Chapter 47
De jachtwetten, in deze tijden van onderdrukking, gaven tot zeer gevoelige grieven aanleiding. Deze harde wetten waren een gevolg van de Normandische verovering, want de Saksische jachtwetten waren vrijzinnig en menschlievend, terwijl die door Willem ingevoerd, die met de jacht dweepte en alle jachtrechten streng handhaafde, in alle opzichten tyranniek waren. De planting, of liever de inrichting van het _New Forest_ (in Hampshire,) getuigt van zijn liefde tot de jacht, daar menig schoon dorp verwoest werd, om het jachtgebied te vergrooten.
Het verminken der herdershonden, om ze te verhinderen het grof wild na te loopen, noemde men _lawing_, en was in algemeen gebruik.
Het reglement voor het behoud van het _New Forest_ bepaalt, dat het onderzoek, of de bezichtiging der honden tot dit doel, om het derde jaar plaats zal hebben door gekwalificeerde personen, en niet anders, en dat diegenen wiens honden niet behoorlijk aan de pooten verminkt zijn, een geldboete van drie _shillings_ betalen zullen, maar dat, voor het vervolg, niemands os wegens het overtreden van dezen regel in beslag zal genomen worden. Het verminken zal op de gebruikelijke wijze moeten geschieden, dat is, drie klauwen aan den buitenkant van den rechtervoorpoot zullen afgesneden worden.
Men zie verder over dit onderwerp "Een Historische Verhandeling" over de _Magna Charta_ van Koning Jan, door Richard Thomson.--
Noot B., Bladz. 14: _Over de Negerslaven._
Eenige strenge beoordeelaren hebben geklaagd over de kleur van Brian De Bois-Guilbert's slaven, als geheel en al in strijd met den tijd en met de waarschijnlijkheid. Ik herinner mij, dat men dezelfde zwarigheden maakte tegen eenige zwarte dienaren, welke mijn vriend de schrijver Mathew Lewis laat optreden, als wachters en onheilstichtende trawanten van den boosaardigen Baron in zijn "_Spook van het Kasteel_." Lewis behandelde deze afkeuring met de meeste minachting, en beweerde, dat hij de slaven zwart gemaakt had, ten einde een treffend contrast te krijgen, en als hij dezelfde uitwerking had kunnen verkrijgen door zijn heldin blauw te maken, hij haar ook blauw zou voorgesteld hebben.
Ik eisch niet dat men de _licentia poetica_ zóó ver gedreven, goed zou keuren; maar ik kan toch niet toegeven, dat de schrijver van een modern-antieken roman verplicht is zich stiptelijk te bepalen tot de schildering alleen van die gebruiken, welke als bewezen aangenomen worden voor de tijden die hij schetst--als hij zich maar tot de natuurlijke en waarschijnlijke bepaalt en geen anachronismen begaat die hinderlijk zijn.--Uit dit oogpunt beschouwd, wat zou er dan natuurlijker zijn, dan dat de Tempeliers,--die, zooals wij wel weten, de weelderigheid der Aziatische krijgslieden, met wie ze kampten, navolgden,--de diensten zouden gebruiken der Afrikaansche slaven, welke de wisselvalligheden van den oorlog in hun handen leverden? Ik ben overtuigd, dat als er geen bepaalde bewijzen hiervoor bestaan, er toch aan den anderen kant niets gevonden wordt om ons te doen besluiten, dat zulks in het geheel niet gebeurde. Bovendien vindt men er een voorbeeld van in de romances uit dien tijd.
Jean De Rampayne, een uitstekende goochelaar en minnezanger, ondernam om Audolf De Bracy te helpen ontvluchten, door zich verkleed te begeven aan het hof van den Koning, door wien hij gevangen werd gehouden. Tot dit doel "verwde hij zijn haar en zijn geheele lichaam pikzwart, zoodat er niets wits aan hem te zien was, dan zijn tanden," en bracht den koning dus in het denkbeeld dat hij een Ethiopische zanger was. Door deze list gelukte het hem den gevangene te bevrijden. De Negers moeten dus reeds in zeer vroege tijden in Engeland bekend geweest zijn. [40]
Noot C., Bladz. 45: _Over de taal der jagers_.
De jachttaal werd door de Normandiërs streng afgescheiden van die van het dagelijksch leven. Het wild, hetzij vogel of viervoetig dier, veranderde elk jaar van naam en er waren honderderlei bijzondere spreekwijzen, welker kennis een gedeelte eener goede opvoeding uitmaakte. Er bestaat een boek door Juliana Berners over dat onderwerp geschreven. De oorsprong dezer wetenschap werd aan den beroemden ridder Tristram toegeschreven, bekend wegens zijn liefde tot de ongelukkige Ysolte. Daar de Normandiërs het vermaak van de jacht voor zich zelven alleen behielden, is het natuurlijk dat deze jachttaal geheel uit het Fransch ontstaan is.
Noot D., Bladz. 175: _Over de minnezangers_.
Het is bekend, dat oudtijds Frankrijk, wat de taal betreft, in het land van _Oui_ en het land van _Oc_ verdeeld werd; men noemde de zangers in de eerste taal _Menestrels_ en hun liederen _Lais_; in de andere taal heetten zij _Troubadours_ en hun gedichten werden _Sirventes_ genoemd. Richard, een bekende bewonderaar der zangkunst, kon òf een _Lai_ òf een _Sirvente_ voordragen. Het is minder waarschijnlijk, dat hij een Engelsche ballade dichten of voordragen kon; evenwel zal de wensch, welke den schrijver bezielde, om Leeuwenhart geheel en al te vereenzelvigen met de krijgslieden, die hij aanvoerde, deze anachronisme, indien ze bestaat, gereedelijk doen vergeven.
Noot E., Bladz. 210: _Over den slag van Stamford_.
De schrijver moet bekennen, een grove topographische vergissing gemaakt te hebben, in de noot aan den voet van bladz. 210, door te veel op zijn geheugen te vertrouwen en twee plaatsen van denzelfden naam met elkander te verwarren. Het plaatsje Stamford, Strengford, of Stanford, waar de slag voorviel, is aan de rivier Derwent, ongeveer zeven Eng. mijlen van York gelegen. De vergissing van den schrijver werd hem beleefdelijk aangewezen door den Heer Robert Bell. De slag, welks gebeurtenissen overigens nauwkeurig verhaald zijn in den tekst en de noot er onder, had plaats in het jaar 1066.--
Noot F., Bladz. 220: _Over de rijen ijzeren staven, boven de gloeiende houtskool_.
Deze verschrikkelijke marteling zal den lezer herinneren aan de wreedheid door de Spanjaarden op Guatimozin uitgeoefend, om hem te dwingen zijn verborgene schatten te ontdekken. Maar een voorbeeld van dergelijke barbaarschheid wordt in Engeland zelf gevonden, in den tijd van Koningin Maria; en Bannatyne, de secretaris van Knox, verhaalt breedvoerig een dergelijke marteling door den Graaf van Cassilis op zekeren Allan Stewart uitgeoefend, die een koninklijke schenking van kerkelijke landerijen gekregen had, waarop de Graaf zich verbeeldde een beter recht te hebben.
Het blijkt ook uit papieren in het bezit van den Schrijver, dat de grenswachters (_Country Keepers_) tusschen Engeland en Schotland, gewoon waren de gevangenen te martelen, door hen aan de ijzeren staven hunner schoorsteenen vast te binden, om hun een bekentenis hunner misdaden af te dwingen.
Noot G., Bladz. 297: _Het Wapen van den Zwarten Ridder_.
Men heeft den Schrijver verweten, dat hij zich vergist had, door metaal op metaal in dit wapenschild te plaatsen. Men moet echter niet vergeten, dat de wapenkunde eerst in de Kruistochten ontstaan is, en dat al de _minutiae_ van deze fantastische wetenschap slechts langzamerhand en veel later ingevoerd werden. Hij, die anders hierover denkt, moet zich verbeelden, dat de Godin der wapenkundigen in de wereld kwam van top tot teen met de bonte sieraden der wetenschap, welke zij beschermt, behangen. Ter bevestiging van het gezegde dient, dat Godfried van Bouillon, na de verovering van Jeruzalem, een wapen voerde, waarin ook metaal op metaal prijkte. Men zie hierover Ferne's _Blazon of the Gentry_, Ed. 1586, p. 238, en Nisbets _Heraldry_ 2e Ed. dl. 1 p. 113.
Noot H., Bladz. 330: _Over Ulrica's lied._
De oudheidkundige zal duidelijk begrijpen, dat deze verzen navolging zijn van de oude poëzie der _Skalden_, de zangers der Scandinaviërs.
De poëzie der Angel-Saksers, na hun beschaving en godsdienstige bekeering was van een geheel anderen, zachteren aard; maar in de omstandigheden van Ulrica, is het niet onnatuurlijk te veronderstellen, dat zij zich de woeste zangen herinnerde, welke haar voorouders bezielden in den tijd van het Heidendom en van hun onverminderde woestheid.
Noot I., Bladz. 345: _Over Richard Leeuwenhart._
Deze vechtpartij tusschen Richard en den vroolijken priester is niet strijdig met zijn karakter, als hij in de romances goed begrepen wordt. In een zeer merkwaardige romance over zijn avonturen in het Heilige Land wordt een dergelijke gebeurtenis, die gedurende zijn gevangenschap in Duitschland voorviel, vermeld. Zie Ellis, _Specimens of English Romances.--Coeur-de-Lion._
Noot K., Bladz. 357: _Over de verloopen Priesters._
Het is merkwaardig te zien, dat in alle maatschappijen eenige soort van geestelijke troost gezocht wordt, door die menschen, die zich tot doelen vereenigen, welke lijnrecht in strijd zijn met den godsdienst. Een bende bedelaars heeft hun _Patrico_, en de roovers der Apenijnen hebben personen bij zich, welke de rol van priesters en monniken vervullen. Het is ontegenzeggelijk, dat zulke eerwaarde heeren hun zeden en gebruiken wijzigden naar hun omgeving, en zoo zij wel eens geëerbiedigd werden wegens hun geestelijke gaven, werden zij toch meestal ook onbarmhartig bespot, als volstrekt in tegenstelling met alles, waarmede zij omgingen.
Een der vroegere bisschoppen van Durham heeft een geschrift uitgevaardigd tegen zulke verloopen priesters, die zich met de roovers vereenigd hadden op de grenzen van Engeland en Schotland.
VOETNOTEN
[1] Men zie noot A, aan het einde van het werk.--Schrijver.
[2] Knecht van Odysseus. (Od. XIV).--t. B.
[3] Zie noot B. over de negerslaven.--Schrijver.
[4] Het oorspronkelijke heeft _Cnichts_, met welk woord de Saksers een soort van krijgshaftige dienaren schijnen aangeduid te hebben, soms vrijen en somtijds lijfeigenen, maar altijd hooger in rang dan de gewone bedienden, hetzij in het koninklijke huis of in dat der _Aldermans_ en _Thanes_. Maar het woord _Cnicht_, hetwelk nu _Knight_ geschreven wordt, in de Engelsche taal opgenomen zijnde, in dezelfde beteekenis als het Normandische _Chevalier_, (Ridder), heb ik het niet hier willen gebruiken.
[5] Dit waren dranken bij de Saksers in gebruik, zooals de heer Turner ons leert. _Morat_ was uit honig gemaakt met moerbeziënsap; _Pigment_ was een zoete en sterke drank, uit gekruiden wijn en ook met honig zoet gemaakt. De andere dranken behoeven geene verklaring.--Schrijver.
[6] Een drank uit appels, suiker en bier, zonder hop er in, samengesteld. Wassail, van Wachse heil!--de aloude uitdrukking bij een feestdronk. Zie Drake's Shakespeare, I, 127, 199 en 254. M. P. L.
[7] Zie noot C, over de Jacht.--Schrijver.
[8] In die dagen waren de Joden onderworpen aan een Schatmeester, bijzonder tot dit ambt benoemd, die verbazende sommen van hen afperste.--Schrijver.
[9] Knecht van Odysseus, zie bladz. 10.--t. B.
[10] Walter Scott gebruikt dezen term enkel voor het gemak van zijn lezer.--t. B.
[11] Deze soort van maskerade gaf aanleiding, naar men veronderstelt, tot de invoering der schilddragers, aan weerskanten van een wapenschild.--Schrijver.
[12] Door ongeluk doodde Walter Tyrrel met een pijl, op de jacht, Willem II, zoon van den Veroveraar.--M. P. L.
[13] Deze regels zijn uit een nog onuitgegeven gedicht van Coleridge, wiens Muze ons zoo dikwerf plaagt met fragmenten, welke haar groote gaven verkondigen, terwijl de wijze waarop zij ze ons toewerpt van haar grillen getuigt. Evenwel vertoonen deze ruwe schetsen meer talent, dan de uitvoerigste meesterstukken van vele anderen.--Schrijver.
[14] Oud Fransch: overmoed, onbeschaamdheid.--Schrijver.
[15] Een oude volksnaam voor de struikroovers.--M. P. L.
[16] Beau Séant was de naam van de banier der Tempeliers, die half zwart, half wit was, om aan te duiden, gelijk men zegt, dat ze eerlijk en goed gezind waren jegens Christenen, maar zwart en vreeselijk voor de ongeloovigen!--Schrijver.
[17] Er werd bij de Saksers niets voor zoo schandelijk gehouden, als dezen scheldnaam te verdienen. Zelfs Willem de Veroveraar, hoe gehaat hij bij hen was, kreeg een groot aantal Angel-Saksers onder zijn vaandels, door hen, die te huis wilden blijven, als Nidderings te brandmerken. Bartholinus maakt, gelijk ik meen, van een soortgelijk woord melding, dat dezelfde uitwerking op de Denen had.--Schrijver.
[18] Zie noot D, over de Minnezangers.
[19] Het zal niet ongepast zijn, den lezer te herinneren, dat het koor van "Derrydown," verondersteld wordt zoo oud te zijn, niet slechts als de tijd der zeven koninkrijken, maar als die der Druïden; en men wil, dat dit het koor was van de geestelijke lofzangen, welke deze eerwaardige personen verhieven, als zij in het bosch gingen, om kruiden te zoeken.
Schrijver.
[20] Een na-avondmaal was een nachtmaaltijd, en beteekende soms een gastmaal op een laat uur gegeven, nadat het eigenlijk avondeten reeds gedaan was.
Schrijver.
[21] Dicht bij Stamford werd, in 1066, de bloedige slag geleverd, in welken Harald zijn oproerigen broeder Tosti en de Noorwegers versloeg, slechts weinige dagen voor zijn eigen val bij Hastings. De brug over de rivier Welland werd woedend betwist. Een Noorweger verdedigde die lang alleen, en werd eindelijk door een speer getroffen, welke uit een boot van onder de brug door de planken gestoken werd. Spencer en Drayton maken beide toespeling op de voorspellingen, omtrent de noodlottige Welland in omloop.
"Waardoor die ongeluksstroom veel vrees en ontzag verkreeg." Zie verder noot E.
Schrijver.
[22] Zie noot F.
[23] Henry's Geschied. uitg. 1805; vol. VII p. 346.--Schrijver.
[24] Ik wenschte, dat de Prior hen ook onderricht had, wanneer Niobe heilig gesproken is. Waarschijnlijk gedurende dat verlichte tijdvak, toen: "Pan aan Mozes zijn herdersfluitje leende."--Schrijver.
[25] Aêolluôn, de verderver. _Openbaringen_ IX 11.--t. B.
[26] Zie noot G.--over dit wapen.
[27] Ieder Gothisch kasteel en elke stad had, behalve de buitenwallen, een bevestiging van palissaden, Barrière genoemd, welke dikwijls het tooneel was van bloedige schermutselingen, daar ze natuurlijk moest ingenomen worden, eer men bij de wallen zelve komen kon. Verscheidene dier heldendaden van dapperheid, welke de kronijken van Froissart versieren, vielen voor bij de Barrières van belegerde plaatsen.--Schrijver.
[28] De schrijver verbeeldt zich, dat deze plaats een navolging is van de verschijning van Philidaspes voor de goddelijke Mandane, gedurende den brand der stad Babylon, als hij voorstelt haar uit de vlammen te redden. Maar deze diefstal zou te zwaar bestraft worden door de moeite van het oorspronkelijke te moeten opzoeken in de eindelooze en vervelende deelen van den "Groote Cyrus."--Schrijver.
Le grand Cyrus was een beroemde heroïsche roman van Melle. Madeleine de Scudéry geschreven 1649-53.--t. B.
[29] Zie noot H. over Ulrica's sterflied.--Schrijver.
[30] De noten op den horen werden eertijds mots genoemd, en worden onderscheiden in de oude verhandelingen over de jacht, niet door muzikale teekens, maar door geschreven woorden.--Schrijver.
[31] Zie noot I, over Richard Leeuwenhart.--Schrijver.
[32] Zie noot K.--Schrijver.
[33] Reginald Fitzurse, William de Tracy, Hugo de Morville en Richard Brito waren de edellieden van het hof van Hendrik den Tweede, welke, aangezet door eenige driftige uitdrukkingen van hun vorst, den beroemden Thomas-à-Becket vermoordden.
[34] De stichtingen der Tempeliers heetten Preceptorijen, en de titel van den opperste der Orde was Preceptor, terwijl de voornaamste ridders van St. Jan Commandeurs en hunne huizen Commanderijen genoemd werden. Maar deze benamingen werden, naar het schijnt, somtijds verwisseld.--W. S.
[35] In de regels der Tempeliers wordt deze spreuk telkens, in verschillende bewoordingen herhaald, en komt in bijna elk hoofdstuk voor, alsof ze de leus ware van de Orde: dit zal verklaren waarom de Grootmeester zóó dikwerf er gebruik van maakt.--W. S.
[36] Zie het XIIIde hoofdstuk van Leviticus.
[37] De lezer wordt verwezen op de regels der Vrome Krijgsbroederschap van den Tempel, welke voorkomen in de werken van St. Bernardus.--W. S.
[38] De opstanding van Athelstane is zeer gegispt geworden, als een te groote inbreuk op de waarschijnlijkheid, zelfs in een werk van fantastischen aard. Het is ook een _tour de force_, waartoe de schrijver verplicht was toevlucht te nemen, op het dringend aanzoek van zijn vriend en uitgever, die er ontroostbaar over was, dat de Sakser ten grave moest dalen.--W. S.
[39] Deze Noten van den Schrijver, zijn bij de eerste Nederduitsche Vertaling van Ivanhoe weggebleven. Ik heb gemeend ze te moeten overbrengen, omdat men als Vertaler verplicht is, het oorspronkelijke zoo getrouw mogelijk te volgen. De lezer kan ze meestal gerust overslaan, en zich dus een verveling te meer in zijn leven besparen;--de eenige vrijheid, welke ik mij bij de vertaling der Noten veroorloofd heb, is om hier en daar hetgeen alleen voor den Engelschen lezer van belang kon zijn, weg te laten.
[40] Ritson's Dissertatie over de romances en minnezangers, vóór zijn verzameling van "Ancient metrical Romances". Pag. 187.--