Ivanhoe

Chapter 45

Chapter 453,802 wordsPublic domain

Terwijl zij aldus spraken, brak de zware klok der kerk van St. Michiel van Templestowe, een eerwaardig gebouw, te midden van een gehucht op eenigen afstand van de Preceptorij, hun gesprek af. De sombere tonen volgden elkander zoo snel op, dat iedere klank slechts genoegzamen tijd had om in een verafgelegen echo weg te sterven, eer de ijzeren klepel zich dadelijk weder hooren liet. Dit geluid, dat de naderende plechtigheid aankondigde, vervulde het hart der aanschouwers met schrik, terwijl hun oogen zich naar de Preceptorij wendden, om de aankomst van den Grootmeester, van den kampvechter en van de aangeklaagde te zien.

Eindelijk viel de ophaalbrug, de poorten werden geopend en een ridder die den grooten standaard der Orde droeg, reed uit het kasteel, voorafgegaan door zes trompetters en gevolgd door de ridders en Preceptoren, twee aan twee; de Grootmeester kwam het laatst, op een vurig paard, welks tuig van de eenvoudigste soort was. Achter hem kwam Brian De Bois-Guilbert, van top tot teen in glinsterende wapenrusting; maar zonder lans, schild of zwaard, welke twee schildknapen hem nadroegen. Ofschoon zijn gelaat gedeeltelijk verborgen was door een langen vederbos, welke van zijn baret nederhing, zag men er toch eene sterke en gemengde uitdrukking van hartstochtelijkheid op, waarin hoogmoed met besluiteloosheid scheen te strijden. Hij was doodsbleek, alsof hij in verscheidene nachten niet geslapen had; evenwel bestierde hij zijn moedig strijdros met al de bevalligheid en gemakkelijkheid, aan den besten ridder van de Tempelorde eigen. Zijn voorkomen was bij den eersten oogopslag trotsch en ontzagverwekkend; maar wanneer men hem met oplettendheid beschouwde, was er iets in zijne sombere trekken, dat het oog van zijn gelaat deed afwenden.

Aan weerskanten van den kampvechter reden Conrad De Mont-Fitchet en Albert De Malvoisin, als zijne beste vrienden. Zij hadden hunne vredeskleederen aan, het witte gewaad der Orde. Achter hen volgden andere ridders van den Tempel, met een langen stoet schildknapen en pages, in het zwart gekleed, die naar de eer streefden om eens ridders der Orde te worden. Na deze nieuwelingen kwam eene wacht van voetknechten, in dezelfde zwarte kleeding, in wier midden men de ranke gedaante der aangeklaagde ontwaarde, die met langzame maar onverschrokken schreden het tooneel, waar haar lot beslist zou worden, betrad. Zij was van al haar sieraden beroofd, uit vrees dat er een of ander dier amuletten onder mocht zijn, welke men veronderstelde, dat de Satan aan zijne slachtoffers schonk, om hen te beletten iets te bekennen, zelfs wanneer zij op de pijnbank lagen. Een grof, wit gewaad, van het eenvoudigste maaksel, had haar Oostersche kleeding vervangen; maar in haar blikken schitterde zulk een uitstekende vereeniging van moed en onderwerping, dat zij zelfs in deze kleeding, en zonder eenigen anderen tooi dan haar lange, zwarte lokken, tranen lokte uit ieder oog, dat haar aanschouwde; en zelfs de verhardste en bijgeloovigste mensch betreurde het lot van een zoo schoon schepsel, dat een werktuig der zonde en eene slavin van den Satan geworden was.

Een menigte personen van minderen rang, die tot de Preceptorij behoorden, volgden het slachtoffer, allen gingen in de grootste orde, met gekruiste armen en neergeslagene blikken.

Deze optocht besteeg langzaam den kleinen heuvel, op welks top de toernooiplaats lag, trad in het strijdperk, trok het eenmaal van de rechter naar de linker zijde rond, en maakte halt, zoodra dit gebeurd was. Hierop ontstond er een kort gedruisch, daar de Grootmeester en allen, die hem vergezelden, behalve den kampioen en zijne twee vrienden, van de paarden stegen, welke de schildknapen, die gereed stonden, dadelijk buiten het strijdperk brachten.

De ongelukkige Rebekka werd naar den zwarten stoel, welke bij den brandstapel stond, geleid. Bij de eersten blik op de verschrikkelijke plek, waar men toebereidselen tot een dood maakte, even vreeselijk voor het gemoed als pijnlijk voor het lichaam, bespeurde men, dat zij sidderde en de oogen sloot, zonder twijfel zacht biddende, want hare lippen bewogen zich, ofschoon men geen woord hoorde. Na verloop van eene minuut opende zij de oogen, zag strak naar den brandstapel, alsof ze zich met dit voorwerp wilde gemeenzaam maken, en toen wendde ze het hoofd langzaam en ongedwongen af.

Intusschen had de Grootmeester zijne zitplaats ingenomen, en toen de ridders der Orde, weder volgens hun rang, rondom en achter hem geschaard waren, kondigde een luid en lang trompetgeschal aan, dat de rechters zitting genomen hadden. Daarop trad Malvoisin voorwaarts, en legde den handschoen der Jodin, als het pand van den strijd, voor de voeten van den Grootmeester.

"Dappere gebieder en eerwaarde vader," zei hij, "hier staat de ridder, Brian De Bois-Guilbert, Preceptor van de Orde des Tempels, die door het opnemen van het strijdpand, hetwelk ik thans voor uwe voeten leg, zich verbonden heeft, om heden in het gevecht zijn plicht te doen, en te bewijzen, dat dit Joodsche meisje, Rebekka genaamd, te recht het vonnis verdiend heeft, dat door een Kapittel van deze zeer heilige Orde van den Tempel van Sion tegen haar is uitgesproken, en waardoor ze veroordeeld is als tooveres te sterven;--hier, zeg ik, staat hij, om ridderlijk en eervol voor dat oordeel te strijden, zoo dit uw edele en heilige wil zij!"

"Heeft hij den eed gedaan, dat zijne zaak billijk en eerlijk is?" zei de Grootmeester. "Breng het crucifix en het _Te igitur_."

"Heer, en zeer eerwaarde vader," antwoordde Malvoisin dadelijk, "onze broeder heeft de waarheid zijner beschuldiging reeds bezworen in handen van den Ridder Conrad De Mont-Fitchet; en op eene andere wijze mag hij niet zweren, daar zijne tegenpartij, een ongeloovige is en niet tot den eed kan worden toegelaten."

Deze verklaring was tot Alberts groote vreugde voldoende; want de listige ridder had de groote moeielijkheid, of liever de onmogelijkheid voorzien, om Brian De Bois-Guilbert over te halen dezen eed voor de vergadering te doen, en hij had deze uitvlucht bedacht, om hem de noodzakelijkheid daarvan te besparen.

Nadat de Grootmeester de verontschuldiging van Albert de Malvoisin aangenomen had, beval hij den heraut voorwaarts te treden en zijn ambt te verrichten. De trompetten lieten zich weder hooren, de heraut kwam te voorschijn en riep met luider stem: "Hoort, hoort, hoort!--Hier staat de dappere ridder, Brian De Bois-Guilbert, gereed om te strijden tegen iederen vrijgeboren ridder, die de zaak van de Jodin Rebekka wil verdedigen, aan wie het vergund is door middel van een kampvechter te strijden, daar ze in eigen persoon niet in het strijdperk verschijnen kan; en aan dezen kampvechter vergunt de eerwaarde en dappere Grootmeester hier tegenwoordig, een vrij veld, en gelijk voordeel van zon en wind, en al wat er verder tot een eerlijken strijd behoort!" De trompetten lieten zich nog eens hooren en er heerschte gedurende eenige minuten doodsche stilte.

"Er verschijnt geen kampioen voor de aangeklaagde," zei de Grootmeester. "Ga, heraut, en vraag haar, of zij iemand verwacht, om de wapens voor haar in deze zaak op te nemen." De heraut ging naar den stoel, waarop Rebekka zat, en Bois-Guilbert plotseling zijn paard naar dat einde van het strijdperk wendende, was, in weerwil van de wenken van Malvoisin en Mont-Fitchet, even schielijk als de heraut naast Rebekka's stoel.

"Is dit in den regel en naar de wet van den strijd?" vroeg Malvoisin, den Grootmeester aanziende.

"Dat is het, Albert de Malvoisin," antwoordde Beaumanoir; "want in het beroep op een Godsgericht mogen wij de partijen niet beletten die gemeenschap met elkander te hebben, welke het best dienen kan, om de waarheid aan het licht te brengen."

Intusschen sprak de heraut tot Rebekka in deze woorden: "Meisje, de geëerde en hoogeerwaarde Heer Grootmeester vraagt, of gij een kampvechter hebt, om op dezen dag voor u te strijden, dan of gij het tegen u uitgesproken vonnis voor rechtvaardig erkent?"

"Zeg aan den Grootmeester," hernam Rebekka, "dat ik mijn onschuld staande houd, en mij niet als rechtvaardig veroordeeld erken, omdat ik niet schuldig mag worden aan mijn eigen dood. Zeg hem, dat ik zulk uitstel vorder, als zijne wetten toelaten, om te zien, of God, die dikwijls in den uitersten nood uitkomst schenkt, mij een verlosser zenden zal; en als die tijd verloopen is, dan geschiede Zijn heilige wil!"

De heraut verwijderde zich, om dit antwoord aan den Grootmeester over te brengen.

"God verhoede!" zei Lucas Beaumanoir, "dat Jood of Heiden ons van onrechtvaardigheid zou beschuldigen.--Tot de schaduwen inplaats van westwaarts, oostwaarts vallen, willen wij wachten om te zien, of een kampvechter voor die ongelukkige verschijnt!"

De heraut deelde het besluit des Grootmeesters aan Rebekka mede, die het hoofd onderdanig boog, de armen kruiste, en naar den hemel ziende, die hulp van boven scheen te verwachten, welke zij zich van de menschen nauwelijks meer beloven durfde. Gedurende deze ijselijke stilte, trof de stem van Bois-Guilbert haar oor;--het was slechts een gefluister, en toch verschrikte het haar meer, dan de opeisching van den heraut.

"Rebekka," zei de Tempelier, "hoort gij mij?"

"Ik heb niets met u te doen, wreed, hardvochtig man!" antwoordde het ongelukkig meisje.

"Maar verstaat gij mijn woorden wel?" vroeg de Tempelier; "want de klank mijner stem is verschrikkelijk in mijn eigene ooren. Ik weet te nauwernood op wat grond wij staan, of waarom men ons hierheen gebracht heeft.--Dit strijdperk,--deze stoel,--deze takkenbossen,--ik weet de beteekenis van dit alles, en echter komt het mij als iets onwezenlijks voor, als een verschrikkelijke nachtelijke verschijning, welke mijn geest met afgrijselijke beelden vervult, zonder mijn verstand te overtuigen."

"Mijn verstand en mijn zinnen erkennen den wezenlijken tijd en de plaats," antwoordde Rebekka, "en zeggen mij duidelijk, dat deze takkenbossen bestemd zijn om mijn lichaam te verteren, en mij een smartelijken, maar korten weg naar een betere wereld te openen."

"Droomen, Rebekka, droomen!" hernam de Tempelier. "IJdele verbeeldingen, welke de wijsheid van uwe eigene Sadduceërs verworpen heeft. Hoor mij, Rebekka," vervolgde hij met vuur; "gij hebt eene betere kans op leven en vrijheid, dan gindsche schurken en die domkop zich verbeelden. Stijg achter op mijn paard,--op Zamor, het dappere ros, dat zijn ruiter nooit teleurstelde. Ik heb het in een tweegevecht met den Sultan van Trebizonde gewonnen.--Stijg achter mij op, zeg ik; in een klein uur zijn wij aan alle vervolging en nasporing ontkomen:--een nieuwe wereld van genot opent zich voor u,--en voor mij een nieuwe loopbaan van roem. Laat hen het vonnis uitspreken, dat ik veracht, en den naam van Bois-Guilbert van de lijst hunner kloosterslaven uitschrappen! Ik zal iedere vlek, waarmede zij mijn wapen bespatten, met bloed afwasschen!"

"Verzoeker!" hervatte Rebekka, "Wijk van mij!--Zelfs in dezen uitersten nood kunt gij mij geen haarbreed doen wijken.--Door vijanden omringd, zooals ik nu ben, houd ik u voor den ergsten en doodelijksten van allen; wijk van mij in den naam van God!"

Albert Malvoisin, die ongeduldig en onrustig werd over de langdurigheid van haar gesprek, naderde thans om het af te breken.

"Heeft het meisje hare schuld bekend?" vroeg hij Bois-Guilbert; "of blijft ze bij haar ontkenning volharden?"

"Zij _volhardt_ inderdaad!" antwoordde Bois-Guilbert.

"Dan moet gij uwe plaats weder innemen om den uitslag af te wachten, edele broeder," zei Malvoisin;--"de schaduw rukt verder op den zonnewijzer;--kom, dappere Bois-Guilbert,--kom, gij steun van onze heilige Orde, gij die weldra ons opperhoofd zult zijn!" Terwijl hij dit op vleienden toon zeide, legde hij de hand op den teugel van den ridder, alsof hij hem naar zijne plaats terug leiden wilde.

"Valsche schurk! wat beteekent die hand op mijn teugel?" riep Bois-Guilbert op toornigen toon. En, de hand van zijn makker terugstootende, reed hij naar het bovenste einde van het strijdperk terug.

"Er zit nog moed in hem," zei Malvoisin ter zijde tegen Mont-Fitchet, "zoo het maar goed geleid wordt;--maar, evenals het Grieksche vuur, verbrandt het alles, wat in de nabijheid komt."

De rechters hadden nu twee uren in het strijdperk getoefd, te vergeefs op de aankomst van een kampvechter wachtende.

"Ik begrijp de reden zeer goed," zei broeder Tuck; "het is, omdat ze eene Jodin is,--en evenwel, bij mijn orde, het is hard, dat een zoo jong en bekoorlijk schepsel sterven moet, zonder dat er één slag tot hare verdediging gedaan wordt. Al ware ze tienmaal eene heks, als ze maar een droppeltje Christenbloed in de aderen had, dan zou mijn knots op den stalen helm van gindschen trotschen Tempelier dansen, eer hij er zoo gemakkelijk afkwam!"

Het was echter het algemeen geloof, dat niemand voor eene Jodin die van tooverij beschuldigd werd, kon of wilde verschijnen, en de ridders, aangezet door Malvoisin, fluisterden elkander toe, dat het tijd werd Rebekka's pand voor verbeurd te verklaren. Op dit oogenblik verscheen er een ridder, die zijn paard tot haast aanspoorde, op de vlakte, die tot het strijdperk leidde. Honderd stemmen riepen: "Een kampvechter! een kampvechter!" en in weerwil van de vooringenomenheid en vooroordeelen van de menigte, juichten allen luid, toen de ridder op de toernooiplaats reed. De tweede blik echter diende om de hoop, die zijne aankomst, zoo juist op het rechte tijdstip, verwekt had, te vernietigen. Zijn paard, dat verscheidene mijlen met den uitersten spoed geloopen had, scheen van vermoeidheid te struikelen, en de ruiter, hoe onverschrokken hij zich in het strijdperk vertoonde, scheen door zwakheid, of vermoeienis, of door beide, nauwelijks in staat, om zich in den zadel te houden.

Op de opeisching van den heraut, die naar zijn rang, zijn naam en zijn voornemen vroeg, antwoordde de vreemde ridder vlug weg en stout: "Ik ben een goed en edelgeboren ridder; en kom hier, om met lans en zwaard de rechtvaardige en goede zaak van dit meisje, Rebekka, de dochter van Izaäk van York, staande te houden; om het tegen haar uitgesproken vonnis voor onrechtvaardig en waarheidschendend te verklaren, en om den ridder Brian De Bois-Guilbert uit te dagen als een verrader, moordenaar en leugenaar; wat ik in dit veld met mijn lichaam tegen het zijne staande wil houden, met behulp van God, onze Heilige Maagd, en van St. George, den heiligen ridder!"

"De vreemdeling moet eerst bewijzen," zei Malvoisin, "dat hij een edele ridder en van eervolle afkomst is. De Tempel zendt zijne kampioenen niet tegen naamlooze mannen af."

"Mijn naam," antwoordde de ridder, zijn helm afnemende, "is bekender en mijn stam edeler dan de uwe, Malvoisin. Ik ben Wilfrid van Ivanhoe."

"Ik wil niet met u vechten," zei de Tempelier, met een veranderde, holle stem. "Laat uwe wonden heelen, verschaf u een beter paard, en dan zal ik het misschien niet beneden mij keuren om uwe kinderachtige snoeverij te tuchtigen!"

"Ha! trotsche Tempelier," hervatte Ivanhoe, "hebt gij vergeten, dat gij tweemaal voor deze lans bezweken zijt? Denk aan het strijdperk van Accre,--denk aan het toernooi van Ashby,--denk aan uw trotsche snoeverij in de zalen van Rotherwood, en aan het pand van uw gouden keten tegen mijn reliquie, dat gij met Wilfrid van Ivanhoe strijden en uw verloren eer herwinnen wildet! Bij dit kistje en de heilige reliquie, die het bevat, zal ik u, Tempelier, aan ieder hof van Europa, in iedere Preceptorij van uw Orde, voor een lafaard verklaren, zoo gij niet zonder verder uitstel met mij strijdt!"

Bois-Guilbert wendde zijn hoofd besluiteloos naar Rebekka, en riep toen, met een woesten blik op Ivanhoe: "Hond van een Sakser, neem uw lans, en wees voorbereid op den dood, welken gij u berokkend hebt!"

"Vergunt de Grootmeester mij het gevecht?" vroeg Ivanhoe.

"Ik mag niet weigeren, wat gij gevorderd hebt," antwoordde de Grootmeester, "mits het meisje u tot haar kampvechter aanneemt. Echter wenschte ik, dat gij u in een beteren toestand bevondt om te kunnen vechten. Gij zijt altijd een vijand van onze Orde geweest; maar ik wilde toch gaarne, dat gij eervol streedt."

"Zoo als ik ben, en niet anders," hernam Ivanhoe; "het is een Godsgericht;--in Zijn hoede beveel ik mij aan!--Rebekka," zei hij, naar den noodlottigen stoel rijdende, "neemt gij mij tot uw kampvechter aan?"

"Dat doe ik, dat doe ik!" antwoordde zij, met eene aandoening, welke zelfs de vrees voor den dood niet bij haar had kunnen opwekken; "ik neem u als den kampvechter aan, welken de hemel mij gezonden heeft. Maar neen, neen,--uwe wonden zijn nog niet genezen!--Vecht niet met dezen woesten man,--waarom zoudt gij op deze wijze omkomen?"

Maar Ivanhoe was reeds op zijn post, en had zijn vizier gesloten en zijn lans opgenomen. Bois-Guilbert deed hetzelfde, en zijn schildknaap bemerkte, toen hij zijn vizier sloot, dat zijn gelaat, dat niettegenstaande de verschillende aandoeningen, door welke hij geschokt werd, den geheelen morgen doodsbleek geweest was, nu eensklaps vuurrood geworden was.

De heraut, beide kampvechters op hun plaats ziende, verhief zijn stem en herhaalde drie malen; "_Faites vos devoirs, preux chevaliers!_" Na den derden uitroep begaf hij zich naar de andere zijde van het strijdperk en maakte opnieuw bekend, dat niemand, op straf van een oogenblikkelijken dood, door woorden, geschreeuw of daden dezen edelen strijd mocht verhinderen of storen. De Grootmeester, die het pand voor den strijd, Rebekka's handschoen, in de hand hield, wierp dien thans in het strijdperk, en sprak de noodlottige woorden uit: "_Laissez aller!_"

De trompetten klonken en de ridders renden in volle vaart tegen elkander. Het vermoeide paard van Ivanhoe en zijn niet minder afgematte ruiter vielen, zooals allen verwacht hadden, voor de welgerichte lans en het sterke paard van den Tempelier ter neêr. Dezen uitslag van het gevecht hadden allen voorzien; maar ofschoon Ivanhoe's speer als het ware maar even het schild van Bois-Guilbert aangeraakt had, wankelde deze, tot verbazing van alle aanschouwers, in den zadel, verloor de stijgbeugels, en rolde in het strijdperk.

Ivanhoe, zich van zijn gevallen paard losmakende, sprong ijlings op, om zijn geleden nadeel door het zwaard weder te vergoeden; maar zijn vijand bleef liggen. Wilfrid zette zijn voet op zijn keel, hem bevelende zich over te geven, zoo hij niet dadelijk des doods wilde zijn. Bois-Guilbert gaf geen antwoord.

"Dood hem niet, heer ridder!" riep de Grootmeester; "dood hem niet, zonder biecht en aflaat;--dood niet lichaam en ziel tegelijk. Wij erkennen hem voor overwonnen!"

Hij trad in het strijdperk, en beval dat men den overwonnen kampioen den helm afnemen zou. Diens oogen waren gesloten;--de donkerroode gloed lag nog op zijn gelaat. Toen men verbaasd op hem zag, openden zich zijn oogen;--maar ze waren verglaasd en zonder uitdrukking. Het rood verdween van zijn aangezicht en maakte plaats voor een doodsche bleekheid. Ongekwetst door de lans van zijn vijand, was hij gevallen als een slachtoffer van het geweld zijner eigene woeste driften.

"Dit is inderdaad een Godsgericht!" zei de Grootmeester, naar boven ziende:--"_Fiat voluntas tua!_"

VIER-EN-VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Zoo loopt het ten einde, gelijk een oud' wijven sprookje.

Webster.

Toen de eerste oogenblikken van verbazing voorbij waren, vroeg Wilfrid van Ivanhoe aan den Grootmeester, als kamprechter, of hij zijn plicht in het gevecht manhaftig en eerlijk gedaan had?

"Manhaftig en eerlijk," antwoordde de Grootmeester; "ik verklaar het meisje voor vrij en onschuldig!--De wapens en het lijk van den overleden ridder zijn ter beschikking des overwinnaars."

"Ik wil hem van zijne wapens niet berooven," hernam de ridder van Ivanhoe; "en zijn lichaam niet aan de schande prijs geven;--hij heeft vroeger voor de Christenheid gestreden;--Gods arm, en geene menschenhand heeft hem heden ter neêr geveld. Maar laat zijne begrafenis stil zijn, gelijk het betaamt voor iemand, die in eene onrechtvaardige zaak gesneuveld is.--En wat het meisje betreft,--"

Hier werd hij verhinderd voort te gaan door het getrappel van paarden, welke in zulk een groot aantal en zoo schielijk aankwamen, dat de grond er onder dreunde; en de Zwarte Ridder joeg in het strijdperk, gevolgd door een talrijke bende gewapenden en verscheidene ridders, in volle wapenrusting.

"Ik kom te laat!" zei hij, rondziende. "Ik had Bois-Guilbert voor mijn eigen deel uitverkoren--Ivanhoe, was het goed gedaan, dat gij zulk een waagstuk op u naamt, daar gij nog nauwelijks in staat waart in den zadel te blijven?"

"De hemel," antwoordde Ivanhoe, "heeft dezen trotschen man tot zijn slachtoffer verkozen, mijn Vorst. Hem moest de eer niet wedervaren, door uw hand te sterven."

"Vrede zij met hem!" zei Richard ernstig op het lijk starende, "als het zoo zijn kan:--hij was een dapper ridder, en is ridderlijk in zijn stalen harnas gestorven. Maar wij moeten geen tijd verspillen.--Bohun, verricht uw ambt!"

Een ridder uit des Konings gevolg trad voor, en de hand op den schouder van Albert de Malvoisin leggende zei hij: "Ik neem u in hechtenis, wegens hoogverraad!"

De Grootmeester had tot hiertoe verbaasd gestaan over de verschijning van zoo vele krijgslieden. Thans sprak hij: "Wie durft een ridder van den Tempel van Sion binnen den omtrek van zijn eigene Preceptorij en in tegenwoordigheid van den Grootmeester, in hechtenis nemen? En op wiens gezag geschiedt deze stoute beleediging?"

"Ik neem hem in hechtenis," hernam de ridder;--"Ik, Henry Bohun, Graaf van Essex, Groot-Connetable van Engeland."

"En hij neemt Malvoisin in hechtenis," zei de Koning, zijn vizier openende, "op bevel van Richard Plantagenet, hier tegenwoordig. Conrad Mont-Fitchet, het is uw geluk, dat gij niet mijn onderdaan van geboorte zijt.--Maar wat u betreft, Malvoisin, gij sterft met uw broeder Philips, eer de wereld een week ouder wordt!"

"Ik verzet mij tegen uw vonnis," zei de Grootmeester.

"Trotsche Tempelier," hervatte de Koning, "dat kunt gij niet;--zie, de koninklijke standaard van Engeland wappert boven uw torens in plaats van de banier van uw Tempel!--Wees verstandig, Beaumanoir, en bied geen nutteloozen tegenstand.--Uwe hand is in den leeuwenmuil!"

"Ik zal te Rome tegen u appelleeren," zei de Grootmeester, "wegens inbreuk op de rechten en vrijheden van onze Orde."

"Het zij zoo!" hernam de Koning; "maar om uw eigen wil, beschuldig mij thans niet van overweldiging.--Ontbind uw Kapittel, en vertrek met uw aanhangers naar de naaste Preceptorij, welke geen tooneel van verraderlijke samenzwering tegen den Koning van Engeland geworden is, indien gij een dusdanige vinden kunt.--Of, zoo gij wilt, blijf dan, om in onze gastvrijheid te deelen, en onze gerechtigheid te aanschouwen."

"Ik een gast in het huis, waar ik bevelen moest?" zei de Tempelier. "Nooit!--Kapelanen, heft den Psalm aan: _Quare fremuerunt gentes?_--Ridders, knapen en dienaren van den heiligen Tempel, bereidt u om de banier van _Beau-Séant_ te volgen!"

De Grootmeester sprak met eene waardigheid, welke zelfs die van Engelands Koning evenaarde, en zijn verrasten en verschrikten aanhangers moed inboezemde. Zij verzamelden zich rondom hem, gelijk de schapen rondom den herdershond, als zij het gehuil van den wolf hooren. Maar zij vertoonden de vreesachtigheid van de wollige kudde niet;--hun sombere blikken en houding gaven eene vijandige gezindheid en bedreigingen te kennen, welke zij niet in woorden durfden uitdrukken. Zij trokken bijeen, één donkere reeks van speren vormende, waarin de witte mantels der ridders uitblonken tusschen de sombere kleeding van hun dienaars, gelijk de lichte randen van een zwarte wolk. De menigte, welke luide kreten van haat had doen hooren, zweeg en zag in stilte op de geduchte en ervarene bende, welke zij op een zoo onbedachtzame wijze getergd had, en week vreesachtig terug.