Ivanhoe

Chapter 8

Chapter 83,768 wordsPublic domain

Men moet hier opmerken, dat de ridders van deze orden voor vijanden van Koning Richard gehouden werden, daar zij de partij van Filips van Frankrijk gekozen hadden, in de lange twisten tusschen dezen vorst en Richard Leeuwenhart. Het is bekend, dat door deze tweedracht Richard's herhaalde overwinningen verijdeld, zijne avontuurlijke pogingen om Jeruzalem te belegeren, teleurgesteld werden, en dat de vrucht van al den roem, dien hij verworven had, zich bepaalde tot eene onzekere wapenstilstand met den Sultan Saladin. Uit dezelfde staatkunde, welke het gedrag hunner broederen in het Heilige Land bestierd had, verbonden zich de Tempeliers en Hospitaalridders in Engeland en Normandië met de partij van Prins Jan, daar zij weinig reden hadden te verlangen naar Richard's terugkomst, of naar de opvolging van Arthur, zijn wettigen erfgenaam. Daarentegen haatte en verachtte Prins Jan de weinige aanzienlijke Saksische geslachten, die nog in Engeland bestonden, en hij liet geene gelegenheid voorbijgaan, ze te kwetsen en te hoonen, omdat het hem bewust was, dat zijn persoon en zijne eischen hun mishaagden, zoowel als aan het grootste gedeelte van het Engelsche volk, dat verdere inbreuken op zijne rechten en vrijheden vreesde van een vorst met zulk een losbandig en tiranniek karakter als Jan.

Vergezeld van zijn bont gevolg, en zelf prachtig in karmozijn en goud gekleed, een valk op de hand dragende, het hoofd bedekt met een rijke muts van bont, versierd met een rand van edelgesteenten, waaronder zijn lang gekruld haar te voorschijn kwam, dat tot op zijn schouders hing, galoppeerde Prins Jan op een schimmel door het strijdperk aan het hoofd van den bonten stoet, met zijne vrienden lachende, en met al de stoutheid van een koninklijken kenner de schoonen beschouwende, welke de hooge galerijen bezetten.

Zij, die in het gelaat van den Prins eene losbandige stoutheid, met overdreven hoogmoed en onverschilligheid voor de gevoelens van anderen vermengd, bespeurden, konden echter niet ontkennen, dat er een zekere aanvalligheid op lag, die, eigen aan open, welgevormde trekken, kunstmatig aan de regels van uiterlijke beleefdheid gewend, echter in zooverre edel en oprecht zijn, dat zij buiten staat schijnen, de natuurlijke gemoedsaandoeningen te verbergen. Zulk eene gelaatsuitdrukking wordt dikwijls verkeerd voor manhaftig vrijmoedig gehouden, daar ze, inderdaad, slechts voortspruit uit de zorgelooze onverschilligheid van een losbandig karakter, uit de bewustheid van hooge geboorte, van rijkdom, of eenige andere toevallige voordeelen, die in het geheel niet van persoonlijke verdiensten afhangen. Voor hen, die niet zoo diep dachten, en niet één uit honderd deed dit, was de pracht van des Prinsen _rheno_ (d. i. pelskraag), van zijn mantel met het kostbaarste hermelijn omzet, van zijn marokijnen laarzen en gouden sporen, tegelijk met de bevalligheid, waarmede hij zijn paard in bedwang hield, voldoende, om hem met een luid vreugdegejuich te doen ontvangen.

Gedurende zijn feestelijken tocht door het strijdperk, werd de aandacht van den Prins getrokken door de opschudding, welke het eerzuchtige streven van den Jood Izaäk naar eene hoogere zitplaats veroorzaakte. Het scherpe oog van Prins Jan herkende den Jood terstond, maar werd veel aangenamer aangetrokken door de schoone dochter van Sion, die, verschrikt door het oproer, zich dicht aan haar ouden vader klemde.

De gedaante van Rebekka kon werkelijk vergeleken worden bij de eerste schoonheden van Engeland, zelfs als die had moeten beoordeeld worden door een zoo fijnen kenner als Prins Jan. Haar leest was buitengemeen schoon, en kwam op het voordeeligst uit door een soort van Oostersche kleeding, die zij volgens het gebruik der vrouwen van haar natie droeg. Haar tulband, van gele zijde, paste goed bij haar donkere gelaatskleur. Het vuur harer oogen, de heerlijk gebogen wenkbrauwen, de fijn gevormde haviksneus, parelwitte tanden, en zwaar zwart haar, dat in fijne, krullende lokken op den blanken hals en boezem vielen, voor zooverre een doek van de kostbaarste Perzische zijde, met bloemen in natuurlijke kleuren op een purpergrond gewerkt, ze niet bedekte,--dit alles verhoogde de bekoorlijkheden, welke niet overtroffen werden door die der schoonste meisjes, welke haar omringden. Het moet gezegd worden dat de drie bovenste gouden en met paarlen bezette lissen, die haar kleed van den hals tot aan den gordel sloten, wegens de groote warmte waren opengelaten, hetgeen haar schoone gestalte des te meer zichtbaar maakte. Een diamanten halssnoer van onschatbare waarde viel op deze wijze ook in 't oog. Een struisveder, aan den tulband vastgemaakt met een diamanten haak, was nog een onderscheidingsteeken der schoone Jodin, waarover de trotsche dames, die boven haar zaten, spotten en lachten, terwijl zij haar in stilte benijdden.

"Bij den kalen schedel van Abraham," zei Prins Jan, "die Jodin dáár is waarlijk het model van die volmaakte schoonheid, wier bekoorlijkheden den wijsten Koning, die ooit geleefd heeft, tot waanzin brachten. Wat zegt gij er van, Prior Aymer?--Bij den Tempel, welken mijn wijze broeder Richard niet in staat was te herwinnen, zij is de ware bruid uit het Hooge Lied!"

"De roos van Saron en de lelie der dalen," antwoordde de Prior fluisterend; "maar uw Hoogheid moet niet vergeten, dat het slechts eene Jodin is!"

"Ach!" voegde Prins Jan er bij, zonder op dezen raad te letten, "en daar is mijn zondige Mammon ook;--de Markies van de Goudmijn, Baron van de Beurs, die met arme duivels, wier afgesleten mantels toonen, dat zij geen penning in den zak dragen, om hun lompen bij elkander te houden, om een plaats twist. Bij den heiligen Markus, mijn woekervorst zal met zijne bekoorlijke Jodin eene plaats in de galerij hebben.--Izaäk! wie is die Oostersche Houri, die gij even vast onder uw arm houdt, alsof zij eene geldkist was;--is het uw vrouw of dochter?"

"Mijne dochter Rebekka, tot uwer Hoogheids dienst," antwoordde Izaäk, met eene diepe buiging, geheel niet verlegen over den groet van den Prins, ofschoon daarin evenveel spotternij als beleefdheid lag opgesloten.

"Des te beter voor u!" riep Jan met een schaterend gelach, dat bij zijn vroolijk gevolg in alle onderdanigheid aanstekelijk scheen. "Maar, dochter of vrouw, aan haar moet de voorrang gegeven worden, die aan hare schoonheid en uwe verdiensten toekomt.--Wie zit daar boven?" ging hij voort, zijn oog op de galerij richtende. "Saksische boeren op hun gemak uitgestrekt;--weg met hen!--laat ze maar wat opschikken, en ruimte maken voor mijn woekervorst en zijne beminnelijke dochter. Ik zal hun leeren, de eerste plaatsen der Synagoge te deelen met hen, aan wie de Synagoge eigenlijk behoort."

Zij, die de galerij bezetten, en tot wie deze onbeleefde en beleedigende taal gericht was, waren het gezin van Cedric den Sakser, met dat van zijn bloedverwant Athelstane van Coningsburgh, een man, die, wegens zijne afkomst van den laatsten Saksischen vorst in Engeland, bij alle Saksische inboorlingen van het noorden van Engeland in de grootste achting stond. Maar met het bloed van dezen ouden koninklijken stam waren vele van diens zwakheden op Athelstane overgegaan. Hij had een schoon gelaat, was zwaar en sterk van lichaam, en in den bloei zijner jaren, maar had geene levendigheid in zijn uiterlijk; zijne oogen waren zonder uitdrukking; hij was langzaam in zijne bewegingen, en zoo traag in zijne besluiten, dat men hem den scheldnaam van een zijner voorouders gaf, en hij dikwijls Athelstane de Besluitelooze genoemd werd. Zijne vrienden,--en hij had er velen, die, evenals Cedric, vurig aan hem verkleefd waren,--geloofden, dat dit traag karakter niet uit gebrek aan moed, maar uit loutere besluiteloosheid voortsproot; anderen beweerden, dat de geërfde ondeugd der dronkenschap zijn bovendien niet zeer scherp vernuft verstompt had, en dat de geduldige moed en zachte goedaardigheid, welke overbleven, slechts de overblijfsels van een karakter waren, dat uitstekend had kunnen worden, maar waarvan alle degelijke eigenschappen in een lange reeks der ergste uitspattingen waren verloren geraakt.

Het was tot dezen man, dien wij nu beschreven hebben, dat de Prins het stoute bevel richtte, om plaats te maken voor Izaäk en Rebekka. Athelstane, geheel uit het veld geslagen door een bevel, dat volgens de zeden en gevoelens dier tijden zeer beleedigend was, wilde niet gehoorzamen; maar niet wetende hoe zich te houden, verzette hij zich slechts door de _vis inertiae_, tegen den wil van den Prins; en zonder de minste beweging te maken, om hem te gehoorzamen, opende hij de groote grauwe oogen, en staarde den Prins aan met een verbazing, die iets zeer belachelijks had. Maar de ongeduldige Prins beschouwde het niet uit dit oogpunt. "Het Saksische zwijn," zeide hij, "slaapt, of stoort zich niet aan hetgeen ik zeg.--Geef hem eventjes een prik met uw lans, De Bracy," vervolgde hij tot een ridder, die naast hem reed en die aanvoerder was van een hoop Condottieri, dat is, huurlingen, die tot geen bijzondere natie behoorden, maar aan iederen vorst gehecht waren, die hen betalen wilde. Er ontstond een gemor, zelfs onder het gevolg van Prins Jan; maar De Bracy, wiens beroep hem voor alle schroomvalligheid bewaarde, strekte zijn lange lans uit over de ruimte, die de galerij van het strijdperk scheidde, en zou het bevel van den Prins ten uitvoer gebracht hebben, zelfs eer Athelstane de Besluitelooze genoeg tegenwoordigheid van geest gevonden had, om voor den stoot te wijken, had niet Cedric, die even vurig als zijn metgezel traag was, met de snelheid van den bliksem zijn kort zwaard getrokken, en met één slag de punt van de lans er afgeslagen. De toorn kleurde de wangen van Prins Jan; hij uitte een geweldigen vloek, en was op het punt eene even geweldige bedreiging te laten volgen, toen hij in zijn voornemen belet werd, gedeeltelijk door zijn eigen gevolg, dat zich rond hem verdrong en hem smeekte te bedaren, gedeeltelijk door de algemeene, luide toejuiching van het volk, over het moedige gedrag van Cedric. De Prins sloeg de oogen vol verontwaardiging in het rond, alsof hij een zeker en gemakkelijk slachtoffer zoeken wilde; en bij toeval den vasten blik van den reeds gemelden boogschutter ontmoetende, die in zijn goedkeurende houding scheen te willen volharden, in weerwil van den toornigen blik van den Prins, vroeg hij hem de reden van zijn luid gejuich.

"Ik roep altijd bravo," zei de schutter, "als ik een goed schot of een krachtigen houw zie!"

"Zoo?" antwoordde de Prins; "dan kunt gij zeker het wit ook wel treffen, wed ik?"

"Ja," hervatte de schutter, "jagers wit op jagers afstand kan ik treffen."

"En Tyrrels wit op honderd el afstand!" [12] riep eene stem achter hem, zonder dat men onderscheiden kon, van wien die kwam.

Deze toespeling op het lot van den Rooden Willem, een zijner voorouders, vertoornde en verontrustte Prins Jan te gelijk. Hij vergenoegde zich echter met den gewapenden, die het strijdperk omringden te bevelen, een wakend oog te houden op dezen snoever, zooals hij den schutter noemde. "Bij St. Griselda," voegde hij er bij, "wij zullen de bekwaamheid van hem beproeven, die zoo bij de hand is, om de daden van anderen te prijzen."

"Ik zal mij niet aan de proef onttrekken!" hernam de schutter met een bedaardheid, die zijn vast karakter te kennen gaf.

"Intusschen staat op, gij Saksische boeren," riep de driftige Prins; "want bij het licht des hemels, zoo waar ik het gezegd heb, zal ook de Jood bij u zitten!"

"Geenszins, met verlof van uw Hoogheid; het past voor onzes gelijken niet, onder de beheerschers van het land te zitten!" zei de Jood, wiens eerzucht hem den voorrang wel deed betwisten aan den uitgeteerden en verarmden afstammeling der Montdidiers, maar die het niet waagde, zich aan de rijke Saksers op te dringen.

"Naar boven, ongeloovige hond, als ik het u beveel!" zeide Prins Jan, "of ik laat uw zwarte huid afvillen en tot een zadeldek bereiden."

Dus voortgedreven, begon de Jood de steile en nauwe trap op te klimmen, die naar de galerij geleidde.

"Laat mij zien, wie hem durft tegenhouden," zei de Prins, het oog op Cedric vestigende, wiens houding te kennen gaf, dat hij voornemens was den Jood hals over kop naar beneden te werpen.

Dit werd verhinderd door Wamba, die tusschen zijn meester en Izaäk sprong, en tot antwoord op des Prinsen uitdaging uitriep: "Voorwaar, dat zal ik doen!" Hierop hield hij den Jood een stuk gerookt spek als een schild tegemoet, dat hij van onder den mantel uit haalde, en waarmede hij zich zonder twijfel voorzien had, uit vrees, dat het toernooi langer mocht duren, dan zijn honger hem vergunde te wachten. Den afschrik van zijn stam zoo dicht bij zijn neus ruikende, terwijl de nar te gelijk zijn houten zwaard boven zijn hoofd zwaaide, week de Jood achteruit, gleed en viel den trap af, tot groot vermaak der toeschouwers, die in een luid gelach uitbarstten, waaraan Prins Jan en zijn gevolg hartelijk deel namen.

"Geef mij den prijs, neef Prins," zeide Wamba; "ik heb mijn vijand in den eerlijken strijd met schild en zwaard overwonnen!" Dit zeggende, zwaaide hij het spek met de eene hand en het houten zwaard met de andere.

"Wie en van waar zijt gij, edele strijder?" vroeg Prins Jan, steeds lachende.

"Een nar van afkomst," antwoordde Wamba. "Ik ben Wamba, de zoon van Weetniet, die de zoon was van Warhoofd, die de zoon was van een Raadsheer."

"Maakt plaats voor den Jood in de voorste rij van den ondersten kring," zei Prins Jan, niet ontevreden misschien, een voorwendsel te vinden, om van zijn eerste voornemen te kunnen afzien; "den overwonnene naast den overwinnaar te plaatsen, ware tegen de wetten der ridderschap!"

"De schelm naast den nar zou nog erger zijn," hernam Wamba, "en de Jood naast den ham het ergste van alles."

"Gij hebt gelijk, vriend!" riep Prins Jan; "gij bevalt mij.--Hier, Izaäk! leen mij een handvol daalders."

Terwijl de Jood, verschrikt over dezen eisch, niet durvende weigeren en ongaarne gehoorzamende, in den pelszak tastte, welke aan zijn gordel hing, en misschien onderzocht, hoe weinig stuks voor een handvol zouden kunnen doorgaan, bukte zich de Prins naar hem toe, en maakte een einde aan Izaäk's onzekerheid, door den zak van zijn zijde te scheuren; en Wamba een paar van de goudstukken, die er zich in bevonden, toewerpende, galoppeerde hij het strijdperk rond, den Jood aan het gelach der omstanders prijs gevende, terwijl hij zelf evenzeer door de aanschouwers toegejuicht werd, alsof hij een edele, eervolle daad verricht had.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Het luid trompetgeschal heeft strijders uitgedaagd, Beantwoord weêr door hen, dien d' eedle kamp behaagt. De daverende klank vervult de lucht en dreven; En 't ros gespoord, 't vizier gesloten, rukken ze aan Van d' open slagboom naar het midden van de baan, Met uitgestrekte lans, of helmwaarts opgeheven.

Palamon en Arcite.

Midden in zijn rit hield Prins Jan op eens stil en, den Prior van Jorvaulx roepende, verklaarde hij, de voornaamste zaak van den dag verzuimd te hebben.

"Zoo waar ik leef, Prior!" zeide hij, "wij hebben vergeten de Koningin der Liefde en Schoonheid te benoemen, door wier blanke hand de prijs der overwinning moet uitgedeeld worden. Wat mij betreft, ik ben niet bekrompen in mijne wijze van denken, en maak geene zwarigheid mijn stem aan de zwart-oogige Rebekka te geven."

"Heilige Maagd!" antwoordde de Prior, de oogen met afschrik afkeerende, "eene Jodin!--Wij verdienden uit het strijdperk gesteenigd te worden, en ik ben nog niet oud genoeg, om een martelaar te worden. Buitendien zweer ik bij mijn beschermheilige, dat zij in schoonheid voor de beminnelijke Saksische Jonkvrouw Rowena verre moet onderdoen."

"Sakser of Jood, hond of zwijn," hervatte de Prins, "wat verschil is daar tusschen? Ik herhaal het, ik benoem Rebekka, al ware het ook alleen, om die Saksische lummels te ergeren!"

Er verhief zich een gemor, zelfs onder diegenen, die hem onmiddellijk omringden.

"Dit heet de scherts te ver drijven, Heer!" zeide De Bracy. "Geen ridder zal hier een lans breken, als men de vergadering zulk een schimp aandoet."

"Het zou eene moedwillige beleediging zijn," zeide Waldemar Fitzurse, een der oudsten uit het gevolg van Prins Jan, "en zoo uwe Hoogheid daarbij volhardt, kan het niet anders dan schadelijk voor uwe ontwerpen zijn."

"Mijnheer, ik hield u voor mijn volgeling en niet voor mijn raadsman," zei Jan, trotsch zijn paard doende stil staan.

"Zij, die uw Hoogheid op de paden volgen, welke zij bewandelt," zeide Waldemar op zachten toon, "verkrijgen het recht van raadslieden; want uw belang en uw veiligheid zijn er niet meer mede gemoeid, dan de hunne!"

Uit den toon, waarop dit gezegd werd, zag Jan de noodzakelijkheid in van te moeten toegeven. "Ik schertste slechts," hernam hij, "en gij valt op mij aan, als even zoovele adders. Noemt wie gij wilt, in 's duivels naam, en volgt uw eigen zin."

"Neen, neen," zei de Bracy, "laat den troon der Koningin onbezet, totdat de overwinnaar zal benoemd worden, en laat hem dan de dame kiezen, welke dien zal beklimmen. Dit zal aan zijn zegepraal eene dubbele waarde geven, en de schoone vrouwen leeren, de liefde der dappere ridders op prijs te stellen, die haar tot zulk eene eereplaats verheffen kunnen."

"Als Brian de Bois-Guilbert den prijs wint," zei de Prior, "dan wil ik mijn rozekrans verwedden, dat ik de Koningin van Liefde en Schoonheid noemen kan."

"De Bois-Guilbert," antwoordde De Bracy, "is een dapper ridder; maar er zijn anderen in dit strijdperk, Heer Prior, die niet vreezen, de kans tegen hem te wagen."

"Stil, Heeren," zeide Waldemar, "en laat den Prins zijne plaats innemen. De ridders en toeschouwers zijn even ongeduldig; het is hoog tijd, dat het spel een aanvang neme."

Ofschoon Prins Jan nog geen koning was, zoo had hij toch van Waldemar Fitzurse al den last van een eersten minister, die zijn vorst altijd op zijne eigene wijze dienen moet. De Prins gaf ook nu toe, schoon hij van karakter eigenzinnig was in kleinigheden; en, nadat hij zijn troon had ingenomen en zijn gevolg zich om hem geschaard had, gaf hij een teeken aan de herauten om de toernooiwetten te verkondigen, die in 't kort van den volgenden inhoud waren:

_Vooreerst_: de vijf uitdagers namen het tegen allen op, die zich aanboden.

_Ten tweede_: ieder ridder, die begeerde te strijden, kon, als hij wilde, eene bijzondere tegenpartij onder de uitdagers uitkiezen, door zijn schild met de lans aan te raken. Indien hij zulks met de omgekeerde lans deed, dan moest het gevecht plaats hebben met de wapenen van _courtoisie_, dat is, met lansen, aan welker einde een rond stuk hout bevestigd was, zoodat er geen gevaar bij was, behalve door den schok der paarden en ruiters. Maar zoo het schild aangeraakt werd met de scherpe punt der lans, dan moest het gevecht _à outrance_ plaats hebben, dat is, de ridders moesten met scherpe wapenen strijden, evenals in een wezenlijk gevecht.

_Ten derde_: wanneer de tegenwoordig zijnde ridders hunne gelofte volbracht hadden, om ieder vijf lansen te breken, zou de Prins den overwinnaar op den eersten toernooidag benoemen, die tot prijs een strijdpaard van uitgezochte schoonheid en weergalooze sterkte zou hebben; en tot bijgift bij deze belooning van zijn dapperheid, zou hij nog de bijzondere eer genieten, de Koningin der Liefde en Schoonheid te benoemen, die den volgenden dag den prijs zou uitdeelen.

_Ten vierde_: werd er bekend gemaakt, dat er op den tweeden dag een algemeen toernooi zou plaats hebben, waaraan alle tegenwoordig zijnde ridders, welke begeerig mochten zijn een prijs te winnen, deel konden nemen. Zij zouden in twee gelijke partijen verdeeld worden en manhaftig strijden, totdat Prins Jan een teeken zou geven, om het gevecht te eindigen. De verkozen Koningin der Liefde en Schoonheid zou dan den ridder, welken de Prins zou aanwijzen, als zich op dezen tweeden dag het dapperste te hebben gedragen, beloonen met een kroon van dunne goudplaten, in den vorm van een lauwerkrans. Op dezen tweeden dag eindigden de ridderspelen; maar den daarop volgenden, zouden er schijfschieten, stierengevechten en andere volksvermaken voor de onmiddellijke deelneming van het gemeen plaats hebben. Op deze wijze poogde Prins Jan den grond te leggen tot een volksgunst, welke hij altijd weder verspeelde door eenigen onbezonnen aanval op de gevoelens en vooroordeelen van de menigte.

Het strijdperk vertoonde nu een allerprachtigst schouwspel. De zich langzaam verheffende galerijen waren opgevuld met al wat edel, groot, rijk en schoon was in het noorden en midden van Engeland; en het contrast van de verschillende kleedingen der aanzienlijke toeschouwers maakte het tooneel even bont als rijk: terwijl de binnenste en lagere ruimte, met de gegoede burgers en landlieden van het gelukkige Engeland gevuld, in hunne eenvoudige kleederdracht, een donkeren rand rondom dat prachtige borduursel vormden, terwijl zij de pracht daarvan te gelijk afwisselden en verhoogden.

De herauten eindigden hun afkondiging met hun gewoon geroep van: "_Largesse_, _largesse_, dappere ridders!" en goud- en zilverstukken werden hun van de galerijen toegeworpen, daar het een voornaam punt der ridderschap was, milddadigheid te toonen jegens hen, welke men toen tegelijk voor de verkondigers en geschiedschrijvers der eer hield. De mildheid der toeschouwers werd erkend door het gewoon geschreeuw van: "Liefde der dames!--Dood van de strijders!--Eer voor de edelmoedigen!--Roem voor de dapperen!" waarbij de groote menigte haar gejuich, en een talrijke hoop trompetters het geschal van hun instrumenten voegden. Toen dit gedruisch gedaan was, verwijderden de herauten zich in bonten en schitterenden optocht uit het strijdperk, waarin geen mensch bleef dan de beide maarschalken, die, van top tot teen gewapend, en onbeweeglijk als standbeelden, aan de tegenovergestelde einden van het strijdperk te paard zaten. Intusschen was de geheele afgesloten ruimte aan het noordereinde van het strijdperk, hoe groot die ook was, met ridders opgevuld, die hun geluk tegen de uitdagers wenschten te beproeven, en van de galerijen gezien, hadden zij het voorkomen van een zee van golvende vederbossen, vermengd met glinsterende helmen en lange lansen, aan welker punt veelal vlagjes omtrent een span breed waren vastgebonden, welke, in den wind fladderende, zich met de rustelooze beweging der pluimen vereenigden, om levendigheid aan het tooneel bij te zetten.

Eindelijk gingen de slagboomen open, en vijf ridders door het lot gekozen, reden langzaam in het strijdperk, één kampvechter aan het hoofd en de vier anderen paarsgewijze volgende. Allen waren prachtig gewapend, en mijn Saksische oorkonde (het Wardour handschrift), beschrijft lang en breed hunne deviezen, hunne kleuren en het borduursel van hunne paardendekens. Het is onnoodig hieromtrent in bijzonderheden te treden; want om de regels van een nog levenden dichter te gebruiken, die maar al te weinig geschreven heeft:

De Ridders worden stof, hun zwaard den roest ten roof; Doch zalig is hun' ziel, naar de uitspraak van 't geloof. [13]

Hun wapenschilden zijn sedert lang vermolmd van de muren hunner kasteelen gevallen; de kasteelen zelve zijn niets meer, dan groene heuvels en verspreide puinhoopen;--de plaats, waar zij eens stonden, is zelfs niet meer bekend;--menig geslacht is reeds uitgestorven en vergeten in het land zelf, dat zij bewoonden, evenals het gezag der leenheeren en edelen. Waartoe zou het dus dienen, hun namen te vermelden; of de vergankelijke teekens op hun wapenschilden!