Chapter 7
De hardnekkigheid en gierigheid der Joden dus, in tegenoverstelling van de dweepzucht en de dwingelandij van hen, onder wie zij leefden, schenen, zoo te zeggen, te vermeerderen in evenredigheid met de vervolging, waaraan zij blootgesteld werden; en terwijl de ontzaglijke rijkdom, welken zij gewoonlijk in den handel verwierven, hen dikwijls in gevaar bracht, werd die op andere tijden gebruikt, om hun invloed uit te breiden, en hun een zekere mate van bescherming te bezorgen. Op dezen voet leefden zij, en hun karakter, hiernaar gewijzigd, was waakzaam, achterdochtig en vreesachtig--maar ook hardnekkig, slim en behendig in het vermijden der gevaren, waaraan zij blootgesteld waren.
Nadat de reizigers door verscheidene zijpaden met de grootste snelheid voortgereden waren, brak de pelgrim eindelijk het stilzwijgen af. "Die groote vervallen eik," zeide hij, "maakt de grenspaal uit van hetgeen Front-de-Boeuf zijn gebied noemt;--wij zijn verre van dat van Malvoisin. Er is nu geen vervolging meer te duchten."
"Mogen de wielen van hun wagens afvallen," zei de Jood, "zooals die van Farao's leger, opdat zij langzaam mogen rijden!--Maar verlaat mij niet, goede pelgrim,--denk maar aan dien trotschen, wilden Tempelier met zijne Saraceensche slaven;--zij zullen noch voor gebied, noch voor heerlijkheid, noch voor heeren-rechten, eerbied hebben."
"Onze weg," hernam de pelgrim, "moet hier uiteen loopen; want het past niet voor mannen van mijn stand en van den uwe, om langer samen te reizen, dan noodig is. Buitendien, wat hulp zoudt gij van mij, een vreedzamen pelgrim, tegen twee gewapende Heidenen kunnen verwachten?"
"O goede jongeling," antwoordde de Jood, "gij kunt mij verdedigen en ik weet ook wel, dat gij zulks wilt. Hoe arm ik ook ben, zal ik het u vergelden--niet met geld; want geld, zoo waar mij vader Abraham helpen zal, heb ik niet--maar--"
"Ik heb u reeds gezegd," viel hem de pelgrim in de rede, "dat ik geld, noch belooning van u begeer. Ik zal u geleiden en zelfs wel verdedigen, dewijl het een Christen niet onwaardig kan gerekend worden, een Jood tegen een Saraceen te beschermen. Derhalve, Jood, zal ik u, eer ik u verlaat, onder veilige geleide zien. Wij zijn nu niet ver van de stad Sheffield, waar gij licht velen van uw stam vinden zult, bij wie gij toevlucht nemen kunt."
"Vader Jacob zegene u, goede jongeling!" zei de Jood; "in Sheffield kan ik bij mijn bloedverwant Zareth eene schuilplaats vinden, en naar middelen uitzien, om in veiligheid verder te reizen."
"Het zij zoo," hervatte de pelgrim; "te Sheffield zullen wij dus van elkander scheiden, en na een half uur rijdens zullen wij de plaats in het gezicht krijgen."
Dit half uur werd van beide zijden in volkomen stilte doorgebracht; de pelgrim, het misschien beneden zich rekenende, om den Jood aan te spreken, behalve in geval van volstrekte noodzakelijkheid; en de Jood het niet wagende een man, wiens reis naar het Heilige Graf hem eene zekere eerwaardigheid gaf, tot een gesprek te dwingen. Zij hielden op den top van een zacht hellenden heuvel stil, en de pelgrim, op de stad Sheffield wijzende, welke onder hen lag, herhaalde de woorden: "Hier scheiden wij dus!"
"Niet, eer gij den dank van den armen Jood ontvangen hebt," zeide Izaäk; "want ik durf u niet vragen, met mij bij mijn neef Zareth te gaan, die mij misschien zou kunnen behulpzaam zijn, om uwe goede diensten te beloonen."
"Ik heb u reeds gezegd," antwoordde de pelgrim, "dat ik geene belooning begeer. Zoo gij onder de menigte uwer schuldenaars om mijnentwille de gevangenis en boeien besparen wilt aan den een of anderen ongelukkigen Christen, die in uw macht is, dan zal ik den dienst van dezen morgen rijkelijk beloond rekenen."
"Wacht--wacht!" zeide de Jood, hem bij het kleed vattende, "ik wilde gaarne iets meer doen, iets voor u zelven.--God weet het, dat ik een arme Jood ben--ja, Izaäk is de bedelaar van zijn stam--maar vergeef mij, als ik geraden heb, wat gij op dit oogenblik het vurigst begeert."
"Zoo gij goed raadt," hervatte de pelgrim, "dan kunt gij het mij toch niet verschaffen; al waart gij zoo rijk, als gij zegt arm te zijn."
"Als ik zeg?" riep de Jood; "O! geloof mij, ik zeg niets dan de zuivere waarheid; ik ben een uitgeplunderd, ongelukkig mensch, vol schulden. Hardvochtige menschen hebben mij alles ontroofd; mijne goederen, mijne schepen, mijn geld en alles, wat ik bezat.--En toch kan ik u zeggen, wat gij wenscht, en mogelijk kan ik het u ook verschaffen. Gij wenscht op dit oogenblik een paard en eene wapenrusting."
De pelgrim schrikte en keerde zich plotseling tot den Jood. "Welke booze geest heeft u dit doen raden?" vroeg hij haastig.
"Dat is onverschillig," antwoordde de Jood glimlachende, "maar evengoed, als ik uwe begeerte kan raden, kan ik er aan voldoen."
"Maar bedenk," zeide de pelgrim, "mijn stand, mijn kleeding, mijne gelofte."
"Ik ken u, Christenen," hervatte de Jood; "en ik weet, dat de edelsten onder u den staf en de sandalen wel eens nemen, tot bijgeloovige boete, en te voet gaan, om de graven van doode menschen te bezoeken."
"Laster niet, Jood!" zei de pelgrim streng.
"Vergeef mij!" hernam de Jood; "ik heb onbedachtzaam gesproken. Maar er zijn u gisterenavond en hedenmorgen woorden ontvallen, die, evenals de vonken uit een keisteen, het metaal, dat er binnen schuilt, verraden; en in uw boezem zijn onder het pelgrimskleed een ridderketen en gouden sporen verborgen. Zij glinsterden mij tegemoet, toen gij u hedenmorgen over mijn bed boogt."
De pelgrim kon een glimlach niet bedwingen en zeide: "Zoo uw kleederen door een even nieuwsgierig oog doorzocht werden, Izaäk, welke ontdekkingen zou men dan niet kunnen doen?"
"Hier niet meer van!" hervatte de Jood, verbleekende; en schielijk zijn schrijfgereedschap voor den dag halende, alsof hij het gesprek wilde afbreken, begon hij iets op een stukje papier te schrijven, dat hij op zijn gele muts legde, zonder van den muilezel af te stijgen. Toen hij gedaan had, gaf hij het briefje, dat in het Hebreeuwsch geschreven was, aan den pelgrim, en zeide: "In de stad Leicester kent ieder den rijken Jood Kirjath Jairam uit Lombardije; geef hem dit briefje--hij heeft zes Milaneesche wapenrustingen te koop; de minste daarvan zou een gekroond hoofd waardig zijn--tien schoone paarden, waarvan het slechtste goed genoeg ware voor een koning, al moest hij om zijn troon strijden. Hieruit zal hij u de keur geven--met alles wat gij voor het toernooi noodig hebt; als alles afgeloopen is, zult ge het hem in goeden staat teruggeven--zoo gij geen geld genoeg hebt, om de waarde daarvan aan den eigenaar te betalen."
"Maar Izaäk," zei de pelgrim glimlachende, "weet gij wel, dat in die wapenspelen de wapenen en het paard van den ridder, die uit den zadel gelicht wordt, het eigendom van den overwinnaar worden? En ik kan ongelukkig zijn, en dus verliezen, wat ik teruggeven, noch betalen kan."
De Jood scheen een weinig verschrikt over deze mogelijkheid, maar weder moed vattende, hernam hij haastig: "Neen--neen--neen--het is onmogelijk--ik kan dat niet denken. De zegen van onzen Vader zal op u rusten. Uw lans zal machtig zijn, als de staf van Mozes!"
Na deze woorden wendde de Jood den kop van zijn muilezel om; toen de pelgrim op zijn beurt hem bij den mantel vast hield en hem zeide: "Maar waarlijk, Izaäk, ge kent al het gevaar niet. Het paard kan gedood, en de wapenrusting beschadigd worden--want ik zal noch mijn paard, noch mijn persoon sparen. Buitendien geven de lieden van uw stam niets voor niet; er moet dus iets voor het gebruik betaald worden."
De Jood kromp op zijn zadel inéén, als iemand die een aanval van koliek heeft; maar zijn beter gevoel zegevierde over de hem natuurlijke denkwijze. "Het kan mij niet schelen," zeide hij, "het kan mij niet schelen--laat mij gaan! Als er schade aan komt, zal het u niets kosten--als er huurgeld voor wezen moet, zal Kirjath Jaïram u zulks schenken ter liefde van zijn bloedverwant Izaäk.--Vaarwel!--Maar hoor eens, goede jongeling," zeide hij, zich omkeerende, "waag u niet te veel in het ijdele gewoel;--ik spreek niet uit vrees, dat het paard of de wapenrusting letsel krijgen, maar om uw eigen leven en lichaam."
"Hartelijk dank voor uw zorg," hernam de pelgrim, weder glimlachende: "Ik zal van uw dienstvaardigheid gebruik maken, en het moet erg met mij afloopen, zoo ik die niet beloon."
Zij scheidden en namen verschillende wegen naar de stad Sheffield.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De ridders togen op, gehuld in 't sierlijk wapen, Omringd door heel een stoet van dienende edelknapen; De één bond het helmsnoer vast; een ander hield de lans; Een derde bracht het schild, dat blonk van wondren glans. Het ros, vol ongeduld, aan 't brieschen, stampen, snuiven, Beschuimde 't fraai gebit en deed den bodem stuiven; De hoef- en wapensmids te paard, van hamers, leêr, Van vijlen rijk voorzien en spijkers, volgden 't heir; De schutters stonden voort gereed met boog en pijlen, Terwijl het boerenvolk met knuppels aan kwam ijlen.
Palamon en Arcite.
De toestand van het Engelsche [10] volk was in dit tijdperk vrij ellendig. Koning Richard was afwezig en gevangen, in de macht van den trouweloozen en wreeden Hertog van Oostenrijk. Zelfs was de plaats van zijn gevangenschap, evenals zijn lot, onbekend aan de meesten zijner onderdanen, die intusschen aan onderdrukkingen van allerlei aard ten prooi waren.
Prins Jan, in verbond met Filips van Frankrijk, Richard's doodvijand, gebruikte al zijn invloed bij den Hertog van Oostenrijk, om de gevangenschap van zijn broeder Richard, wien hij zooveel verschuldigd was, te verlengen. Intusschen versterkte hij zijn aanhang in het koninkrijk, waarvan hij de troonsopvolging, in geval van des konings dood, wilde betwisten aan den rechtmatigen erfgenaam, Arthur, Hertog van Bretagne, zoon van Geoffroi Plantagenet, zijn ouderen broeder. Deze overweldiging, gelijk bekend is, gelukte hem ook werkelijk op den duur. Daar zijn eigen karakter sluw, slecht en trouweloos was, verbond Jan gemakkelijk aan zijn persoon en aan zijne partij niet alleen hen, die reden hadden Richard's toorn te vreezen, wegens hun gedrag in zijne afwezigheid; maar ook de talrijke dappere vrijbuiters, welke van de kruistochten in hun vaderland waren teruggekeerd, volleerd in de ondeugden van het Oosten, arm aan goederen, verhard van karakter, en die hunne hoop stelden op een nieuwen oogst in de burgerlijke onlusten.
Bij deze bronnen van algemeene ellende en vrees moet nog gevoegd worden het groot getal van vogelvrijverklaarden, die, tot wanhoop gedreven door de onderdrukking van den hoogen adel, en door de strenge uitvoering der jachtwetten, zich in groote benden vereenigden, en, bezit nemende van de bosschen en woeste streken, de gerechtigheid en overheid van het land trotseerden. De edelen zelven, ieder binnen zijn eigen kasteel verschanst, en den kleinen vorst over zijn gebied spelende, waren de aanvoerders van benden, die nauwelijks minder ongebonden, en tegelijk ergere onderdrukkers waren, dan de roovers van beroep. Om deze volgelingen te onderhouden, met de buitensporigheid en pracht, waartoe zij door hoogmoed gedreven werden, leende de adel geld van de Joden op de meest woekerachtige renten, die aan hun goederen knaagden, als een verterende kanker, die slechts dan te genezen was, als zich de gelegenheid opdeed, om door de een of andere daad van geweld zich van hunne schuldeischers te bevrijden.
Onder de verschillende soorten van rampen, uit dezen ongelukkigen staat van zaken voortspruitende, leed het Engelsche volk toenmaals veel, en had reden de toekomst nog meer te vreezen. Om de ellende nog te vermeerderen, verspreidde zich eene besmettelijke ziekte van gevaarlijken aard door het land; en, nog verergerd door de morsigheid, het slechte voedsel en de ellendige woningen der geringere klassen, maaide zij er duizenden van weg, wier lot de overlevenden benijdden, daar het hen van verderen nood verloste.
Te midden echter van al deze rampen, gevoelden armen en rijken, het gemeen en de adel, bij een toernooi, het groote volksfeest van dien tijd, evenveel belangstelling, als de half uitgehongerde burger van Madrid, die geen _reaal_ over heeft om brood voor zijn huisgezin te koopen, gevoelt in den uitslag van een stieren-gevecht. Plicht noch zwakheid konden jong en oud van zulke vertooningen terug houden. De wapengang, zooals men het noemde, die plaats zou hebben te Ashby, in het graafschap Leicester, had de algemeene aandacht getrokken, daar kampvechters van den hoogsten roem, in tegenwoordigheid van Prins Jan zelven, in het strijdperk zouden treden; en een ontzaglijke toevloed van menschen van alle rangen spoedde zich op den bepaalden morgen naar de plaats van den strijd.
Het tooneel was bijzonder schilderachtig. Op de grenzen van een bosch, dat slechts een groot kwartier gaans van de stad Ashby verwijderd was, bevond zich een uitgestrekte, schoone, groene weide, aan de eene zijde door het woud, aan de andere door verspreid staande eiken, waarvan eenigen ontzaglijk hoog waren, omgeven. De grond helde van beide kanten langzaam af naar een vlakte, als voor het krijgsspel, dat dáár plaats zou hebben, gemaakt. Het strijdperk was met sterke palissaden ingesloten,--een vierde mijl lang, en half zoo breed. De vorm was langwerpig vierkant, behalve de hoeken, die afgerond waren, tot grooter gemak van de aanschouwers. De toegangen voor de kampvechters waren aan het noorder en zuider einde van het strijdperk; ze waren gesloten met sterke houten deuren, wijd genoeg om twee ruiters naast elkander door te laten. Bij elke dezer poorten stonden twee herauten en zes trompetters, evenzoo vele wapenboden, en een sterke, gewapende wacht om de orde te houden, en om den rang der ridders te onderzoeken, die aan dit krijgshaftig spel wilden deelnemen.
Op eene vlakte buiten den zuider ingang, gevormd door een natuurlijke verhevenheid van den grond, waren vijf prachtige tenten opgeslagen, versierd met donker roode en zwarte wimpels, de kleuren, welke de vijf uitdagende ridders gekozen hadden. De touwen der tenten waren van dezelfde kleur. Vóór iedere tent hing het schild van den ridder, aan wien ze behoorde, en daarnaast stond zijn schildknaap, vermomd als een wilde, of boschman, of in eenige andere zonderlinge kleeding, volgens den smaak van zijn meester en de rol welke deze gedurende het spel wilde aannemen [11]. De middelste tent, als de eereplaats, was toegewezen aan Brian de Bois-Guilbert, wiens naam in alle ridderspelen, niet minder dan zijne betrekking tot de ridders, welke dezen wapengang ondernomen hadden, hem gereedelijk onder het getal der uitdagers, en zelfs tot aanvoerder had doen aannemen, hoewel hij slechts sedert korten tijd zich bij hen gevoegd had. Aan één kant van zijn tent was die van Reginald Front-de-Boeuf en van Richard de Malvoisin, en aan den anderen was de tent van Hugo de Grantmesnil, een edele uit de buurt, wiens voorvader Opper-Ceremoniemeester van Engeland geweest was, ten tijde van den Veroveraar en van zijn zoon, den Rooden Willem. Ralph de Vipont, een ridder van St. Jan van Jeruzalem, die eenige bezittingen had te Heather, nabij Ashby-de-la-Zouche, bezette de vijfde tent. Van den ingang in het strijdperk leidde een langzaam oploopende weg, tien el breed, naar de hooge vlakte, waarop de tenten stonden. Deze was van beide kanten met palissaden omgeven, evenals de ruimte vóór de tenten, en het geheel werd door gewapenden bewaakt.
De noordelijke toegang tot het strijdperk was een soortgelijke gang, dertig voet breed, aan welks einde eene groote afgesloten plaats was voor die ridders, die geneigd mochten zijn den strijd tegen de uitdagers te wagen; dáár stonden ook tenten, met ververschingen van allerlei aard gereed; met wapen- en hoefsmeden en andere bedienden, bereid om hun diensten te bewijzen, overal waar ze noodzakelijk mochten zijn.
De buitenkant van het strijdperk was gedeeltelijk bezet met galerijen, voorzien met tapijten en zittingen voor die dames, ridders en edelen, welke bij het toernooi verwacht werden. Eene kleine ruimte tusschen deze galerijen en het strijdperk was bestemd voor de pachters en landlieden en de toeschouwers, die niet geheel tot het gemeen behoorden, en welke met de "_parterre_" in onze hedendaagsche schouwburgen kunnen vergeleken worden. De groote menigte zette zich op groote zodenbanken, die voor dat doel waren opgericht, en die door de natuurlijke verhevenheid van den grond hen in staat stelden, over de galerijen heen te zien, en een goed gezicht op het strijdperk te krijgen. Behalve deze plaatsen, hadden reeds honderden op de takken der boomen, welke de weide omringden, plaats genomen, en zelfs de toren van een niet ver afgelegen dorpskerk was met toeschouwers bezet.
Er blijft nog slechts over, ten opzichte van de geheele inrichting op te merken, dat eene hoogere galerij in het middelpunt van de oostelijke zijde van het strijdperk, en dus vlak tegenover de plaats, waar de strijders elkander ontmoeten moesten, opgericht was, die rijker versierd, en onderscheiden was door een soort van troonhemel, waarop het koninklijke wapen prijkte. Schildknapen, pages en trawanten in rijke kleeding stonden rondom die eereplaats, welke bestemd was voor Prins Jan en zijn gevolg. Tegenover deze koninklijke galerij, aan den westkant, bevond zich eene andere, even hoog, en bonter, schoon minder prachtig versierd, dan die van den Prins zelven. Een menigte pages en jonge meisjes van uitstekende schoonheid, groen en rood gekleed, omringden dien troon welke met dezelfde kleuren versierd was.
Onder de wimpels en vlaggen, beschilderd met gewonde, brandende en bloedende harten, bogen en pijlkokers en al de bekende zinnebeelden van de zegepralen van Cupido, viel een opschrift in het oog, dat de toeschouwers onderrichtte, dat deze de eereplaats was van _La Royne de la Beautté et des Amours_. Maar wie dit zijn zou, kon niemand gissen.
Langzamerhand stroomden toeschouwers van allen aard toe, om hunne verschillende plaatsen in te nemen, niet zonder vele twisten over die, waarop zij recht hadden. Eenige van deze geschillen werden zonder veel omslag door de gewapenden beslist, daar zij de grepen van hunne heirbijlen en de gevesten van hunne sabels vaardig gebruikten, als bewijsredenen, om de hardnekkigsten te overtuigen. Andere twisten, die tusschen personen van hoogeren rang bestonden, werden beslist door de herauten, of door de twee Wapen-Maarschalken, Willem de Wyvil en Steven de Martival, die gewapend in het strijdperk op en neder reden, om de goede orde onder de toeschouwers te bewaren.
Allengs vulden zich de galerijen met ridders en edelen in feestgewaad; hunne lange en rijk gekleurde mantels staken zeer af bij de meer bonte en prachtige kleeding der vrouwen, die, zelfs in grooter getal dan de mannen, elkander verdrongen, om een schouwspel te zien, dat te bloedig en te gevaarlijk scheen, om haar veel genoegen te kunnen verschaffen.
De benedenste en binnenste ruimte was weldra opgevuld met gegoede landlieden, burgers en diegenen van minderen adel, die uit bescheidenheid, armoede, of wegens betwiste rechten, geene hoogere plaats durfden innemen. Het is natuurlijk, dat onder deze klasse de meeste oneenigheid over den voorrang plaats had.
"Ongeloovige hond!" riep een oud man, wiens versleten mantel zijn armoede te kennen gaf, terwijl zijn zwaard, zijn dolk en zijn gouden ketting zijn aanspraak op hoogen rang bewezen;--"Roofdier! durft gij tegen een Christen aandringen, en nog wel tegen een Normandischen edelman van het geslacht der Montdidiers?"
Deze ruwe aanspraak was tot niemand anders gericht dan tot onzen kennis Izaäk, die, rijk en zelfs prachtig gekleed, in een mantel met kant omzet en met bont gevoerd, trachtte plaats te maken in de voorste rij onder de galerij voor zijne dochter, de schoone Rebekka, die te Ashby bij hem gekomen was, en nu aan den arm van haren vader hing, niet weinig verschrikt over het misnoegen, dat algemeen door haar vaders vermetelheid verwekt werd. Maar Izaäk, dien wij bij een andere gelegenheid zoo vreesachtig gezien hebben, wist wel, dat hij nu niets te duchten had. Het was niet op plaatsen van openbare vermakelijkheden, of waar huns gelijken vergaderd waren, dat eenig geldgierige of kwaadaardige edelman hem durfde aanvallen. Bij zulke gelegenheden waren de Joden onder de bescherming van de algemeene wet; en al was deze maar zwak, dan waren er gewoonlijk onder den vergaderden hoop eenige edelen, die uit eigenbelang gereed waren, als hun beschermers op te treden. Bij de tegenwoordige gelegenheid gevoelde Izaäk zich meer dan gewoon gerust, daar hij wist, dat Prins Jan bezig was eene groote leening bij de Joden van York te heffen, door het verpanden van zekere juweelen en landerijen. Izaäk's eigen deel in dezen handel was groot; en hij wist wel, dat de Prins, die vurig verlangde, de zaak ten einde te brengen, hem zijne bescherming zou verleenen in de verlegenheid, waarin hij zich nu bevond.
Overmoedig door deze overweging, vervolgde de Jood zijn doel, en stiet den Normandischen Christen op zijde, zonder achting voor zijne afkomst, zijn rang of zijn godsdienst. De klachten van den ouden man verwekten intusschen de verontwaardiging der menschen. Één daarvan, een sterk, gespierd jager, donker groen gekleed, met twaalf pijlen in den koker, met een zilveren koppel en een zes voet langen boog in de hand, keerde zich om; en terwijl zijn gelaat, dat door gedurig aan het weêr blootgesteld te zijn, bruin geworden was als een hazelnoot, van toorn gloeide, ried hij den Jood aan, zich te herinneren, dat al de rijkdom, welken hij door het uitzuigen van zijn ongelukkige slachtoffers verworven had, hem slechts als een kruisspin had doen opzwellen, welke men over het hoofd zou kunnen zien, zoolang ze in een hoek schuilde, maar die verpletterd zou worden, zoodra zij waagde voor den dag te komen. Dit verwijt in het Normandisch-Saksisch, met vaste stem en ernstigen blik gedaan, deed den Jood achteruit deinzen, en hij zou zich waarschijnlijk geheel uit eene zoo gevaarlijke buurt verwijderd hebben, ware niet plotseling ieders aandacht gevestigd geworden op de verschijning van Prins Jan, die op dit oogenblik het strijdperk binnen reed, vergezeld van een talrijk en bont gevolg, gedeeltelijk uit leeken, gedeeltelijk uit geestelijken bestaande; dezen even wereldsch in hunne kleeding en luchtig in hun gedrag, als hunne metgezellen. Onder de laatsten bevond zich de Prior van Jorvaulx, in het prachtigste gewaad, dat zijn geestelijke waardigheid toeliet. Bontwerk en goud waren niet aan zijn kleederen gespaard; en de punten van zijn laarzen, de bespottelijke mode van den tijd overdrijvende, staken zoo hoog naar boven, dat zij niet slechts tot aan de knieën, maar zelfs tot aan den gordel kwamen, en hem inderdaad beletten, den voet in den stijgbeugel te zetten. Dit was echter slechts een gering ongemak voor den dapperen abt, die zich misschien verheugde gelegenheid te hebben, zijne kunst in het rijden, voor zoo vele toeschouwers, en voornamelijk voor zoo vele van het schoone geslacht, ten toon te spreiden. Het overige gevolg van Prins Jan bestond uit de begunstigde aanvoerders van zijne huurlingen, eenige van roof levende edelen en ledigloopende hovelingen, met verscheidene Tempeliers en Johanniter-ridders.