Chapter 46
De Graaf van Essex gaf, toen hij de Tempeliers dus verzameld zag, zijn paard de sporen, en rende heen en weêr om zijn lieden tegen een zoo geduchte bende in slagorde te scharen. Richard alleen, alsof hij het gevaar beminde, hetwelk zijne verschijning uitgelokt had, reed langzaam voorbij het front der Tempeliers, luid roepende: "Hoe, mijn heeren! is er onder zoo vele dappere ridders geen één, die een lans met Richard durft breken?--Heeren van den Tempel! uw dames moeten erg door de zon verbrand zijn, als zij de splinters van een gebroken lans niet waard zijn!"
"De broeders van den Tempel," zei de Grootmeester, uit de rij voorwaarts rijdende, "vechten niet in zulk eene ijdele, onheilige zaak,--en geen Tempelier zal in mijne tegenwoordigheid een lans tegen u opheffen, Richard van Engeland. De paus en de Vorsten van Europa zullen onzen strijd beslissen en beoordeelen, of een Christen-Vorst wel doet eene zoodanige zaak voor te staan, als gij heden gedaan hebt. Zoo men ons ongemoeid laat vertrekken, zullen wij niemand aanvallen. Aan uwe eer vertrouwen wij de wapens en het huisraad van de Orde, welke wij achterlaten, en uw geweten verantwoorde de ergernis en den hoon, welke gij heden het Christendom hebt aangedaan!"
Na dit gezegd te hebben en zonder een antwoord af te wachten, gaf de Grootmeester het teeken tot het vertrek. De trompetten lieten een wilden marsch, in Oosterschen trant hooren, welke gewoonlijk het teeken tot den aanval voor de Tempeliers was. Zij veranderden hunne slagorde in een marsch-kolom, en reden weg, zoo langzaam als hunne paarden stappen konden, alsof zij toonen wilden, dat het slechts de wil van hun Grootmeester was en geene vrees voor de tegenover hen staande macht, die hen dwong om af te trekken.
"Bij het schitterend gelaat van onze Lieve Vrouw," zei Koning Richard, "het is jammer dat deze Tempeliers niet even goed te vertrouwen, als zij goed gedisciplineerd en dapper zijn!"
De menigte, die, gelijk een vreesachtige hond met blaffen wacht, tot het gevreesde voorwerp hem den rug gekeerd heeft, verhief een flauw vreugdegeschreeuw, toen de achterhoede de plaats verliet.
Gedurende het gedruisch, dat den terugtocht der Tempeliers vergezelde, zag en hoorde Rebekka niets;--zij lag in de armen van haar ouden vader, verward en bijna bewusteloos door den plotselingen ommekeer van haar lot. Maar één woord van Izaäk riep eindelijk haar verwarde zinnen terug.
"Laat ons gaan, mijne dierbare dochter," zei hij; "mijn herwonnen schat,--laat ons gaan, om ons aan de voeten van den goeden jongeling te werpen!"
"Dat niet," antwoordde Rebekka, "o neen,--neen,--neen!--Ik durf op dit oogenblik niet met hem spreken.--Helaas! ik zou meer zeggen dan--neen, vader, laten wij dadelijk deze ongelukkige plaats verlaten!"
"Maar, mijne dochter," zei Izaäk, "hem zóó te verlaten, die als een sterk man met speer en schild is opgetrokken, zijn leven voor niets achtende, zoo hij u maar uit de gevangenschap redde; en u, de dochter van een volk, dat vreemd voor hem en de zijnen is!--Dit is een dienst, die dankbaar moet erkend worden!"
"Hij wordt zeer dankbaar,--zeer ootmoedig erkend,--en zal nog meer erkend worden;--maar thans niet;--ter liefde van uwe beminde Rachel, vader,--willig mijn verzoek in,--thans niet!"
"Ja maar," zei Izaäk dringende,--"men zal ons voor ondankbaarder houden dan de stomme dieren."
"Maar gij ziet, lieve vader, dat Koning Richard tegenwoordig is, en dat--"
"Het is waar, mijne beste,--mijne verstandige Rebekka! laat ons van hier gaan;--laat ons van hier gaan!--Hij zal geld noodig hebben, want hij is pas uit Palestina teruggekeerd, en, gelijk men zegt, uit de gevangenis;--en zoo hij eenig voorwendsel noodig heeft het te vorderen, dan kan hij zulks vinden in mijn verkeer met zijn broeder Jan. Kom, kom, laat ons gaan!"
Nu dreef hij zijne dochter op zijne beurt tot spoed aan, geleidde haar uit het strijdperk en bracht haar met een wagen, dien hij gereed had, veilig naar het huis van den Rabbijn Nathan.
De Jodin, wier lot aller belangstelling op dien dag opgewekt had, zou niet aldus onopgemerkt hebben kunnen vertrekken, zoo niet de aandacht van het volk op den Zwarten Ridder gevestigd geweest ware. Men verhief thans luide kreten van: "Lang leve Richard Leeuwenhart! Weg met de overweldigers! Weg met de Tempeliers!"
"In weerwil van deze schijnbare getrouwheid," zei Ivanhoe tot den Graaf van Essex, "was het een geluk, dat de Koning de voorzorg gebruikte u mede te brengen, edele Graaf, en zoo vele van uw getrouwe aanhangers!"
De graaf antwoordde met een glimlach, het hoofd schuddende: "Dappere Ivanhoe, gij kent onzen heer zoo goed, en echter gelooft gij, dat hij eene zoo wijze voorzorg zou nemen? Ik trok naar York, daar ik gehoord had, dat Prins Jan aldaar eene partij verzamelde, toen ik Koning Richard ontmoette, als een ware dolende ridder hierheen rijdende, om het lot van den Tempelier en der Jodin met zijn arm alleen te beslissen. Ik vergezelde hem bijna tegen zijn wil met mijne bende."
"En welke tijdingen zijn er van York, dappere Graaf?" vroeg Ivanhoe. "Zullen de rebellen ons daar tegenstand bieden?"
"Niet meer dan de December-sneeuw aan de Juli-zon," antwoordde de Graaf; "zij gaan uit elkander, en niemand anders kwam als koerier om ons deze tijding te brengen, dan Prins Jan zelf!"
"Die verrader! die ondankbare, onbeschaamde verrader!" riep Ivanhoe. "Heeft Richard hem niet in de gevangenis laten werpen?"
"O!" hernam de Graaf, "hij heeft hem ontvangen, alsof ze elkander na eene jachtpartij ontmoet hadden; en op mij en onze gewapenden wijzende, zei Richard: "Gij ziet, broeder, ik heb eenige vertoornde mannen bij mij;--gij zult best doen naar onze moeder te gaan, haar mijne onderdanige groeten over te brengen, en bij haar te blijven tot de gemoederen bedaard zijn!""
"En dit was alles, wat hij zei?" hervatte Ivanhoe. "Zou men niet zeggen, dat deze vorst juist door zijne goedertierenheid tot oproer uitnoodigt?"
"Evenals men zeggen kan," hernam de graaf, "dat hij den dood uitnoodigt, die een strijd onderneemt met eene gevaarlijke wonde, welke nog niet geheeld is."
"Ik vergeef u de scherts, graaf," zei Ivanhoe; "bedenk echter, dat ik slechts mijn eigen leven waagde;--maar Richard de welvaart van zijn koninkrijk."
"Zij, die geheel zorgeloos zijn omtrent hun eigen welzijn," hernam de Graaf, "zijn zelden zeer bezorgd om dat van anderen.--Maar laten wij ons naar het kasteel spoeden, want Richard is van zin, om eenigen van de mindere deelgenooten der samenzwering te straffen, ofschoon hij hun aanvoerder vergiffenis geschonken heeft."
Uit het gerechtelijke onderzoek, dat bij deze gelegenheid volgde, en hetwelk het Wardour Handschrift uitvoerig mededeelt, blijkt, dat Maurice De Bracy over zee ontsnapte en in dienst van Philips van Frankrijk ging; terwijl Philips De Malvoisin en zijn broeder Albert, Preceptor van Templestowe, ter dood gebracht werden, ofschoon Waldemar Fitzurse, de ziel der samenzwering, met verbanning vrij kwam, en Prins Jan, om wiens wille alles ondernomen werd, zelfs geen verwijt van zijn goedaardigen broeder ontving. Niemand betreurde evenwel het lot der beide Malvoisins, daar ze slechts den dood ondergingen, welken beiden door allerlei daden van trouweloosheid, wreedheid en onderdrukking ruimschoots verdiend hadden.
Kort na het tweegevecht, werd Cedric de Sakser aan het Hof van Richard geroepen, die toen te York vertoefde, ten einde de graafschappen, welke door zijns broeders eerzucht verontrust waren, weder te bevredigen. Cedric schudde het hoofd, en zuchtte meer dan eens over de boodschap;--maar hij weigerde niet te gehoorzamen. Inderdaad had Richard's terugkomst alle hoop, die hij gekoesterd had om eene Saksische dynastie in Engeland te herstellen den bodem ingeslagen; want, welk voordeel ook de Saksers uit een burgeroorlog hadden kunnen trekken, het was duidelijk, dat niets van belang geschieden kon tegen het onbetwiste gezag van Richard, die wegens zijne persoonlijke hoedanigheden en zijn krijgsroem bij het volk bemind was; ofschoon zijne regeering willekeurig en zorgeloos was,--nu eens te toegevend en dan weder te nauw aan willekeur grenzende.
Maar buitendien kon het Cedric niet ontgaan, dat zijn ontwerp voor een volkomene vereeniging der Saksers door het huwelijk van Rowena en Athelstane, nu geheel te niet gegaan was door de tegenkanting der beide daarin betrokken partijen. Dit was wezenlijk een voorval, hetwelk hij, bij zijn ijver voor de zaak der Saksers niet had kunnen voorzien; en zelfs toen beider ongenegenheid zich klaar en duidelijk geuit had, kon hij nauwelijks gelooven, dat twee Saksers van koninklijken stam zich om persoonlijke redenen tegen eene verbintenis verzetten zouden, welke voor het welzijn der natie hem zoo noodzakelijk scheen. Maar dit was toch zeker: Rowena had altijd haar afkeer van Athelstane te kennen gegeven, en thans was deze niet minder vast en stellig in zijn besluit, om geene aanspraak op de hand van Jonkvrouw Rowena te maken. Zelfs de aangeborene hardnekkigheid van Cedric bezweek onder deze hinderpalen, daar hij, op hunne vereeniging staande, zou verplicht geweest zijn aan iedere hand een onwilligen verloofde naar het altaar te sleepen. Hij deed echter nog een laatsten krachtdadigen aanval op Athelstane, en hij vond dien wedergeboren spruit der Saksische koningen, evenals de landedellieden onzer dagen, in een woedenden oorlog tegen de geestelijkheid gewikkeld.
Het schijnt, dat na al zijne doodelijke bedreigingen tegen den Abt van St. Edmunds klooster, Athelstane's wraakzucht gedeeltelijk door zijne natuurlijke loomheid en goedaardigheid van karakter, gedeeltelijk door de beden van zijne moeder Edith, welke, gelijk de meeste vrouwen (van dien tijd), aan de geestelijke heeren verkleefd was, daarop was uitgeloopen, dat hij den Abt en zijne monniken gedurende drie dagen bij magere kost in de gevangenissen van Coningsburgh gehouden had. Voor deze wreedheid bedreigde de Abt hem met den ban, en maakte eene geduchte lijst van klachten op over pijn in de ingewanden en in de maag, welke hij zelf en zijne monniken, ten gevolge van de tirannieke en onrechtvaardige gevangenzetting, geleden hadden. Cedric vond het gemoed van zijn vriend zoo geheel en al vervuld met dezen twist en de middelen, welke hij bij de hand genomen had om de geestelijke vervolging te ontgaan, dat hij voor geen ander denkbeeld vatbaar was. En toen Rowena's naam genoemd werd, verzocht de edele Athelstane verlof om een vollen beker op hare gezondheid en op hare spoedige vereeniging met zijn neef Wilfrid te mogen ledigen. De zaak was dus wanhopig. Er was klaarblijkelijk niets meer met Athelstane te beginnen; of, zooals Wamba het uitdrukte in eene spreekwijze, welke van den tijd der Saksers tot op ons is gekomen, hij was "een haan, die niet vechten wilde."
Cedric had nog slechts twee bezwaren tegen het huwelijk der minnenden te overwinnen;--zijne eigene hardnekkigheid en zijn afkeer tegen de Normandische dynastie. Het eerste week allengs voor de liefde jegens zijn pupil en den trots welken hij over den roem van zijn zoon gevoelde. Buitendien was hij niet ongevoelig voor de eer om zijn eigen stam met dien van Alfred te vereenigen, nu de afstammeling van Eduard den Belijder zijne hoogere aanspraken voor altijd had laten varen. Cedric's afkeer van den Normandischen koningsstam was ook zeer ondermijnd,--vooreerst, door de onmogelijkheid om Engeland van de nieuwe dynastie te bevrijden, eene overtuiging, welke veel afdoet om getrouwheid bij den onderdaan te verwekken; en ten tweede, door de persoonlijke ingenomenheid van Koning Richard met hem, die in het openhartig karakter van Cedric behagen schepte, en, om de woorden van het Wardour Handschrift te gebruiken, zoo met den edelen Sakser "omsprong," dat, eer hij zeven dagen als gast aan het Hof geweest was, hij zijne toestemming tot het huwelijk van zijn pupil Rowena met zijn zoon Wilfrid van Ivanhoe gegeven had.
Het huwelijk van onzen held, dat dus plechtig door zijn vader goedgekeurd was, werd in dien heerlijken tempel, de hoofdkerk van York, voltrokken. De Koning was er zelf bij tegenwoordig, en door de wijze, waarop hij bij deze en andere gelegenheden de ongelukkige en tot hiertoe verachte Saksers behandelde, gaf hij hun een veiliger en zekerder vooruitzicht, dat ze hun billijke rechten zouden herkrijgen, dan ze ooit met eenige reden van de wisselvallige kansen van een burgeroorlog hadden kunnen verwachten. De kerk spreidde bij deze gelegenheid allen glans ten toon, welken de Roomsche geestelijkheid met zulk eene schitterende uitwerking weet te gebruiken.
Gurth, prachtig uitgedoscht als schildknaap, vergezelde zijn jongen meester, dien hij zoo getrouw gediend had, evenals de edelmoedige Wamba, versierd met een nieuwe kap, en een menigte prachtige, zilveren bellen. Daar deze beiden in Wilfrid's gevaren en tegenspoed gedeeld hadden, zoo deelden ze ook, gelijk ze recht hadden te verwachten, in zijn geluk.
Maar behalve door dit huiselijk gevolg, werd deze doorluchtige bruiloft vereerd door het bijzijn van vele edelgeboren Normandiërs zoowel als Saksers, waarbij zich het algemeen gejuich der mindere standen voegde, welke het huwelijk van deze twee personen als een onderpand van toekomstigen vrede en eensgezindheid tusschen twee stammen beschouwden, die sedert dien tijd zoo volkomen vereenigd zijn, dat het verschil tusschen beide onmerkbaar geworden is. Cedric beleefde de nauwere vereeniging tusschen de stammen; want, naarmate de twee volken in gezellig verkeer met elkander traden en huwelijken onder elkander sloten, vergaten ook de Normandiërs hunne minachting, en legden de Saksers hunne lompheid af.--Maar het was eerst onder de regeering van Eduard den Derde, dat de gemengde taal, welke thans Engelsch genoemd wordt, aan het hof te Londen gesproken werd, en de vijandige verhouding van Normandiër en Sakser geheel schijnt verdwenen te zijn.
Het was op den tweeden morgen na deze gelukkige verbintenis, dat Rowena door haar kamenier Elgitha onderricht werd, dat een meisje begeerde tot haar toegelaten te worden, en haar zonder getuige te spreken. Rowena verwonderde zich, aarzelde, werd nieuwsgierig, en eindigde met bevel te geven, dat het meisje zou binnengelaten worden, en dat hare bedienden zoolang buiten de kamer zouden blijven.
Ze trad binnen;--eene edele en fiere gestalte, terwijl de lange, witte sluier, in welken ze gewikkeld was, de aanvalligheid en het gebiedende van hare gestalte eerder overschaduwde dan bedekte. Hare houding was ook eerbiedig, zonder dat er de minste zweem van vrees, of eenige wensch om gunst te verwerven, in doorstraalde. Rowena was altijd gereed om de aanspraken van anderen te erkennen en haar deelneming in de gevoelens van anderen te betoonen. Ze stond op, en wilde de schoone vreemdelinge naar een stoel geleiden, maar de onbekende zag naar Elgitha, en gaf nog eenmaal haar wensch te kennen, om met Rowena alleen te spreken. Nauwelijks had Elgitha zich met dralende schreden verwijderd, of de schoone vreemdelinge knielde tot groote verbazing van de echtgenoote van Ivanhoe neder, drukte haar handen tegen haar voorhoofd, boog het hoofd tot op den grond, en kuste, in weerwil van Rowena's tegenstand, den geborduurden zoom van haar gewaad.
"Wat beteekent dat?" riep de verbaasde jonge vrouw; "waarom betoont ge mij eene zoo ongewone vereering?"
"Omdat ik aan u, de echtgenoote van Ivanhoe," antwoordde Rebekka, opstaande en weder met haar gewone bedaarde waardigheid, "op een rechtmatige en betamelijke wijze de dankbaarheid, welke ik aan Wilfrid van Ivanhoe verschuldigd ben, betoonen mag. Ik ben,--vergeef de stoutheid, waarmede ik u mijne hulde volgens de gebruiken van mijn stam bewezen heb,--ik ben de ongelukkige Jodin, voor wie uw echtgenoot zijn leven aan een zoo dreigend gevaar in het strijdperk van Templestowe blootstelde!"
"Meisje," hervatte Rowena, "Wilfrid van Ivanhoe vergold op dien dag slechts in geringe mate uwe onvermoeide zorgen voor hem in ziekte en ellende. Spreek, is er nog iets, waarin hij en ik u dienen kunnen?"
"Niets," hernam Rebekka bedaard, "dan dat ge hem een dankbaar vaarwel van mij overbrengt."
"Verlaat ge Engeland dus?" vroeg Rowena, ter nauwernood van hare verbazing over dit zonderling bezoek hersteld.
"Ik verlaat het land, eer de maan weêr verandert. Mijn vader heeft een broeder, die in hooge gunst staat bij Mohammed Boabdil, Koning van Grenada;--dáár gaan wij heen, zeker dat wij vrede en bescherming zullen genieten, tegen betaling van de schatting, welke de Muzelmannen van ons volk vorderen."
"En wordt gij in Engeland niet even goed beschermd?" vroeg Rowena. "Mijn echtgenoot staat in gunst bij den Koning;--de Koning zelf is rechtvaardig en edelmoedig."
"Edele vrouw," zei Rebekka, "ik twijfel er niet aan;--maar het volk van Engeland is een woest geslacht, dat altijd met zijne buren of onder elkander twist, en gereed is om het zwaard in zijns naasten hart te stooten. Ephraïm is een moedelooze duif,--Issaschar een gedrukte slaaf, die tusschen twee lasten gebukt gaat. Niet in een land van oorlog en bloed, omringd door vijandelijke naburen, en verscheurd door binnenlandsche partijen, kan Israël hopen van zijne omzwerving uit te rusten."
"Maar gij, meisje," zei Rowena, "gij kunt toch niets te vreezen hebben. Zij, die Ivanhoe aan zijn ziekbed opgepast heeft," ging zij voort, met geestvervoering opstaande, "kan in Engeland niets te vreezen hebben, waar Sakser en Normandiër wedijveren zullen, wie haar de meeste eer zal bewijzen."
"Uw woorden zijn edel," hernam Rebekka, "en uw voornemen nog schooner; maar het kan niet zijn;--er is een kloof tusschen ons. Onze opvoeding, ons geloof, beide verbieden ons om die te overschrijden. Vaarwel;--maar eer ik ga, sta mij één verzoek toe. De bruidssluier hangt nog over uw gelaat; licht dien op, en laat mij de trekken zien, welke zoo geroemd worden!"
"Ze zijn nauwelijks bezienswaardig," antwoordde Rowena; "maar van mijne bezoekster hetzelfde verwachtende, licht ik den sluier op."
Zij sloeg den sluier terug, en gedeeltelijk uit de bewustheid van hare schoonheid, gedeeltelijk uit bedeesdheid, bloosde zij zoo sterk, dat hare wangen, haar voorhoofd, haar hals en haar boezem met karmozijn bedekt werden. Rebekka bloosde ook, maar het was slechts een voorbijgaande opwelling; en daar zij door dieper gevoel bezield was, lag de blos slechts één oogenblik op haar gelaat, als de purperroode wolk, die van kleur verandert, als de zon onder den gezichteinder daalt.
"Edele dame," zei ze, "het gelaat, dat gij u verwaardigd hebt, mij te toonen, zal lang in mijn geheugen blijven. Er heerscht vriendelijkheid en goedheid in; en als een zweem van wereldschen hoogmoed of ijdelheid zich op een zoo liefelijk gezicht vertoont, hoe zou men datgene, wat van de aarde komt, berispen, omdat het eenig teeken van zijn oorsprong draagt? Lang, lang zal ik aan uwe trekken denken, en God zegenen, dat ik mijn verlosser verlaat, vereenigd met,--" zij zweeg eensklaps;--haar oogen vulden zich met tranen, die zij echter schielijk afdroogde, en op de angstige vragen van Rowena antwoordende, zei ze: "Ik ben wel,--zeer wel. Maar mijn hart loopt over, wanneer ik aan Torquilstone en aan het strijdperk van Templestowe denk.--Vaarwel! Het geringste gedeelte van mijne schuld is nog maar voldaan. Neem dit kistje aan,--en verwonder u niet over den inhoud!"
Rowena opende het kleine met zilver beslagen kistje, en zag een halssnoer en oorringen van diamanten, welke, zooals men zien kon, van onschatbare waarde waren.
"Het is onmogelijk," zei ze, het kistje teruggevende, "ik mag een geschenk van zoo groote waarde niet aannemen."
"O, neem het maar!" antwoordde Rebekka.--"Gij bezit macht, rang, gezag en invloed; wij rijkdom, de bron evenzeer van onze kracht als van onze zwakheid. De waarde van dezen tooi, tienmaal vermenigvuldigd, zou niet half zoo veel macht hebben als uw geringste wensch. Voor u is dus het geschenk van geringe waarde, en voor mij is hetgeen, waarvan ik mij ontdoe, van nog veel minder belang. Laat mij niet denken, dat gij zulke lage gedachten van mijne natie koestert als de groote hoop. Denkt gij, dat ik deze schitterende steenen boven mijn vrijheid acht? of dat mijn vader ze in de weegschaal legt tegen de eer van zijn eenig kind? Neem ze aan; voor mij zijn ze van geene waarde. Ik zal nooit weder juweelen dragen!"
"Gij zijt dus ongelukkig," zei Rowena, getroffen door den toon, waarop Rebekka deze laatste woorden uitsprak; "o, blijf dan bij ons;--de raad van heilige mannen zal u van uw verkeerd geloof afbrengen, en ik zal eene zuster voor u zijn!"
"Neen!" antwoordde Rebekka, met dezelfde onderwerping en zwaarmoedigheid in haar zachte stem en op haar schoone trekken.--"Dat kan niet zijn! Ik kan en mag het geloof mijner vaderen niet afleggen, als een kleed, dat niet past voor de luchtstreek, waarin wij wonen, en ongelukkig zal ik niet zijn, edele vrouw. Hij, wien ik mijn overige levensdagen toewijd, zal mijn trooster zijn, zoo ik Zijn wil doe!"
"Hebt gij dan kloosters, in een van welke gij u begeven wilt?" vroeg Rowena.
"Neen," antwoordde de Jodin; "maar er zijn, sedert Abraham tot op onze tijden toe, onder ons volk vrouwen geweest, die hare gedachten aan den Hemel, en hare daden aan werken van liefdadigheid toegewijd hebben; welke de zieken oppassen, de hongerigen voeden en de ongelukkigen ondersteunen. Onder deze vrouwen zal Rebekka opgenomen worden. Zeg dit aan uw gemaal, zoo hij naar het lot van haar vraagt, wier leven hij gered heeft!"
Er was eene onwillekeurige aandoening in Rebekka's stem en eene teederheid van uitdrukking, welke misschien meer verried, dan zij gaarne zou te kennen gegeven hebben. Zij haastte zich om Rowena vaarwel te zeggen.
"Vaarwel!" zei ze. "Moge Hij, die Jood en Christen geschapen heeft, zijne uitgelezenste zegeningen op u uitstorten! De boot, die ons van hier brengen moet, zal onder zeil zijn, eer wij de haven bereiken kunnen!"
Zij verdween uit het vertrek, en liet Rowena verbaasd staan, alsof hetgeen zij gezien had eene geestverschijning geweest ware. De schoone jonge vrouw verhaalde het zonderlinge gesprek aan haar echtgenoot, op wiens gemoed het diepen indruk maakte. Hij leefde lang en gelukkig met Rowena, want ze waren aan elkander verknocht door de banden van jeugdige liefde, en zij beminden elkander te vuriger wegens de herinnering aan de hinderpalen, welke hunne vereeniging in den weg hadden gestaan. Evenwel zou het moeielijk te beslissen zijn, of de herinnering aan Rebekka's schoonheid en grootmoedigheid Ivanhoe niet al te dikwijls in de gedachte kwam, dan dat de schoone afstammeling van Alfred het goedgekeurd zou hebben.
Ivanhoe muntte in den dienst van Richard uit, en verwierf verdere bewijzen van de koninklijke gunst. Hij had nog hooger kunnen klimmen, zonder den ontijdigen dood van den heldhaftigen Richard Leeuwenhart, voor het kasteel Chaluz bij Limoges. Met het leven van dezen edelmoedigen, maar onbezonnen en romanesken Vorst vervielen ook al de ontwerpen, welke zijne eerzucht en edelmoedigheid gesmeed hadden, en op hem kunnen met een geringe verandering de regels toegepast worden, welke Johnson op Karel XII van Zweden geschreven heeft:
"Getroffen door den pijl eens mans van lagen stand, Nabij een kleine veste aan ver verwijderd strand, Biedt ons zijn naam, die door de wereld schrik verspreidde, Ruim stof tot leering aan, en tot verdichting beide."
NOTEN VAN DEN SCHRIJVER. [39]
Noot A., Bladz. 7: _Over het verminken der honden._