieke houding die zij tegenover dit vroegrijpe kind aannamen. Daar was ook een zweempje zeer aristocratische losbandigheid bij in het spel. Alle drie, in haar luidruchtig leven, door hartstocht verteerd, beschouwden de bekoorlijke verdorvenheid van den knaap als een origineel en onschadelijk prikkelend kruid, dat den eetlust scherpte.
Zij lieten toe dat hij hun japon betastte, met zijn vingers langs haar schouders gleed, wanneer hij ze in de voorkamer volgde om haar een balsortie om te slaan; zij lieten hem van de eene naar de andere gaan, en lachten uitgelaten, wanneer hij ze op de pols zoende, op dat plekje waar de huid zoo zacht is; dan deden zij zich weer moederlijk voor en leerden hem hoe hij zich een goed uiterlijk moest geven en hoe hij de dames moest behagen.
Het was hun speelpop, een vernuftig uitgedacht mechanisch manneke, dat zoende en het hof maakte, dat de beminnelijkste ondeugden ter wereld bezat, maar een stuk speelgoed bleef, een bordpapier mannetje, waarvoor men niet zoo heel bang hoefde te zijn, maar toch nog genoeg om onder zijn kinderlijke hand een lichte trilling van genot te voelen.
Toen de vacantie om was, ging Maxime naar het lycée Bonaparte. Dit was de school voor de deftige lui, en die moest Saccard voor zijn zoon kiezen.
Ofschoon tenger en zwak, had de knaap een vlug verstand; maar hij legde zich op heel wat anders dan op de klassieke studiën toe. Toch was hij een onberispelijk scholier, die zich nooit afgaf met de arme jongens, op wier manieren wel iets viel aan te merken, maar altijd behoorde tot die fatsoenlijke, netgekleede jongelui van wie men niets zegt.
Het eenige wat hem van zijn jeugd bijbleef, was een oprechte vereering voor het toilet. Parijs opende hem de oogen; het maakte van hem een mooi jongmensch, altijd in een nauwsluitend costuum gekleed, gelijk toen de mode was.
Hij was de grootste fat van zijn klasse. Hij vertoonde zich in de school als in een salon, met fijne handschoenen en dure laarzen, hij droeg verbazend groote dassen en keurige hoeden. Hij was trouwens de eenige niet. Zoo waren er omtrent twintig, die de aristocratie uitmaakten; bij het uitgaan der school boden zij elkander havanna's aan uit kokers met gouden sluiting, en lieten hun boekentasschen door een knecht in livrei achter zich aandragen.
Maxime had zijn vader overgehaald een tilbury en een zwart paardje voor hem te koopen, die de bewondering van zijn makkers opwekten. Hij mende zelf; op het achterbankje zat een palfrenier met over elkaar geslagen armen, en de boekentasch van den scholier op den schoot, een echte ministers-portefeuille van bruin chagrijn-leer.
Men had eens moeten zien met welk een losheid, kunst en onberispelijke houding hij in tien minuten van de rue de Rivoli naar de rue du Havre reed, zijn paarden op eens inhield voor de deur van het lycée, den palfrenier de teugels toewierp en zei: "Jacques, om half vijf voor, hoor!"
De winkeliers in de straat waren opgetogen over de bevallige manieren van dien blonden jongen, dien zij geregeld tweemaal per dag in zijn rijtuigje zagen komen en gaan.
Bij het naar huis gaan, bracht hij soms een vriend tot aan diens deur. De beide jongens rookten, keken de vrouwen aan, bespatten de voorbijgangers, alsof zij van de wedrennen terugkeerden.
Verwonderlijk volkje, broedsel van fatten en uilskuikens, die men dagelijks in de rue du Havre zien kan, onberispelijk gekleed in hun korte overjassen, zich voordoende als rijke heeren, die alle genietingen des levens volop genoten hebben, terwijl de armere jongens van het lycée, de echte scholieren, schreeuwende en dringende aankomen, met hun grove schoenen op de straat stampen, en hun boeken aan een eind riem achter op den rug laten bengelen.
Renée, die haar rol van moeder en leermeesteres ernstig wilde opvatten, was zeer met haar leerling ingenomen. Zij verwaarloosde dan ook geen enkele gelegenheid om zijn opvoeding te volmaken. Zij bracht toen juist een tijd van tranen en spijtige herinneringen door; een minnaar had haar verlaten, haar voor de oogen van geheel Parijs in opspraak gebracht, om het te houden met de hertogin de Sternich.
Zij hoopte nu dat Maxime haar tot troost zou zijn, zij deed zich ouder voor, deed al haar best om moederlijk te zijn, en werd de zonderlingste mentor die men zich denken kon.
Dikwijls bleef de tilbury thuis, dan kwam Renée in haar groote kales den jongen van school halen. Zij stopten de bruine portefeuille onder de bank en reden naar het Bosch, dat toen in zijn nieuwsten tooi prijkte.
Daar gaf zij hem les in hoogere elegantie. Zij noemde hem al die welgedane, gelukkige lieden van het keizerlijk Parijs op, die nog in extase waren over dien goocheltoer, die de hongerlijders van voorheen in groote heeren veranderd had, in millionnairs die zwoegden en puften onder het gewicht van hun geldkist.
Maar de knaap vroeg haar vooral naar de vrouwen, en daar zij heel vrij met hem omging, bracht zij hem precies op de hoogte van allerlei bijzonderheden. Mevrouw de Guende was dom, maar prachtig gevormd; de rijke gravin Vanska had in het publiek gezongen, voor dat zij getrouwd was met een Pool, die haar sloeg, naar men zei; markiezin d'Espanet en Suzanne Haffner waren onafscheidelijk, en ofschoon zij haar intieme vriendinnen waren, voegde Renée er met dichtgeknepen lippen bij, alsof zij er niets meer van wilde zeggen, dat er heel leelijke praatjes over haar liepen. De mooie mevrouw de Lauwerens gedroeg zich ook lang niet onberispelijk, maar zij had zulke mooie oogen, en iedereen wist per slot van rekening toch dat haar niets te verwijten viel, ofschoon zij zich wat te veel afgaf met de intriges van die arme vrouwtjes, mevrouw Daste, mevrouw Teissière en barones de Meinhold.
Maxime vroeg om de portretten van die dames; hij zette ze in een album dat op de salontafel bleef liggen.
Om zijn stiefmoeder in verlegenheid te brengen, met die ondeugende slimheid die den grondtrek van zijn karakter uitmaakte, vroeg hij haar naar bijzonderheden omtrent lichte meisjes, zich houdende alsof hij ze voor dames uit de groote wereld aanzag.
Renée antwoordde zedig en ernstig, dat het afschuwelijke schepsels waren, die hij zorgvuldig moest ontwijken; kort daarop vergat zij zich zoozeer, dat zij er over sprak alsof zij ze intiem gekend had.
Een van de grootste genoegens van den knaap was, haar aan het praten te brengen over de hertogin de Sternich. Telkens als haar rijtuig voorbijreed in het Bosch, liet hij niet na haar naam te noemen, haar met een opzettelijke geniepigheid van terzijde aanziende, als om te toonen dat hij op de hoogte was van Renée's laatste avontuur.
Renée begon op vinnigen toon allerlei kwaad van haar mededingster te spreken. Wat werd zij oud, die arme vrouw! zij blankette zich, zij had minnaars in al haar kasten verborgen, zij had zich aan een kamerheer overgegeven om in het keizerlijk bed te komen. Daar kwam geen eind aan de beschuldigingen; Maxime daarentegen, om haar te plagen, vond mevrouw de Sternich allerliefst.
Dergelijke lessen hadden een zonderlinge verstandsontwikkeling van den scholier ten gevolge, te meer wijl de jonge leermeesteres ze overal herhaalde, in het Bosch, in den schouwburg, in de salons. De leerling werd verbazend knap.
Maxime vond het verrukkelijk zich tusschen de japonnen, de linten en strikken, de poudre de riz der dames te bewegen. Hij bleef altijd eenigszins meisje, met zijn welgevormde smalle handen, zijn baardeloos gelaat, zijn blanken, gevulden hals.
Renée raadpleegde hem in allen ernst over haar toiletten. Hij kende de goede dameskleermakers van Parijs, beoordeelde ieder hunner met een enkel woord, sprak van de smaakvolle hoeden van den een en den juisten vorm der japonnen van den ander; op zeventienjarigen leeftijd, was er geen modiste die hij niet grondig had bestudeerd, geen schoenmaker of hij kende hem door en door.
Dat vreemde misbaksel, dat onder de Engelsche les de prospectussen las die zijn parfumeur hem iederen Vrijdag toezond, had een schitterende rede kunnen houden over de groote Parijsche wereld, clientèle en leveranciers, op een leeftijd waarop buitenjongens hun bonne nog niet in het gezicht durven zien.
Dikwijls bracht hij, als hij van het lycée kwam, een hoed, een doos zeep of het een of ander moois, dat zijn stiefma hem den avond tevoren opgegeven had, in zijn tilbury mee. Hij had altijd een stuk kant, dat sterk naar muskus rook, in zijn zak. Maar zijn grootste genot was Renée naar den beroemden Worms te vergezellen, dien genialen dameskleedermaker, voor wien de toongeefsters van het tweede keizerrijk neerknielden.
Het salon van den grooten man was groot en vierkant, en met breede divans voorzien. Hij trad daar met een vromen eerbied binnen.
Toiletten hebben voorzeker een eigenaardigen geur, de zijde, het satijn, het fluweel, de kanten hadden hun licht aroma bij dat der haren en der ambergeurige schouders gevoegd; en de lucht in het salon bleef doortrokken van die geurige warmte, dien wierook van vleesch en weelde, die de kamer in een kapel veranderde, aan de een of andere geheimzinnige godin gewijd.
Dikwijls moesten Renée en Maxime uren lang wachten; daar waren wel twintig sollicitanten, die haar beurt afwachtten, beschuitjes in glazen madera doopten of een kouden maaltijd aan de groote middentafel hielden, waarop flesschen en schaaltjes met gebakjes stonden. De dames waren daar thuis, spraken er vrij haar gedachten uit, en als zij daar zoo in groepjes rondom de kamer zaten, zou men ze voor een vlucht witte Lesbische vogels hebben aangezien, die op de divans van een Parijsch salon waren neergestreken.
Maxime, die daar geduld en geliefd werd om zijn meisjes-uiterlijk, was de eenige man die in dat heiligdom werd toegelaten. Hij smaakte daar een goddelijk genot, hij gleed als een slang langs de divans, men vond hem onder een rok, achter een keurslijf, tusschen twee japonnen, waar hij zich erg ineendrong en zich heel rustig hield, terwijl hij de welriekende warmte van zijn buurvrouw opsnoof met het gezicht van een koorknaap, die het lichaam des Heeren nuttigt.
--Hij kruipt overal tusschen, die kleine, zei barones de Meinhold, terwijl zij hem een tikje op de wang gaf.
Hij was zoo tenger dat de dames hem niet ouder dan veertien jaar schatten. Zij vonden er pleizier in hem met de madera van den beroemden Worms dronken te voeren. Hij zei de zotste dingen, die haar tranen deden lachen.
Markiezin d'Espanet vond de juiste uitdrukking om den toestand te beschrijven. Toen men op een keer Maxime in een hoek van de divans achter haar rug vond, en zij zag hoe blozend en gelukkig hij er uitzag door het behagelijk gevoel dat hij in haar nabijheid ondervonden had, merkte zij zachtjes op:
--Dat is een jongen, die als meisje had moeten ter wereld komen.
Toen de groote Worms Renée eindelijk ontving, drong Maxime met haar de kamer binnen. Een paar malen veroorloofde hij zich de vrijheid te spreken, terwijl de meester in de aanschouwing van zijn cliënt verdiept was, zooals de hoogepriesters der kunst beweren dat Léonard de Vinci tegenover Joconde gedaan heeft.
De meester had zich verwaardigd om over de juistheid zijner opmerkingen te glimlachen. Hij liet Renée voor een spiegel staan, die van den vloer tot aan de zoldering reikte, beschouwde haar in stil gepeins, met gefronste wenkbrauwen, terwijl de jonge vrouw haar adem inhield om zich niet te bewegen. En een paar minuten later teekende de meester, alsof hij door een ingeving aangegrepen en geschud werd, in grove, hortende trekken het meesterstuk dat hij in zijn brein ontworpen had, en riep hij in afgebroken volzinnen uit:
--Robe Montespan van aschkleurige zijde.... van voren een afgeronde basque, eindigende in een sleep,.... groote satijnen strikken die haar op de heupen opnemen...., ten slotte een geplooid voorschoot van parelgrijze tulle, de plooien gescheiden door grijs satijnen linten.
Hij verzonk weer in gepeins, scheen tot in de diepste diepten van zijn genie af te dalen, en met de zegevierende grimas van een waarzegster op haar drievoet, eindigde hij:
--Wij zullen in het haar, op dat lachende kopje, den droomenden vlinder van Psyche plaatsen, met blauwen weerschijn op de vleugels.
Maar somtijds wou de ingeving niet komen. De beroemde Worms riep ze te vergeefs op, spande zijn geheele denkvermogen te vergeefs in. Hij fronste geweldig zijn wenkbrauwen, werd zoo wit als een doek, nam zijn arm hoofd, dat hij wanhopig schudde, tusschen de handen, en moest zich eindelijk overwonnen geven. Dan liet hij zich in een leuningstoel neervallen, en met klagelijke stem fluisterde hij:
--Neen, neen, vandaag niet... 't is niet mogelijk. De dames zijn onbescheiden. De bron is opgedroogd.
En hij zond Renée heen met de herhaalde betuiging:
--Niet mogelijk, niet mogelijk, lieve mevrouw, kom een anderen dag maar eens terug.... Ik voel u van morgen niet.
De mooie opvoeding die Maxime ontving, droeg al haar eerste vruchten. Toen de kwajongen zeventien jaar oud was, verleidde hij de kamenier van zijn stiefmoeder. Het ergste van het geval was, dat het meisje zwanger werd. Zij moest met haar kind en een klein jaargeld naar buiten gezonden worden.
Renée hinderde dat avontuur vreeselijk. Saccard's bemoeiingen hierin bleven tot de regeling van de finantiëele zijde der kwestie beperkt, maar de jonge vrouw nam haar leerling geducht onder handen. Hij, dien zij tot een toonbeeld van netheid wilde maken, hij had zich met zoo'n meisje ingelaten! Wat een belachelijk en schandelijk begin, een liefdesavontuur waarmee je niet voor den dag kon komen! Als hij het nog eens met een van haar kennissen had aangelegd!
--Wat drommel, antwoordde hij kalmpjes, als je vriendin Suzanne gewild had, dan had zij naar buiten kunnen gaan.
--Wat een guit! mompelde zij ontwapend, lachend bij het denkbeeld, dat Suzanne met een jaargeld van twaalfhonderd francs haar toevlucht naar buiten zou nemen.
Toen kwam er een nog grappiger gedachte in haar op; zij vergat haar rol van verontwaardigde moeder, hield haar helderen lach achter haar hand terug, en hem schuins aanziende, zei zij tusschen haar lachen door:
--Zeg, ik geloof dat Adeline kwaad op je geworden was en haar een standje gemaakt had.... Zij ging niet verder. Maxime lachte mee. Dat was het einde van Renée's zedelessen over dit avontuur.
Intusschen bekommerde Aristide Saccard zich heel weinig om de twee kinderen, zooals hij zijn zoon en zijn tweede vrouw noemde. Hij liet hun een onbeperkte vrijheid, blij dat zij zulke goede vrienden waren, wat heel wat drukte en vroolijkheid in de kamers bracht. Dat waren anders zonderlinge kamers, op die eerste verdieping in de rue de Rivoli. Den heelen dag hoorde men er het slaan van deuren; de meiden en knechts spraken er op luiden toon, die vertrekken, nog in den vollen tooi van hun nieuwe weelde, werden onophoudelijk doorkruist door lange, fladderende japonnen, heele optochten van leveranciers, den chaos van Renée's vriendinnen, Maxime's kameraads en Saccard's bezoekers.
Laatstgenoemde ontving van negenen tot elven het vreemdste volkje dat men bedenken kan: senatoren en deurwaardersklerken, hertoginnen en koopvrouwen in toiletartikelen, al het schuim dat de onweersbuien van Parijs des morgens in zijn huis wierpen, zijden japonnen, vuile rokken, kielen, zwarte jassen, die hij op denzelfden gejaagden toon, met dezelfde ongeduldige en zenuwachtige gebaren ontving. Hij deed de zaken met een paar woorden af, loste twintig zwarigheden te gelijk op en gaf de oplossing, heen en weer dribbelende.
Het leek wel of dat bewegelijke mannetje, wiens stem heel hard klonk, in zijn kamer aan het vechten was met zijn bezoekers, met de meubelen, omduikelde, met het hoofd tegen de zoldering stiet om er de denkbeelden uit te laten spatten, en altijd weer zegevierend op zijn voeten terecht kwam.
Om elf uur ging hij uit, dan zag men hem den heelen dag niet meer terug; hij ontbeet, ja, dineerde dikwijls buitenshuis.
Dan behoorde het huis aan Renée en Maxime, zij maakten zich meester van het kantoor van den vader; zij pakten er de doozen van de leveranciers uit, en allerlei lapjes en lintjes lagen over en tusschen de dossiers.
Soms wachtten ernstige menschen een uur lang voor de deur van het kantoor, terwijl de schoolknaap en de jonge vrouw, ieder aan een hoek van Saccard's bureau, over den strik van een lint twistten.
Renée liet tienmaal per dag inspannen. Zelden aten zij gezamenlijk; van de drie waren er twee op den loop, om niet voor middernacht thuis te komen. Woning van luidruchtige drukte, van zaken en genoegens, waarin het moderne leven, met zijn gerinkel van goud, zijn verkreukte toiletten, als in een windvlaag verzwolgen werd.
Aristide had eindelijk een werkkring naar zijn zin gevonden. Hij deed zich kennen als een groote speculant, die met millioenen werkte. Na het meesterstuk van de rue de la Pépinière, wierp hij zich onvervaard in den strijd, die Parijs begon te bezaaien met onrechtmatig verkregen buit en schitterende overwinningen.
Aanvankelijk speelde hij hetzelfde zekere spel, waarmee hij de eerste maal succès had behaald; hij kocht huizen, waarvan hij vooruit wist dat zij te eenigertijd zouden afgebroken worden, en nam zijn vrienden in den arm om ruime schadevergoeding te krijgen. Op die wijze kreeg hij een vijf- of zestal huizen in zijn bezit, dezelfde die hij vroeger zoo zonderling aankeek, alsof het kennissen van hem waren, toen hij nog maar een arme opzichter was.
Maar dat was nog slechts het werk van een beginner. Zoo'n slimheid werd er niet toe vereischt, de huurcontracten af te laten loopen, met de huurders te knoeien, den staat en de particulieren te bestelen; hij vond bovendien, dat de opbrengst de moeite niet eens loonde. Hij wendde zijn vernuft dan ook spoedig tot ingewikkelder zaken aan.
Saccard vond eerst het kunstje uit om in het geheim huizen voor rekening van de stad te koopen. Een uitspraak van den raad van State had deze namelijk in een moeielijk geval gebracht. De stad had ondershands een groot aantal huizen opgekocht, in de hoop dat zij de contracten kon laten afloopen en de huurders zonder schadeloosstelling kon laten vertrekken. Deze aankoopen werden echter bij bovengenoemde uitspraak als echte onteigeningen beschouwd, en de stad moest betalen.
Toen bood Saccard zich als tusschenpersoon aan, hij kocht, liet de contracten afloopen en leverde tegen een ruime vergoeding het huis op het bepaalde oogenblik af.