Ivanhoe

Chapter 9

Chapter 93,818 wordsPublic domain

Maar nu,--zonder aan de vergetelheid te denken, die hun namen en daden te wachten stond,--reden de kampvechters in het strijdperk, hunne vurige paarden terughoudende, en dwingende om langzaam voort te stappen, ten einde tegelijk hunne vlugheid en de behendigheid hunner ruiters te kunnen toonen. Toen zij in optocht het strijdperk binnen reden, deed zich eene Oostersche muziek van achter de tenten der uitdagers hooren, waar de uitvoerders verborgen waren. Deze was wezenlijk van Oosterschen oorsprong, daar zij uit het Heilige Land was medegebracht; en het vereenigde geluid der cymbalen en der klokjes scheen de aankomende ridders tegelijk te verwelkomen en uit te dagen.

Onder de oogen van eene ontelbare menigte toeschouwers reden de vijf ridders naar de hoogte, op welke de tenten der uitdagers stonden, en zich daar verspreidende, raakte ieder zachtjes, met omgekeerde lans, het schild van de tegenpartij aan, tegen welke hij zijn geluk wilde beproeven. De toeschouwers der mindere klasse, zelfs velen van de hoogere, en naar men zegt ook verscheidene der dames waren ontevreden, dat de strijders de wapenen van _courtoisie_ kozen. Want dezelfde soort van menschen, welke heden ten dage de ijselijkste treurspelen het meest toejuichen, stelden in dien tijd te meer belang in een toernooi, naarmate de kampvechters gevaar liepen.

De ridders, hun vreedzaam voornemen hebbende te kennen gegeven, trokken zich naar het uiterste einde van het strijdperk terug, waar zij op eene rij bleven staan, terwijl de uitdagers, uit hun onderscheidene tenten te voorschijn snellende, hun paarden bestegen, en aangevoerd door Brian de Bois-Guilbert van de hoogte afdaalden, en ieder zich tegenover den ridder plaatste, die zijn schild had aangeraakt.

Onder hoorn- en trompetgeschal renden zij in vollen galop op elkander aan, en zoo groot was de meerdere behendigheid of het meerdere geluk der uitdagers, dat de tegenstanders van Bois-Guilbert, Malvoisin en Front-de-Boeuf op den grond rolden. De tegenpartij van Grantmesnil, in plaats van de punt zijner lans recht tegen den helm of het schild van zijn vijand aan te houden, week zoo ver van de rechte lijn af, dat hij zijn lans dwars over het lijf van den aankomenden ridder brak--een omstandigheid, die voor schandelijker gehouden werd, dan geheel van het paard geworpen te worden; dewijl het ééne door een toeval kon geschieden, en het andere lompheid en onbehendigheid in het gebruik van wapens en paard aanduidde. De vijfde ridder alleen hield de eer zijner partij staande, en vocht met gelijken uitslag tegen den Johanniter Ridder, daar beide hunne lansen braken zonder eenig voordeel te behalen.

Het geschreeuw der menigte kondigde, tegelijk met de toejuichingen der herauten en het trompetgeschal, de zegepraal der overwinnaars en de nederlaag der overwonnenen aan. De eersten begaven zich naar hun tenten terug, en de laatsten, zoo goed zij konden, opstaande, verlieten beschaamd en verlegen het strijdperk, om met de overwinnaars omtrent het losgeld van hunne wapens en paarden overeen te komen, die volgens de toernooiwetten verbeurd waren. De vijfde ridder bleef alleen lang genoeg in het strijdperk om de toejuichingen der aanwezigen te ontvangen, waaronder hij zich verwijderde, zonder twijfel tot verhooging van de smart zijner metgezellen.

Een tweede en derde schaar ridders verschenen in het strijdperk, en, ofschoon zij met verschillenden uitslag vochten, bleef echter over het geheel het voordeel onvoorwaardelijk op de zijde der uitdagers, waarvan niet één uit den zadel gelicht werd of misgestooten had,--ongelukken, die aan een of twee hunner tegenpartij bij iederen strijd overkwamen. Ook scheen de moed hunner bestrijders door hun gedurig geluk merkelijk verflauwd te zijn. Bij den vierden kamp daagden er slechts drie ridders op, welke, de schilden van Bois-Guilbert en Front-de-Boeuf vermijdende, zich vergenoegden met die der andere drie ridders aan te raken, die niet zooveel kracht en behendigheid hadden doen blijken. Deze voorzichtige keus veranderde echter het geluk van den strijd niet; de uitdagers overwonnen opnieuw;--één van hunne tegenpartij werd uit den zadel gelicht, en de beide overigen misten den aanval; dat is, zij troffen den helm en het schild van hun tegenpartij niet zoo geweldig met de recht uitgestrekte lans, dat het wapen breken moest, als de aangevallene niet voor den schok bezweek.

Na dezen vierden kampstrijd had er eene lange pauze plaats, en het scheen, dat niemand meer verlangde het gevecht te vernieuwen. De toeschouwers morden onder elkander: want onder de uitdagers waren Malvoisin en Front-de-Boeuf niet bij het volk bemind, en de anderen evenmin, omdat zij allen, behalve Grantmesnil, vreemdelingen en buitenlanders waren.

Maar niemand gevoelde grooter misnoegen, dan Cedric de Sakser, die in ieder voordeel, dat door de Normandische uitdagers behaald werd, een nieuwe zegepraal op de eer van Engeland zag. Zijne eigene opvoeding had hem niet in de ridderspelen bedreven gemaakt, ofschoon hij zich met de wapens van zijne Saksische voorouders bij menige gelegenheid als een dapperen en moedigen strijder betoond had. Hij zag verlangend naar Athelstane, die alle kunsten van dien tijd geleerd had, alsof hij wenschte, dat hij een persoonlijke poging zou doen, om den Tempelier en zijn metgezellen de overwinning weder te ontweldigen, die zij op het punt waren te behalen. Maar, schoon Athelstane moedig en sterk was, had hij echter een te traag en te weinig eerzuchtig karakter, om de proef te doen, welke Cedric van hem verwachtte.

"Het geluk is tegen Engeland, Milord," zeide Cedric met nadruk; "wilt gij ook niet een lans breken?"

"Ik zal mij morgen in de _mêlée_ mengen!" antwoordde Athelstane. "Het is niet de moeite waard, mij heden te wapenen."

Twee dingen mishaagden Cedric in dit antwoord. Vooreerst, het bevatte het Normandische woord _mêlée_ (om het algemeene gevecht aan te duiden), en ten tweede, toonde het eenige onverschilligheid voor de eer van zijn vaderland; maar het was Athelstane, die het uitgesproken had, en hij koesterde zulk een grooten eerbied voor hem, dat hij het niet zou gewaagd hebben, zijne beweegredenen of zwakheden te berispen. Daarenboven had hij geen tijd om eenige aanmerking te maken, want Wamba viel hem in de rede met de aanmerking: "Het is beter, hoewel niet gemakkelijker, de eerste van honderd dan van twee te zijn."

Athelstane nam dit voor een ernstig compliment op; maar Cedric, die de bedoeling van den nar beter begreep, wierp hem een strengen en dreigenden blik toe; en het was misschien gelukkig voor hem, dat tijd en plaats beletten, dat hij, in weerwil van zijn ambt, nog gevoeliger bewijzen van het ongenoegen zijns meesters ontving.

De stilte in het toernooi was nog onafgebroken, behalve door de stemmen der herauten, die uitriepen: "Liefde tot de dames! Breekt een lans! Daagt op, dappere ridders! Schoone oogen aanschouwen uw daden!"

De schelle muziek der uitdagers liet zich van tijd tot tijd in wilde tonen hooren, zegepraal en uitdaging verkondigende, terwijl de landlieden over een feestdag morden, die in werkeloosheid scheen te zullen voorbijgaan. De oude ridders en edelen fluisterden elkander hun klachten toe over het verval van den krijgshaftigen geest, spraken van de zegepralen in hunne jonge dagen behaald, en kwamen overeen, dat het land thans geene vrouwen van zoo uitstekende schoonheid opleverde, als die, welke de feesten van vorige tijden opgesierd hadden. Prins Jan begon met zijn gevolg te spreken over den maaltijd, en over de noodzakelijkheid om aan Brian de Bois-Guilbert den prijs toe te kennen, daar hij met ééne enkele lans twee ridders uit den zadel had gelicht, en den aanval van een derde had verijdeld.

Eindelijk, toen de Saraceensche muziek van de uitdagers eene van die lange en forsche _fanfaren_ geëindigd had, met welke zij de stilte in het strijdperk afwisselde, werd die beantwoord door een enkele trompet, welke aan het noordelijke eind eene uitdaging verkondigde. Aller oogen waren naar dien kant gericht, om den nieuwen kampvechter te zien, die zich nu aanmeldde, en nauwelijks waren de slagboomen geopend, of hij reed in het strijdperk. Voor zoover men uit zijne wapenrusting beoordeelen kon, scheen de nieuw aangekomene van middelmatige grootte, en eer rank dan sterk van gestalte te zijn. Zijne wapenrusting was van staal, rijk met goud ingelegd, en het devies op zijn schild was een jonge eik met den wortel uit den grond gerukt, met het Spaansche woord "_Desdichado_", dat is, "Onterfd."

Hij zat op een schoon zwart strijdros, en terwijl hij door het strijdperk reed, groette hij den Prins en de dames beleefd met zijn lans. De behendigheid, met welke hij zijn paard regeerde, en een zekere jeugdige bevalligheid van houding verwierven hem de gunst der menigte, welke eenigen uit de mindere klasse luidkeels uitten door het geschreeuw van: "Raak het schild aan van Ralph de Vipont;--raak het schild van den Hospitaal Ridder aan; hij zit het minste vast; hij is de gemakkelijkste partij!"

De kampvechter, voortrijdende onder deze welgemeende wenken, bereikte de hoogte door de schuins oploopende laan, welke van het strijdperk daarheen leidde, en tot verwondering van alle aanschouwers recht op de middelste tent aanrijdende, sloeg hij met de scherpe punt van zijn lans tegen het schild van Brian de Bois-Guilbert, dat het weergalmde. Allen stonden verbaasd over deze stoutheid, maar niemand meer dan de geduchte strijder, dien hij dus op leven en dood had uitgedaagd.

"Hebt gij gebiecht, broeder," zei de Tempelier, "en hebt gij heden morgen de mis gehoord, daar gij uw leven zoo roekeloos waagt?"

"Ik ben beter voorbereid den dood onder de oogen te zien dan gij," antwoordde de Onterfde Ridder, want onder dezen naam had zich de vreemde in het toernooiboek laten inschrijven.

"Neem dan plaats in het strijdperk," zei de Bois-Guilbert, "en aanschouw de zon nog eens voor het laatst; want heden nacht zult gij in het Paradijs slapen."

"Grooten dank voor uw beleefdheid," hervatte de Onterfde Ridder, "en om die te vergelden, raad ik u een versch paard en een nieuwe lans te nemen; want, bij mijn eer, gij zult beiden noodig hebben!"

Na dit bewijs van zelfvertrouwen te hebben gegeven, dreef hij zijn paard de helling, die hij bestegen had, af, en dwong het op deze wijze achterwaarts door het strijdperk te gaan tot aan het noordelijke einde, waar hij stil bleef staan, om zijn vijand af te wachten. Dit bewijs van zijn rijkunst verwierf hem weder de toejuiching der menigte.

Hoe verstoord ook Brian de Bois-Guilbert op zijn vijand was wegens de maatregelen van voorzichtigheid, die deze hem aanbevolen had, sloeg hij echter zijn raad niet in den wind; want zijn eer was er te nauw in betrokken, om toe te laten, dat hij eenig middel zou verzuimen, zich de overwinning op zijn vermetele tegenpartij te verschaffen. Hij verwisselde zijn paard tegen een ander van groote kracht, en vol vuur. Hij koos een nieuwe, sterke lans, uit vrees dat het hout van de vorige in de reeds geleverde gevechten mocht verzwakt zijn. Eindelijk legde hij ook zijn schild ter zijde, dat eenigszins was beschadigd, en nam een ander van zijne schildknapen. Het eerste schild droeg slechts het algemeene devies van de orde waartoe hij behoorde, namelijk twee ruiters op één paard, om de oorspronkelijke nederigheid en armoede der Tempeliers uit te drukken; hoedanigheden, die zij later tegen verwaandheid en rijkdom verwisselden, welke eindelijk hun ondergang te weeg brachten. Het nieuwe schild van Bois-Guilbert vertoonde een vliegende raaf, in de klauwen een doodshoofd houdende, met het motto "_Gare le corbeau!_"

Toen de twee kampvechters aan de beide einden van het strijdperk tegenover elkander stonden, was de algemeene verwachting ten toppunt gestegen. Weinigen geloofden aan de mogelijkheid, dat de strijd ten gunste van den Onterfde kon uitvallen, evenwel hadden zijn moed en beleid hem de belangstelling van de aanschouwers verworven.

De trompetten hadden nauwelijks het teeken gegeven, of de kampvechters vlogen, snel als de wind, van hunne plaatsen, en stieten in het midden van het strijdperk met het geweld van den donderslag, tegen elkander. De lansen vlogen aan splinters tot aan de greep, en het scheen op dat oogenblik, alsof de beide ridders gevallen waren, want de schok had beide paarden achteruit doen tuimelen. De behendigheid der ruiters bracht hen door toom en sporen weder te recht, en na elkander een oogenblik beschouwd te hebben, met oogen, welke door de openingen van het vizier vonkelden, maakte ieder een _demi-volte_ met zijn paard en reed naar het einde van het strijdperk, waar zij nieuwe lansen van hunne schildknapen ontvingen.

Een luid vreugdegeschreeuw, het waaien met sjerpen en doeken, en algemeene toejuichingen toonden de belangstelling der aanwezigen in den meest gelijken en verbitterden strijd van dien dag. Maar nauwelijks hadden de ridders hunne standplaats weder ingenomen, of het gejuich veranderde in een zoo diepe en doodelijke stilte, dat de menigte nauwelijks scheen adem te halen.

Eenige minuten rust werden er verleend, opdat de strijders en hun paarden een weinig mochten uitrusten, waarop Prins Jan met zijn staf een teeken aan de trompetters gaf, om den aanval te blazen. De kampvechters vlogen nog eens van hunne standplaats, en stieten in het midden van het strijdperk tegen elkander, met dezelfde snelheid, dezelfde behendigheid en hetzelfde geweld; maar niet met hetzelfde gevolg als te voren.

Bij dezen tweeden aanval mikte de Tempelier op het middelpunt van het schild van zijn tegenpartij, en raakte het zoo vast en sterk, dat zijn lans in splinters vloog, en de Onterfde Ridder in den zadel wankelde. Van den anderen kant, had deze kampvechter in het begin de punt van zijn lans op Bois-Guilbert's schild gericht; maar zijn mikpunt bijna op het oogenblik, dat hij hem bereikte, veranderende, richtte hij dit op den helm, iets dat veel moeielijker te treffen was, maar waarop de schok veel onwederstaanbaarder werd. Hij trof den Normandiër juist midden op het vizier en de punt van zijn lans bleef er vast in zitten. Zelfs in dit groot gevaar handhaafde de Tempelier zijn roem nog: en ware niet de singel van zijn zadel gebroken, zoo had hij zich waarschijnlijk staande gehouden; door dit toeval echter rolden zadel, paard en man onder een wolk van stof ter aarde.

Zich van de stijgbeugels en het gevallen paard los te maken, was voor den Tempelier nauwelijks het werk van één oogenblik; en woedend gemaakt door zijn ongeluk en door de toejuichingen der aanwezigen, trok hij zijn zwaard, en zwaaide het, om den overwinnaar uit te dagen.

De Onterfde Ridder sprong van het paard, en ontblootte insgelijks zijn zwaard. De maarschalken echter, kwamen met hunne paarden tusschen beiden, en herinnerden hen, dat de toernooiwetten, bij de tegenwoordige gelegenheid, deze soort van strijd niet veroorloofden.

"Wij zullen elkander wel weder ontmoeten, denk ik," zei de Tempelier, een vreeselijken blik op zijn vijand werpende, "en wel op eene plaats waar ons niemand scheiden kan!"

"Het zal mijn schuld niet zijn, als het niet geschiedt!" antwoordde de Onterfde Ridder. "Te voet of te paard, met lans, bijl of zwaard, ben ik altijd gereed tegen u te strijden!"

Zij zouden nog meer en heviger woorden gewisseld hebben, zoo de maarschalken hen niet gedwongen hadden te scheiden, door hun lansen tusschen beiden te kruisen. De Onterfde Ridder keerde naar zijne eerste standplaats terug, en Bois-Guilbert naar zijne tent, waar hij het overige van den dag in wanhopige woede doorbracht.

Zonder van het paard te stijgen, vroeg de overwinnaar om een beker wijn, en het onderste gedeelte van zijn vizier openende, riep hij: "Ik drink op het welzijn van alle oprechte Britsche harten, en op den ondergang van alle vreemde dwingelanden!"

Daarop beval hij zijn trompetter, eene uitdaging aan de kampvechters te blazen, en liet hun door een heraut aanzeggen, dat hij geen keus wilde doen, maar dat hij tegen hen strijden zou, in welke orde zij zelven zouden verkiezen.

De reusachtige Front-de-Boeuf, in eene zwarte wapenrusting gedost, was de eerste, die in het strijdperk verscheen. Hij droeg op een wit schild een zwarten stierenkop, half uitgewischt in de talrijke gevechten, die hij geleverd had, en het verwaande motto: "_Cave, adsum!_" (Wacht u, ik ben er). Op dezen kampvechter behaalde de Onterfde Ridder eene geringe maar beslissende overwinning. Beide strijders braken hunne lansen behoorlijk, maar Front-de-Boeuf, die een stijgbeugel in den schok verloren had, werd voor overwonnen verklaard.

In den derden strijd was de vreemdeling even gelukkig tegen Philip de Malvoisin; daar hij dezen ridder zoo geweldig op den helm trof, dat de banden er van braken; en Malvoisin, die slechts door het afvallen van den helm zelf gered werd, bekende zich, evenals zijn metgezellen, overwonnen.

In den vierden strijd, met de Grantmesnil, toonde de Onterfde Ridder even veel hoffelijkheid, als hij tot hiertoe moed en vlugheid had doen blijken. Het paard van de Grantmesnil, dat jong en vurig was, geraakte onder het loopen aan het hollen, zoodat de ruiter zijn doel miste, en de vreemdeling, geen gebruik willende maken van het voordeel, dat dit toeval hem aan de hand gaf, hield zijn lans in de hoogte, en voorbij zijn tegenpartij rijdende, zonder hem aan te raken, wendde hij zijn paard, en reed naar zijn plaats terug. Hij liet door den heraut zijn vijand de kans van een tweede gevecht aanbieden. Maar dit wees de Grantmesnil van de hand, en bekende zich overwonnen, zoowel door de beleefdheid, als door de behendigheid van zijne tegenpartij.

Ralph de Vipont maakte de lijst der zegepralen van den vreemdeling voltallig; hij werd met zooveel geweld tegen den grond gesmeten, dat het bloed hem uit neus en mond sprong, en hij bewusteloos uit het strijdperk gedragen werd.

Het vreugdegeschreeuw van duizenden juichte de eenstemmige verklaring van den Prins en de maarschalken toe, die de eer van den dag aan den Onterfden Ridder toekenden.

NEGENDE HOOFDSTUK.

--In 't midden stond een vrouw. Men kon aan 't schoon gelaat en d' eedler wezenstrekken Weldra in haar de koningin ontdekken. . . . . . . . . . . . . . . . . . . Gelijk haar schoonheid aller glans verdooft, Zoo was haar tooisel ook meer uitgelezen; Haar sierde een diadeem van goud het hoofd, Eenvoudig, rijk, maar zonder pronk te wezen; Zij droeg een Agnus-Castus tak daarbij, En hield omhoog het beeld der heerschappij.

De bloem en het blad.

William de Wyvil en Steven de Martival, de maarschalken, brachten het eerst den overwinnaar hunne gelukwenschen, en verzochten hem tevens zijn helm te laten losmaken, of ten minste zijn vizier te openen, voordat zij hem naar Prins Jan geleidden, om uit diens handen den prijs voor dezen dag van het toernooi te ontvangen.

De Onterfde Ridder weigerde aan hun verzoek te voldoen, terwijl hij met ridderlijke beleefdheid te kennen gaf, dat hij voor het oogenblik zijn gezicht niet kon laten zien, om redenen, die hij aan de herauten, bij zijn verschijning in het strijdperk, opgegeven had. De maarschalken waren volkomen tevreden met dit antwoord; want onder de grillige geloften, waardoor de ridders in die tijden gewoon waren zich te verbinden, was er geen meer algemeen dan die, om onbekend te blijven gedurende een zekeren tijd, of tot het einde van het een of ander avontuur. De maarschalken drongen dus niet verder in het geheim van den Onterfden Ridder; maar aan Prins Jan het verlangen van den overwinnaar, om onbekend te blijven, mededeelende, verzochten zij verlof, hem voor zijn Hoogheid te mogen brengen, ten einde de belooning zijner dapperheid te ontvangen.

De nieuwsgierigheid van den prins werd door de geheimzinnigheid van den vreemdeling opgewekt; en reeds ontevreden over den uitslag van het toernooi, waarin de door hem begunstigde uitdagers achtereenvolgens door één ridder waren overwonnen, antwoordde hij de maarschalken op trotschen toon: "Bij het licht der oogen van de Heilige Maagd, deze ridder is onterfd zoo wel van beleefdheid, als van zijne bezittingen, daar hij voor ons begeert te verschijnen, zonder zijn gelaat te ontblooten.--Weet gij misschien ook, mijne heeren," zeide hij, zich naar zijn gevolg keerende, "wie die jongeling is, die zich zoo trotsch gedraagt?"

"Ik kan het niet gissen;" antwoordde De Bracy, "en ik had ook niet gedacht, dat er tusschen de vier zeeën, welke Brittanje omringen, één kampvechter te vinden zou zijn, die deze vijf ridders op één dag overwinnen kon. Op mijn eer, ik zal nooit het geweld vergeten, waarmede hij tegen De Vipont stiet. De arme ridder werd uit den zadel geworpen, als een steen uit een slinger!"

"Beroem u daar niet op," zeide een Johanniter, die tegenwoordig was; "uw Tempelier ging het niet beter. Ik zag Bois-Guilbert drie maal over het hoofd tuimelen, en ieder keer de handen vol zand krijgen."

De Bracy, die den Tempeliers toegedaan was, wilde antwoorden; maar Prins Jan belette hem door uit te roepen: "Stilte, heeren! waartoe deze nuttelooze twist?"

"De overwinnaar," zei de Wyvil, "wacht nog op de bevelen van uwe Hoogheid."

"Wij veroorloven hem te wachten," hernam de Prins, "totdat wij vernemen, of er niemand is, die ten minste zijn naam en stand kan gissen. Al moest hij ook tot den avond wachten, het schaadt hem niet: hij heeft werk genoeg gehad, om zich warm te houden."

"Uw Hoogheid," zeide Waldemar Fitzurse, "doet den overwinnaar minder dan de verschuldigde eer aan, als gij hem dwingt te wachten, tot wij uw Hoogheid zeggen, wat wij niet weten.--Ik ten minste kan het niet raden,--of het moest een van de dappere strijders zijn, welke koning Richard vergezelden, en die nu, één voor één, uit het Heilige Land terugkeeren."

"Het kan de graaf van Salisbury zijn," zei De Bracy; "hij is omtrent van dezelfde grootte."

"'t Is eerder Thomas De Multon, de ridder van Gilsland," hervatte Fitzurse, "Salisbury is een veel zwaarder man."--Er ontstond een gefluister onder het gevolg, zonder dat men ontdekken kon bij wien het begon: "Het kon de Koning,--het kon Richard Leeuwenhart zelf zijn!"

"God beware!" riep Prins Jan, op hetzelfde oogenblik doodsbleek wordende, en sidderende, alsof hij door den bliksem getroffen werd; "Waldemar! De Bracy!--dappere ridders en heeren, herinnert u uwe beloften, en staat mij getrouw bij!"

"Er is nog geen gevaar!" zei Waldemar Fitzurse. "Kent gij zoo weinig de reusachtige leden van uw vaders zoon, dat gij u verbeeldt, dat ze in gindsche wapenrusting kunnen besloten worden?--De Wyvil en Martival, gij bewijst den Prins den besten dienst, wanneer gij den overwinnaar bij den troon brengt, en een einde maakt aan eene dwaling, die al het bloed van zijne wangen gejaagd heeft.--Beschouw hem oplettender," ging hij voort, "uwe Hoogheid zal zien, dat hij drie duim kleiner is, dan koning Richard, en zes duim smaller over de schouders. Het paard, dat hij berijdt, zou koning Richard niet in één enkelen strijd hebben kunnen dragen."

Terwijl hij nog sprak, leidden de maarschalken den Onterfden Ridder naar den voet van een houten trap, welke van het strijdperk naar den troon van Prins Jan liep. Nog onthutst door de gedachte, dat zijn broeder, wien hij zoo veel verplicht was, en dien hij zoo zwaar beleedigd had, plotseling in zijn koninkrijk was teruggekeerd, verbande zelfs het in het oog vallende onderscheid, dat Fitzurse aangewezen had, de vrees des Prinsen niet geheel; en terwijl hij, met een korte en verlegene lofspraak op zijne dapperheid, beval, hem het strijdpaard, dat als prijs was uitgeloofd, over te geven, sidderde hij van angst, dat misschien van achter het gesloten vizier een antwoord mocht komen, in de zware, vreeselijke stem van Richard Leeuwenhart. Maar de Onterfde Ridder antwoordde op het compliment van den Prins alleen met eene diepe buiging.